Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2020:2811

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
29-06-2020
Datum publicatie
18-08-2020
Zaaknummer
18/3067
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verzoek om schadevergoeding. Verzoek afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummer: UTR 18/3067

uitspraak van de meervoudige kamer van 29 juni 2020 op het verzoek om schadevergoeding in de zaak tussen

[verzoeker] , te [woonplaats] , verzoeker,

en

[verweerder] , verweerder

(gemachtigde: mr. I.G.L. van Beek).

Procesverloop

Voor een weergave van het procesverloop tot 2 september 2019 verwijst de rechtbank naar

haar uitspraak van die datum.

Bij uitspraak van 2 september 2019 heeft de rechtbank, voor zover hier van belang, geoordeeld dat de tijdelijke aanstelling van verzoeker vanaf 1 januari 2017 van rechtswege is geconverteerd in een aanstelling in vaste dienst en dat verweerder dit ten onrechte niet heeft onderkend. De rechtbank heeft de beslissing op bezwaar van 2 juli 2018 vernietigd en het primaire besluit – inhoudende dat verzoekers aanstelling met ingang van 1 januari 2018 van rechtswege eindigt – herroepen.

Het verzoek om verweerder te veroordelen tot vergoeding van de schade die verzoeker heeft geleden, heeft de rechtbank aangemerkt als een verzoek tot vergoeding van schade als bedoeld in artikel 8:88, eerste lid, aanhef en onder a, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), gelezen in samenhang met artikel 8:91 van deze wet. De rechtbank heeft het onderzoek heropend en verzoeker in de gelegenheid gesteld binnen vier weken de door hem gestelde schade nader te concretiseren.

Verzoeker heeft om uitstel verzocht en de rechtbank heeft dit ingewilligd tot 28 oktober 2019. Bij brief van 27 oktober 2019 heeft verzoeker zijn verzoek om schadevergoeding geconcretiseerd.

Vervolgens hebben partijen geprobeerd om tot een minnelijke schikking te komen. Verweerder heeft de rechtbank op 6 december 2020 schriftelijk bericht dat partijen daar niet in zijn geslaagd.

Verweerder heeft op 7 januari 2020 gereageerd op het verzoek om schadevergoeding. Daarbij heeft verweerder aangekondigd dat hij zo spoedig mogelijk aan verzoeker een nabetaling zal doen die bestaat uit het verschil tussen de uitgebleven bezoldiging over de periode van 1 januari 2018 tot en met 31 december 2019 en het door verzoeker genoten salaris in die periode.

Bij e-mail van 11 mei 2020 heeft verweerder stukken over de nabetaling aan verzoeker naar de rechtbank toegezonden. Verzoeker heeft hier op 18 mei 2020 op gereageerd.

Het onderzoek ter zitting heeft via een Skype-for-businessverbinding plaatsgevonden op
19 mei 2020. Verzoeker is verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Mevrouw [A] , werkzaam als HR-adviseur bij RVO, heeft ook aan de zitting deelgenomen.

Overwegingen

1. Verweerder heeft geen hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van 2 september 2019. De onrechtmatigheid van het besluit van 2 juli 2018 (het onrechtmatige besluit) staat dan ook in rechte vast.

2. Ter zitting is komen vast te staan dat verzoeker met ingang van 1 januari 2020 zijn werkzaamheden bij verweerder heeft hervat en dat het verzoek om schadevergoeding ziet op de periode 1 januari 2018 tot en met 31 december 2019 (periode in geding). Bij brief van
18 mei 2020 en ook ter zitting heeft verzoeker verklaard dat hij zijn verzoek om schadevergoeding – wat betreft de gemiste pensioenopbouw – niet langer handhaaft. Verder heeft verweerder ter zitting toegezegd dat de griffiekosten en de verletkosten, waartoe de rechtbank verweerder bij uitspraak van 2 september 2019 veroordeeld heeft, binnen twee of drie weken aan verzoeker zullen worden vergoed.

