Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2020:2690

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
10-07-2020
Datum publicatie
10-08-2020
Zaaknummer
19/5195
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Korting AOW. Wel of geen verlies langdurig ingezetenschap. Motiveringsgebrek. Beroep gegrond. Zelf in de zaak voorzien

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummer: UTR 19/5195


uitspraak van de enkelvoudige kamer van 10 juli 2020 in de zaak tussen

[eiseres] te [woonplaats] , eiseres

(gemachtigde: mr. F.L. Jagt),

en

de Raad van bestuur van de Sociale Verzekeringsbank, verweerder

(gemachtigde: mr. N. Zuidersma-Hovers).

Inleiding en procesverloop

Bij besluit van 2 juli 2019 heeft verweerder aan eiseres meegedeeld dat zij vanaf

[2019] pensioen ontvangt op grond van de Algemene Ouderdomswet (AOW). Zij ontvangt het maximale pensioenbedrag voor een gehuwde.

Bij besluit van 20 augustus 2019 (het primaire besluit) heeft verweerder aan eiseres meegedeeld dat zij vanaf november 2019 minder AOW-pensioen krijgt. Eiseres heeft hiertegen bezwaar gemaakt.

Bij besluit van 3 december 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard. Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft via een Skypeverbinding plaatsgevonden op 8 juni 2020. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Het van toepassing zijnde beleid

1. Bij de totstandkoming van het besluit om eiseres minder AOW-pensioen toe te kennen, heeft verweerder zich gebaseerd op zijn beleid, zoals dat is vastgelegd in de Beleidsregel

SB 1027 “Einde verplichte verzekering na vertrek uit Nederland” (hierna: Beleidsregel

SB 1027). Voor zover hier relevant luidt dat beleid als volgt:

“Indien een ingezetene uit Nederland vertrekt, heeft dit niet altijd tot gevolg dat de verzekering direct eindigt omdat als uitgangspunt geldt dat de band met Nederland, na vertrek naar het buitenland, slechts geleidelijk verdwijnt (zie bijvoorbeeld CRvB 15 juni 1994 en 22 juni 1994). Of de band met Nederland verbroken is, stelt de SVB vast op basis van het totaalbeeld van de feiten, waaruit in het concrete geval moet blijken of de betrokkene zijn woonplaats in Nederland heeft opgegeven. De SVB beoordeelt dit aan de hand van dezelfde criteria als die welke gelden voor ingezetenschap in Nederland (Zie SB1022 over ingezetene en wonen).

In dit verband onderscheidt de SVB drie situaties:

•Betrokkene vertrekt uit Nederland met het voornemen om zich definitief in een ander land te vestigen. In dat geval geldt dat het ingezetenschap eindigt op de datum volgend op die van het feitelijk vertrek uit Nederland. Of het vertrek een definitief karakter heeft, moet blijken uit het totaal beeld van alle relevante omstandigheden.

•Betrokkene heeft het voornemen om minder dan een jaar buiten Nederland te verblijven. In die situatie geldt dat het ingezetenschap niet eindigt, mits het - voorgenomen - verblijf buitenslands bedoeld is tijdelijk te zijn. Of sprake is van een tijdelijk verblijf buiten Nederland van minder dan een jaar moet blijken uit het totaalbeeld van alle relevante omstandigheden.

•Betrokkene heeft het voornemen om langer dan een jaar buiten Nederland te verblijven en het vertrek heeft geen definitief karakter.

In de laatste situatie geldt als uitgangspunt dat naarmate betrokkene langer buiten Nederland verblijft het waarschijnlijk is dat de band met Nederland minder sterk wordt. In gevallen waarin het onderzoek naar de feitelijke omstandigheden niet leidt tot de conclusie dat sprake is van een definitief verblijf in het buitenland beschouwt de SVB betrokkene het eerste jaar na het feitelijk vertrek uit Nederland (nog) als ingezetene. Na dat jaar beschouwt de SVB het ingezetenschap als geëindigd, tenzij betrokkene zelf aantoont dat de feitelijke omstandigheden het (voorlopig) handhaven van het ingezetenschap rechtvaardigen. Als drie jaar zijn verlopen na de datum van vertrek uit Nederland, beschouwt de SVB het ingezetenschap zonder meer als geëindigd. De periode van verblijf buiten Nederland heeft dan zo lang geduurd, dat betrokkene niet langer geacht wordt een duurzame band van persoonlijke aard met Nederland te hebben. Slechts in zeer uitzonderlijke gevallen maakt de SVB op deze regel een uitzondering.

Indien met toepassing van voorgaande beleidsregels op de datum van vertrek uit Nederland vaststaat dat het ingezetenschap verloren zal gaan, dan merkt de SVB - ongeacht de vraag of de belanghebbende het voornemen heeft zich permanent in het buitenland te vestigen - het vertrek uit Nederland direct als definitief aan.

(…)”

Standpunten van partijen

2. Ter onderbouwing van het bestreden besluit voert verweerder aan dat eiseres sinds

16 september 2017 voor langer dan één jaar uit Nederland is vertrokken en dat dit vertrek op dat moment geen definitief karakter had. Op grond van Beleidsregel SB 1027 neemt verweerder aan dat eiseres vanaf 16 september 2017 nog één jaar ingezetene van Nederland was. Volgens verweerder blijkt uit feiten en omstandigheden dat eiseres vanaf september 2018 niet meer in Nederland woont. Dit leidt er volgens verweerder toe dat zij over de periode van 16 september 2018 tot en met 16 oktober 2019 niet verzekerd was voor de AOW en dus dat zij over die periode geen pensioen heeft opgebouwd. Om die reden krijgt eiseres met ingang van november 2019 minder pensioen.

3. Eiseres stelt dat de afdeling Kinderbijslag van verweerder zonder overleg of toestemming gegevens over eiseres heeft verstrekt aan de afdeling AOW van verweerder. Volgens eiseres heeft verweerder aldus in strijd gehandeld met het zorgvuldigheidsbeginsel

en is het besluit om die reden al onrechtmatig. Eiseres stelt verder dat zij niet op

16 september 2017, maar op 27 oktober 2017 uit Nederland naar de Verenigde Staten van Amerika (VS) is vertrokken. Eiseres voert aan dat het tot op heden niet haar intentie is geweest om zich daar duurzaam te vestigen en aldus het ingezetenschap van Nederland op te geven. Zij beweert nog steeds een duurzame persoonlijke band met Nederland te hebben. Volgens haar heeft zij vanaf 16 september 2018 onverminderd pensioenrechten opgebouwd.

Overwegingen

4. Naar het oordeel van de rechtbank is verweerder te allen tijde bevoegd om onderzoek in te stellen naar de juistheid en volledigheid van gegevens die noodzakelijk zijn om het recht op pensioen vast te stellen en voort te zetten. Deze algemene onderzoeksbevoegdheid mag verweerder ook steeds uitoefenen. Door in dit verband informatie te gebruiken die afkomstig was van een andere afdeling binnen de organisatie van verweerder, heeft verweerder geen rechtsregel geschonden. Deze beroepsgrond faalt dus.

5. Op grond van Beleidsregel SB 1027, derde bullet, beschouwt verweerder eiseres het eerste jaar na haar feitelijke vertrek uit Nederland (nog) als ingezetene. Na dat jaar beschouwt verweerder het ingezetenschap als geëindigd, tenzij eiseres aantoont dat de feitelijke omstandigheden het (voorlopig) handhaven van het ingezetenschap rechtvaardigen. Verweerder heeft de datum van 16 september 2017 genomen als datum van het feitelijke vertrek van eiseres uit Nederland. De rechtbank kan verweerder hierin niet volgen. Aan de hand van inreisstempels in haar paspoort en van vliegtickets heeft eiseres namelijk afdoende aangetoond dat zij op die dag Nederland niet heeft verlaten. Dat de rechtbank in de kinderbijslagzaak van eiseres er kennelijk vanuit is gegaan dat eiseres Nederland wél op 16 september 2017 heeft verlaten1, leidt er niet toe dat verweerder in de onderhavige zaak onverkort aan deze datum mocht vasthouden als datum van feitelijk vertrek uit Nederland. In de onderhavige AOW-zaak diende verweerder namelijk een beoordeling te maken op basis van de feiten zoals die in dit dossier zijn gepresenteerd.

6. Verweerder stelt zich voorts op het standpunt dat bij de bepaling van de vraag of eiseres vanaf 16 september 2017 verzekerd was, het geheel van feiten en omstandigheden over de afgelopen jaren van belang is en niet alleen de omstandigheid of eiseres op

16 september 2017 feitelijk in Nederland was. Naar het oordeel van de rechtbank berust dit standpunt op een onjuiste lezing van de Beleidsregel SB 1027. Verweerder dient het geheel van feiten en omstandigheden namelijk in ogenschouw te nemen, als hij bepaalt of eiseres zich definitief in een ander land heeft gevestigd. Wat verweerder echter eerst moet beantwoorden, is de vraag wanneer eiseres feitelijk uit Nederland is vertrokken. Bij de beantwoording van die vraag zijn allerlei feiten of omstandigheden niet relevant. Het gaat er slechts om wanneer eiseres het grondgebied van Nederland fysiek heeft verlaten. Hiervan was op 16 september 2017 evident geen sprake.

7. Eén en ander leidt tot het oordeel dat verweerder ten onrechte de datum van

16 september 2017 heeft aangenomen als de datum waarop eiseres Nederland feitelijk heeft verlaten. Op grond van de derde bullet van Beleidsregel SB 1027 was er voor verweerder dan ook geen aanleiding om vanaf die datum eiseres nog een jaar als ingezetene aan te merken en dit ingezetenschap vervolgens per 16 september 2018 als geëindigd te beschouwen.

8. Ter zitting heeft verweerder het standpunt ingenomen dat op 16 september 2018 uit feiten en omstandigheden bleek dat eiseres al bij haar vertrek uit Nederland de intentie heeft gehad om zich definitief in de VS te vestigen. Verweerder lijkt hierbij aansluiting te zoeken bij de eerste bullet van Beleidsregel SB 1027. Wanneer verweerder in deze redenering zou worden gevolgd, dan biedt Beleidsregel SB 1027 nog steeds geen aanknopingspunt om de datum van 16 september 2018 als datum van beëindiging van het ingezetenschap aan te nemen. Volgens de eerste bullet van Beleidsregel SB 1027 zou het ingezetenschap van eiseres namelijk eindigen op de datum volgend op haar feitelijke vertrek uit Nederland. Als verweerder het ingezetenschap van eiseres op 16 september 2018 als geëindigd beschouwt, dan zou dat betekenen dat eiseres Nederland feitelijk op 15 september 2018 moet hebben verlaten. Hiervan is geen sprake geweest. Voor zover het betreden besluit dus gebaseerd is op de eerste bullet van Beleidsregel SB 1027, dan heeft verweerder een onjuiste toepassing gegeven aan zijn beleid.

9. In het geval verweerder beoogd heeft om aansluiting te zoeken bij de situatie als beschreven in de tweede bullet van Beleidsregel SB 1027, dan levert dit naar het oordeel van de rechtbank ook een onjuiste toepassing van het beleid op. Immers, zoals onder 6 en 7 is geoordeeld, kan de datum van het vertrek van eiseres uit Nederland niet op

16 september 2017 worden gesteld. Verweerder heeft zich niet uitgelaten over een andere datum waarop eiseres feitelijk uit Nederland zou zijn vertrokken. Bij gebrek aan een eenduidig “vertrekmoment”, is onduidelijk met ingang van wanneer de periode van één jaar die in de tweede bullet wordt genoemd, is aangevangen. Hierdoor heeft verweerder geen inzichtelijke beoordeling gemaakt ten aanzien van de vraag of op 16 september 2018 het verblijf van eiseres buiten Nederland tijdelijk was.

10. De rechtbank komt tot het oordeel dat het beroep gegrond is en dat het bestreden besluit als gevolg van een motiveringsgebrek dient te worden vernietigd. De rechtbank heeft ter zitting begrepen dat verweerder niet bereid is om af te stappen van 16 september 2017 als datum van het feitelijk vertrek van eiseres uit Nederland. Hierdoor ziet de rechtbank geen aanleiding om verweerder de gelegenheid te bieden het motiveringsgebrek te herstellen. De beoordeling van verweerder kan in zijn geheel niet in stand blijven. Als gevolg hiervan herroept de rechtbank tevens het primaire besluit. De overige geschilpunten behoeven geen bespreking meer.

11. Aangezien het beroep gegrond is, dient verweerder het door eiseres betaalde griffierecht van € 47,- te vergoeden. Ook veroordeelt de rechtbank verweerder in de proceskosten van eiseres. De rechtbank stelt deze kosten voor door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.575,- (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift, 1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het bijwonen van de zitting met een waarde per punt van € 525,-).

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- herroept het primaire besluit;

- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde bestreden besluit;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres ten bedrage van € 1.575,-.

Deze uitspraak is gedaan op 10 juli 2020 door mr. R.J.A. Schaaf, rechter, in aanwezigheid van mr. L.Y. Wong, griffier. Als gevolg van maatregelen rondom het Coronavirus is deze uitspraak niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Zodra het openbaar uitspreken weer mogelijk is, wordt deze uitspraak, voor zover nodig, alsnog in het openbaar uitgesproken.

- de griffier is verhinderd de

uitspraak mede te ondertekenen -

griffier rechter

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.

1 Zie de uitspraak van 15 januari 2020, ECLI:NL:RBMNE:2020:89