Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2020:2793

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
24-06-2020
Datum publicatie
05-08-2020
Zaaknummer
8382414 AC EXPL 20-681
Rechtsgebieden
Intellectueel-eigendomsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

inbreuk op auteursrechten op foto

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Civiel recht

kantonrechter

locatie Amersfoort

zaaknummer: 8382414 AC EXPL 20-681 ID/963

Vonnis van 24 juni 2020

inzake

[eiser] ,

wonende te [woonplaats] ,

verder te noemen [eiser] ,

eisende partij,

gemachtigde: mr. K.M. van Boven,

tegen:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[gedaagde] B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

verder te noemen [gedaagde] ,

gedaagde partij,

vertegenwoordigd door de heer [A] , bestuurder van [gedaagde] .

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding met producties 1 tot en met 9,

- de schriftelijke reactie van [gedaagde] ,

- de akte eisvermeerdering met producties 11 tot en met 15,

- de op 11 juni 2020 gehouden Skype zitting, waarvan aantekeningen zijn gemaakt.

1.2.

Vervolgens is bepaald dat uitspraak zal worden gedaan.

2 Waar gaat het over?

2.1.

[eiser] is als professioneel fotograaf werkzaam onder de naam [naam onderneming] . Hij maakt foto’s in opdracht en beheert een beeldbank met foto’s, die tegen betaling mogen worden gepubliceerd. Tot die collectie behoort de foto “ [naam gebouw] ” (hierna: de foto). Op de foto staat het gebouw [naam gebouw] in [plaatsnaam] afgebeeld. Daarin is een horecabedrijf gevestigd.

2.2.

[gedaagde] houdt zich bezig met advisering op het gebied van bedrijfsvoering en met bemiddeling bij bedrijfsoverdracht. Zij heeft de opdracht aangenomen om te bemiddelen bij de verkoop van de exploitatie van het horecabedrijf in [naam gebouw] . Medio augustus 2019 heeft zij de foto in haar verkooppresentatie van het object opgenomen en deze via haar provider op de websites www. [gedaagde] bv.nl en www. [.] .nl laten plaatsen. [eiser] heeft daarvoor geen toestemming gegeven en geen vergoeding ontvangen.

2.3.

De gemachtigde van [eiser] heeft [gedaagde] vanaf eind oktober 2019 meerdere keren gesommeerd de foto van de websites te verwijderen en € 700,00 aan schadevergoeding te betalen vanwege auteursrechtinbreuk. De foto is verwijderd, maar [gedaagde] heeft laten weten niet meer dan € 200,00 aan [eiser] te willen betalen.

2.4.

[eiser] vordert in deze procedure een verklaring voor recht dat [gedaagde] inbreuk heeft gemaakt op zijn auteurs- en persoonlijkheidsrechten op de foto en veroordeling van [gedaagde] tot betaling van € 700,00 aan schadevergoeding, de gemaakte buitengerechtelijke kosten, de volledige proceskosten en de nakosten, te vermeerderen met wettelijke rente.

2.5.

[gedaagde] voert verweer en verzoekt de kantonrechter om niet meer dan € 200,00 aan schadevergoeding toe te wijzen en te bepalen dat [eiser] zijn kosten zelf moet dragen. [gedaagde] erkent dat zij de foto niet zonder licentie had mogen gebruiken. Volgens haar berustte het gebruik op een misverstand. Zij vindt de gevraagde licentievergoeding en opgevoerde kosten veel te hoog. Volgens haar is € 200,00 een marktconforme vergoeding voor een dergelijke foto en was het inschakelen van een advocaat niet nodig geweest.

3 De beoordeling

3.1.

Tussen partijen is niet in geschil dat de foto auteursrechtelijk beschermd is en dat de daarop rustende auteursrechten aan [eiser] toekomen. Op grond van artikel 1 Auteurswet heeft de auteursrechthebbende op een foto als enige het recht om die foto openbaar te maken en te verveelvoudigen. Anderen mogen dat alleen met voorafgaande toestemming, een licentie dus. De in de Auteurswet genoemde uitzonderingen daarop doen zich hier niet voor. Verder komen aan de maker van een foto op grond van artikel 25 Auteurswet persoonlijkheidsrechten toe, waaronder het recht op naamsvermelding bij de foto.

3.2.

[gedaagde] heeft de foto zonder toestemming van [eiser] op twee websites openbaar gemaakt zonder daarbij de naam van [eiser] te vermelden. Zij heeft zodoende inbreuk gemaakt op de hiervoor genoemde auteurs- en persoonlijkheidsrechten en dat is onrechtmatig. Daarom kan [eiser] haar aanspreken voor schadevergoeding. [gedaagde] zegt dat er sprake was van een misverstand. Haar opdrachtgever had er namelijk op gewezen dat er foto’s van [naam gebouw] op internet stonden en op grond daarvan ging zij er vanuit dat de auteursrechten op die foto’s aan haar opdrachtgever toekwamen. Dit maakt het oordeel niet anders. Ook het onbewust schenden van auteursrechten komt voor rekening en risico van de inbreukmaker. [gedaagde] had onderzoek behoren te doen naar de herkomst van de op internet gevonden foto en vervolgens toestemming moeten verkrijgen van de rechthebbende voor het gebruik daarvan. Dit heeft zij nagelaten. De gevorderde verklaring voor recht betreffende het inbreukmakende handelen van [gedaagde] zal in zoverre worden toegewezen.

3.3.

[eiser] heeft voldoende feiten en omstandigheden aangevoerd op grond waarvan kan worden aangenomen dat hij schade heeft geleden. Die schade is niet exact vast te stellen, maar kan als volgt worden begroot.

3.4.

Uitgangspunt bij de begroting is dat [eiser] ten minste aanspraak kan maken op een bedrag dat gelijk is aan de licentievergoeding die hij heeft gemist. [eiser] stelt dat hij een minimumtarief hanteert van € 350,00 per foto, per website, per jaar, met naamsvermelding. Hij wijst erop dat dit overeenkomt met het in de tarievenlijst 2019 van de Stichting Foto Anoniem opgenomen minimumtarief van € 360,00 per jaar voor gebruik van een foto op een website door een bedrijf. [eiser] hanteert voor het gebruik van een foto zonder naamsvermelding een hoger tarief van € 700,00 om de waarde van naamsvermelding voor hem als professionele fotograaf te compenseren. Hij verwijst ter onderbouwing van zijn stellingen naar een screenshot van de webpagina waarop zijn tarieven staan vermeld (productie 6) en naar door hem in rekening gebrachte facturen en een offerte (producties 7 en 11). [gedaagde] betwist dat deze tarieven marktconform zijn en ook daadwerkelijk worden betaald. Haar ervaring is dat professionele fotografen voor € 195,00 meerdere foto’s maken van een object en deze dan op een stick aanleveren voor gebruik. Verder vindt [gedaagde] dat deze vergoeding niet in verhouding staat tot de korte tijd dat de foto is gebruikt.

3.5.

De kantonrechter vindt dat [eiser] voldoende heeft onderbouwd dat hij voor gebruik van een foto uit zijn beeldbank normaal gesproken een basistarief van € 350,00 per jaar, per website hanteert. [gedaagde] heeft haar verweer dat dat tarief niet marktconform is, niet onderbouwd. Daarom gaat de kantonrechter daaraan voorbij. Ter zitting is verduidelijkt dat de foto door [gedaagde] op twee verschillende websites is gebruikt. Gelet op deze twee inbreuken is het gevorderde bedrag van € 700,00 aan schadevergoeding al toewijsbaar. Dat de foto volgens [gedaagde] maar kort op de websites heeft gestaan, maakt niet dat zij minder verschuldigd is. [eiser] verstrekt namelijk alleen licenties voor gebruik gedurende minimaal een jaar. Dat [gedaagde] via een andere fotograaf voor een lagere prijs foto’s van [naam gebouw] had kunnen verkrijgen, is ook niet relevant. Zij heeft de foto van [eiser] gebruikt en moet dus daarvoor betalen.

3.6.

De gevorderde wettelijke rente over het bedrag aan schadevergoeding zal worden toegewezen. [gedaagde] heeft daar ook geen relevant verweer tegen gevoerd.

3.7.

Op grond van artikel 6:96 lid 2 sub b BW komen gemaakte kosten voor onderzoek naar / opsporing van een auteursrechtinbreuk voor vergoeding in aanmerking voor zover zij in redelijkheid zijn gemaakt. Uit de overgelegde specificatie (productie 9) blijkt dat daar 24 minuten à € 115,00 per uur aan is besteed (zie post vastleggen inbreuk). De andere genoemde posten zien op werkzaamheden waarvoor de proceskostenvergoeding dan wel de vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten geldt. Daarmee komt deze schadepost op € 46,00.

3.8.

[eiser] heeft recht op vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten, omdat hij heeft laten zien dat hij die kosten in redelijkheid heeft gemaakt. Uit de stukken blijkt dat [gedaagde] pas na de vierde sommatiebrief een schriftelijke reactie heeft gestuurd aan de gemachtigde van [eiser] . De gevorderde kosten zullen op grond van artikel 6:96 lid 2 sub c BW worden toegewezen tot het bedrag van de wettelijke staffel van het Rapport BGK-integraal. Dat komt neer op een bedrag van € 111,90 (15% van de hoofdsom van € 746,00).

3.9.

[gedaagde] krijgt ongelijk en wordt daarom in de proceskosten veroordeeld. Omdat het in deze zaak gaat om de handhaving van intellectuele eigendomsrechten is artikel 1019h Rv van toepassing. [eiser] kon in redelijkheid overgaan tot dagvaarden, nadat een regeling buiten de rechter om niet mogelijk bleek. Bij de vaststelling van de redelijke en evenredige kosten ex artikel 1019h Rv gaat de kantonrechter uit van de Indicatietarieven in IE-zaken, versie 1 april 2017. Het gaat hier om een eenvoudige inbreukkwestie met een beperkt feitencomplex, waarin geen uitgebreid inhoudelijk verweer is gevoerd. Voor zo’n zeer eenvoudige, niet bewerkelijke bodemzaak geldt het liquidatietarief.

3.10.

De proceskosten komen daarmee op:

- dagvaarding € 87,99 (inclusief informatiekosten)

- griffierecht 236,00

- salaris gemachtigde 240,00 (2,0 punten × tarief € 120,00)

Totaal € 563,99

De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen vanaf de in 4.4. genoemde datum.

3.11.

De gevorderde nakosten zullen in 4.5. worden begroot. Daar staat ook hoe de gevorderde wettelijke rente over de nakosten wordt toegewezen.

4 De beslissing

De kantonrechter:

4.1.

verklaart voor recht dat [gedaagde] inbreuk heeft gemaakt op de auteurs- en persoonlijkheidsrechten van [eiser] op de foto,

4.2.

veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] een bedrag van € 746,00 te betalen aan schadevergoeding, vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW daarover met ingang van 24 oktober 2019 tot de dag van volledige betaling,

4.3.

veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] een bedrag van € 111,90 te betalen aan buitengerechtelijke incassokosten,

4.4.

veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de proceskosten aan de zijde van [eiser] , tot de datum van dit vonnis begroot op € 563,99, waarin begrepen € 240,00 aan salaris gemachtigde, te voldoen binnen 14 dagen na de datum van dit vonnis, bij gebreke waarvan voormeld bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente met ingang van de vijftiende dag na de datum van dit vonnis tot de dag van volledige betaling,

4.5.

veroordeelt [gedaagde] , onder de voorwaarde dat zij niet binnen 14 dagen na aanschrijving door [eiser] volledig aan dit vonnis voldoet, in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op:

- € 60,00 aan salaris gemachtigde, vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW met ingang van de vijftiende dag na aanschrijving,

- te vermeerderen, indien betekening van het vonnis heeft plaatsgevonden, met de explootkosten van betekening van het vonnis, vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW met ingang van de vijftiende dag na betekening,

4.6.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

4.7.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. F.C. Burgers, kantonrechter, en is in aanwezigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 24 juni 2020.