Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2020:305

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
31-01-2020
Datum publicatie
25-08-2020
Zaaknummer
UTR - 19 _ 2491, UTR 19 _ 2564, UTR 19 _ 4004-T, UTR 19 _ 5157-T en UTR 20 _ 61
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Tussenuitspraak
Inhoudsindicatie

Tussenuitspraak + uitspraak op vovo's; 2 omgevingsvergunningen voor 1 bouwplan; 2 strijdigheden met bestemmingsplan onvoldoende gemotiveerd; overige beroepsgronden slagen niet; 3 verzoeken om vovo afgewezen; vgh mag woning verder afbouwen tijdens herstel.

Deze uitspraak is gepubliceerd in verband met een onderzoek van de Universiteit Utrecht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Jurisprudentie Erfrecht 2020/284
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummers: UTR 19/2491, UTR 19/2564, UTR 19/4004-T, UTR 19/5157-T, UTR 20/61

(tussen)uitspraak van de voorzieningenrechter van 31 januari 2020 op de beroepen en de verzoeken om voorlopige voorziening in de zaak tussen

[verzoeker 1] ,

[verzoeker 2] ,

[verzoeker 3] ,

[verzoeker 4] ,

[verzoeker 5] ,

[verzoeker 6] ,

[verzoeker 7] ,

[verzoeker 8] en

[verzoeker 9] ,

allen te [woonplaats] , verzoekers,

(gemachtigden: mr. S.W. Derksen en mr. C.G. Top),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amersfoort (het college), verweerder

(gemachtigde: mr. drs. H. Maaijen).

Als derde-partijen hebben aan het geding deelgenomen:

Habitoo B.V. (vergunninghoudster), te Amersfoort,

(gemachtigde: mr. mr. J.J.D. van Doleweerd) en

[A] en [B] (toekomstige bewoners), te [woonplaats] .

Inleiding

Het voormalig agrarische perceel [perceel] in [woonplaats] (het plangebied) zal worden herontwikkeld. Op het perceel zullen vier woningen worden gerealiseerd. Deze uitspraak gaat alleen over het bouwplan op kavel 3, dat inmiddels het adres [adres] heeft.

Het bouwplan voor deze kavel bestaat uit het realiseren van een vrijstaande woning. De woning heeft een westelijk deel dat bestaat uit twee bouwlagen en een kap met op de begane grond een erker, en een oostelijk deel dat ook bestaat uit twee bouwlagen en een kap, maar verder naar achteren op de kavel zal worden gebouwd en kleiner is dan het westelijk deel. Het westelijk deel van de woning wordt door het college en vergunninghoudster aangemerkt als het hoofdgebouw. Hierin zal het woongedeelte worden gerealiseerd. In het oostelijk deel van de woning is onder meer een kantoorruimte en een berging voorzien.

Vergunninghoudster heeft voor het bouwplan twee aanvragen voor een omgevingsvergunning ingediend.

Op grond van de eerste aanvraag heeft het college op 7 mei 2019 een omgevingsvergunning voor bouwen (de eerste omgevingsvergunning) verleend. Verzoekers hebben bezwaar gemaakt tegen deze omgevingsvergunning en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen. In het besluit van 29 augustus 2019 (het eerste bestreden besluit) heeft het college de bezwaren van eisers gedeeltelijk gegrond verklaard, de grondslag van de omgevingsvergunning gewijzigd – namelijk ook voor het afwijken van het geldende bestemmingsplan1 – en deze met aanvulling van de motivering in stand gelaten.

Verzoekers hebben tegen het eerste bestreden besluit beroep ingesteld. De twee verzoeken om voorlopige voorziening zijn gelijkgesteld met verzoeken die worden gedaan hangende beroep bij de bestuursrechter.2

De tweede aanvraag is gedaan voor hetzelfde bouwplan, dat 29 centimeter westelijker op de kavel is gesitueerd ten opzichte van de eerste aanvraag. Op grond van deze aanvraag heeft het college op 18 november 2019 een omgevingsvergunning voor bouwen en afwijken van het bestemmingsplan verleend (het tweede bestreden besluit).

Verzoekers hebben tegen het tweede bestreden besluit bezwaar gemaakt en het college verzocht om in te stemmen met rechtstreeks beroep bij de rechtbank. Het college heeft besloten om in te stemmen met dit verzoek. Ook hebben verzoekers de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen voor dit besluit.

