Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2020:2716

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
09-07-2020
Datum publicatie
10-08-2020
Zaaknummer
UTR 19/2507
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Werkgever stelt beroep in tegen een loonsanctie. Het Uwv heeft de beslissing op bezwaar onvoldoende gemotiveerd. De loonsanctie is echter wel terecht aan de werkgever opgelegd, want er zijn zonder deugdelijke grond onvoldoende re-integratie-inspanningen verricht. Na een haalbaarheidsonderzoek zijn er geen re-integratieactiviteiten in het tweede spoor uitgevoerd, terwijl er geen sprake was van een situatie van geen benutbare mogelijkheden. De rechtbank laat daarom de rechtsgevolgen van de beslissing op bezwaar in stand.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht

zaaknummer: UTR 19/2507


uitspraak van de meervoudige kamer van 9 juli 2020 in de zaak tussen


[eiseres] B.V., te [vestigingsplaats] , eiseres

gemachtigde: mr. J.M. Lammers-Sigterman,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (het Uwv), verweerder.

Inleiding

1. Op 15 september 2016 heeft een voormalige werknemer van eiseres, [A] , zich ziekgemeld. Eerst is geprobeerd om de werknemer te laten re-integreren in het bedrijf van eiseres, maar dat is niet gelukt. Naar aanleiding van de eerstejaarsevaluatie heeft eiseres arbeidsdeskundig onderzoek laten uitvoeren, waaruit bleek dat re-integratie in het eerste spoor geen kans van slagen had. Eiseres heeft toen een haalbaarheidsonderzoek laten uitvoeren met betrekking tot de re-integratiekansen in het tweede spoor. Op basis van de resultaten van dat onderzoek heeft de werknemer een vervroegde aanvraag voor een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) gedaan, maar die vervroegde aanvraag is door het Uwv afgewezen.

2. De werknemer heeft een WIA-uitkering aangevraagd. In een besluit van 23 augustus 2018 heeft het Uwv besloten dat eiseres niet heeft voldaan aan de re-integratieverplichtingen en daarom verplicht is tot doorbetaling van het loon van de werknemer tot
12 september 2019. In een beslissing op bezwaar van 16 mei 2019 heeft het Uwv het bezwaar van eiseres tegen deze beslissing ongegrond verklaard.

3. Eiseres heeft beroep ingediend tegen de beslissing op bezwaar van 16 mei 2019. Het beroep is behandeld op de zitting van 18 juni 2020. Eiseres is vertegenwoordigd door haar gemachtigde. Het Uwv heeft zich afgemeld voor de zitting.

4. De werknemer heeft geen toestemming gegeven om medische gegevens te delen met eiseres. De rechtbank vermijdt daarom het vermelden van medische gegevens.

Het geschil

5. Eiseres vindt het onterecht dat er een loonsanctie is opgelegd. Volgens eiseres heeft het Uwv de beslissing op bezwaar onvoldoende gemotiveerd. Eiseres wijst op de ‘Werkwijzer poortwachter’ van het Uwv. Zij voert aan dat het Uwv verschillende stappen die daarin beschreven zijn niet (kenbaar) heeft uitgevoerd.

Er is een verschil van inzicht tussen de bedrijfsarts van eiseres en de verzekeringsarts bezwaar en beroep, met name voor wat betreft de aangenomen urenbeperking. Eiseres vindt dat het Uwv had moeten beoordelen of de bedrijfsarts op basis van de op dat moment bekende feiten en omstandigheden redelijk heeft geoordeeld en gehandeld. Volgens eiseres heeft de bedrijfsarts binnen die beoordelingsruimte redelijk gehandeld.

Het Uwv had volgens eiseres ook moeten onderzoeken of er kansen zijn gemist in de re-integratie. Uit het haalbaarheidsonderzoek volgde een negatief advies over een traject in het tweede spoor. Volgens eiseres zouden re-integratieactiviteiten in het tweede spoor er niet toe hebben geleid dat de kansen van de werknemer op passende arbeid groter zouden zijn geweest, of dat instroom in de WIA voorkomen had kunnen worden.

Volgens eiseres had het Uwv de re-integratieactiviteiten bovendien moeten toetsen aan wat er redelijkerwijs van eiseres en de werknemer verwacht kon worden. Er was een deugdelijke grond om na het haalbaarheidsonderzoek geen traject in het tweede spoor in te zetten. Eiseres heeft juist willen voorkomen dat de gezondheidsklachten van de werknemer zouden verergeren. Er is gewacht op de uitslag van de vervroegde WIA-aanvraag. Daarna duurde de wachttijd nog maar drie maanden. De werknemer zou bovendien op grond van zijn leeftijd al snel na het aflopen van de wachttijd vrijgesteld worden van re-integratieverplichtingen. Eiseres wijst er ten slotte op dat de werknemer nu een volledige WIA-uitkering heeft.

6. Het Uwv stelt zich op het standpunt dat de loonsanctie terecht is opgelegd.

Een verschil van inzicht tussen de bedrijfsarts en de verzekeringsarts bezwaar en beroep staat niet in de weg aan een loonsanctie. Het verschil van inzicht over de duurbelasting is wezenlijk en heeft gevolgen voor de re-integratie. De verzekeringsarts heeft het verschil van inzicht besproken met de bedrijfsarts.

Doordat eiseres ten onrechte is uitgegaan van de te geringe inzetbaarheid zijn mogelijk re-integratiekansen gemist, ook in het tweede spoor. Er is niet gebleken van concreet uitzicht op hervatting bij eiseres. Er is ook niet gebleken van een voortdurende periode van geen benutbare mogelijkheden, zodat eiseres de re-integratie in het tweede spoor had moeten oppakken. Ook bij marginale mogelijkheden moet een werkgever beoordelen of die geringe mogelijkheden kunnen worden ingezet.

Het Uwv wijst erop dat een vervroegde WIA-aanvraag geen schorsende werking heeft. De medische beoordeling over de vervroegde WIA-aanvraag had voor eiseres een signaal kunnen zijn voor aanpassing van de re-integratieactiviteiten. De vrijstelling van re-integratieverplichtingen voor de werknemer ging pas ruim na het einde van de wachttijd in. De huidige WIA-uitkering doet niet af aan de loonsanctie. Het betreft een ander beoordelingskader en bovendien is er inmiddels een tijdsintensieve behandeling gestart.

De beoordeling door de rechtbank

7. De rechtbank komt tot de conclusie dat de motivering van de beslissing op bezwaar door het Uwv onvoldoende is geweest, maar dat de loonsanctie terecht aan eiseres is opgelegd. Hierna zal de rechtbank uitleggen hoe zij tot deze conclusie is gekomen en welke gevolgen dat heeft.

De motivering van de beslissing op bezwaar

8. Eiseres heeft in bezwaar onder meer aangevoerd dat een verschil tussen de beoordeling door de bedrijfsarts en de verzekeringsarts nog niet betekent dat het oordeel van de bedrijfsarts onjuist is; dat het Uwv ook niet heeft gemotiveerd dat er re-integratiekansen zijn gemist; dat juist geprobeerd is om het herstel van de werknemer niet in de weg te staan; en dat het Uwv geen redelijkheidstoets heeft uitgevoerd.

9. De motivering van de beslissing op bezwaar is opgenomen in de rapporten van de verzekeringsarts bezwaar en beroep (11 april 2019) en de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep (15 mei 2019), die onderdeel uitmaken van de beslissing op bezwaar. De bezwaargronden van eiseres worden in deze rapporten opgesomd, maar in de beoordeling wordt daarop vervolgens niet of slechts zijdelings ingegaan. Het Uwv had daar meer aandacht aan moeten besteden en beter moeten uitleggen waarom hij tot deze beslissing komt, omdat de bezwaargronden juist de motivering van de beslissing betreffen. Daarnaast heeft eiseres op de zitting er terecht op gewezen, dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep ten onrechte uitgaat van een urenbeperking door de bedrijfsarts van 2 uur per dag. Uit het dossier blijkt dat de bedrijfsarts per 22 september 2017 uitgaat van een belastbaarheid van ongeveer 4 uur per dag en 20 uur per week. De beslissing op bezwaar is hiermee naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende gemotiveerd en daarom in strijd met artikel 7:12, eerste lid,van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) genomen.

10. Naar het oordeel van de rechtbank is dit gebrek in beroep niet hersteld. In het verweerschrift wordt wel op de beroepsgronden ingegaan, maar de reactie daarop is naar het oordeel van de rechtbank te summier en ten aanzien van verschillende beroepsgronden te algemeen om het motiveringsgebrek te herstellen. De rechtbank vindt het jammer dat het Uwv niet vertegenwoordigd was op de zitting om hierop een nadere toelichting te geven.

11. Het beroep is gegrond en de rechtbank zal de beslissing op bezwaar vernietigen. De rechtbank beoordeelt in het vervolg van deze uitspraak of de rechtsgevolgen van de vernietigde beslissing op bezwaar wel in stand kunnen blijven. Hiervoor moet de rechtbank beoordelen of de beslissing op bezwaar inhoudelijk wel juist was, en dus of er terecht een loonsanctie is opgelegd aan eiseres. Als dat het geval is, kan de rechtbank besluiten dat het beroep wel gegrond is maar dat de inhoud van de beslissing op bezwaar toch blijft gelden.

De opgelegde loonsanctie

12. Een loonsanctie wordt opgelegd als blijkt dat de werkgever zonder deugdelijke grond onvoldoende re-integratie-inspanningen heeft verricht.1 Bij de beoordeling wordt afgewogen of de werkgever en de werknemer in redelijkheid hebben kunnen komen tot de re-integratie-inspanningen die zijn verricht.2

Heeft eiseres voldoende re-integratie-inspanningen verricht?

13. De rechtbank constateert dat het Uwv niet aan de loonsanctie ten grondslag heeft gelegd dat eiseres onvoldoende re-integratie-inspanningen in het eerste spoor heeft verricht. De primaire arbeidsdeskundige heeft in zijn rapport van 20 augustus 2018 namelijk geconcludeerd dat er geen mogelijkheden tot re-integratie bij de eigen werkgever bestaan. Bepalend is dus of eiseres voldoende re-integratie-inspanningen heeft verricht binnen het tweede spoor, waarbij de re-integratie gericht is op het vergroten van de mogelijkheden van de werknemer om te hervatten in passende arbeid bij een andere werkgever.

13. De primaire verzekeringsarts en de verzekeringsarts bezwaar en beroep van het Uwv hebben vastgesteld dat er geen sprake is van een situatie van geen benutbare mogelijkheden en dat de werknemer al vanaf najaar 2017 belastbaar was conform de Functionele Mogelijkhedenlijst die is opgesteld op 9 augustus 2018. Daarin is onder meer opgenomen dat de werknemer gemiddeld ongeveer 6 uur per dag en 30 uur per week kan werken.

15. Uit vaste jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep (CRvB), de hoogste rechter in dit soort zaken, blijkt dat als er benutbare mogelijkheden zijn er re-integratie-inspanningen verricht moeten worden. Dat geldt ook als de arbeidsmogelijkheden van de werknemer als gering worden ingeschat.3 Tussen eiseres en het Uwv is niet in geschil dat er vanaf het haalbaarheidsonderzoek in november 2017 tot aan het einde van de wachttijd in september 2018 geen re-integratieactiviteiten in het tweede spoor zijn uitgevoerd. Naar het oordeel van de rechtbank staat daarmee al vast dat eiseres onvoldoende re-integratie-inspanningen heeft verricht, aangezien er geen sprake was van geen benutbare mogelijkheden.

16. Eiseres heeft aangevoerd dat er geen re-integratiekansen zijn gemist, omdat uit het haalbaarheidsonderzoek blijkt dat re-integratieactiviteiten in het tweede spoor er niet toe zouden hebben geleid dat de kansen van de werknemer op passende arbeid groter zouden zijn geweest, of dat instroom in de WIA voorkomen had kunnen worden. De rechtbank volgt dat standpunt niet. Re-integratie betreft een inspanningsverplichting, niet een resultaatsverplichting.4 Eiseres had activiteiten kunnen en moeten uitvoeren. Aangezien zij dat niet gedaan heeft, heeft eiseres onvoldoende re-integratie-inspanningen verricht.

17. Eiseres wijst erop dat de werknemer inmiddels een volledige WIA-uitkering heeft. Daaruit kunnen echter geen conclusies worden getrokken met betrekking tot de vraag of eiseres tijdens de wachttijd voldoende gedaan heeft aan re-integratie.5

Is er een deugdelijke grond?

18. Volgens eiseres heeft zij met de werknemer in redelijkheid kunnen komen tot de re-integratie-inspanningen die zijn verricht. Eiseres is afgegaan op het advies van de bedrijfsarts, die een professionele marge heeft. Zij wilde voorkomen dat de gezondheid van de werknemer juist zou verslechteren. In het haalbaarheidsonderzoek werd ook negatief geadviseerd over het inzetten van een traject in het tweede spoor. Bovendien werd gewacht op de uitslag van de vervroegde WIA-aanvraag. Toen de beslissing op bezwaar over de vervroegde WIA-aanvraag werd genomen was de wachttijd al bijna om. Bovendien zou de werknemer op grond van zijn leeftijd al snel na het aflopen van de wachttijd vrijgesteld worden van re-integratieverplichtingen.

19. De bedrijfsarts heeft in het kader van de eerstejaarsevaluatie op 22 september 2017 een Functionele Mogelijkhedenlijst opgesteld. Daarin zijn meerdere beperkingen opgenomen, waaronder een urenbeperking van maximaal 4 uur per dag en 20 uur per week. Als met die beperkingen rekening wordt gehouden, is er geen reden om aan te nemen dat het uitvoeren van re-integratieactiviteiten tot gezondheidsschade voor de werknemer zou leiden. De bedrijfsarts heeft bij de eerstejaarsevaluatie niet vastgesteld dat er sprake was van geen benutbare mogelijkheden. Ongeacht of de bedrijfsarts in redelijkheid een andere belastbaarheid heeft kunnen vaststellen dan de verzekeringsartsen van het Uwv, is dat voor eiseres dus geen deugdelijke grond om in het geheel geen re-integratieactiviteiten uit te voeren. Datzelfde geldt voor het negatieve advies van Amplooi. Ten aanzien van het advies van de bedrijfsarts en van Amplooi geldt bovendien dat de werkgever volgens vaste rechtspraak van de CRvB verantwoordelijk blijft voor de re-integratie. Het komt voor risico van een werkgever als hij afgaat op een advies dat achteraf onjuist blijkt te zijn geweest.6

20. Bij de eerstejaarsbeoordeling had eiseres dus al kunnen weten dat zij re-integratie-activiteiten moest uitvoeren. Maar dat geldt zeker na ontvangst van het besluit van 19 januari 2018 over de vervroegde WIA-aanvraag. Een verzekeringsarts van het Uwv heeft toen beoordeeld dat de werknemer belastbaar is voor relatief eenvoudig werk in een rustige werkomgeving, voor maximaal 6 uur per dag. Dat had voor eiseres een signaal moeten zijn dat er geen grond was voor het ontbreken van re-integratieactiviteiten.7

21. De rechtbank volgt eiseres evenmin in haar stelling dat de vrijstelling van de sollicitatieplicht in verband met de leeftijd van de werknemer, mede een reden was om geen verdere re-integratieactiviteiten te ontplooien. Onbetwist is dat deze vrijstelling voor de werknemer pas inging geruime tijd na einde wachttijd, zodat dit geen reden kan zijn om met re-integratieactiviteiten te stoppen.

22. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiseres zonder deugdelijke grond onvoldoende re-integratie-inspanningen verricht en is de loonsanctie terecht opgelegd.

Conclusie

23. De beslissing op bezwaar is in strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Awb. Het beroep is gegrond en de rechtbank vernietigt de beslissing op bezwaar. De rechtbank ziet aanleiding de rechtsgevolgen van het bestreden besluit wel in stand te laten, omdat het Uwv terecht een loonsanctie heeft opgelegd aan eiseres.

24. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiseres het betaalde griffierecht vergoedt. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.050,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 525,- en wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de beslissing op bezwaar van 16 mei 2019;

- bepaalt dat de rechtsgevolgen van de vernietigde beslissing op bezwaar in stand blijven;

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 345,- aan eiseres te vergoeden;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 1.050,-.

Deze uitspraak is gedaan op 9 juli 2020 door mr. R.C. Moed, voorzitter, en mr. J.R. van Es-de Vries en mr. J.L.W. Broeksteeg, leden, in aanwezigheid van mr. M. van der Knijff, griffier.

Als gevolg van maatregelen rondom het Coronavirus is deze uitspraak niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Zodra het openbaar uitspreken weer mogelijk is, wordt deze uitspraak, voor zover nodig, alsnog in het openbaar uitgesproken.

De griffier is verhinderd deze

uitspraak te ondertekenen.

griffier

voorzitter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Hoger beroep

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.

1 Artikel 25, negende lid, van de Wet WIA.

2 Artikel 65 Wet WIA.

3 Zie bijvoorbeeld de uitspraken van de CRvB van 28 februari 2019 (ECLI:NL:CRVB:2019:732) en 15 augustus 2012 (ECLI:NL:CRVB:2012:BX5807).

4 Zie bovengenoemde uitspraken van 28 februari 2019 en 15 augustus 2012.

5 Zie de uitspraken van de CRvB van 27 maart 2013 (ECLI:NL:CRVB:2013:BZ5764, r.o. 4.3) en 5 maart 2014 (ECLI:NL:CRVB:2014:780, r.o. 4.4).

6 Zie bijvoorbeeld de uitspraken van de CRvB van 25 maart 2015 (ECLI:NL:CRVB:2015:926) en 14 december 2011 (ECLI:NL:CRVB:2011:BU8226).

7 Zie de uitspraak van de CRvB van 27 juli 2011 (ECLI:NL:CRVB:2011:BR4035).