Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2020:3152

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
05-08-2020
Datum publicatie
05-08-2020
Zaaknummer
C/16/505177 / KG ZA 20-316
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Onrechtmatige inbreuk op eigendomsrecht weiland, gebruiker moet door hem geplaatst vee, schrikdraad en slot verwijderen, geen verplichting tot aanbieden huurovereenkomst.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Civiel recht

handelskamer

locatie Utrecht

zaaknummer / rolnummer: C/16/505177 / KG ZA 20-316

Vonnis in kort geding van 5 augustus 2020

in de zaak van

[eiser] ,

wonend in [woonplaats 1] ,

eiser in conventie,

verweerder in reconventie,

advocaat: mr. J.P.H.C. Swarts,

tegen

[gedaagde] ,

wonend in [woonplaats 2] ,

gedaagde in conventie,

eiser in reconventie,

advocaat: mr. Nagtegaal.

Partijen zullen hierna [eiser] en [gedaagde] genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding met producties 1 tot en met 5;
    - producties 6 van [eiser] ;
    - de akte van eis in reconventie met producties 1 tot en met 4;

  • -

    productie 5 van [gedaagde] ;

  • -

    producties 6 en 7 van [gedaagde] ;

  • -

    de mondelinge behandeling waarvan de griffier aantekening heeft gehouden;

  • -

    de pleitnota van [eiser] ;

  • -

    de pleitnota van [gedaagde] .

1.2.

Ten slotte is bepaald dat er vonnis zal worden gewezen.

2 Waar gaat het over in deze zaak?

2.1.

[eiser] heeft sinds 5 juni 2002 in eigendom een stuk weiland aan de [straatnaam] in [plaatsnaam] , kadastraal bekend gemeente [plaatsnaam] , sectie [sectie-aanduiding] , nummer [nummeraanduiding] , kadastrale grootte 26.560 m2 (hierna: het weiland). De eigendomsverkrijging berustte op een koopovereenkomst die hij eerder dat jaar sloot met zijn vader als verkoper.

2.2.

Van oudsher was het weiland, dat tegenover het woonhuis van [gedaagde] ligt, van [gedaagde] . Hij verkocht het weiland in 2001 (of eerder) aan de vader van [eiser] . [gedaagde] en de vader van [eiser] namen de volgende afspraak op in hun (ver)koopovereenkomst:

Partijen zijn overeengekomen dat de verkoper het verkochte om niet mag blijven gebruiken tot hij de leeftijd van zeven en zestig jaar heeft bereikt, danwel eerder hij zijn veehoudersbedrijf daadwerkelijk beëindigt. Verkoper zal alsdan het verkochte leveren en zal alsdan door koper worden aanvaard in de feitelijke staat, waarin het zich ten tijde van het sluiten van de koopovereenkomst bevond, echter alsdan geheel ontruimd vrij van huur of pacht of ander gebruiksrecht, tenzij alsdan een huurovereenkomst wordt gesloten voor telkens één jaar. Koper is op straffe van een boete van tienduizend gulden gebonden om eerst de grond in huur aan te bieden aan de verkoper voor maximaal de helft van een marktconforme huurprijs, tenzij door een dergelijke huurovereenkomst de verkoper langlopende gebruiks- of kooprechten krijgt. Deze verplichting geldt ook voor de rechtsopvolgers onder algemene of bijzondere titel van koper.

Het weiland is op 10 december 2001 door [gedaagde] geleverd aan de vader van [eiser] . De bedoelde verplichting jegens [gedaagde] is ten laste van [eiser] ook opgenomen in de (doorver)koopovereenkomst die hij in 2002 met zijn vader sloot.

2.3.

[gedaagde] bereikte op [datum] 2007 de leeftijd van 67 jaar. Zonder protest van [eiser] heeft [gedaagde] het weiland (net als voordien) ook nadien om niet in gebruik gehad, tot 1 januari 2018.

2.4.

[eiser] heeft in of omstreeks oktober 2017 een gesprek had met [gedaagde] , waarin hij meedeelde het gratis gebruik van het weiland door [gedaagde] beëindigd te willen zien en waarin hij hem aanbood het weiland voortaan te huren. Volgens [eiser] wilde [gedaagde] dit niet en zei dat hij het weiland niet meer nodig had. [eiser] heeft toen gezegd dat hij dan een huurovereenkomst met de heer [A] aan zou gaan en [gedaagde] was daarmee akkoord. Hij heeft, bij de nadering van de winter van 2017/2018, zijn vee van het weiland gehaald. Sinds 1 januari 2018 verhuurt [eiser] het weiland aan de heer [A] . In 2018 was dit zonder problemen, maar in de zomer van 2019 is [gedaagde] het weiland weer gaan gebruiken, door zijn eigen vee er weer op te zetten, een slot om het toegangshek te hangen en een stuk weiland af te bakenen met schrikdraad. [A] kan daardoor niet (volledig) gebruik maken van het weiland en wil daarom de met hem overeengekomen huurprijs van € 2.500 per jaar niet betalen. De schade van [eiser] is inmiddels 2 jaar aan huurinkomsten van [A] , aldus [eiser] .

2.5.

[eiser] vordert in deze procedure (kort gezegd) dat [gedaagde] de inbreuken op het eigendomsrecht van [eiser] ongedaan maakt en het weiland ontruimt. Voor het geval [gedaagde] dit niet doet, vraagt [eiser] een machtiging om dit zelf te mogen doen op kosten van [gedaagde] . Daarnaast vordert hij een schadevergoeding van € 5.000 voor de misgelopen huurinkomsten.

2.6.

[gedaagde] voert verweer. Allereerst heeft [eiser] volgens [gedaagde] geen spoedeisend belang bij zijn vordering, omdat hij nu pas een vordering instelt terwijl [eiser] eerder niet reageerde op verzoeken van [gedaagde] om samen tot een oplossing te komen en omdat [eiser] stelt dat [gedaagde] al een jaar inbreuk maakt op zijn eigendomsrecht. Daarnaast voert [gedaagde] aan dat van een blokkade of belemmering van de toegang tot het weiland geen sprake is. Hij heeft namelijk maar om één van de twee toegangshekken een slot gehangen en het door hem geplaatste schrikdraad had als functie om het vee van hem en [A] gescheiden te houden. De door hem uitgevoerde handelingen zijn overigens niet onrechtmatig, aldus [gedaagde] . De afspraak is namelijk dat hij het weiland kan gebruiken zolang hij een veehoudersbedrijf heeft en dat is nog steeds het geval. In zijn brief van 7 mei 2020 aan [eiser] is bovendien vermeld dat [gedaagde] bereid is een vergoeding te betalen voor zijn gebruik van het weiland. Daarmee is ook uitvoering gegeven aan de financiële voorwaarde waaronder [gedaagde] het weiland mag blijven gebruiken krachtens het onder 2.2. genoemde beding. Tegen de schadevergoedingsvordering van [eiser] voert [gedaagde] tenslotte aan dat deze onvoldoende is onderbouwd, omdat [eiser] geen stukken heeft overgelegd waaruit blijkt dat hij met [A] een huurovereenkomst heeft gesloten en voor welk bedrag.

2.7.

[gedaagde] stelt daarnaast een reconventionele vordering in. Volgens hem komt [eiser] de afspraak uit de leveringsakte namelijk niet na. Omdat hij nog steeds een veehoudersbedrijf heeft, mag hij het weiland gebruiken en moet [eiser] hem een huurovereenkomst aanbieden omdat hij (al gedurende langere tijd) de leeftijd van 67 jaar heeft bereikt. Primair vordert hij dan ook dat [eiser] wordt verplicht om een huurovereenkomst aan hem ( [gedaagde] ) aan te bieden, met een daaraan te verbinden ontbindende voorwaarde. Subsidiair vordert hij dat [eiser] wordt veroordeeld te gedogen dat [gedaagde] het weiland gebruikt tot in een bodemprocedure is beslist op de vraag of [eiser] hem de bedoelde huurovereenkomst moet aanbieden en of [gedaagde] zijn gebruik van het weiland moet staken. Hij beroept zich, behalve op het onder 2.2. genoemde beding, op de stilzwijgend door [eiser] verleende toestemming om het weiland ook na zijn 67e verjaardag te blijven gebruiken.

3 De beoordeling in conventie en in reconventie

Spoedeisend belang

3.1.

Het spoedeisend belang van de vorderingen van [eiser] vloeit voort uit de aard van de vorderingen. Een vordering over een onrechtmatige inbreuk op een eigendomsrecht leent zich voor behandeling in kort geding. Dat [eiser] , zoals [gedaagde] aanvoert, zijn vorderingen pas nu instelt terwijl hij stelt dat [gedaagde] het weiland al een jaar blokkeert en [eiser] niet inging op de voorstellen van [gedaagde] , doet aan dat spoedeisend karakter niet af.

3.2.

Ook [gedaagde] heeft een spoedeisend belang bij zijn vordering, alleen al doordat [eiser] in conventie de vordering tot ontruiming van het weiland door [gedaagde] heeft ingesteld.

Wat is het oordeel van de voorzieningenrechter?

3.3.

De eerste vordering van [eiser] strekt tot ontruiming van het weiland door [gedaagde] . Deze vordering zal worden toegewezen. Partijen zijn het erover eens dat het weiland eigendom is van [eiser] . [gedaagde] maakt onrechtmatig inbreuk op het eigendomsrecht van [eiser] door zijn vee op het weiland te zetten en een slot om het toegangshek te hangen. [gedaagde] doet dit namelijk zonder recht of titel. Dit oordeel zal hieronder worden gemotiveerd.

Waarom oordeelt de voorzieningenrechter op die manier?

3.4.

Eigendom is het meest omvattende recht dat een persoon op een zaak kan hebben (artikel 5:1 van het Burgerlijk Wetboek). Partijen zijn het erover eens dat het weiland eigendom is van [eiser] . [gedaagde] moet dat eigendom respecteren en mag het weiland dus niet gebruiken, tenzij hij daar een recht toe heeft. In deze procedure mag van [gedaagde] worden verlangd dat hij dat recht stelt en in dit kort geding aannemelijk maakt. Het meest verstrekkende standpunt van [gedaagde] is dat hij het recht heeft om gratis gebruik te maken van het weiland zolang hij een veehoudersbedrijf heeft en dat dat ook nu nog steeds het geval is.

3.5.

De voorzieningenrechter oordeelt dat dat door [gedaagde] ingeroepen recht niet voldoende aannemelijk is geworden. Het recht op gratis gebruik, zoals opgenomen in de afspraak als genoemd onder 2.2., gold tot [gedaagde] de leeftijd van 67 had bereikt of tot hij, zoveel eerder, zou stoppen met zijn veehoudersbedrijf. Die afspraak is destijds tussen [gedaagde] en de vader van [eiser] notarieel vastgelegd, in elk geval in de toenmalige leveringsakte (waarvan de tekst gedeeltelijk is opgenomen in de akte waarbij het weiland door de vader van [eiser] aan [eiser] is geleverd, productie 1 bij dagvaarding). De notaris moet van die afspraak kennis hebben gekregen doordat hem die door de toenmalige partijen is meegedeeld en hij zal de aktetekst bij het passeren van de akte ook nog aan die partijen hebben voorgehouden. [gedaagde] heeft geen feiten en omstandigheden gesteld die aannemelijk maken dat de gebruiksafspraak desondanks een andere inhoud heeft dan in die akte is vermeld. Daarbij telt in zijn nadeel dat hij een reconventionele vordering heeft ingesteld die uitgaat van de lezing van de bedoelde afspraak, zoals in de notariële akten vermeld. Dat levert immers een (niet verklaarde) tegenstrijdigheid op tussen zijn standpunt in conventie en zijn standpunt in reconventie. Het meest verstrekkende standpunt van [gedaagde] wordt daarom verworpen.

3.6.

Uit de genoemde leveringsakte tussen de vader van [eiser] en [eiser] blijkt dat [gedaagde] het weiland op 10 december 2001 aan de vader van [eiser] heeft geleverd. Onder het kopje ‘voorafgaande verkrijging’ staat namelijk het volgende:

Het verkochte werd door verkoper in eigendom verkregen krachtens de inschrijving ten kantore van de Dienst voor het kadaster en de openbare registers te Utrecht (..) op tien december tweeduizend een in deel [.] nummer [..] van het afschrift van een akte van levering op zeven december daarvoor verleden voor mij, notaris, welke akte inhoudt kwijting voor de voldoening van de koopprijs.