3. Verzoeker stelt dat de schade die hij als gevolg van het onrechtmatige besluit heeft geleden, bestaat uit:
a) het inkomen/salaris dat hij in de periode in geding minder heeft verdiend dan wanneer hij bij verweerder in dienst zou zijn gebleven;

b) kosten en tijd verbonden aan het voeren van procedures van in totaal € 4.590,99,-;

c) de kosten van gemiste opleidingen en trainingen van in totaal € 4.356,40;

d) immateriële schade ter hoogte van € 3.500,-.

Ad a: Schade als gevolg van het maken van langere werkweken met minder vrije tijd

4. Verzoeker heeft in zijn brief van 18 mei 2020 toegelicht dat hij door het onrechtmatige besluit in de periode in geding langere werkweken heeft moeten maken om de inkomensterugval te compenseren. Bij verweerder bedroeg een gemiddelde werkweek 36 uren. Verzoeker vindt dat verweerder in de nabetaling/verrekening daarom ook van het salaris voor een 36-urige werkweek moet uitgaan en niet van zijn feitelijk genoten inkomen dat gebaseerd is op een gemiddelde werkweek van 40,67 uren (in 2018) respectievelijk 41,94 (in 2019). De extra uren die hij in 2018 en 2019 heeft gemaakt (in totaal 430 uren) zijn het gevolg van het onrechtmatige besluit en hij heeft daarvoor zijn vrije tijd moeten inleveren. Verzoeker vindt – kort gezegd – dat verweerder niet mag profiteren van zijn inspanning om de schade/inkomensterugval te beperken.

5. Het is vaste rechtspraak dat de bestuursrechter bij het beantwoorden van de vraag of er bij de toepassing van artikel 8:88 van de Awb voldoende aanleiding is om een gevraagde schadevergoeding toe te kennen, zoveel mogelijk aansluiting moet zoeken bij het civielrechtelijke schadevergoedingsrecht. Voor vergoeding van schade is, in aansluiting op de artikelen 6:162 en 6:98 van het Burgerlijk Wetboek (BW), vereist dat de gestelde schade verband houdt met een onrechtmatig besluit. Alleen die schadeposten komen voor vergoeding in aanmerking die in een zodanig verband staan met dat besluit, dat zij het bestuursorgaan, mede gezien de aard van de aansprakelijkheid en van de schade, als een gevolg van dat besluit kunnen worden toegerekend.1 Dat brengt mee dat de omvang van de schade wordt bepaald door een vergelijking van de toestand zoals deze in werkelijkheid is met de toestand zoals die (vermoedelijk) zou zijn geweest indien het schadeveroorzakende feit niet zou hebben plaatsgevonden. Verder geldt als uitgangspunt dat alleen daadwerkelijk geleden schade voor vergoeding in aanmerking komt en dat bij het wegvallen van een inkomstenbron geen schade wordt geleden als andere inkomsten daarvoor in de plaats komen. 2 Ook geldt dat een benadeelde gehouden is om het ontstaan van schade en de omvang van de schade te beperken voor zover dit redelijkerwijs van hem kan worden verlangd. Indien hij dat niet doet, kan dit tot gevolg hebben dat de schadevergoedingsplicht op grond van artikel 6:101 van het BW wordt verminderd.

6. De rechtbank constateert dat verzoeker meer uren heeft gemaakt om de inkomensterugval te beperken en kan begrijpen dat het voor hem oneerlijk voelt dat verweerder die uren volledig verrekent met de nabetaling. Immers, verzoeker heeft die inspanning verricht en verweerder betaalt daardoor minder uit. Dit betekent echter niet dat verweerder meer inkomensschade moet vergoeden dan hij al heeft gedaan. Met verwijzing naar het toetsingskader, zoals in 5 vermeld, oordeelt de rechtbank dat verweerder de omvang van de schade juist heeft bepaald door de toestand zoals die zou zijn geweest (het inkomen dat verzoeker bij voortzetting van het dienstverband zou hebben genoten) te vergelijken met de toestand zoals deze in werkelijkheid is geweest (het inkomen dat verzoeker feitelijk in de periode in geding heeft genoten). Verweerder heeft de daadwerkelijke inkomensschade van verzoeker op een juiste wijze vastgesteld door het verschil tussen die inkomsten aan verzoeker te vergoeden. Dat verzoeker extra uren heeft gemaakt om de inkomensterugval te beperken, betekent niet hij als gevolg daarvan meer schade heeft geleden. Voor die extra uren heeft verzoeker namelijk ook inkomsten ontvangen. Dat verzoeker voor die extra uren/inkomsten vrije tijd heeft ingeleverd, leidt niet tot een ander oordeel omdat die omstandigheid binnen de reikwijdte valt van wat van verzoeker redelijkerwijs kan worden verlangd om de schade te beperken. Bovendien is het gemis aan vrije tijd geen schade als bedoeld in artikel 6:96 BW die voor vergoeding in aanmerking komt.