Vergunninghoudster is al met de bouw gestart. Ze bouwt op basis van de tweede aanvraag. Verzoekers willen met hun beroepen bereiken dat dit bouwplan niet kan worden gerealiseerd. Met hun verzoeken om een voorlopige voorziening willen ze de bouw ondertussen stil laten leggen.

Het eerste bestreden besluit met de twee daarbij behorende verzoeken om een voorlopige voorziening zijn behandeld op de zitting van 5 december 2019. Verzoekers, bijgestaan door hun gemachtigden, waren hierbij aanwezig. Ook de gemachtigde van het college, de vertegenwoordiger van de vergunninghoudster, bijgestaan door de gemachtigde, en de toekomstige bewoners waren aanwezig.

In overleg met en op verzoek van partijen is de behandeling van het beroep tegen het eerste bestreden besluit aangehouden en is de bouw tijdelijk stilgelegd. De zaak is vervolgens gevoegd behandeld met het beroep tegen het tweede bestreden besluit op de zitting van 21 januari 2020, waarbij alle personen die bij de eerste zitting waren opnieuw aanwezig waren.

Het oordeel van de voorzieningenrechter

De voorzieningenrechter komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de bestreden besluiten motiveringsgebreken hebben. Die zien op de afwijking van het bestemmingsplan voor de oppervlakte van bijbehorende bouwwerken, en op het toestaan van de erker in de bestemming ‘Tuin’. De andere beroepsgronden – over de overige bouwregels, welstand en het gebruik van de woning/bijbehorende bouwwerken als taxibedrijf – heeft de voorzieningenrechter ook beoordeeld, maar daar volgt hij het standpunt van het college.

De voorzieningenrechter geeft het college de gelegenheid om de motiveringsgebreken te herstellen en zal de zaak dan later op die punten opnieuw beoordelen.

De voorzieningenrechter heeft ook afgewogen of de bouw van de woning in de tussentijd moet worden stilgelegd en is van oordeel dat dat niet hoeft. Het belang van vergunninghoudster om verder te bouwen is nu groter dan het belang van de omwonenden. Vergunninghoudster mag de bouwwerkzaamheden dus hervatten, maar wel met het risico dat dit weer zal moeten worden afgebroken als de verleende omgevingsvergunningen uiteindelijk toch niet in stand blijven.

Deze oordelen worden hierna gemotiveerd. De voorzieningenrechter zal hieronder eerst de beroepsgronden van verzoekers over de bouwregels uit het bestemmingsplan bespreken, gevolgd door de gronden over de redelijke eisen van welstand en de gebruiksregels uit het bestemmingsplan. Ten slotte zal worden ingegaan op de verzoeken om een voorlopige voorziening.

Overwegingen

Procesbelang

1. De voorzieningenrecht oordeelt, en partijen hebben hetzelfde standpunt, dat de verschuiving van het bouwplan op het perceel geen ondergeschikte wijziging is van de eerste aanvraag. Dit betekent dat het tweede bestreden besluit een ten opzichte van het eerste bestreden besluit zelfstandig, op een ander rechtsgevolg gericht besluit is.

2. Vergunninghoudster heeft op de zitting van 21 januari 2020 toegelicht dat zij nu niet van plan is om de woning conform de eerste omgevingsvergunning te realiseren. Zij wil verder gaan met de reeds gestarte bouw en die is conform het tweede bestreden besluit. Zij wil de eerste omgevingsvergunning om proceseconomische redenen echter wel behouden. Omdat de realisatie van de woning conform de eerste omgevingsvergunning in de toekomst daardoor niet is uitgesloten is de voorzieningenrechter van oordeel dat verzoekers ook na het tweede bestreden besluit belang hebben bij een beoordeling van hun beroep tegen het eerste bestreden besluit.

Ook uitspraak op de beroepen

3. Na afloop van de zitting op 21 januari 2020 is de voorzieningenrechter tot de conclusie gekomen dat nader onderzoek niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaken. De voorzieningenrechter doet daarom op grond van artikel 8:86 van de Awb niet alleen uitspraak op de verzoeken om een voorlopige voorziening, maar ook op de beroepen. Omdat de beroepsgronden – afgezien van de specifieke gronden tegen de gewijzigde situering van de woning – in beide zaken gelijk zijn, zal de voorzieningenrechter die gezamenlijk behandelen.

Het geschil

Maximaal toegestane oppervlakte voor bijbehorende bouwwerken

4. Verzoekers voeren aan dat met het bouwplan de in het bestemmingsplan maximaal toegestane oppervlakte aan bijbehorende bouwwerken substantieel wordt overschreden. De bestreden besluiten zijn op dit punt volgens verzoekers in strijd met een goede ruimtelijke ordening, niet zorgvuldig voorbereid en onvoldoende gemotiveerd.

5. Op grond van het bestemmingsplan mag de woning waarvoor het perceel is bestemd bestaan uit 1 bouwlaag die mag worden afgedekt met een kap.3 Het bouwplan waarvoor vergunninghoudster een omgevingsvergunning heeft aangevraagd bestaat uit een woning met een begane grond en een verdieping, dus uit twee bouwlagen, die worden afgedekt met een kap. In de bestreden besluiten verleent het college een omgevingsvergunning om af te wijken van het bestemmingsplan en een tweede bouwlaag te realiseren. Hij doet dit door de tweede bouwlaag op grond van de zogenaamde kruimellijst4 te vergunnen als bijbehorend bouwwerk.

6. Het bestemmingsplan stelt verder een maximum aan de gezamenlijke oppervlakte van bijbehorende bouwwerken en overkappingen.5 Partijen zijn het erover eens en de voorzieningenrechter stelt ook vast dat dit maximum ook afgezien van de tweede bouwlaag al wordt overschreden door het totaal van de te bouwen erker en het oostelijk deel van de woning. Het is ook niet in geschil dat het college bevoegd is om met toepassing van de kruimellijst een omgevingsvergunning te verlenen voor deze overschrijding. Het college heeft van deze bevoegdheid in de bestreden besluiten gebruik gemaakt voor het oostelijk deel van de woning en de erker. Hij heeft daarbij overwogen dat de afwijking van het bestemmingplan aanvaardbaar is, omdat het gaat om een geringe overschrijding van het toegestane maximum.

7. Het geschil over de bijbehorende bouwwerken spitst zich toe op de vraag of de tweede bouwlaag van de woning wel of niet (ook) moet worden betrokken bij het bepalen van de gezamenlijke oppervlakte van de bijbehorende bouwwerken bij dit bouwplan en of dan nog wel sprake is van een geringe overschrijding.

8. De regeling in het bestemmingsplan waarin het maximum aan de gezamenlijke oppervlakte van de bijbehorende bouwwerken is bepaald zegt dat deze geldt voor de ‘gezamenlijke oppervlakte van al dan niet met vergunning gebouwde bijbehorende bouwwerken en overkappingen’. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter vloeit uit deze formulering voort dat van ieder bijbehorend bouwwerk en van iedere overkapping de oppervlakte moet worden bepaald, om vast te stellen of dit binnen het gegeven maximum valt. Dat betekent dat naar het oordeel van de voorzieningenrechter ook de tweede bouwlaag van de woning daarbij moet worden betrokken. De tweede bouwlaag is door het college immers vergund als bijbehorend bouwwerk. Dat voor de tweede bouwlaag al om een andere reden van het bestemmingsplan wordt afgeweken maakt niet dat deze niet meer hoeft te worden betrokken bij de berekening van de gezamenlijke oppervlakte van de bijbehorende bouwwerken. De bestemmingsplanregeling biedt geen aanknopingspunt om bij deze berekening een specifiek bijbehorend bouwwerk buiten beschouwing te laten.

9. Partijen verschillen van mening over de precieze oppervlakte van zowel de bijbehorende bouwwerken die op grond van het bestemmingsplan bij dit bouwplan direct zijn toegestaan als van de bijbehorende bouwwerken die met de bestreden besluiten zijn vergund. Zij hebben beiden berekeningen gemaakt. Het is echter op de zitting van 21 januari 2020 wel duidelijk geworden dat het meenemen in de berekening van de tweede bouwlaag zorgt voor een aanzienlijke overschrijding van het op grond van het bestemmingsplan toegestane maximum aan gezamenlijke oppervlakte van de bijbehorende bouwwerken.

10. Uit het voorgaande volgt dat de motivering van het college dat sprake is van een geringe overschrijding van het toegestane maximum aan de gezamenlijke oppervlakte van de bijbehorende bouwwerken geen stand kan houden. De beoordeling door het college dat op dit punt sprake is van een goede ruimtelijke ordening komt voort uit deze onjuiste conclusie en kan daarom ook niet zonder meer worden volgehouden. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter kleeft aan de bestreden besluiten dus een motiveringsgebrek. De beroepsgrond slaagt.

Erker

11. Verzoekers voeren aan dat het college in de bestreden besluiten ten onrechte niet heeft onderkend dat het bouwen van de erker, (gedeeltelijk) buiten het bouwvlak en in de bestemming ‘Tuin’ in strijd is met het bestemmingsplan. Het college heeft hiervoor geen omgevingsvergunning voor afwijken van het bestemmingsplan verleend, maar deze alleen meegenomen bij de berekening van de gezamenlijke oppervlakte van de bijbehorende bouwwerken.

12. Partijen zijn het erover eens en de voorzieningenrechter stelt ook vast dat (een deel van) de erker aan de zijgevel van de woning in de bestemming ‘Tuin’ zal worden gebouwd. Binnen deze bestemming zijn erkers alleen toegestaan aan de voorgevel van een woning.6 Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is het bouwen van de erker dus niet alleen in strijd met de regels over het toegestane maximum aan gezamenlijke oppervlakte van de bijbehorende bouwwerken, maar ook in strijd met de regels van het bestemmingsplan over de bestemming ‘Tuin’. De voorzieningenrechter kan het college niet volgen in zijn standpunt dat de bestreden besluiten ook een impliciete afwijking van het bestemmingsplan op dit punt inhouden, vanuit de gedachte dat voor deze locatie ook is bedoeld de bouw van een erker aan de zijgevel mogelijk te maken. Die afweging is niet als zodanig in de besluitvorming opgenomen en de bestreden besluiten geven geen blijk van het vaststaande gegeven van de strijdigheid met de bestemming ‘Tuin’. Hoewel het college ook hier de bevoegdheid heeft om van het bestemmingsplan af te wijken, moet dat wel zichtbaar en op basis van een inhoudelijke afweging gebeuren. De bestreden besluiten zijn op dit punt niet gemotiveerd. De beroepsgrond slaagt.

3 meter-eis

13. Verzoekers voeren aan dat het bouwplan in strijd is met de bepaling uit het bestemmingsplan dat de afstand van de woningen op het voormalig agrarische perceel tot de onderlinge erfgrenzen ten minste 3 meter moet bedragen.7

14. De voorzieningenrechter stelt voorop dat volgens de situatietekening alleen het oostelijk deel van de woning, bij zowel de eerste als de tweede omgevingsvergunning, op minder dan 3 meter van de erfgrens zal worden gebouwd. De afstand van het westelijk deel van de woning tot de erfgrens bedraagt wel meer dan 3 meter. Zoals al vermeld in de inleiding, is het oostelijk deel van de woning een uitbreiding van het hoofdgebouw (het westelijk deel van de woning) en dus een bijbehorend bouwwerk. De 3 meter-eis geldt volgens de bestemmingsplanbepaling voor de ‘woning’, terwijl is voorzien in aparte bouwregels voor bijbehorende bouwwerken. De voorzieningenrechter kan het college daarom volgen in zijn uitleg van de regels van het bestemmingsplan, dat de 3 meter-eis alleen geldt voor het hoofdgebouw – het westelijk deel van het bouwplan waar daadwerkelijk wordt gewoond – en niet voor bijbehorende bouwwerken. De beroepsgrond slaagt niet.

Ondergeschiktheid van de dakopbouw

15. Verzoekers voeren aan dat de dakopbouw, zijnde de tweede bouwlaag, niet ondergeschikt is aan het hoofgebouw en daarom in strijd is met de regels in het bestemmingsplan over dakopbouwen. Daarin is bepaald dat een dakopbouw bouwkundig ondergeschikt moet zijn aan het hoofdgebouw.8

16. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is bij het bouwplan geen sprake van een dakopbouw, maar van een woning afgedekt met een kap en een bijbehorend bouwwerk met een kap. De bouwhoogte van de woning met kap blijft onder de op grond van de regels van het bestemmingsplan maximaal toegestane bouwhoogte van 10 meter.9 Een bijgebouw mag een dakhelling overeenkomstig het hoofdgebouw hebben.10 Dat de tweede bouwlaag door het college is vergund als bijbehorend bouwwerk maakt deze bouwlaag naar het oordeel van de voorzieningenrechter nog niet tot een dakopbouw. De eisen die het bestemmingsplan stelt aan dakopbouwen zijn dus niet van toepassing op dit bouwplan. De beroepsgrond slaagt niet.

Peil

17. Verzoekers voeren aan dat op de bouwtekeningen bij het tweede bestreden besluit staat dat het peil gelijk zou zijn aan het peil van kavel [perceel] , maar volgens hen ligt het peil 15 centimeter hoger dan het peil van de woning op kavel [perceel] . Op de zitting is door verzoekers toegelicht dat zij dit punt aanvoeren ter onderbouwing van hun standpunt dat de bestreden besluiten onvoldoende zorgvuldig tot stand zijn gekomen.

18. Partijen zijn het er over eens en de voorzieningenrechter stelt ook vast, dat het peil op dit moment nog niet kan worden vastgesteld. Het peil is volgens de regels van het bestemmingsplan namelijk de hoogte van het afgewerkte terrein ter plaatse van de hoofdtoegang bij voltooiing van de bouw11 en de bouw is op dit moment nog niet afgerond. De omstandigheid dat op de bouwtekeningen bij het tweede bestreden besluit wordt verwezen naar het peil van kavel [perceel] maakt volgens het oordeel van de voorzieningenrechter nog niet dat sprake is van een zorgvuldigheidsgebrek. De beroepsgrond slaagt niet.

Welstand

19. Over de toets aan de redelijke eisen van welstand voeren verzoekers allereerst aan dat het bouwplan niet voldoet aan de redelijke eisen van welstand. Het bouwplan voldoet volgens verzoekers niet aan de criteria zoals deze voor deze locatie zijn opgenomen in de ‘Welstandsnota Gemeente Amersfoort 2017’. In de tweede plaats voeren zij aan dat het college de tweede aanvraag ten onrechte niet opnieuw ter advisering heeft voorgelegd aan de subcommissie Erfgoed.

20. In het eerste bestreden besluit verwijst het college naar het advies van de subcommissie Erfgoed van 30 april 2019 en de overwegingen die in de aanloop hiernaartoe zijn gemaakt door eerst de stadsbouwmeester en later de subcommissie Erfgoed. De conclusie van de subcommissie Erfgoed is dat het bouwplan aanvaardbaar is. De subcommissie Erfgoed heeft het bouwplan beoordeeld aan de geldende welstandsnota en de daarin opgenomen gebiedsgerichte criteria voor dit perceel. Het college ziet geen aanleiding om af te wijken van het advies en concludeert dat het bouwplan voldoet aan de redelijke eisen van welstand.

21. Het is vaste rechtspraak dat het college, hoewel hij niet aan een welstandsadvies is gebonden en de verantwoordelijkheid voor welstandstoetsing bij hem berust, aan het advies van een welstandscommissie, zoals hier de subcommissie Erfgoed, in beginsel doorslaggevende betekenis mag toekennen. Het college hoeft in beginsel verder ook niet toe te lichten dat hij het welstandsadvies overneemt, tenzij het advies naar inhoud of wijze van totstandkoming zodanige gebreken vertoont dat het college niet – of niet zonder meer – aan zijn oordeel over de welstand van een bouwplan ten grondslag heeft mogen leggen. Dit is anders als de aanvrager of een derde-belanghebbende een advies overlegt van een andere deskundig te achten persoon of instantie, dan wel gemotiveerd aanvoert dat het welstandsadvies in strijd is met de volgens de welstandsnota geldende criteria.12

22. De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding voor het oordeel dat het college zich niet heeft kunnen baseren op het hiervoor genoemde advies van de subcommissie Erfgoed. Volgens de bij de eerste omgevingsvergunning gevoegde verslagen van de beoordelingen van het bouwplan door de stadsbouwmeester en de subcommissie blijkt dat het bouwplan is getoetst aan de vastgestelde welstandscriteria en in de beoordeling is meegenomen dat het plangebiedje naast een villaparkje met een bijzondere architectuur – ‘het Etalageproject’ – ligt. Er is voor gekozen om het plangebied niet te laten aansluiten bij ‘het Etalageproject’, maar het gebiedje als los eiland in het groen te benaderen. Verzoekers hebben naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet aannemelijk gemaakt dat door het maken van deze keuze niet is voldaan aan de gebiedsgerichte criteria van de geldende welstandsnota. Zij hebben geen deskundig tegenrapport ingebracht waaruit blijkt het bouwplan in strijd is met deze criteria of anderszins niet voldoet aan de redelijke eisen van welstand.

23. Voor het tweede bestreden besluit stelt de voorzieningenrechter voorop dat het college een aanvraag alleen ter advisering aan een welstandscommissie dan wel een stadsbouwmeester hoeft voor te leggen, als hij het inwinnen van dit advies noodzakelijk acht.13 Op de zitting heeft het college toegelicht waarom hij het niet noodzakelijk achtte om de tweede aanvraag weer voor te leggen aan de subcommissie Erfgoed. De verschijningsvorm van de woning is door de verschuiving niet veranderd en de verschuiving heeft tot gevolg dat de afstand tussen de bebouwing op de kavels in het plangebied (iets) wordt vergroot. Daarmee wordt juist tegemoetgekomen aan een punt van kritiek van de subcommissie Erfgoed op het bouwplan dat de vier woningen in het plangebied erg dicht op elkaar staan. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter past deze afweging van het college binnen de beoordelingsruimte die hij op grond van het Bor heeft om een aanvraag wel of niet aan de subcommissie Erfgoed voor te leggen. De beroepsgrond slaagt niet.

Het toekomstige gebruik als taxibedrijf

24. Verzoekers voeren aan dat het bouwplan in strijd is met de specifieke gebruiksregels uit het bestemmingsplan voor beroeps- en bedrijfsmatige activiteiten. Zij voeren aan dat de oppervlakte van de woning die de toekomstige bewoners zullen gebruiken voor hun taxibedrijf aan huis het op grond van het bestemmingsplan toegestane maximum overschrijdt en dat hun bedrijf meer medewerkers heeft dan volgens het bestemmingsplan is toegestaan.

25. Volgens vaste rechtspraak kan het concrete beoogde gebruik van een bouwwerk op voorhand een reden zijn om een omgevingsvergunning voor bouwen te weigeren, maar alleen als op grond van de bouwkundige inrichting of anderszins redelijkerwijs valt aan te nemen dat dit gebruik uitsluitend of mede betrekking heeft op andere doeleinden dan die, waarin de bestemming voorziet.14

26. Op grond van het bestemmingsplan is een bedrijf aan huis toegestaan, mits maximaal 35% van de bebouwde oppervlakte van de woning en de bijbehorende bouwwerken wordt benut voor dit bedrijf met een maximum van 75 m2.15 In dit geval zal het bedrijf aan huis volgens de plannen van de toekomstige bewoners op twee bouwlagen boven elkaar worden gehouden. De voorzieningenrechter volgt het college in zijn standpunt dat, om te bepalen welk percentage van de bebouwde oppervlakte van de woning en de bijbehorende bouwwerken als bedrijf wordt gebruikt, je de woning als het ware vanuit de lucht moet bekijken. De bebouwde oppervlakte wordt daarom niet gevormd door de bouwlagen afzonderlijk. Dit betekent dat voor de berekening van het percentage van de bebouwde oppervlakte dat zal worden gebruikt voor het bedrijf aan huis de oppervlakten van de twee bouwlagen niet bij elkaar moeten worden opgeteld. Op de zitting is duidelijk geworden dat verzoekers niet betwisten dat als de bebouwde oppervlakte voor het bedrijf aan huis op deze wijze berekend moet worden, het maximale percentage van 35% en 75 m2 niet wordt overschreden.

27. Daarnaast moet het bedrijf aan huis op grond van het bestemmingsplan worden uitgeoefend door de bewoner van het huis en mag het bedrijf daarnaast maximaal twee medewerkers hebben.16 Door de toekomstige bewoners is op de zitting toegelicht dat zij voor het taxibedrijf met één werknemer in de woning werkzaam zullen zijn om het bedrijf te runnen en de taxichauffeurs aan te sturen. De taxichauffeurs hebben elk een auto tot hun beschikking die zij meenemen naar hun eigen woning. Zij komen dus niet naar deze locatie. De voorzieningenrechter volgt verzoekers niet in hun standpunt dat het college bij zijn toets aan het bestemmingsplan moet uitgaan van het aantal medewerkers dat een bedrijf volgens de inschrijving in het handelsregister van de Kamer van Koophandel heeft. De voorzieningenrechter volgt het college in zijn standpunt dat het gaat om het aantal medewerkers dat feitelijk werkzaam is op de locatie. In dat licht is voldoende aannemelijk gemaakt dat op de locatie alleen de twee toekomstige bewoners en één medewerkers werkzaam zullen zijn. Dit aantal blijft onder het maximum aantal medewerkers dat op grond van het bestemmingsplan is toegestaan.

28. De conclusie van voorgaande overwegingen is dat het college bij het verlenen van de omgevingsvergunning niet hoefde aan te nemen dat het toekomstige gebruik van de woning mede betrekking heeft op andere doeleinden dan die waarin de bestemming voorziet en de omgevingsvergunningen dus niet om die reden hoefde te weigeren. De beroepsgrond slaagt niet.

Conclusie

29. De conclusie van het voorgaande is dat het college in de bestreden besluiten de overschrijding van het op grond van het bestemmingsplan toegestane maximum aan de gezamenlijke oppervlakte van de bijbehorende bouwwerken onvoldoende heeft gemotiveerd en ten onrechte niet heeft onderkend dat de bouw van een erker aan de zijgevel van de woning op grond van de regels in het bestemmingsplan voor de bestemming ‘Tuin’ niet is toegestaan. Ook op dit punt zijn de bestreden besluiten dus onvoldoende gemotiveerd.

Hoe nu verder met de beroepszaken?

30. De voorzieningenrechter ziet aanleiding om het college in de gelegenheid te stellen de gebreken te herstellen. Dat herstellen kan hetzij met een aanvullende motivering, hetzij, voor zover nodig, met een nieuwe beslissing op bezwaar, na of tegelijkertijd met intrekking van de nu bestreden besluiten.

31. Om de gebreken te kunnen herstellen zal het college met inachtneming van de hierboven opgenomen overwegingen (inzichtelijk) moeten beoordelen met hoeveel m2 de gezamenlijke oppervlakte van de bijbehorende bouwwerken bij het bouwplan het op grond van het bestemmingsplan toegestane maximum aan de gezamenlijke oppervlakte van de bijbehorende bouwwerken overschrijdt, inclusief de tweede bouwlaag. Daarnaast zal het college moeten onderkennen dat de bouw van een erker aan de zijgevel van de woning in strijd is met het bestemmingsplan.

Vervolgens moet hij gemotiveerd afwegen of hij de verleende omgevingsvergunningen op deze punten wil handhaven. Daarbij zal het college moeten betrekken of de afwijkingen van het bestemmingsplan in overeenstemming zijn met een goede ruimtelijke ordening. Voor de erker moet het college daarbij ook de afstand van de erker tot de perceelgrens meenemen. De voorzieningenrechter bepaalt de termijn waarbinnen het college de gebreken kan herstellen op vier weken na verzending van deze tussenuitspraak.

32. Het college moet zo spoedig mogelijk, maar uiterlijk binnen twee weken, meedelen aan de voorzieningenrechter of hij gebruik maakt van de gelegenheid het gebrek te herstellen. Als het college gebruik heeft gemaakt van de herstelmogelijkheid, zal de voorzieningenrechter verzoekers en derde-partijen in de gelegenheid stellen binnen vier weken te reageren op de herstelpoging van het college. In beginsel, ook in de situatie dat het college de hersteltermijn ongebruikt laat verstrijken, zal de voorzieningenrechter zonder tweede zitting uitspraak doen op de beroepen.

33. Het geding zoals dat na deze tussenuitspraak wordt gevoerd, blijft in beginsel beperkt tot de beroepsgronden zoals die zijn besproken in deze tussenuitspraak, omdat het inbrengen van nieuwe geschilpunten over het algemeen in strijd met de goede procesorde wordt geacht.

34. De voorzieningenrechter houdt in de beroepszaken iedere verdere beslissing aan tot de einduitspraak op deze beroepen. Dat laatste betekent ook dat hij over de proceskosten en het griffierecht nu nog geen beslissing neemt.

Hoe nu verder met de verzoeken om voorlopige voorziening?

35. Verzoekers hebben de voorzieningenrechter gevraagd om de bestreden besluiten te schorsen.

36. Wat de eerste omgevingsvergunning betreft is er geen spoedeisend belang bij het treffen van een voorlopige voorziening. Vergunninghoudster heeft op de zitting gezegd in het geheel niet voornemens te zijn dit bouwplan op korte termijn te realiseren en er is gelet op de al uitgevoerde werkzaamheden conform het tweede bouwplan geen reden om daaraan te twijfelen. De voorzieningenrechter zal dit verzoek daarom afwijzen.

37. Ten aanzien van de tweede omgevingsvergunning is er wel een spoedeisend belang, omdat vergunninghoudster het voornemen heeft om vanaf 3 februari 2020 de bouwwerkzaamheden te (laten) hervatten. Dat geldt alleen voor de bouw en niet voor het toekomstige gebruik voor het taxibedrijf, want dat is op korte termijn immers nog niet aan de orde.

38. Uit de beoordeling van het beroep volgt wel dat de besluitvorming gebreken vertoont, maar ook dat die gebreken gelet op de aard ervan herstelbaar zijn. Hoewel het aan het college is om daarover een afweging te maken, acht de voorzieningenrechter het nu niet onaannemelijk dat de tweede omgevingsvergunning in stand zal blijven, in die zin dat de rechtsgevolgen ervan ondanks een vernietiging van het besluit in stand kunnen worden gelaten bij een succesvol herstel van de gebreken. Wat de belangen van partijen betreft overweegt de voorzieningenrechter dat vergunninghoudster afspraken heeft met zijn aannemer en graag snel verder wil met de bouw. Dat doet zij overigens nadrukkelijk op eigen risico zolang (de rechtsgevolgen van) de omgevingsvergunning nog niet in rechte vast staan. Dat risico bestaat eruit dat zij het bouwwerk moet afbreken. Daar tegenover staan de belangen van verzoekers die het mogelijk (deels) onterecht vergunde bouwplan willen tegenhouden. De voorzieningenrechter weegt hier echter mee dat het bestemmingsplan op deze plek de bouw van een woning al toestaat en dat het geschil tussen partijen met name gaat over bijbehorende bouwwerken die wat de ruimtelijke uitstraling betreft ten opzichte van het totale bouwplan van ondergeschikte aard zijn. Alle belangen afwegend is er daarom nu geen reden voor het treffen van een voorlopige voorziening. Ook dit verzoek zal worden afgewezen.

Beslissing

De voorzieningenrechter:

  • -

    draagt het college op binnen twee weken aan de voorzieningenrechter mee te delen of hij gebruik maakt van de gelegenheid het gebrek te herstellen;

  • -

    stelt het college in de gelegenheid om binnen vier weken na verzending van deze tussenuitspraak de gebreken in de bestreden besluiten te herstellen met inachtneming van de overwegingen en aanwijzingen in deze tussenuitspraak;

  • -

    houdt iedere verdere beslissing in de zaken UTR 19/4004 en UTR 19/5147 aan;

  • -

    wijst de verzoeken om voorlopige voorziening met de zaaknummers UTR 19/2491, UTR 19/2564 en UTR 20/61 af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. K. de Meulder, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. I.C. de Zeeuw-'t Lam, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op

31 januari 2020.

griffier voorzieningenrechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen de tussenuitspraak over de beroepen staat nog geen hoger beroep open. Tegen de tussenuitspraak kan hoger beroep worden ingesteld tegelijkertijd met hoger beroep tegen de (eventuele) einduitspraak.

Voor zover bij deze uitspraak is beslist op de verzoeken om voorlopige voorziening staat daartegen geen rechtsmiddel open.

1 Op het perceel [adres] is het bestemmingsplan ‘Schothorst-Zielhorst’ (het bestemmingsplan) van toepassing. Op grond van dit bestemmingsplan heeft het perceel de bestemmingen ‘Wonen – 5’ en ‘Tuin’.

2 Artikel 8:81, vijfde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

3 Artikel 21.2.1 van de regels van het bestemmingsplan

4 Artikel 4, eerste lid, onder a, van bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht (Bor)

5 Artikel 21.2.2 van de regels van het bestemmingsplan

6 Artikel 11.2.1 van de regels van het bestemmingsplan

7 Artikel 21.2.1, aanhef en onder f, van de regels van het bestemmingsplan

8 Artikel 21.2.3, aanhef en onder a, van de regels van het bestemmingsplan

9 Artikel 21.2.1, aanhef en onder c en e, van de regels van het bestemmingsplan

10 Artikel 21.2.2, aanhef en onder d, van de regels van het bestemmingsplan

11 Artikel 1.91, sub b, van de regels van het bestemmingsplan.

12 De voorzieningenrechter verwijst bij wijze van voorbeeld naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) van 3 oktober 2012 (ECLI:NL:RVS:2012:BX8987).

13 Artikel 2.26, derde lid, van de Wabo, in samenhang met artikel 6.2, eerste lid, van het Bor

14 De voorzieningenrechter verwijst bij wijze van voorbeeld naar de uitspraak van de ABRvS van 26 september 2018 (ECLI:NL:RVS:2018:3129).

15 Artikel 21.5.1 aanhef en onder d, van de regels van het bestemmingsplan

16 Artikel 21.5.1 aanhef en onder a, van de regels van het bestemmingsplan