Uitgaande van de tekst van de gebruiksafspraak, zoals onder 2.2. omschreven, was kennelijk op 10 december 2001 al één van de geldende voorwaarden voor levering vervuld. Dit was niet de voorwaarde dat [gedaagde] de leeftijd van 67 jaar bereikte, want deze voorwaarde werd pas vervuld in 2007. Dan moet het de andere voorwaarde zijn geweest: [gedaagde] was gestopt met zijn veehoudersbedrijf en hij was dus op 10 december 2001 (tijdelijk) geen boer meer.

3.7.

Vast staat aldus dat [gedaagde] mogelijk al vanaf 10 december 2001, maar ten laatste op [datum] 2007 (toen hij 67 werd) geen recht meer had op gratis gebruik van het weiland. Daarmee strookt het feit dat [gedaagde(-s)] reconventionele vordering ook van het vervallen zijn van dat recht uitgaat.

3.8.

Op of na géén van deze momenten is uitvoering gegeven aan de bepaling dat [gedaagde] een huurovereenkomst zou kunnen krijgen met een huurprijs die de helft van de marktconforme huurprijs beliep. Er is ook niet gesteld dat [gedaagde] daar destijds op enig moment op heeft aangedrongen. [gedaagde] is het weiland wel zonder protest van (de vader van) [eiser] gratis blijven gebruiken.

3.9.

Daaruit volgt dat partijen er kennelijk voor hebben gekozen om de huurbepaling in de onder 2.2. omschreven gebruiksafspraak buiten toepassing te laten en de nieuwe situatie (zoals sinds 10 december 2001 of ten laatste sinds [datum] 2007 geldend) vorm te geven in een nieuwe juridische jas, te weten een zelfstandige (stilzwijgende) overeenkomst van onbepaalde duur tot gratis gebruik van het weiland door [gedaagde] . Deze kan zich daarom (nu zoveel jaren later) niet meer beroepen op die voorheen geldende afspraak, dus ook niet op het daarvan deel uitmakende recht de genoemde voordelige huurovereenkomst aangeboden te krijgen.

3.10.

De huidige gebruiksovereenkomst kan door [eiser] worden opgezegd, mits hij daarbij een opzegtermijn in acht neemt die recht doet aan de omstandigheden van het geval, waaronder begrepen de duur van die overeenkomst en de belangen van [gedaagde] .

3.11.

In of omstreeks oktober 2017 heeft [eiser] voor het eerst aan [gedaagde] meegedeeld dat hij van het weiland af moest, wat als opzegging van de toen geldende gebruiksovereenkomst heeft te gelden. [gedaagde] is inmiddels bijna 80 jaar, heeft (in elk geval vanaf 2018 en anders dan voorheen) nog slechts een beperkte veestapel die hij wil weiden (een aantal minikoeien, paarden, schapen en pony’s, in totaal ongeveer 15 dieren) en hij maakt (uitgaande van [datum] 2007) al bijna 13 jaren gratis gebruik van het weiland op grond van de huidige gebruiksovereenkomst. Daarbij komt dat dat gebruiksrecht voor [eiser] een economische waarde vertegenwoordigt, waarvan de omvang wordt bepaald door een grotere vee-weidemogelijkheid dan het gebruik dat samenhangt met [gedaagde(-s)] huidige veestapel. Die economische waarde kan [eiser] , zolang het gebruik door [gedaagde] voortduurt, niet of slechts gedeeltelijk verzilveren. Al deze omstandigheden onderling afwegend, komt de voorzieningenrechter tot het oordeel dat de opzegging van de gebruiksrelatie in of omstreeks oktober 2017 in ieder geval tot gevolg heeft gehad dat het gebruiksrecht van [gedaagde] thans (augustus 2020) niet meer bestaat.

3.12.

Het stond partijen vrij om, in plaats van de beëindigde gebruiksovereenkomst een huurovereenkomst met betrekking tot het weiland af te sluiten, maar dat is hen (ook in het kader van een schikkingspoging) niet gelukt. Een dergelijke overeenkomst is niet eenzijdig afdwingbaar. Bij die stand van zaken is in dit geding de slotsom dat [gedaagde] zonder recht of titel gebruik maakt van het weiland. Hij moet er dus vanaf.

Hoe zijn de vorderingen in conventie toewijsbaar?

3.13.

Specifiek vordert [eiser] (ook) dat [gedaagde] het slot om het toegangshek van het weiland en het geplaatste schrikdraad moet verwijderen. Dit zal de voorzieningenrechter toewijzen op de hieronder opgenomen wijze. Het verweer van [gedaagde] dat hij geen volledige blokkade of belemmering van de toegang van het weiland heeft veroorzaakt, is niet relevant. Het gaat erom dat alle drie voornoemde acties van [gedaagde] een inbreuk zijn op het eigendomsrecht van [eiser] . Het weiland en het toegangshek zijn van hem en [gedaagde] mag daarom zonder toestemming niet op het weiland komen, een slot om een toegangshek hangen of schrikdraad plaatsen.

Welke termijn geldt er voor de ontruiming?

3.14.

[gedaagde] zal dus worden veroordeeld om de inbreuken op het eigendomsrecht van [eiser] met betrekking tot het weiland ongedaan te maken. [eiser] vordert dat [gedaagde] dit binnen drie dagen moet doen. [gedaagde] verzoekt de rechtbank om hem een terme de grace te bieden om het vee van het weiland te halen en elders neer te zetten. Hoewel [gedaagde] niet heeft aangevoerd welke termijn voor hem redelijk zou zijn, kan de voorzieningenrechter zich voorstellen dat drie dagen (te) kort is. [gedaagde] zal een termijn van zeven dagen worden gegeven om het weiland te ontruimen en zijn vee te verplaatsen. De gevorderde dwangsom van € 1.000 per dag of dagdeel dat [gedaagde] hiermee in gebreke blijft zal worden toegewezen.

De machtiging voor ontruiming

3.15.

Voor het geval dat [gedaagde] in gebreke blijft met de ontruiming van het weiland, vordert [eiser] ook een machtiging om zelf de inbreuk op zijn eigendomsrecht door [gedaagde] ongedaan te maken, op kosten van [gedaagde] . Dit zal de voorzieningenrechter ook toewijzen, omdat tegen deze vordering geen verweer is gevoerd en hem deze niet onrechtmatig overkomt.

Is de gevorderde schadevergoeding toewijsbaar?

3.16.

[eiser] vordert daarnaast een schadevergoeding van € 5.000,00 vanwege gederfde huurpenningen. Deze vordering zal worden afgewezen.

3.17.

Doordat [gedaagde] het weiland gebruikte, kon het weiland in 2019 en 2020 niet volledig ter beschikking worden gesteld aan [A] . [eiser] stelt dat [A] om die reden over deze jaren geen huur heeft betaald en dat hij daardoor tweemaal € 2.500 mis loopt. De schadeomvang hangt echter samen met het tijdstip waarop het recht op gratis gebruik van het weiland door [gedaagde] (krachtens de laatste gebruiksovereenkomst) is geëindigd. Eerder is al geoordeeld dat [gedaagde] in elk geval nu van het weiland af moet, maar sinds wanneer hij dat moet (en of dat al sinds begin 2019 is, zoals [eiser] stelt), is afhankelijk van het antwoord op de vraag wat de precieze lengte is van de in acht te nemen, redelijke, opzegtermijn van het gebruiksrecht en (in het verlengde daarvan) op welk precies moment dat gebruiksrecht is geëindigd. In het beperkte kader van dit kort geding bestaat niet voldoende ruimte om daarover te oordelen.

De reconventionele vorderingen

3.18.

Primair vordert [gedaagde] dat [eiser] hem onder ontbindende voorwaarde een huurovereenkomst aanbiedt. Deze vordering zal worden afgewezen. Dat is gebaseerd op dezelfde gronden als hiervoor in conventie zijn verwoord, onder 3.3. tot en met 3.12. Op die gronden is immers niet aannemelijk dat de bodemrechter zal oordelen dat [gedaagde] de gewenste huurovereenkomst moet worden aangeboden. Er is dus ook geen grond om op een dergelijk oordeel in dit geding vooruit te lopen. Ook de vordering van [gedaagde] dat [eiser] moet gedogen dat hij, tot aan het oordeel in een bodemprocedure, van het weiland gebruik maakt, faalt daarom.

Proceskostenveroordeling

3.19.

Omdat de vorderingen van [eiser] grotendeels worden toegewezen, zal [gedaagde] de proceskosten moeten betalen. De kosten aan de kant van [eiser] worden in conventie begroot op:

- explootkosten € 102,59
- griffierecht € 937,00
- salaris advocaat € 633,00 +
Totaal € 1.672,59

De beslissing zal uitvoerbaar bij voorraad worden verklaard. De nakosten, waarvan [eiser] betaling vordert, zullen op de in het dictum weergegeven wijze worden begroot.

3.20.

Ook de proceskosten in de procedure in reconventie komen voor rekening van [gedaagde] , omdat zijn vorderingen worden afgewezen. De kosten aan de kant van [eiser] in reconventie worden begroot op € 316,50 (0,5 punt) aan salaris voor de advocaat.

4 De beslissing

De voorzieningenrechter

in conventie

4.1.

veroordeelt [gedaagde] om binnen zeven dagen na betekening van dit vonnis de volgende inbreuken op het eigendomsrecht van [eiser] ongedaan te maken met betrekking tot het perceel weiland van [eiser] , gelegen aan de [straatnaam] in [plaatsnaam] , kadastraal bekend gemeente [plaatsnaam] , sectie [sectie-aanduiding] , nummer [nummeraanduiding] , kadastrale grootte 26.560 m2:

- het plaatsen van sloten op het toegangshek van het weiland;

- het plaatsen van schrikdraad in het weiland;

- het plaatsen van vee in het weiland;

- het plaatsen van roerende zaken in het weiland, waaronder vervoersmiddelen en/of landbouwmachines, dit tevens ter hoogte van de ingang van het weiland, waardoor de ingang van het weiland wordt geblokkeerd en daarmee wordt belemmerd;

4.2.

veroordeelt [gedaagde] om na de onder 4.1. omschreven zevendaagse termijn het weiland ontruimd te houden en verbiedt hem om, op welke wijze dan ook, het weiland nadien (opnieuw) in gebruik te nemen dan wel anderszins te betreden;

4.3.

veroordeelt [gedaagde] om het perceel binnen zeven dagen na betekening van dit vonnis ter vrije beschikking te stellen aan [eiser] , één en ander op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 1.000,00 per dag of dagdeel dat [gedaagde] in gebreke blijft aan bovenstaande te voldoen;

4.4.

machtigt [eiser] voor het geval [gedaagde] in gebreke blijft met de veroordeling onder 4.1 om de ongedaanmaking zelf te bewerkstelligen;

4.5.

bepaalt dat de kosten ter uitvoering van de onder 4.4 bedoelde machtiging ten laste komen van [gedaagde] ;

4.6.

veroordeelt [gedaagde] in de kosten van deze procedure, aan de kant van [eiser] tot op vandaag begroot op € 1.672,59, te vermeerderen met de wettelijke rente als [gedaagde] deze kosten niet binnen 14 dagen na vandaag betaalt;

4.7.

veroordeelt [gedaagde] , onder de voorwaarde dat hij niet binnen 14 dagen na aanschrijving door [eiser] volledig aan dit vonnis voldoet, in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op:
- € 246,-- aan salaris van de advocaat,
- te vermeerderen, indien betekening van het vonnis heeft plaatsgevonden, met de explootkosten van betekening van het vonnis, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf de dag van betekening tot de dag van betaling;

4.8.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

4.9.

wijst het meer of anders gevorderde af;

in reconventie

4.10.

wijst de vorderingen af;

4.11.

veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, aan de kant van [eiser] begroot op € 316,50.

Dit vonnis is gewezen door mr. R.A. Steenbergen en in het openbaar uitgesproken op 5 augustus 2020.1

1 type: coll: