Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2020:2734

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
15-07-2020
Datum publicatie
17-08-2020
Zaaknummer
C/16/503670 / KG ZA 20-266
Rechtsgebieden
Aanbestedingsrecht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Aanbesteding. Voorlopige gunningsbeslissing is voldoende gemotiveerd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Module Aanbesteding 2020/1469
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Civiel recht

handelskamer

locatie Utrecht

zaaknummer / rolnummer: C/16/503670 / KG ZA 20-266

Vonnis in kort geding van 15 juli 2020

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[procesdeelnemer I] B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats 1] ,

eiseres in de hoofdzaak,

verweerster in het incident tot tussenkomst subsidiair voeging,

advocaat mr. F.R.H. Kuiper te Hattem,

tegen

de publiekrechtelijke rechtspersoon

PROVINCIE UTRECHT,

zetelend te Utrecht,

gedaagde in de hoofdzaak,

verweerster in het incident tot tussenkomst subsidiair voeging,

advocaten mr. M. Mutsaers en mr. V. Jasarevic te Zwolle,

en

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

KWS INFRA B.V.,

gevestigd te Vianen,

verzoekster in het incident tot tussenkomst subsidiair voeging,

advocaat mr. S.G. Tichelaar te Rotterdam,

en

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[procesdeelnemer IV] B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats 2] ,

verzoekster in het incident tot tussenkomst subsidiair voeging,

advocaten mr. J. Haest en mr. J.N. Zeelenberg te Den Haag.

Partijen zullen hierna [procesdeelnemer I] , de Provincie, KWS en [procesdeelnemer IV] worden genoemd.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding met producties;

  • -

    de incidentele conclusie tot tussenkomst subsidiair voeging van KWS;

  • -

    de incidentele conclusie tot tussenkomst (subsidiair voeging) van [procesdeelnemer IV] ;

  • -

    de akte uitlating tevens akte houdende wijziging eis van [procesdeelnemer I] ;

  • -

    de producties van de Provincie;

  • -

    de mondelinge behandeling op 1 juli 2020;

  • -

    de pleitnota van [procesdeelnemer I] ;

  • -

    de pleitnota van de Provincie (een volledige versie voor de voorzieningenrechter, de griffier en [procesdeelnemer I] en een aangepaste versie voor KWS en [procesdeelnemer IV] );

  • -

    de pleitnota van [procesdeelnemer IV] .

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De incidenten

2.1.

KWS en [procesdeelnemer IV] vorderen primair hen toe te staan tussen te komen in het kort geding tussen [procesdeelnemer I] en de Provincie en subsidiair hen toe te staan zich te voegen aan de zijde van de Provincie in dit kort geding, met veroordeling van [procesdeelnemer I] en/of de Provincie in de kosten van het incident.

2.2.

De primaire incidentele vorderingen van KWS en [procesdeelnemer IV] strekkende tot tussenkomst in het geding tussen [procesdeelnemer I] en de Provincie is op de wet gegrond. KWS en [procesdeelnemer IV] hebben bij hun vorderingen tot tussenkomst voldoende belang. [procesdeelnemer I] en de Provincie hebben tegen deze incidentele vorderingen geen bezwaar gemaakt. Deze vorderingen zullen daarom worden toegewezen en KWS en [procesdeelnemer IV] worden toegelaten als tussenkomende partij. De proceskosten in het incident zullen worden gecompenseerd, in die zin dat elke partij haar eigen kosten in het incident zal hebben te dragen.

3 Formeel

kennisname van stukken

3.1.

[procesdeelnemer I] heeft te kennen gegeven dat zij haar inschrijving en de aan haar toegezonden gunningsbeslissing niet met KWS en [procesdeelnemer IV] wil delen omdat dit bedrijfsvertrouwelijke informatie betreft. Zij heeft KWS en [procesdeelnemer IV] om die reden ook een aangepaste dagvaarding toegestuurd, waarin de concurrentiegevoelige informatie is weggelakt.

3.2.

KWS en [procesdeelnemer IV] hebben aanvankelijk bezwaar gemaakt tegen de beperkte kennisname, maar hebben op de zitting verklaard dat zij met [procesdeelnemer I] en de Provincie hierover afspraken hebben gemaakt. Deze afspraken houden in dat KWS en [procesdeelnemer IV] alleen de beschikking krijgen over de aangepaste dagvaarding en niet van de inschrijving van [procesdeelnemer I] en de aan haar toegezonden gunningsbeslissing. De Provincie heeft de producties die zij in het geding heeft gebracht ook niet met KWS en [procesdeelnemer IV] gedeeld, omdat deze - naast de aanbestedingsstukken die al aan KWS en [procesdeelnemer IV] bekend zijn - nog eens de inschrijving en de gunningsbeslissing van [procesdeelnemer I] bevatten. Partijen hebben verder afgesproken dat KWS en [procesdeelnemer IV] gedurende de gehele mondelinge behandeling in de zaal aanwezig zullen zijn waardoor zij kennis kunnen nemen van de door [procesdeelnemer I] en de Provincie voorgedragen pleitnota’s, maar dat zij van de Provincie alleen een aangepaste versie van haar pleitnota zullen ontvangen waaruit bedrijfsvertrouwelijke informatie van [procesdeelnemer I] is verwijderd. KWS en [procesdeelnemer IV] hebben te kennen gegeven dat zij zich gelet op deze afspraken niet langer tegen de beperkte verstrekking van de stukken verzetten.

eiswijziging

3.3.

De Provincie, KWS en [procesdeelnemer IV] hebben geen bezwaar gemaakt tegen de eiswijziging. Deze wordt toegelaten.

4 Inleiding

4.1.

Het gaat hier om een Europese niet-openbare aanbestedingsprocedure van de Provincie met de aanduiding ‘Bouwteam verhardingen provincie Utrecht’. Blijkens de door de Provincie uitgebrachte Inschrijvingsleidraad betreft de opdracht verhardingswerkzaamheden binnen de Provincie Utrecht, die in twee geografische percelen worden aanbesteed. De bedoeling is dat voor elk perceel één bouwteam wordt gevormd en dat hiertoe twee bouwteamovereenkomsten worden gesloten. Binnen de bouwteams, met medewerkers van de Provincie en de aannemer, worden de verschillende te onderhouden wegvakken (de deelprojecten) voorbereid en ontworpen. Het hoofddoel is het verbeteren van het onderhoudsprogramma voor provinciale wegen. Vervolgens wordt per wegvak een uitvoeringsovereenkomst gesloten voor de realisatie van het wegvak, waarbij de aannemer als eerste en voorlopig als enige de gelegenheid zal krijgen hiervoor een aanbieding te doen.

4.2.

Als gunningscriterium geldt de economisch meest voordelige inschrijving op basis van de beste prijs-kwaliteitverhouding. De economisch meest voordelige inschrijving wordt bepaald aan de hand van de fictieve inschrijfsom van minimaal € 1.250.000 minus de totaal behaalde monetaire meerwaarde. De totale monetaire meerwaarde bedraagt maximaal € 1.000.000 en kan worden behaald voor de volgende (sub)kwaliteitscriteria:

A. Samenwerkingsplan (maximale meerwaarde € 500.000)

B. Plan Schone lucht (maximale meerwaarde € 300.000)

C. Bereikbaarheid, Leefbaarheid, Veiligheid en Communicatie (BLVC, maximale meerwaarde € 200.000).

4.3.

De inschrijvers dienen hiertoe een Samenwerkingsplan, een Plan Schone lucht en een BLVC plan in te dienen die helder en SMART (Specifiek, Meetbaar, Acceptabel, Realistisch en Tijdsgebonden) moeten worden beschreven. Deze plannen worden beoordeeld door een beoordelingscommissie, die aan elk van deze plannen de volgende score toekent:

10 ( Uitstekend, wegingsfactor -100%)

8 ( Goed, wegingsfactor -50%)

6 ( Neutraal, wegingsfactor 0%)

4 ( Matig, wegingsfactor +50%)

2 ( Slecht, wegingsfactor +100%)

Een score 10 voor elk van de plannen leidt in deze systematiek tot de maximale monetaire meerwaarde van € 1.000.000, namelijk 100% x € 500.000, 100% x € 300.000 en 100% x € 200.000).

4.4.

In Bijlage 6 (Uitwerking EMVI tabel) bij de Inschrijvingsleidraad is per (sub)kwaliteitscriterium een overzicht opgenomen van de kenmerken waaraan een ingediend plan moet voldoen om een bepaalde score te halen. Hieronder worden per plan de kenmerken van de scores 10, 8 en 6 genoemd.

Samenwerkingsplan:

Score

Resultaat

Onderbouwing

10

Uitstekend

Maximaal denkbare kwaliteit; er is een uitmuntende invulling en beschrijving gegeven aan het kwaliteitscriterium, de maatregelen zijn SMART omschreven en faciliteren een optimale samenwerking in het Bouwteam.

8

Goed

Extra kwaliteit, er is goed invulling gegeven aan het kwaliteitscriterium en de maatregelen zijn SMART omschreven. De maatregelen zijn grotendeels realiseerbaar en faciliteren een goede samenwerking in het Bouwteam.

6

Neutraal

Er is invulling gegeven aan het gevraagde kwaliteitscriterium maar er wordt maar beperkt maatregelen genomen. De maatregelen zijn in mindere mate SMART omschreven, beperkt realiseerbaar maar faciliteren een voldoende samenwerking in het Bouwteam.

Plan Schone lucht

Score

Resultaat

Onderbouwing

10

Uitstekend

De maatregelen zijn SMART omschreven, realiseerbaar en hebben een aantoonbare meerwaarde voor de emissiereductie. De maatregelen zijn wat betreft de technische en financiële eigenschappen beter dan een traditionele uitvoering en zijn gedegen onderbouwd.

8

Goed

De maatregelen zijn SMART omschreven, realiseerbaar en hebben een aantoonbare meerwaarde voor de emissiereductie. De maatregelen zijn wat betreft de technische en financiële eigenschappen gelijkwaardig aan een traditionele uitvoering

6

Neutraal

De maatregelen zijn matig SMART omschreven, dragen beperkt bij aan een emissiereductie en zijn wat betreft de technische en financiële eigenschappen gelijkwaardig aan een traditionele uitvoering.

BLVC

Score

Resultaat

Onderbouwing

10

Uitstekend

Maximaal denkbare kwaliteit. De maatregelen zijn SMART omschreven, realiseerbaar, minimaliseren de hinder(beleving) en overlast. De maatregelen garanderen een veilige uitvoering en zorgen voor een optimale communicatie met stakeholders.

8

Goed

De maatregelen zijn SMART omschreven, realiseerbaar beperken in grote mate de hinder(beleving) en overlast. De maatregelen zijn ruim voldoende voor een veilige uitvoering en zorgen voor een goede communicatie met stakeholders.

6

Neutraal

De maatregelen zijn deels SMART omschreven, realiseerbaar en beperken de hinder(beleving) en overlast. De maatregelen zijn ruim voldoende voor een veilige uitvoering en zorgen voor voldoende communicatie met stakeholders.

4.5.

[procesdeelnemer I] , KWS en [procesdeelnemer IV] hebben onder meer op deze opdracht ingeschreven. De Provincie heeft op 20 mei 2020 een voorlopige gunningsbeslissing aan [procesdeelnemer I] gestuurd, waarin zij heeft aangekondigd dat zij voornemens is de opdracht voor perceel 1 aan KWS en de opdracht voor perceel 2 aan [procesdeelnemer IV] te gunnen en dat zij met twee andere inschrijvers (niet [procesdeelnemer I] ) een wachtkamerovereenkomst wil sluiten. Uit de gunningsbeslissing blijkt onder meer dat de vijf inschrijvers die een geldige inschrijving hebben gedaan (hierna: de inschrijvers) de minimale fictieve inschrijfsom van € 1.250.000 hebben aangeboden en dat KWS en [procesdeelnemer IV] een totale monetaire meerwaarde van respectievelijk € 900.000 en € 600.000 hebben behaald. [procesdeelnemer I] heeft daarentegen helemaal geen monetaire meerwaarde behaald.

5 De vorderingen van [procesdeelnemer I]

5.1.

[procesdeelnemer I] is het niet eens met de wijze waarop haar plannen zijn beoordeeld en de motivering die de Provincie hiervoor heeft gegeven. Zij vordert daarom na wijziging van eis:

primair:

1. de Provincie te veroordelen om de gunningsbeslissing van 20 mei 2020 in te trekken; en

2. de Provincie te gebieden de door [procesdeelnemer I] ingediende kwalitatieve documenten opnieuw te laten beoordelen door een nieuwe beoordelingscommissie, dan wel de huidige beoordelingscommissie, met inachtneming van hetgeen de voorzieningenrechter in dit vonnis zal opnemen;

3. de Provincie te gebieden, zo zij de opdrachten nog wil gunnen, een nieuwe gunningsbeslissing te nemen met inachtneming van de resultaten van deze hernieuwde beoordeling;

subsidiair:

4. de Provincie te veroordelen om de gunningsbeslissing van 20 mei 2020 in te trekken; en

5. de Provincie te gebieden de door alle inschrijvers ingediende kwalitatieve documenten opnieuw te laten beoordelen door een nieuwe beoordelingscommissie, dan wel de huidige beoordelingscommissie, met inachtneming van hetgeen de voorzieningenrechter in dit vonnis zal opnemen;

6. de Provincie te gebieden, zo zij de opdrachten nog wil gunnen, een nieuwe gunningsbeslissing te nemen met inachtneming van de resultaten van deze hernieuwde beoordeling;

zowel primair als subsidiair:

7. de Provincie te veroordelen in de proceskosten en de nakosten, vermeerderd met wettelijke rente.

5.2.

De Provincie, KWS en [procesdeelnemer IV] concluderen tot afwijzing van de vorderingen van [procesdeelnemer I] , met veroordeling van [procesdeelnemer I] in de kosten van de procedure. De Provincie en KWS verzoeken daarnaast om [procesdeelnemer I] te veroordelen in de wettelijke rente over de proceskosten. KWS verzoekt ten slotte [procesdeelnemer I] te veroordelen in de nakosten, vermeerderd met wettelijke rente.

6 De beoordeling

spoedeisendheid

6.1.

De spoedeisendheid van de zaak is uit het gestelde en gevorderde voldoende aannemelijk geworden.

[procesdeelnemer I] heeft voldoende belang bij een herbeoordeling

6.2.

[procesdeelnemer IV] stelt zich op het standpunt dat [procesdeelnemer I] geen belang heeft bij een herbeoordeling, omdat niet te verwachten is dat zij dan een zodanige score voor haar plannen zal krijgen dat zij daarmee een hogere monetaire meerwaarde behaalt dan KWS en [procesdeelnemer IV] . Het gat met de door KWS en [procesdeelnemer IV] behaalde monetaire meerwaarden van € 900.000 en € 650.000 is daarvoor te groot, aldus [procesdeelnemer IV] .

6.3.

De voorzieningenrechter overweegt dat aan [procesdeelnemer IV] kan worden toegegeven dat [procesdeelnemer I] bij een herbeoordeling beduidend beter zal moeten scoren om voor gunning van een van de percelen in aanmerking te kunnen komen. De kans op een dergelijke score is misschien niet heel groot, maar kan ook niet bij voorbaat worden uitgesloten. Dit maakt dat [procesdeelnemer I] voldoende belang heeft bij een herbeoordeling.

6.4.

de motivering van de gunningsbeslissing

de motivering van de gunningsbeslissing voldoet aan artikel 2:130 Aw

6.4.1.

[procesdeelnemer I] stelt zich in de eerste plaats op het standpunt dat de motivering van de gunningsbeslissing niet voldoet aan het bepaalde in artikel 2:130 van de Aanbestedingswet 2012 (Aw), omdat de Provincie hierin niet de relatieve voordelen van de winnende inschrijvers heeft vermeld.

6.4.2.

Op grond van artikel 2.130 van de Aanbestedingswet bevat de mededeling van de gunningsbeslissing de relevante redenen van die beslissing. Onder de relevante redenen wordt in ieder geval verstaan de kenmerken en relatieve voordelen van de uitgekozen inschrijving.

6.4.3.

Uit de wetsgeschiedenis bij dit artikel blijkt het volgende:

 het is de bedoeling dat wordt medegedeeld om welke redenen een bepaalde

ondernemer is gekozen en om welke redenen de overige ondernemers niet zijn

gekozen;

 het ligt voor de hand dat bij gunning op grond van de economisch meest voordelige

inschrijving de scores en relatieve positie ten opzichte van de “winnaar”

worden verstrekt, als onderbouwing van de gunningsbeslissing;

 de relevante redenen kunnen onder meer de volgende elementen bevatten:

i) bekendmaking van de eindscores, zowel van de afgewezen inschrijver als van de “winnaar”;

ii) de scores van de afgewezen inschrijver op specifieke kenmerken en de reden waarom op een specifiek kenmerk eventueel niet de maximale score is toegekend;

iii) verduidelijking van de toepassing van de gehanteerde criteria bij gunning volgens het EMVI-criterium.

6.4.4.

De motiveringsplicht van een aanbestedende dienst wordt echter beperkt doordat het aan een aanbestedende dienst niet is toegestaan bedrijfsvertrouwelijke informatie van andere inschrijvers aan een inschrijver te verstrekken. De motiveringsplicht is bovendien (alleen) bedoeld om de betreffende inschrijver te informeren en voor die inschrijver effectieve rechtsbescherming tegen het gunningsbesluit voldoende mogelijk te maken. De motiveringsplicht van een aanbestedende dienst gaat niet zo ver dat zij ook inzicht moet verschaffen in de inschrijving van de voorlopige winnaar, teneinde een niet uitgekozen inschrijver de gelegenheid te geven de beoordeling van de aanbestedende dienst over te doen. Het is niet aan een inschrijver om de inschrijving van een andere partij te beoordelen.

6.4.5.

De Provincie, KWS en [procesdeelnemer IV] stellen zich naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter terecht op het standpunt dat de Provincie aan deze maatstaven heeft voldaan. Daarbij wordt in de eerste plaats in aanmerking genomen dat de gunningsbeslissing een tabel bevat met daarin een overzicht van de totaal behaalde monetaire meerwaarden van de inschrijvingen. Omdat de betreffende inschrijvers alle dezelfde fictieve inschrijfsom hebben ingediend, kan uit deze tabel de ranking en de eindscores van de inschrijvingen worden afgeleid.

6.4.6.

Daarnaast is bij de gunningsbeslissing een proces-verbaal van aanbesteding gevoegd, met een overzicht van de scores die de inschrijvers op de (sub)kwaliteitscriteria hebben behaald. De onderbouwing van deze scores blijkt uit het document ‘Uitwerking EMVI tabel’ (bijlage 6 bij de Inschrijvingsleidraad). [procesdeelnemer I] kan op basis hiervan vaststellen in welk opzicht de plannen van de andere inschrijvers beter hebben gescoord dan haar eigen plannen. De Provincie heeft bij de gunningsbeslissing een bijlage van drie pagina’s gevoegd met een onderbouwing van de behaalde scores van [procesdeelnemer I] en met de redenen waarom niet de maximale scores zijn toegekend. De Provincie heeft deze onderbouwing niet ten aanzien van de andere inschrijvingen gegeven, maar hoefde dit ook niet te doen omdat voldoende aannemelijk is dat zij hiermee bedrijfsvertrouwelijke informatie zou prijsgeven. Het gaat hier bovendien niet om een relatieve beoordeling (dat wil zeggen het waarderen van de inschrijvingen op grond van een onderlinge vergelijking) maar om een absolute beoordeling (dat wil zeggen dat iedere inschrijving afzonderlijk wordt gewaardeerd). De beoordeling van de inschrijving van [procesdeelnemer I] staat hiermee op zichzelf en is niet afhankelijk van de beoordeling van de andere inschrijvingen. [procesdeelnemer I] heeft daarom ook geen belang bij gedetailleerde informatie over de beoordelingen van de andere inschrijvingen.

6.4.7.

Gezien het voorgaande luidt de conclusie dat de Provincie haar gunningsbeslissing voldoende heeft gemotiveerd en dat [procesdeelnemer I] hiermee voldoende informatie had om te kunnen beoordelen of het zinvol was om tegen deze gunningsbeslissing een juridische procedure aanhangig te maken. Deze motiveringsklacht kan daarom niet slagen.

toekenning van een score 6 betekent niet dat een plan geen positieve kenmerken kan hebben

6.4.8.