Ad b: kosten en tijd verbonden aan het voeren van procedures

7. Verzoeker heeft de volgende schadeposten aangevoerd:

- de kosten voor juridisch advies van mr. K. Hillebrandt;

- de reiskosten voor de hoorzitting in bezwaar, het gesprek met
mr. K. Hillebrandt en de zitting bij de rechtbank op 13 mei 2020;

- de kosten aan gemaakte uren voor het bestuderen en het opstellen van de stukken;

- de kosten voor zijn heen- en terugreis van Amsterdam naar Malaga, omdat de zitting van de rechtbank op 13 mei 2019 conflicteerde met deze reis.

8. De rechtbank oordeelt dat de aangevoerde schadeposten niet voor vergoeding in aanmerking komen. Daarbij overweegt de rechtbank dat de kosten van mr. Hillebrandt niet zien op dit verzoek om schadevergoeding, maar op de procedure over het onrechtmatige besluit. Ter zitting heeft verzoeker desgevraagd ook verklaard dat hij in april 2019 – ter voorbereiding van de zitting van 13 mei 2019 – mr. Hillebrandt om advies heeft gevraagd. Over die kosten heeft de rechtbank bij uitspraak van 2 september 2019 al beslist. Ter toelichting wijst de rechtbank verzoeker op artikel 7:15, derde lid, van de Awb inhoudende dat kosten in de bezwaarprocedure uitsluitend worden vergoed als daar – voordat verweerder de beslissing op bezwaar neemt – om is verzocht. Ter zitting was mr. Hillebrandt niet aanwezig en ook heeft hij niet geadviseerd over de schade(omvang), zodat ook op die grond geen vergoedingsrecht bestaat. Verder volgt uit vaste rechtspraak dat tijdverzuim door voorbereidende handelingen, zoals het opstellen of lezen van processtukken en het voorbereiden van een zitting, niet voor vergoeding in aanmerking komen.3 Tot slot ziet de rechtbank evenmin grond voor het oordeel dat verweerder verzoekers kosten voor de reis naar Malaga (Spanje) moet vergoeden. Uit het procesdossier blijkt niet dat verzoeker 13 mei 2019 als verhinderdata heeft opgegeven. Verzoeker heeft verder niet – binnen een week – gereageerd op de brief van 7 maart 2019 waarin is aangekondigd dat de rechtbank voornemens is de zaak op 13 mei 2019 te behandelen. Vervolgens is op 25 maart 2019 de definitieve datum voor de zitting bepaald (op 13 mei 2019). Dat deze datum verzoeker achteraf bezien niet uitkwam, omdat hij op het laatste moment er voor heeft gekozen om tóch met zijn echtgenote naar Malaga (Spanje) te gaan, komt dan ook volledig voor zijn rekening en risico.

Ad c: gemiste opleiding en training

9. Verzoeker voert aan dat hij in 2018 en 2019 geen betekenisvolle opleidingsmogelijkheden heeft kunnen benutten. Daarbij stelt hij dat wanneer zijn dienstverband bij verweerder in de periode in geding zou zijn voortgezet, er gemiddeld voor een bedrag van € 4.356,40 aan opleiding en trainingen in hem zou zijn geïnvesteerd. Door het onrechtmatige besluit is dit niet gebeurd, waardoor hij schade heeft geleden.

10. De rechtbank stelt vast dat niet gesteld of gebleken is dat verzoeker in de periode in geding daadwerkelijk trainingen of cursussen heeft gevolgd. Verzoeker heeft ook niet aangetoond dat hij enige kosten voor zijn loopbaanontwikkeling heeft gemaakt. Verder heeft verzoeker niet aangetoond dat en welke concrete carrièrekansen hij heeft gemist en of hij daardoor inkomsten is misgelopen. Het voorgaande betekent dat verzoeker niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij de door hem gestelde schade lijdt.

Ad d: immateriële schade

11. Verzoeker voert aan dat hij vanaf september 2017 in voortdurende onzekerheid verkeerde en dat zijn loopbaanontwikkeling stil kwam te liggen. Ook kon hij vanwege de financiële onzekerheid en het ontbreken van de eindejaarsuitkering niet een betrokken partner en belangstellende vader zijn en zijn gezin niet de gewenste ontspanning/vermaak (zoals een vakantie of een kort weekend weg) bieden.

12. Voor nadeel dat niet uit vermogensschade bestaat, heeft een benadeelde overeenkomstig artikel 6:106, eerste lid, van het BW recht op een naar billijkheid vast te stellen schadevergoeding indien de benadeelde in zijn eer of goede naam is geschaad of op andere wijze in zijn persoon is aangetast. De wetgever heeft daarbij oog gehad op ernstige inbreuken op de persoonlijke levenssfeer alsook op andere persoonlijkheidsrechten van de benadeelde. Verder moet worden bedacht dat in gevallen als deze in de regel wel sprake zal zijn van een meer of minder sterk psychisch onbehagen en van een zich gekwetst voelen door een onrechtmatig besluit of daarmee gelijk te stellen handeling van een bestuursorgaan.4

13. De rechtbank kan zich goed voorstellen dat verzoeker – omdat zijn dienstverband ten onrechte niet werd voortgezet – in een onzekere situatie kwam te verkeren en dat hij zijn kansen op de arbeidsmarkt vanwege zijn leeftijd niet rooskleurig achtte. Dat dit een grote impact op verzoeker heeft gehad en dat mogelijk ook sprake is geweest van sterk psychisch onbehagen, vindt de rechtbank heel aannemelijk. Maar verzoeker heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij zodanig heeft geleden onder het onrechtmatige besluit dat sprake is van geestelijk letsel dat kan worden beschouwd als een aantasting van zijn persoon in de zin van artikel 6:106 van het BW. Zo heeft verzoeker niet aangetoond dat hij meer dan normale psychische spanningen heeft ondervonden noch met medische stukken onderbouwd dat hij als gevolg van het onrechtmatige besluit psychische schade heeft geleden.

13. De slotsom is dat de door verzoeker gestelde schade niet voor vergoeding in aanmerking komt.

Beslissing

De rechtbank:

- wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. S.G.M. Buys, voorzitter, en mr. R.F. van Aalst en
mr. M.N. Noorman leden,in aanwezigheid van mr. L.Y. Wong, griffier. De beslissing is uitgesproken op 29 juni 2020. Als gevolg van maatregelen rondom het Coronavirus is deze uitspraak niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Zodra het openbaar uitspreken weer mogelijk is, wordt deze uitspraak, voor zover nodig, alsnog in het openbaar uitgesproken.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.

1 Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 24 januari 2018 (ECLI:NL:CRVB:2018:247)

2 Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de CRvB van 16 april 2014 (ECLI:NL:CRVB:2014:1268).

3 Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de CRvB van 31 januari 2018 (ECLI:NL:CRVB:2018:415 (https://www.navigator.nl/document/id19db0b1cc2a64273b1be93f464be478c?idp=LegalIntelligence&anchor=id-3df60a83-4ebb-4fbf-bd7a-858ccbcfe3f6)).

4 Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de CRvB van 15 november 2018 (ECLI:NL:CRVB:2018:3608).