Blijkens het proces-verbaal van aanbesteding heeft [procesdeelnemer I] voor elk van de plannen die zij heeft ingediend een score 6 gekregen. Zij stelt zich op het standpunt dat deze scores niet rijmen met de algemene tendens van de onderbouwing die de Provincie aan deze scores heeft gegeven. Zij wijst er hierbij op dat uit de onderbouwing blijkt dat de beoordelingscommissie een aantal aspecten van deze plannen positief heeft beoordeeld. Volgens [procesdeelnemer I] moet er op basis daarvan dan ook een positief cijfer volgen (een 8 of een 10) en niet een neutraal cijfer (een 6).

6.4.9.

Ook deze klacht kan niet slagen. De Provincie heeft toegelicht dat het eindoordeel, waarbij voor elk van de plannen een bepaalde score is toegekend, het resultaat is van de afweging door de beoordelingscommissie van alle positieve punten en alle kritiekpunten. Uit de onderbouwing van de toe te kennen scores in het document ‘Uitwerking EMVI tabel’ kan worden afgeleid dat een score 6 niet betekent dat het plan in het geheel geen positieve kenmerken heeft. In de onderbouwing van score 6 wordt ten aanzien van het Samenwerkingsplan bijvoorbeeld genoemd dat er invulling is gegeven aan het gevraagde kwaliteitscriterium en dat de maatregelen een voldoende samenwerking in het Bouwteam faciliteren. Dit zijn positieve kenmerken. Om een score 8 of 10 te behalen is het daarentegen nodig dat er een goede dan wel uitmuntende invulling wordt gegeven aan het kwaliteitscriterium en dat de maatregelen een goede dan wel optimale samenwerking in het Bouwteam faciliteren. Blijkens de onderbouwing van de aan [procesdeelnemer I] toegekende scores die de Provincie bij de gunningsbeslissing heeft gegeven, is hiervan naar het oordeel van de beoordelingscommissie echter geen sprake geweest. Er is daarom geen discrepantie tussen de onderbouwing van de scores in het document ‘Uitwerking EMVI tabel’ en de onderbouwing van de toegekende scores in de gunningsbeslissing.

6.5.

het bezwaar tegen de toegekende scores - toetsingskader

6.5.1.

[procesdeelnemer I] maakt bezwaar tegen de wijze waarop de beoordelingscommissie het door haar ingediende Samenwerkingsplan, het Plan Schone lucht en het BLVC plan heeft beoordeeld. Volgens [procesdeelnemer I] is deze beoordeling op een groot aantal punten niet juist en had de beoordelingscommissie hogere scores aan deze plannen moeten toekennen.

6.5.2.

De voorzieningenrechter merkt op dat het hier gaat om een beoordeling door een beoordelingsteam op basis van kwalitatieve criteria. Enige mate van subjectiviteit is hieraan inherent. Weliswaar staat dat (enigszins) op gespannen voet met de objectieve beoordelingssystematiek van het aanbestedingsrecht en de daarop toepasselijke beginselen van transparantie en gelijke behandeling, maar het behoeft - op zichzelf - nog niet mee te brengen dat ook daadwerkelijk sprake is van strijd met dat recht c.q. die beginselen. Van belang is dat (i) zodanige criteria worden geformuleerd dat het voor een kandidaat-inschrijver volstrekt duidelijk is aan welke kwaliteitseisen hij moet voldoen, (ii) de inschrijvingen aan de hand van een zo objectief mogelijk systeem worden beoordeeld, en (iii) de aanbestedende dienst zijn uiteindelijke keuze motiveert op een wijze die het voor de afgewezen inschrijvers mogelijk maakt om (a) de wijze waarop de beoordeling heeft plaatsgevonden te toetsen en (b) te controleren of de beoordeling de (voorlopige) gunningsbeslissing rechtvaardigt. Aan de rechter komt slechts een beperkte toetsingsvrijheid toe wanneer het aankomt op de beoordeling van kwaliteitscriteria. Aan de aangewezen - deskundige - beoordelaars moet dienaangaande de nodige vrijheid worden gegund. De voorzieningenrechter betrekt bij dit oordeel dat de wijze van beoordeling in de aanbestedingstukken vooraf is uiteengezet en niet op bezwaar van de inschrijvers is gestuit. Slechts indien sprake is van - procedurele dan wel inhoudelijke - onjuistheden, dan wel onduidelijkheden die zouden kunnen meebrengen dat de (voorlopige) gunningsbeslissing niet deugt, is plaats voor ingrijpen door de rechter.

6.6.

Samenwerkingsplan

inleiding

6.6.1.

In paragraaf 4.4.6 (Kwalitatieve aanbiedingsdocumenten) van de Inschrijvingsleidraad wordt ten aanzien van het Samenwerkingsplan het volgende vermeld:

A Samenwerkingsplan

Het werken in bouwteams is voor de Provincie Utrecht een nieuwe wijze van samenwerken. Om invulling te geven aan de doelstellingen beschreven in paragraaf 2.1 en de doelstelling zoals beschreven in artikel 2 van de bouwteamovereenkomst vraagt de Provincie de Inschrijver om een samenwerkingsplan uit te werken. Hierin dient de Inschrijver te beschrijven hoe hij specifiek voor deze opgave het bouwteamproces met de Opdrachtgever ziet inclusief de onderbouwing van de gemaakt keuzes met de juiste houding en gedrag passend bij de gekozen bouwteam aanpak. In de concept bouwteamovereenkomst, (appendix 1) is weergegeven welke sleutelfiguren door Opdrachtgever in het bouwteam worden ingezet.

De doelstelling van dit criterium is het contracteren van de Inschrijver die de opdracht het beste doorgrondt en het vertrouwen geeft de samenwerkingsopgave van de komende 2 tot 4 jaar tot een goed einde te brengen.”

6.6.2.

In deze paragraaf wordt vervolgens een zevental aspecten opgesomd (hierna ook te noemen: subonderdelen) die de inschrijver in het Samenwerkingsplan in zijn beschrijving in ieder geval moet opnemen.

6.6.3.

De beoordelingscommissie heeft ter onderbouwing van de score 6 die zij aan het plan heeft toegekend, in haar beoordeling bij elk van deze subonderdelen kanttekeningen geplaatst, waar [procesdeelnemer I] het niet mee eens is. De inhoud van deze subonderdelen, het commentaar van de beoordelingscommissie, de bezwaren die [procesdeelnemer I] hiertegen in heeft gebracht en de toelichting die de Provincie hierop heeft gegeven zullen hieronder puntsgewijs worden besproken.

subonderdeel 1

6.6.4.

Volgens subonderdeel 1 moet in het Samenwerkingsplan in ieder geval worden opgenomen:

“een beschrijving van de belangrijkste werkstromen/activiteiten door de Inschrijver in de bouwteamfase uit te voeren.

-> (‘welke werkstromen/activiteiten zijn cruciaal?’)”

6.6.5.

De beoordelingscommissie heeft ten aanzien van dit subonderdeel het volgende opgemerkt:

“Uitgangspunt is het nastreven van een duidelijk en beheerst proces, in combinatie met een open en transparante werkwijze. Daarbij heeft u aandacht voor het behalen van de projectdoelstellingen. Er is een stappenplan met een indeling in de verschillende fasen van samenwerking tussen opdrachtgever en opdrachtnemer. De fasen worden toegelicht, waarbij de verschillende samenwerkingsaspecten aan bod komen. Een bouwteamcoach begeleid het proces. Gemaakte afspraken worden vastgelegd.

Echter missen wij een grondige analyse wat de belangrijkste werkstromen en activiteiten zijn en waarom. Hierdoor is het vooral een algemeen stappenplan, weinig verdiepend en daarmee niet project specifiek. De toegevoegde waarde van de concretiseringsfase en wat dit precies inhoudt bij deze bouwteamsamenwerking wordt onvoldoende uiteengezet. Verder is het niet duidelijk of de verschillende fasen in de benodigde tijd gerealiseerd kunnen worden.”

6.6.6.

[procesdeelnemer I] maakt in de eerste plaats bezwaar tegen de opmerking: “Echter missen wij een grondige analyse wat de belangrijkste werkstromen en activiteiten zijn en waarom.”

Volgens [procesdeelnemer I] miskent de Provincie hier dat in bijlage 1 bij het plan (in het plan omschreven als stappenplan) een weergave is gegeven van de werkstroom met de onderliggende activiteiten.

6.6.7.

De Provincie heeft toegelicht dat zij had verwacht dat [procesdeelnemer I] specifiek aandacht zou hebben besteed aan de vraag waarom de werkstromen/activiteiten voor de beheersing van het bouwteam belangrijk zijn. Het gaat haar daarbij met name om de activiteiten binnen de werkstromen, zoals het risicomanagement, het omgevingsmanagement en het planningsmanagement. [procesdeelnemer I] heeft in het stappenplan de processen en de activiteiten opgenomen die al zijn benoemd in de concept-bouwteamovereenkomst en heeft hier een aantal activiteiten aan toegevoegd. Een analyse welke werkstromen en activiteiten waarom cruciaal zijn, is echter onvoldoende, niet concreet, uitgewerkt. Volgens de Provincie heeft [procesdeelnemer I] daarmee in feite haar expliciete vraag en opdracht genegeerd.

6.6.8.

De voorzieningenrechter stelt vast dat [procesdeelnemer I] in het Samenwerkingsplan en het stappenplan werkstromen en activiteiten noemt, maar dat zij daarbij niet toelicht welke werkstromen en activiteiten naar haar mening cruciaal zijn en waarom dit zo is. [procesdeelnemer I] lijkt ervan uit te gaan dat alle door haar genoemde werkstromen en activiteiten cruciaal zijn. De term ‘cruciaal’ suggereert echter dat de inschrijver in de werkstromen en de activiteiten enige rangorde aanbrengt en dat zij aangeeft welke werkstromen en activiteiten zij het belangrijkst vindt. Nu [procesdeelnemer I] dit niet heeft gedaan en dit op grond van de Inschrijvingsleidraad wel had gemoeten, is de kanttekening die de beoordelingscommissie hierover heeft gemaakt niet onbegrijpelijk.

6.6.9.

[procesdeelnemer I] maakt ook bezwaar tegen de overweging van de beoordelingscommissie:

“De toegevoegde waarde van de concretiseringsfase en wat dit precies inhoudt bij deze bouwteamsamenwerking wordt onvoldoende uiteengezet.”

6.6.10.

[procesdeelnemer I] stelt dat zij in haar stappenplan juist duidelijk in een drietal stappen heeft omschreven wat zij doet en wat de toegevoegde waarde is. Deze bestaat uit het verkrijgen van inzicht in de scope per jaar, het borgen van de projectdoelstelling met een optimalisatieprogramma, het analyseren van de deelopdracht, het spiegelen van kosten en het voorkomen van financiële verrassingen.

6.6.11.

De Provincie heeft hierover opgemerkt dat de door [procesdeelnemer I] genoemde toegevoegde waarde niet in het stappenplan staat. Deze aspecten komen wel (deels) in het Samenwerkingsplan terug, maar het blijft voor de beoordelingscommissie onduidelijk wat volgens [procesdeelnemer I] de belangrijkste werkstromen/activiteiten zijn en waarom, en wat in dit verband nu precies de geboden toegevoegde waarde van de concretiseringsfase is bij de door [procesdeelnemer I] voorgestelde vorm van bouwteamsamenwerking. Er wordt slechts heel in het algemeen gesteld dat het doel ervan is ‘om de projectdoelstelling van de Provincie maximaal te borgen’ en om ‘telkens het jaarprogramma goed te starten’. Ook blijft onbenoemd hoe [procesdeelnemer I] de opdrachtgever steeds bij de inrichting en besluitvorming betrekt.

6.6.12.

De voorzieningenrechter stelt vast dat de door [procesdeelnemer I] genoemde aspecten die naar haar mening van toegevoegde waarde zijn (het verkrijgen van inzicht in de scope per jaar, het borgen van de projectdoelstelling met een optimalisatieprogramma, het analyseren van de deelopdracht, het spiegelen van kosten en het voorkomen van financiële verrassingen) inderdaad niet in het stappenplan worden genoemd. Deze aspecten worden wel in het Samenwerkingsplan genoemd, maar worden hierin niet allemaal verder uitgewerkt. De voorzieningenrechter begrijpt de opmerkingen van de beoordelingscommissie aldus, dat zij ook hier mist dat [procesdeelnemer I] niet heeft benoemd wat volgens haar de cruciale werkstromen en activiteiten zijn en wat de betekenis van de door [procesdeelnemer I] genoemde concretiseringsfase in dat verband is en op welk punt [procesdeelnemer I] hierin een bijzondere prestatie meent te kunnen verrichten. De Provincie heeft er op gewezen dat in de beschrijving van de concretiseringsfase slechts algemeenheden zijn genoemd en dit heeft [procesdeelnemer I] onvoldoende weerlegd. De concrete, SMART omschreven, aanpak blijkt onvoldoende uit het Samenwerkingsplan en de voorzieningenrechter acht de kritiek van de beoordelingscommissie op dit punt dan ook niet onbegrijpelijk.

6.6.13.

[procesdeelnemer I] is het ten slotte niet eens met de overweging van de beoordelingscommissie dat het verder niet duidelijk is of de verschillende fasen in de benodigde tijd gerealiseerd kunnen worden. Volgens [procesdeelnemer I] is zo concreet mogelijk ingevuld hoe dit in de tijd gerealiseerd kan worden. Omdat het gaat om deelopdrachten die vanuit Bouwteamverband worden opgedragen, is volgens haar echter niet in algemene zin te zeggen hoe een en ander in de tijd kan worden gezet.

6.6.14.

De Provincie heeft toegelicht dat het voor de beoordelingscommissie niet duidelijk is hoe de verschillende beschreven processtappen in 2020 (de helft van de contractperiode) passen in de tijd, waarbij in ogenschouw wordt genomen dat de deelprojecten in de zomer en het najaar van 2020 moeten worden uitgevoerd. [procesdeelnemer I] heeft dit volgens de beoordelingscommissie onvoldoende gespecificeerd.

6.6.15.

De voorzieningenrechter stelt vast dat de verschillende fasen in het stappenplan weliswaar in 2020 en begin 2021 zijn gepositioneerd, maar dat [procesdeelnemer I] dit tijdpad inderdaad niet verder heeft geconcretiseerd. Gelet op de eis in paragraaf 4.4.6 van de Inschrijvingsleidraad dat de gevraagde plannen helder en SMART dienen te worden beschreven, is ook deze kanttekening van de beoordelingscommissie niet onbegrijpelijk omdat de inschrijving op dit punt niet tijdgebonden is.

subonderdeel 2

6.6.16.

Volgens subonderdeel 2 moet in het Samenwerkingsplan in ieder geval worden opgenomen:

“de inrichting van het projectteam, de benodigde competenties van het team om de belangrijkste werkstromen/activiteiten van de bouwteamfase van het Project te kunnen beheersen en de wijze waarop de benodigde competenties daarin worden ingezet. Dit dient in ieder geval onderbouwd te worden met Cv’s van de sleutelfunctionarissen die opgenomen kunnen worden als bijlage bij het Plan van Aanpak.

-> (‘hoe richt ik mijn team in?’ en ‘van welke firma en/of dochteronderneming zijn deze functionarissen afkomstig?’)”

6.6.17.

De beoordelingscommissie heeft ten aanzien van dit subonderdeel het volgende commentaar gegeven:

“U maakt onderscheid in een klein kernteam en overige specialisaties/deskundigen, dat is positief en biedt het bouwteam de mogelijkheid om efficiënte keuzes te maken. Er wordt onvoldoende specifiek ingegaan op de competenties van de teamleden die nodig zijn om de belangrijkste werkstromen/activiteiten van de bouwteamfase te beheersen en het succesvol te maken.”

6.6.18.

[procesdeelnemer I] heeft bezwaar tegen deze laatste zin. Volgens haar miskent de Provincie dat zij de CV’s van de teamleden niet alleen in de bijlagen bij haar plan heeft vermeld, maar ook in het plan zelf is ingegaan op de specifieke competenties van de in te zetten teamleden in de specifieke onderdelen.

6.6.19.

De Provincie erkent dat [procesdeelnemer I] in haar Samenwerkingsplan aangeeft welke werknemers zitting zullen nemen in het kernteam, wat hun functies zijn en dat hun competenties worden toegelicht in de CV’s die als bijlagen zijn toegevoegd. In het Samenwerkingsplan wordt echter niet, zoals gevraagd, onderbouwd waarom precies deze mensen voor dit bouwteam zijn gekozen, zodat de belangrijkste werkstromen/activiteiten daadwerkelijk kunnen worden beheerst.

6.6.20.

De voorzieningenrechter stelt vast dat [procesdeelnemer I] in haar Samenwerkingsplan inderdaad niet heeft toegelicht welke competenties van de teamleden specifiek voor deze opdracht nodig zijn om de belangrijkste werkstromen/activiteiten van de bouwteamfase te beheersen en het succesvol te maken, terwijl de Provincie dit wel had gevraagd. [procesdeelnemer I] heeft ook in dit geding niet onderbouwd hoe zij in het plan zelf is ingegaan op de “specifieke competenties in te zetten op de specifieke onderdelen”. Deze kanttekening van de beoordelingscommissie is daarom niet onbegrijpelijk.

subonderdeel 3

6.6.21.

Volgens subonderdeel 3 moet in het Samenwerkingsplan in ieder geval worden opgenomen:

“de wijze waarop de verschillende competenties worden gecombineerd en aangestuurd waarbij de kwaliteit van het geleverde werk wordt geborgd gedurende de raamovereenkomst en de wijze waarop de benodigde sleutelfunctionarissen worden ingezet.

-> (‘hoe borg ik de kwaliteit van mijn team?’)”

6.6.22.

De beoordelingscommissie heeft hierover de volgende opmerking gemaakt:

“De vervanging van teamleden en het inzetten van een schaduwteam wordt duidelijk inzichtelijk gemaakt, evenals het opstellen van een Programma van Eisen, verificatie, gebruik van BIM360 en een keuringsplan. U gaat niet specifiek in op de wijze waarop de sleutelfiguren worden ingezet.”

6.6.23.

Volgens [procesdeelnemer I] miskent de Provincie dat duidelijk is aangegeven wat de functie is van de sleutelfiguren, te weten Projectleider, Ontwerpleider, Omgevingsmanager, Werkvoorbereider, Verkeersmanager en Hoofduitvoerder. Het zou de Provincie als professioneel opdrachtgever alleen al op grond van de benaming van deze functies duidelijk moeten zijn op welke wijze deze sleutelfiguren worden ingezet.

6.6.24.

De Provincie heeft toegelicht dat in het Samenwerkingsplan niet concreet, en dus niet SMART, is aangegeven op welke wijze de sleutelfiguren zullen worden ingezet. Volgens de Provincie spreekt alleen een functieaanduiding niet voldoende vanzelf. Als er bijvoorbeeld een planner wordt ingezet wil zij graag weten wat dat bijdraagt aan het team en aan de samenwerking binnen het bouwteam.

6.6.25.

De voorzieningenrechter merkt op dat aan [procesdeelnemer I] kan worden toegegeven dat de wijze waarop de benodigde sleutelfunctionarissen worden ingezet kan worden afgeleid uit hun functieaanduiding, zij het alleen in grote lijnen. Daar staat tegenover dat de Provincie heeft gevraagd om dit in het Samenwerkingsplan nader toe te lichten en dat [procesdeelnemer I] dit niet heeft gedaan. De opmerking die de beoordelingscommissie hierover heeft gemaakt is niet onbegrijpelijk, omdat [procesdeelnemer I] op dit punt onvoldoende specifiek is geweest.

subonderdeel 4

6.6.26.

Volgens subonderdeel 4 moet in het Samenwerkingsplan in ieder geval worden opgenomen:

“de wijze waarop de functionarissen met elkaar en met het team van de Opdrachtgever samenwerken

-> (‘hoe borg ik dat we als 1 team samenwerken?’ zowel intern als met de Opdrachtgever)”

6.6.27.

De beoordelingscommissie heeft hierover het volgende opgemerkt:

“Het inzetten van een bouwteamcoach, introductie snuffelstage en bij elkaar in de keuken is positief. Uw verhaal is wel erg hij/zij gericht met spiegelfuncties. Niet duidelijk wordt hoe geborgd wordt dat er als één team wordt samengewerkt.”

6.6.28.

[procesdeelnemer I] merkt hierover op dat de Provincie niet aangeeft of het werken met spiegelfuncties nu positief of negatief is. Bovendien miskent de Provincie volgens [procesdeelnemer I] dat de samenwerking als één team proactief wordt geborgd door de kennismakingsstage, de snuffelstage, de inzet van de bouwteamcoach en het werken met een complementair team. Daarbij is er ook sprake van een reactieve borging, namelijk door middel van samenwerking in de vorm van evaluaties, het elkaar aanspreken onder begeleiding van een bouwteamcoach, de voorziening voor een escalatie en de mogelijke vervanging van bouwteamleden bij niet functioneren. Bovendien heeft [procesdeelnemer I] in het Samenwerkingsplan een overzicht gegeven van de sterke kanten en de aandachtspunten van haar bouwteamleden. Door hier een goed beeld van te hebben kan, met aanvulling van de competenties van de teamleden van de Provincie, gericht worden bepaald hoe zij elkaar kunnen helpen om écht als één team samen te werken.

6.6.29.

De Provincie heeft toegelicht dat zij maatregelen als een bouwteamcoach en snuffelstages niet voldoende vindt om een goede of optimale samenwerking te kunnen borgen. [procesdeelnemer I] noemt in haar inschrijving gezamenlijke overleggen en themasessies, maar samenwerking aan een deelproject op één locatie is bijvoorbeeld niet in de beschrijving opgenomen. Volgens de Provincie spiegelt [procesdeelnemer I] twee teams die, behoudens sessies en overleggen, los van elkaar werken en benadrukken andere inschrijvers juist de kracht van het als één team gezamenlijk werken aan producten.

6.6.30.

De voorzieningenrechter leidt uit de toelichting van de Provincie af dat de maatregelen die [procesdeelnemer I] in haar Samenwerkingsplan heeft genoemd naar haar mening een voldoende samenwerking in het bouwteam borgen, maar dat zij voor een goede of optimale samenwerking andere ideeën verwacht. De voorzieningenrechter begrijpt uit de toelichting van de Provincie dat zij op grond van de inschrijving van [procesdeelnemer I] het beeld heeft gekregen van een samenwerking tussen twee afzonderlijke teams waarbij de concrete samenwerking beperkt blijft tot gemeenschappelijke overleggen en themasessies. Anders dan de Provincie meent valt dit echter niet uit dit onderdeel van het samenwerkingsplan van [procesdeelnemer I] af te leiden. Uit die toelichting blijkt juist dat [procesdeelnemer I] een hij/zij benadering heeft willen voorkomen en daarvoor als instrument snuffelstages bij de persoon met de “spiegelfunctie” wil inzetten. De kern bij dit onderdeel betreft uiteraard de vraag of de samenwerking voldoende is “geborgd”. De Provincie heeft niet nader onderbouwd aan welke ideeën zij dan bijvoorbeeld denkt, zodat ook voor de voorzieningenrechter onduidelijk blijft wat [procesdeelnemer I] meer had moeten aanbieden. Kennelijk vindt zij die borging onvoldoende geboden door de inzet van een bouwteamcoach, snuffelstages en gezamenlijke overleggen en verwacht zij meer van een plan waarbij het bouwteam ook fysiek bij deelprojecten op dezelfde locatie gezamenlijk aan het werk is.

6.6.31.

Op basis van de uitwerking die [procesdeelnemer I] in het Samenwerkingsplan van dit subonderdeel heeft gegeven, kan naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet worden gesteld dat het standpunt van de Provincie dat de door [procesdeelnemer I] genoemde maatregelen een voldoende, maar geen goede of optimale samenwerking in het bouwteam borgen, onbegrijpelijk is. Hierbij weegt de voorzieningenrechter mee dat de beoordelingscommissie hier een grote beoordelingsvrijheid heeft en dat het niet aan de voorzieningenrechter is om op de stoel van de beoordelingscommissie te gaan zitten en zijn eigen oordeel daarvoor in de plaats te stellen, tenzij het oordeel van de commissie onjuist of onbegrijpelijk is. Uit de motivering van de beoordelingscommissie volgt dat zij wel waardering heeft voor de door [procesdeelnemer I] genoemde aspecten, maar dat zij die vooral ziet als een bijdrage aan het bevorderen van de samenwerking en niet aan het borgen daarvan. Dat oordeel is op zichzelf niet onbegrijpelijk.

subonderdeel 5

6.6.32.

Volgens subonderdeel 5 moet in het Samenwerkingsplan in ieder geval worden opgenomen:

“De voorwaarden en verwachtingen die u stelt aan de Opdrachtgever;

-> (‘wat heb ik van de Opdrachtgever nodig?’)”

6.6.33.

De beoordelingscommissie heeft hierover de volgende opmerking gemaakt:

“U zet bondig, maar weinig verdiepend, uiteen wat van de opdrachtgever wordt verwacht. Maar wat u nu precies verwacht van de opdrachtgever en welke rol de opdrachtgever heeft in het bouwteam (trekker of niet, organiseren of juist niet) wordt niet duidelijk beschreven. Wat houdt de rol voor de opdrachtgever als voorzitter in? En wat heeft het bouwteam als team nodig?”

6.6.34.

[procesdeelnemer I] stelt dat deze beoordeling afwijkt van de uitvraag en de Inschrijvingsleidraad en dat de Provincie ten aanzien van dit onderdeel niet heeft beoordeeld op de aan de inschrijvers kenbaar gemaakte eisen c.q. verwachtingen. [procesdeelnemer I] merkt aanvullend op dat zij in het Samenwerkingsplan in een zevental onderwerpen niet alleen heeft aangegeven wat zij van haar opdrachtgever verwacht, maar ook wat haar rol daarin is. Dit zijn zaken die ook grotendeels al worden ingevuld door de bouwteamovereenkomst zelf.

6.6.35.

De Provincie heeft toegelicht dat [procesdeelnemer I] in haar plan zeven punten noemt waarop zij input van de Provincie als opdrachtgever verwacht, waarbij iedere keer wordt aangegeven dat zij een ondersteunende rol voor zichzelf ziet weggelegd. De beoordelingscommissie vraagt zich daardoor (volgens de Provincie) terecht af of [procesdeelnemer I] de Provincie nu vooral als trekker/organisator van het bouwteam ziet of niet. Als [procesdeelnemer I] daadwerkelijk enkel/vooral een ondersteunende rol voor zichzelf ziet weggelegd, en daar lijkt het volgens de Provincie op, dan is de vraag gerechtvaardigd of dat daadwerkelijk beantwoordt aan de bouwteamgedachte (gelijkwaardigheid en gezamenlijkheid) en of die voldoende geborgd is in deze inschrijving.

6.6.36.

De voorzieningenrechter deelt niet het standpunt van [procesdeelnemer I] dat de beoordeling door de beoordelingscommissie afwijkt van de uitvraag. De opmerkingen die de commissie heeft gemaakt, zijn alle terug te voeren op het gevraagde in subonderdeel 5, namelijk: “De voorwaarden en verwachtingen die u stelt aan de Opdrachtgever (‘wat heb ik van de Opdrachtgever nodig?)”.

6.6.37.

De zeven punten die [procesdeelnemer I] in haar plan heeft genoemd, zijn vrij algemeen (bijvoorbeeld: inbreng van (lokale) kennis bij deelprojecten; proactieve houding en tijdig, helder kenbaar maken van (aanvullende) eisen en wensen; inzicht in financiële mogelijkheden en tijdig, volledig aanleveren van benodigde informatie). Zij is in het plan niet ingegaan op de punten die de commissie in haar commentaar heeft genoemd. De beoordelingscommissie heeft zich gelet op de uitvraag en de eis dat de gevraagde plannen helder en SMART dienen te worden beschreven, in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat [procesdeelnemer I] op dit punt onvoldoende specifiek geweest. Deze kanttekening van de beoordelingscommissie is daarom niet onbegrijpelijk.

subonderdeel 6

6.6.38.

Volgens subonderdeel 6 moet in het Samenwerkingsplan in ieder geval worden opgenomen:

“Wijze waarop het lerend vermogen in deelprojecten wordt toegepast en geborgd.

-> (‘hoe borg ik dat we lessons learned meenemen?’ zowel in deel projecten als op programmaniveau)”

6.6.39.

De beoordelingscommissie heeft hierover het volgende opgemerkt:

“Het meten van prestaties is positief. U richt zich vooral op de uitvoeringsfase en veel minder op de belangrijke werkprocessen in de bouwteamfase.”

6.6.40.

[procesdeelnemer I] betwist dat zij zich in het Samenwerkingsplan vooral heeft gericht op de uitvoeringsfase en heeft erop gewezen dat zij in het plan heeft beschreven hoe zij het lerend vermogen binnen het bouwteam borgt.

6.6.41.

De Provincie heeft toegelicht dat [procesdeelnemer I] in haar plan heeft genoemd dat er tijdens de bouwteamfase geëvalueerd wordt door middel van een 4-wekelijkse prestatiemeting en verder heeft volstaan met een vrij algemene beschrijving van het proces van prestatiemeting, de hoge ambitie die zij in dat kader uitspreekt en met de opmerking dat er gerichte verbetermaatregelen zullen worden afgesproken als die ambitie niet wordt gerealiseerd. Hiermee wordt echter niet concreet/SMART toegelicht hoe het lerend vermogen in deelprojecten en op programmaniveau wordt toegepast en geborgd. [procesdeelnemer I] gaat daarna wel vrij uitgebreid in op de vraag hoe bij oplevering/tijdens de uitvoeringsfase wordt geëvalueerd. Het oordeel van de commissie dat [procesdeelnemer I] zich vooral op de uitvoeringsfase richt en veel minder op de belangrijke werkprocessen in de bouwteamfase, is daarom wel degelijk juist, aldus de Provincie.

6.6.42.

De voorzieningenrechter stelt vast dat [procesdeelnemer I] in haar plan melding maakt van een verder niet toegelichte “prestatiemeting” die volgens het plan zichtbaar maakt wanneer de samenwerking kan worden verbeterd. Vervolgens zullen er verbetermaatregelen afgesproken worden, die terugkeren op de agenda om de verbetering te borgen. De beoordelingscommissie heeft dit als positief aangemerkt. Het heeft niet mogen leiden tot een hogere beoordeling van het plan van [procesdeelnemer I] omdat de beoordelingscommissie geconcludeerd heeft dat [procesdeelnemer I] vooral is ingegaan op het lerend vermogen bij de uitvoering: in het plan zijn ook twee alinea’s gewijd aan leermomenten bij oplevering van een deelproject en bij de uitvoering ervan. Uit de motivering van de beoordelingscommissie volgt dat zij naast de positief ervaren prestatiemeting meer had verwacht van [procesdeelnemer I] als het gaat om de borging van het lerend vermogen van het bouwteam in de fase voorafgaand aan de uitvoering. Van een foutieve beoordeling door de beoordelingscommissie is daarmee geen sprake.

subonderdeel 7

6.6.43.

Volgens subonderdeel 7 moet in het Samenwerkingsplan in ieder geval worden opgenomen:

“Wijze waarop wordt geborgd dat door een effectieve en efficiënte werkwijze de voorbereidingskosten in de bouwteamfase worden bewaakt en in de hand worden gehouden

-> (‘hoe borg ik dat de kosten worden bewaakt, niet uit de hand lopen en dat de opdrachtgever niet voor verrassingen komt te staan’);

6.6.44.

De beoordelingscommissie heeft hierover het volgende opgemerkt:

“U gaat uitgebreid in op het borgen van de begroting met verschillende fasen. Afstemming over te maken keuzes en afstemming in de bouwteamfase worden niet duidelijk benoemd.”

6.6.45.

[procesdeelnemer I] stelt dat de Provincie hiermee miskent dat in de bouwteamovereenkomst die na gunning door partijen wordt ondertekend, duidelijk is opgenomen hoe zaken precies worden afgestemd. Bovendien is het Samenwerkingsplan doordrenkt met heldere handvatten voor afstemming over de te maken keuzes en afstemming in de bouwteamfases. Het plan voorziet ook in kostenbesparende oplossingen die via themasessies worden aangereikt.

6.6.46.

De Provincie heeft toegelicht dat [procesdeelnemer I] in haar plan in tegenstelling tot andere fasen niet expliciet noemt dat er afstemming in de bouwteamfase plaatsvindt. [procesdeelnemer I] maakt niet SMART wat haar concrete, effectieve en efficiënte werkwijze in de bouwteamfase is, waarmee de kosten daadwerkelijk in de hand worden gehouden. In het plan is niet te lezen hoe het bouwteam de keuzes maakt. [procesdeelnemer I] geeft wel aan dat zij de opdrachtgever proactief meeneemt in de impact van de ontwerpbeslissingen op de kosten, maar in een bouwteam worden dit soort processen juist gezamenlijk doorlopen.

6.6.47.

De voorzieningenrechter stelt vast dat [procesdeelnemer I] aan het begin van haar beschrijving op dit subonderdeel de nadruk legt op de gezamenlijke verantwoordelijkheid van het bouwteam voor een succesvolle samenwerking en dat het bouwteam ervoor zorgt dat alle (financiële) aspecten zijn meegenomen en dat de projectdoelstellingen binnen budget worden gerealiseerd. [procesdeelnemer I] heeft verderop in haar beschrijving maatregelen om in de bouwteamfase de kosten te bewaken genoemd, maar is hierin inderdaad niet specifiek ingegaan op de vraag hoe zij dit binnen het bouwteam wil afstemmen. Gelet op de eis dat de gevraagde plannen helder en SMART dienen te worden beschreven, is het commentaar van de beoordelingscommissie daarom niet onbegrijpelijk.

tussenconclusie

6.6.48.

De beoordelingscommissie heeft samenvattend geoordeeld dat [procesdeelnemer I] in het Samenwerkingsplan voldoende invulling geeft aan de samenwerking, maar dat dit plan te algemeen is. De commissie mist inzicht in de belangrijkste werkstromen en hoe wordt gezorgd dat de opdrachtgever en de opdrachtnemer als één bouwteam gaan functioneren. Onduidelijk is wat [procesdeelnemer I] van de opdrachtgever in het bouwteam verwacht. De specifieke verdeling van rollen, taken en verantwoordelijkheden in dit project worden onvoldoende duidelijk gemaakt, evenals de jaarlijkse cyclus met een concretiseringsfase. Om deze redenen heeft de commissie aan het Samenwerkingsplan een score 6 toegekend.

6.6.49.

In het document ‘Uitwerking EMVI tabel’ wordt een score 6 voor het Samenwerkingsplan als volgt onderbouwd:

“Er is invulling gegeven aan het gevraagde kwaliteitscriterium maar er wordt maar beperkt maatregelen genomen. De maatregelen zijn in mindere mate SMART omschreven, beperkt realiseerbaar maar faciliteren een voldoende samenwerking in het Bouwteam.”

Gezien de terechte kanttekeningen die de beoordelingscommissie bij het plan heeft gemaakt, heeft de Provincie naar het oordeel van de voorzieningenrechter in redelijkheid een score 6 aan het Samenwerkingsplan kunnen toekennen. De bezwaren van [procesdeelnemer I] tegen deze score kunnen dan ook niet slagen.

6.7.

Plan Schone lucht

inleiding

6.7.1.

In paragraaf 4.4.6 van de Inschrijvingsleidraad wordt ten aanzien van dit plan het volgende vermeld:

B Plan Schone lucht

Op 13 januari 2020 heeft de provincie Utrecht het Schone Lucht Akkoord (SLA) getekend. Dit akkoord heeft als doel de gezondheidsschade door luchtvervuiling in 2030 te verminderen. Het streven is om in 2030 een reductie van de negatieve gezondheidseffecten van mobiele werktuigen met 75% ten opzichte van 2016 te realiseren. Uiteindelijk moet het leiden tot een transitie naar volledige 0-emissie voor mobiele werktuigen. De provincie Utrecht streeft ernaar zo snel mogelijk de inzet van (oudere) diesel mobiele werktuigen te beëindigen en schone alternatieven te stimuleren.

Gezien de looptijd van het bouwteam verhardingen wil de provincie Utrecht hier in deze aanbesteding aandacht aan schenken en het op nemen als een gunningscriterium, om zodoende marktpartijen te stimuleren om te investeren in schonere mobiele werktuigen. De Inschrijver dient een plan op te stellen hoe hij in het bouwteam bij gaat dragen om in de periode 2020-2024 (verdergaande) emissiereductie te bewerkstelligen.

6.7.2.

Hierna volgt een drietal (hierna nog te noemen) aspecten/subonderdelen die de inschrijver in het Plan Schone lucht in zijn beschrijving in ieder geval moet opnemen. De beoordelingscommissie heeft aan dit plan een score 6 toegekend en heeft ter onderbouwing van deze score bij elk van deze subonderdelen kanttekeningen geplaatst, waar [procesdeelnemer I] het niet mee eens is. Hieronder wordt puntsgewijs ingegaan op de inhoud van de subonderdelen, het commentaar van de commissie, de bezwaren die [procesdeelnemer I] hiertegen in heeft gebracht en de toelichting die de Provincie hierop heeft gegeven.

subonderdeel 1

6.7.3.

Volgens subonderdeel 1 dient de gegadigde minimaal op het volgende aspect in te gaan:

“Hoe bewerkstelligt de gegadigde dat zijn inzet van mobiele werktuigen zonder roetfilter en hoge stikstofdioxide emissie beëindigd wordt”

6.7.4.

De beoordelingscommissie heeft hier de volgende opmerking over gemaakt:

“Alle machines rijden op HVO en er is al materieel vervangen door materieel met een lagere uitstoot. Het is niet duidelijk in hoeverre nu gebruik wordt gemaakt van stikstoffilters. De stand van zaken van de huidige vloot is zeer globaal weergegeven en geeft onvoldoende informatie over de huidige stand van zaken m.b.t. mobiele werktuigen.”

6.7.5.

[procesdeelnemer I] stelt dat zij in haar plan uitgebreid aandacht heeft besteed aan hetgeen in subonderdeel 1 is gevraagd. Zij heeft aangegeven dat sinds 2016 al 14 mobiele werktuigen zonder roetfilter zijn vervangen door materieel met een lagere NOx uitstoot en dat zij nog 20 machines heeft met een hogere NOx uitstoot. Zij heeft verder aangegeven dat het haar ambitie is om dit voor 2024 met 100% te hebben gereduceerd. De Provincie miskent volgens [procesdeelnemer I] dat zij juist heel concreet en zeer gespecificeerd op haar machinepark is ingegaan. Verder maakt [procesdeelnemer I] bezwaar tegen de opmerking dat het niet duidelijk is in hoeverre nu gebruik wordt gemaakt van stikstoffilters, nu in de uitvraag alleen naar roetfilters wordt verwezen en niet naar stikstoffilters. Volgens [procesdeelnemer I] zijn er ook geen stikstoffilters voor rijdend materieel in de markt, maar alleen voor stationair draaiend materieel.

6.7.6.

De Provincie heeft opgemerkt dat [procesdeelnemer I] in haar plan een overzicht (figuur 5) heeft opgenomen van duurzamere machines de reeds in bezit zijn, besteld zijn of in 2020 besteld worden. In figuur 5 worden veertien machines genoemd, waarvan zeven machines onder de noemer ‘nieuwe materieel’ en zeven machines onder de noemer ‘vervangen materieel’. De beoordelingscommissie mist echter een volledig overzicht van de mobiele werktuigen. Voor een deel is door [procesdeelnemer I] aangegeven dat deze zijn vervangen, maar het is onduidelijk wanneer dit is gebeurd en hoe het zit met mobiele werktuigen die niet in het overzicht zijn opgenomen. [procesdeelnemer I] schrijft in haar plan dat het streven is om in 2030 een reductie van de negatieve gezondheidseffecten van mobiele werktuigen met 75% ten opzichte van 2016 te realiseren, maar maakt volgens de commissie onvoldoende specifiek wat zij sinds 2016 heeft gedaan en nog gaat doen om uitstoot van stikstof verder te beperken. Het gebruik van stikstoffilters zou bijvoorbeeld een logische maatregel zijn, aldus de Provincie.

6.7.7.

[procesdeelnemer I] heeft gesteld dat de zeven nieuwe machines die in figuur 5 worden genoemd zullen worden ingezet op het werk. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter kon de Provincie dit echter niet uit het plan afleiden. [procesdeelnemer I] heeft verder gesteld dat deze machines al zijn aangeschaft en dat dit blijkt uit de mededeling in het plan dat deze machines reeds in bezit zijn, besteld zijn of in 2020 besteld worden. De voorzieningenrechter ziet echter niet in hoe uit de aankondiging in het plan dat de machines (deels) in 2020 besteld worden, kan worden afgeleid dat dit reeds is gebeurd. De opmerking van de beoordelingscommissie dat de stand van zaken van de huidige vloot zeer globaal is weergegeven en onvoldoende informatie geeft over de huidige stand van zaken met betrekking tot mobiele werktuigen, is daarom begrijpelijk. De Provincie heeft verder voldoende toegelicht dat de opmerking van de commissie over het gebruik van stikstoffilters als voorbeeld is bedoeld en dat de commissie daarmee niet heeft bedoeld dat het plan op dit punt niet aan de uitvraag voldoet. De voorzieningenrechter laat daarbij in het midden of er wel stikstoffilters voor rijdend materieel in de markt verkrijgbaar zijn, omdat partijen het debat hierover onvoldoende hebben kunnen voeren.

subonderdeel 2

6.7.8.

Volgens subonderdeel 2 dient de gegadigde minimaal op het volgende aspect in te gaan:

“Welke maatregelen zijn reeds al door de Gegadigde gestart en welke maatregelen worden getroffen gedurende de looptijd van de overeenkomst, inclusief verlengingen”

6.7.9.

De beoordelingscommissie heeft hierover de volgende opmerking gemaakt:

“U bent gestart met het vervangen van walsen. Uw ambitie om in 2024 alle materieel ten minste Stage V en euro 6 te hebben, waar mogelijk elektrisch of waterstof is positief. Ook de meest duurzame asfaltcentrale is vooruitstrevend. Uw verhaal is verder te algemeen, weliswaar met veel ambitie, maar onvoldoende concreet. U streeft naar het behalen van een aantal doelen, maar doet geen afrekenbare beloftes.”

6.7.10.

Volgens [procesdeelnemer I] miskent de Provincie dat het Plan Schone lucht onderdeel zal vormen van de overeenkomst. In dit plan staat onder meer:

“Onze doelstelling is om binnen de doorlooptijd een CO2-reductie te behalen van ten minste 10% ten opzichte van de CO2-uitstoot aan de start van dit contract. Daarbij garanderen wij dat alle (bedrijfs)personenwagens minimaal energielabel B hebben. Wanneer bedrijfsauto’s vervangen worden, dan kiezen wij altijd voor ene schonere variant. Zo zijn we al gestart met vervanging van alle Volkswagen Caddy’s voor Volkswagen Up’s, met minder 55% CO2-uitstoot. Voor 2024 is ons doel om onze gehele vloot personenauto’s en licht industrieel materieel te vervangen voor hybride voertuigen, volledig elektrische of voertuigen op waterstof.”

en:

“Voor 2024 zijn ook onze Vögele stage IIIB asfaltspreidmachines vervangen door Vögele stage V.”

6.7.11.

[procesdeelnemer I] verwijst verder naar figuur 6 (“Mobiliteitsplan ter ondersteuning van ons duurzaamheids- en inkoopbeleid”), waarbij voor het materieel per mobiliteitsklasse de termijn wordt aangegeven waarbinnen deze emissievrij is.

6.7.12.

De Provincie heeft toegelicht dat [procesdeelnemer I] in haar plan weliswaar enkele afrekenbare beloftes doet, maar dat het meeste toch bij ambities en doelen blijft in plaats van concrete en afrekenbare maatregelen. [procesdeelnemer I] heeft haar maatregelen daarom onvoldoende SMART (specifiek en afrekenbaar) gemaakt. Verder ontbreekt een concreet overzicht wanneer welke mobiele voertuigen worden vervangen en zijn niet alle mobiele werktuigen benoemd. De Provincie heeft tot slot opgemerkt dat het moeilijk is een partij af te rekenen op ambities en doelen, ook al worden deze onderdeel van de overeenkomst.

6.7.13.

De voorzieningenrechter deelt het standpunt van de Provincie dat [procesdeelnemer I] , door op sommige punten geen garanties te geven maar alleen ambities en doelen te noemen, in haar beschrijving onvoldoende specifiek is geweest. [procesdeelnemer I] noemt in haar plan weliswaar einddata waarop zij bepaald materieel vervangen wil hebben, maar geeft niet concreet aan in welke jaren zij de vervanging van welk materieel zal hebben geregeld. Ook haar verwijzing naar figuur 6, omschreven als plan, is daarvoor onvoldoende. Omdat deze doelen niet concreet als toezeggingen worden geformuleerd, zal het voor de Provincie mogelijk ook lastig zijn om nakoming van deze doelen te vorderen als deze onderdeel zijn geworden van de overeenkomst. De kanttekeningen die de beoordelingscommissie heeft gemaakt, zijn daarom niet onbegrijpelijk.

subonderdeel 3

6.7.14.

Volgens subonderdeel 3 dient de gegadigde minimaal op het volgende aspect in te gaan:

“Voor welke mobiele werktuigen gelden deze maatregelen en hoe is de inzet van dit materieel op de uitvoering van de opdrachten geborgd”

6.7.15.

De beoordelingscommissie heeft hierover de volgende opmerking gemaakt:

“Met [bedrijfsnaam] verschaft u realtime inzicht in het materieel dat wordt toegepast, dat is positief. Helaas maakt u niet SMART welk materieel wordt ingezet (materieellijsten), welke afspraken worden gemaakt per deelproject en hoe er wordt gerapporteerd.”

6.7.16.

[procesdeelnemer I] maakt bezwaar tegen deze laatste zin. Zij wijst erop dat zij in figuur 5 duidelijk heeft aangegeven welk materieel zij gaat inzetten en dat de duurzaamheidsmaatregelen gelden voor alle werktuigen met stage IV en lager. De Provincie vraagt verder een rapportage van de afspraken per deelproject, maar dit vormt volgens [procesdeelnemer I] geen onderdeel van de uitvraag. Voorts miskent de Provincie dat [bedrijfsnaam] niet alleen wordt ingezet voor real time inzicht, maar bovenal ook om bepaald gedrag af te kunnen dwingen.

6.7.17.

De Provincie heeft toegelicht dat onvoldoende volledig, specifiek en afrekenbaar is welk materieel wordt ingezet binnen de opdrachten en welk materieel gedurende de looptijd van het contract wordt vervangen om te borgen dat de beoogde doelen worden bereikt. [procesdeelnemer I] heeft dat met haar verwijzing naar figuur 5 onvoldoende gedaan en heeft bijvoorbeeld ook geen gespecificeerde materieellijsten overgelegd. Het gebruik van [bedrijfsnaam] verzekert volgens de Provincie niet dat verouderd en vervuilend materieel daadwerkelijk wordt vervangen en dat schoner materieel daadwerkelijk wordt ingezet tijdens de uitvoering van de opdracht. De Provincie stelt ten slotte dat rapportage wel onderdeel uitmaakt van de uitvraag en dat dit voortvloeit uit de vraag aan de inschrijvers om SMART (o.a. meetbaar) te maken hoe de inzet van schoon materieel tijdens de uitvoering van de opdrachten is geborgd.

6.7.18.

De voorzieningenrechter stelt vast dat de beschrijving van [procesdeelnemer I] op dit subonderdeel vrij algemeen is. Zij vermeldt weliswaar in haar plan dat de verduurzamende maatregelen voor al haar mobiele werktuigen van stage IV en lager gelden en dat zij deze nieuwe, schonere machines zoals genoemd in figuur 5 ook inzet tijdens de uitvoering van de opdracht, maar uit figuur 5 kan niet zonder meer worden afgeleid dat [procesdeelnemer I] alleen dit materieel zal inzetten op de opdracht en dat zij het oude materieel al heeft vervangen door nieuw materieel. De beschrijving van [procesdeelnemer I] is op dit punt inderdaad onvoldoende specifiek. De kanttekening die de beoordelingscommissie heeft gemaakt is daarom niet onbegrijpelijk.

tussenconclusie

6.7.19.

De beoordelingscommissie heeft op basis van het voorgaande geconcludeerd dat de maatregelen matig SMART zijn omschreven. Er blijkt wel ambitie uit het plan en er blijkt ook dat materieel is en wordt vervangen waardoor uitstoot wordt beperkt en daarmee voldoet aan de doelstellingen van het Schone Lucht Akkoord. Er is echter te weinig inzicht gegeven in de uitgangssituatie en de veranderingen tot en met 2024 zijn onvoldoende concreet voor wat betreft mobiele werktuigen. Om deze redenen heeft de commissie aan het Plan Schone lucht een score 6 toegekend.

6.7.20.

In het document ‘Uitwerking EMVI tabel’ wordt een score 6 voor het Samenwerkingsplan als volgt onderbouwd:

“De maatregelen zijn matig SMART omschreven, dragen beperkt bij aan een emissiereductie en zijn wat betreft de technische en financiële eigenschappen gelijkwaardig aan een traditionele uitvoering.”

Gezien de terechte kanttekeningen die de beoordelingscommissie bij het plan heeft gemaakt, heeft de Provincie naar het oordeel van de voorzieningenrechter in redelijkheid een score 6 aan het Plan Schone lucht kunnen toekennen. De bezwaren van [procesdeelnemer I] tegen deze score kunnen dan ook niet slagen.

6.8.

Plan BLVC

inleiding

6.8.1.

In paragraaf 4.4.6 van de Inschrijvingsleidraad wordt ten aanzien van dit plan het volgende vermeld:

Bereikbaarheid, Leefbaarheid, Veiligheid en Communicatie

De uitdaging van deze opgave zit in het samenspel met de omgeving. Eén van de beoogde voordelen van de meerjarige overeenkomst is de overlast van de gebruikers en omgeving beperken door slimme fasering en het lerend effect met betrekking tot de maatregelen uit eerdere deelprojecten mee te nemen. De wens is een partij te contracteren die aantoont de complexiteit van het omgevingsproces te kunnen doorgronden en hier passende en realistische maatregelen weet te benoemen om hinder voor weggebruikers en overlast voor de omgeving te minimaliseren.

Op basis van de bijgevoegde casus N201 dient de Inschrijver aan te geven hoe hij maatregelen neemt op de BLVC thema’s om hinder en overlast te minimaliseren, veiligheid te garanderen en voor een effectieve communicatie zorg te dragen. In onderstaande tabel zijn aspecten weergegeven waar in ieder geval aan moet worden gedacht.

ID

BLVC thema

Aspecten

1

Bereikbaarheid

Langs het werkvak, lokaal, regionaal en nationaal

2

Leefbaarheid

Geluid, trilling, stof en licht etc.

3

Veiligheid

Verkeer, wegverkeer etc.

4

Communicatie

Publiekscommunicatie, bouwcommunicatie etc.”

6.8.2.

De beoordelingscommissie heeft aan dit plan een score 6 toegekend. Zij heeft hierover onder meer de volgende opmerkingen gemaakt:

“Bereikbaarheid

(…)

Het vrachtverkeer vanaf A2 wordt pas opgevangen bij de [.] , dit kan conflicten geven. De inzet van verkeersregelaars is niet overal zichtbaar gemaakt op bijlagen. Er is geen oplossing gegeven voor het niet bereikbaar zijn van de bushalte, in gesprek gaan met de busmaatschappij is geen oplossing.”

en

“Leefbaarheid

De werkzaamheden zijn kort maar hevig waardoor duur van de overlast beperkt is. Werken in de nacht leidt weer tot andere vormen van overlast. Een duidelijke analyse waarom wordt gekozen voor kort en hevig in plaats van bijvoorbeeld iets langer werken zonder nachtelijke overlast ontbreekt.”

bereikbaarheid

6.8.3.

[procesdeelnemer I] meent dat het in gesprek gaan met de busmaatschappij bij uitstek een oplossing is, omdat dan snel en concreet kan worden geschakeld. Daarbij is ten tijde van het opstellen van een plan ook rekening gehouden met de coronamaatregelen in het openbaar vervoer en alleen al vanwege deze reden is in gesprek gaan met de busmaatschappij volgens [procesdeelnemer I] de enige mogelijke oplossing.

6.8.4.

De Provincie heeft toegelicht dat de beoordelingscommissie deze maatregel onvoldoende SMART acht omdat daarmee onvoldoende concreet wordt gemaakt hoe [procesdeelnemer I] dit probleem wil gaan oplossen. Concrete(-re) en specifieke(-re) maatregelen zouden bijvoorbeeld de tijdelijke verplaatsing van de bushalte kunnen zijn of het inzetten van shuttlebussen. Het enkel praten met de busmaatschappij is volgens de commissie geen maatregel die de hinder voor OV-reizigers voldoende concreet beperkt of tegengaat.

6.9.

De voorzieningenrechter is van oordeel dat het commentaar van de beoordelingscommissie, gelet op de eis dat de gevraagde plannen helder en SMART dienen te worden beschreven, niet onbegrijpelijk is omdat [procesdeelnemer I] op dit punt onvoldoende specifiek is geweest.

leefbaarheid

6.9.1.

[procesdeelnemer I] vindt de opmerking van de commissie met betrekking tot de leefbaarheid onnavolgbaar, omdat de Provincie ervoor heeft gekozen de duur van de werkzaamheden te beperken tot 2 weken. Daarom moet er ’s nachts worden doorgewerkt. Een belangrijke eis is daarbij duidelijkheid en eensluidendheid richting de omgeving. Dit wordt extra geborgd door ook in de nacht te werken.

6.9.2.

Volgens de Provincie is uit ervaring gebleken dat het wel degelijk mogelijk is de werkzaamheden in de gegeven tijd uit te voeren zonder ook ’s nachts te werken en zijn ook andere inschrijvers tot die conclusie gekomen. De keuze van [procesdeelnemer I] voor kort en hevig en ’s nachts doorwerken is weliswaar duidelijk voor de omgeving, maar daarmee wordt geen, althans in minder concrete en aanvaardbare/acceptabele mate invulling gegeven om de hinder zo veel mogelijk te beperken. De beoordelingscommissie mist een duidelijke analyse op dit punt, waardoor de keuze voor de voorgestelde maatregel onvoldoende overtuigt.

6.9.3.

[procesdeelnemer I] heeft gesteld dat zij in haar plan duidelijk heeft aangegeven waarom zij de keuze maakt om ’s nachts te werken, namelijk minder verkeer op de weg en een verminderde hinderbeleving. De voorzieningenrechter merkt hierover op dat dit een motivering is die [procesdeelnemer I] in haar plan ten aanzien van het aspect Veiligheid heeft gegeven, als onderbouwing van de keuze om een korte afsluiting van Fase 2B tussen 01:00 en 11:00 uur uit te voeren. Het gaat dan om de hinderbeleving van weggebruikers. Bij het aspect Leefbaarheid heeft [procesdeelnemer I] dit niet als motivering gebruikt. Ervan uitgaande dat, zoals de Provincie stelt, ’s nachts doorwerken niet per se nodig is, heeft [procesdeelnemer I] in haar plan de voor- en nadelen van ’s nachts doorwerken voor de leefbaarheid niet nader toegelicht, anders dan dat dit voor de omgeving duidelijkheid biedt. De opmerking die de beoordelingscommissie hierover heeft gemaakt, is daarom niet onbegrijpelijk.

tussenconclusie

6.9.4.

De beoordelingscommissie heeft ter onderbouwing van de toegekende score 6 gesteld:

“Maatregelen zijn deels voldoende SMART omschreven en realiseerbaar en beperken de hinder (beleving) en overlast. Communicatie met stakeholders is voldoende. Werken in de nacht geeft wel overlast voor omwonenden. Op onderdelen (zoals veiligheid) is het te algemeen.”

[procesdeelnemer I] heeft geen bezwaar gemaakt tegen de beoordeling van de commissie op de aspecten Veiligheid en Communicatie.

6.9.5.

In het document ‘Uitwerking EMVI tabel’ wordt een score 6 voor het plan BLVC als volgt onderbouwd:

“De maatregelen zijn deels SMART omschreven, realiseerbaar en beperken de hinder(beleving) en overlast. De maatregelen zijn ruim voldoende voor een veilige uitvoering en zorgen voor voldoende communicatie met stakeholders.”

Gezien de terechte kanttekeningen die de beoordelingscommissie bij het plan heeft gemaakt, heeft de Provincie naar het oordeel van de voorzieningenrechter in redelijkheid een score 6 aan het Plan BLVC kunnen toekennen. De bezwaren van [procesdeelnemer I] tegen deze score kunnen dan ook niet slagen.

6.10.

eindconclusie

6.10.1.

Uit het voorgaande volgt dat de bezwaren van [procesdeelnemer I] tegen de scores die de beoordelingscommissie aan de drie plannen heeft toegekend, worden verworpen. Er is geen sprake van - procedurele dan wel inhoudelijke - onjuistheden, dan wel onduidelijkheden die met zich brengen dat de voorlopige gunningsbeslissing niet deugt. De vorderingen van [procesdeelnemer I] zullen daarom worden afgewezen.

6.11.

kosten

6.11.1.

[procesdeelnemer I] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten van de Provincie, KWS en [procesdeelnemer IV] worden veroordeeld. Deze kosten worden voor elk van deze partijen begroot op:

- griffierecht € 656,00

- salaris advocaat 980,00

Totaal € 1.636,00

6.11.2.

De door de Provincie en KWS gevorderde wettelijke rente over de proceskosten en de door KWS gevorderde nakosten met wettelijke rente zullen worden toegewezen zoals in de beslissing is bepaald.

7 de vordering van KWS op de Provincie

7.1.

KWS vordert de Provincie te verbieden de opdracht (perceel 1) aan een ander te gunnen dan aan KWS, voor zover de Provincie de opdracht nog wenst te gunnen en [procesdeelnemer I] , voor zover nodig, te gebieden te gehengen en te gedogen dat de opdracht aan KWS wordt gegund.

7.2.

Nu de Provincie nog steeds voornemens is de opdracht voor perceel 1 aan KWS te gunnen, zal KWS wegens gebrek aan belang niet-ontvankelijk worden verklaard in haar vordering. De kosten tussen KWS en de Provincie zullen worden gecompenseerd, in die zin dat elke partij de eigen kosten draagt.

8 de voorwaardelijke vordering van [procesdeelnemer IV] op de Provincie

8.1.

[procesdeelnemer IV] vordert, enkel en alleen in het geval dat de voorzieningenrechter mocht oordelen dat een vordering vereist zou zijn voor tussenkomst, de Provincie te gebieden haar gunningsvoornemen aan [procesdeelnemer IV] ongewijzigd te handhaven en tot uitvoering te brengen, tenzij zij de opdracht niet langer zou willen gunnen alsmede [procesdeelnemer I] te gebieden te gehengen en gedogen dat aan [procesdeelnemer IV] gegund zal worden.

Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is het instellen van een vordering echter niet nodig voor tussenkomst. Daarom is niet aan de voorwaarde voldaan waaronder [procesdeelnemer IV] haar vordering heeft ingesteld en zal de voorzieningenrechter deze daarom buiten bespreking laten.

9 De beslissing

De voorzieningenrechter

in de incidenten

9.1.

wijst de vorderingen tot tussenkomst van KWS en [procesdeelnemer IV] toe;

9.2.

compenseert de proceskosten tussen partijen, in die zin dat elke partij de eigen kosten draagt;

in de hoofdzaak

9.3.

wijst de vorderingen van [procesdeelnemer I] af;

9.4.

veroordeelt [procesdeelnemer I] in de proceskosten, aan de zijde van de Provincie, KWS en de Provincie tot op heden voor ieder van hen begroot op € 1.636,00, voor de Provincie en KWS te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 van het Burgerlijk Wetboek (BW) over dit bedrag met ingang van de vijftiende dag na de datum van dit vonnis tot de dag van volledige betaling;

9.5.

veroordeelt [procesdeelnemer I] , onder de voorwaarde dat zij niet binnen 14 dagen na aanschrijving door KWS volledig aan dit vonnis voldoet, in de na dit vonnis ontstane kosten van KWS, begroot op:

- € 157,00 aan salaris advocaat, vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW met ingang van de vijftiende dag na aanschrijving,

- te vermeerderen, indien betekening van het vonnis heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 82,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van het vonnis;

9.6.

verklaart KWS niet-ontvankelijk in haar vordering tegen de Provincie;

9.7.

compenseert de proceskosten tussen KWS en de Provincie, in die zin dat elke partij de eigen kosten draagt;

9.8.

verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordelingen uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.J. Slootweg en in het openbaar uitgesproken door

mr. J.O. Zuurmond op 15 juli 2020.1

1 type: MS (4185) coll: