Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2020:2632

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
06-07-2020
Datum publicatie
03-08-2020
Zaaknummer
UTR 19 / 5146
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Het besluit over Wlz-indicatie is in werking getreden en het besluit van Vw over zorg in natura kon daarop gebaseerd worden. Omdat de Wlz voorliggend is aan de Zvw moet de zorg worden geleverd en vergoed vanuit de Wlz. Beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummer: UTR 19/5146

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 6 juli 2020 in de zaak tussen

[eiseres] , te [woonplaats] , eiseres

(gemachtigde: mr. J.J. Bakker),

en

Zilveren Kruis Zorgkantoor, het zorgkantoor, verweerder,

(gemachtigde: mr. S Gezer).

Inleiding en verloop van de procedure

1. De dochter van eiseres, mevrouw [A] , heeft in januari 2019 contact opgenomen met het zorgkantoor om een aanvraag te doen voor een indicatie om eiseres op een wachtlijst te kunnen zetten voor een verpleeghuis. Tegelijkertijd speelde dat de declaraties van thuiszorgorganisatie Careyn niet meer werden betaald door de zorgverzekeraar omdat er op 23 juni 2017 een indicatie op grond van de Wet langdurige zorg (Wlz) zou zijn afgegeven. Eiseres heeft dit ook aangekaart bij het zorgkantoor en gevraagd of het mogelijk is om de indicatie met terugwerkende kracht om te zetten en uit te laten betalen aan thuiszorgorganisatie Careyn.1

1.1.

Om een en ander te kunnen regelen heeft het zorgkantoor geadviseerd om een ‘Omzettingsformulier Zorg Wlz’ in te vullen. Eiseres heeft dit gedaan op 9 januari 2019 en heeft gevraagd om de Wlz-zorg als zorg in natura te ontvangen zodat zij op een wachtlijst bij de Stichting Ouderenzorg Oudewater kan worden geplaatst.

1.2.

Het zorgkantoor heeft op 7 maart 2019 een ‘positieve beschikking Zorg in Natura thuis’ genomen waarmee eiseres op basis van het geïndiceerde zorgprofiel2 vanaf 1 januari 2018 passende zorg thuis kan ontvangen in de vorm van een Modulair Pakket Thuis. Eiseres was het niet eens met dit besluit en heeft daartegen bezwaar gemaakt. Op 9 september 2019 heeft het zorgkantoor de ingangsdatum van de zorg in natura gewijzigd vastgesteld op 1 augustus 2018.

1.3.

Bij besluit van 25 oktober 2019 (bestreden besluit) heeft het zorgkantoor het bezwaar van eiseres gedeeltelijk gegrond verklaard. Tegen dit besluit heeft eiseres beroep ingesteld. Het zorgkantoor heeft een verweerschrift ingediend.

1.4.

De rechtbank heeft het beroep behandeld op de zitting van 5 maart 2020. De dochter van eiseres was op de zitting aanwezig met de toenmalige gemachtigde van eiseres mr. S.S. Sahtoe. Het zorgkantoor heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

1.5.

Op 15 april 2020 heeft de rechtbank het onderzoek heropend en het zorgkantoor om nadere informatie verzocht. Het zorgkantoor heeft op 12 mei 2020 gereageerd. Op 8 juni 2020 heeft eiseres gereageerd.

1.6.

Nadat partijen toestemming hebben gegeven om zonder nadere zitting uitspraak te doen heeft de rechtbank het onderzoek gesloten.

Overwegingen

Is het besluit van 23 juni 2017 over de Wlz-indicatie in werking getreden?

1.7.

Eiseres heeft aangevoerd dat zij niet wist dat er op 23 juni 2017 een Wlz-indicatie was afgegeven. Zij heeft nooit een indicatiebesluit ontvangen. Pas toen haar dochter in januari 2019 contact opnam met het zorgkantoor kwam zij op de hoogte van het indicatiebesluit.

2. De rechtbank stelt vast dat het Centrum Indicatiestelling Zorg (CIZ) op 23 juni 2017 een besluit heeft genomen naar aanleiding van de Wlz‑aanvraag van eiseres van 3 mei 2017. De vraag die de rechtbank moet beantwoorden is of dit indicatiebesluit in werking is getreden. Deze beoordeling is nodig omdat het indicatiebesluit de grondslag is van het besluit van het zorgkantoor waarbij met terugwerkende kracht tot 1 augustus 2018 ‘zorg in natura thuis’ is toegekend.

2.1.

Een besluit treedt in werking door de bekendmaking ervan en bij een besluit als deze vindt de bekendmaking plaats door toezending aan de aanvrager, dus aan eiseres.

2.2.

Voor de vaststelling dat het besluit in werking is getreden, dient zowel de verzending als de aanbieding van de zending aan het juiste adres vast te staan dan wel door het bestuursorgaan voldoende aannemelijk te zijn gemaakt. Contra-indicaties kunnen meebrengen dat moet worden geoordeeld dat het besluit wel moet zijn ontvangen, waarmee – zonder nader bewijs – ook de verzending aannemelijk is. Het kan daarbij bijvoorbeeld gaan om gevallen waarin naar aanleiding van dat besluit handelingen zijn verricht of om informatie is gevraagd waaruit moet worden afgeleid dat het besluit wel moet zijn ontvangen.3

2.3.

De rechtbank is van oordeel dat in dit geval sprake is van handelingen waaruit moet worden afgeleid dat eiseres het besluit van 23 juni 2017 destijds moet hebben ontvangen. Uit de telefoonnotitie uit het systeem van het CIZ blijkt immers dat de dochter van eiseres, die toen haar contactpersoon was,4 op 29 juni 2017 met het CIZ heeft gebeld. In de telefoonnotie die van dit gesprek is gemaakt staat: ‘Dochter heeft een vraag over PGB en ZIN n.a.v. het besluit. Kun je haar (het liefst vandaag) terugbellen (…)’. Gezien de datum van dit gesprek en de datum van het besluit kan het naar het oordeel van de rechtbank niet anders dan dat het besluit waarop in de telefoonnotitie van 29 juni 2017 wordt gedoeld het besluit van 23 juni 2017 van het CIZ betreft. Hieruit volgt dat er sprake is geweest van handelingen waaruit moet worden afgeleid dat eiseres het besluit van 23 juni 2017 moet hebben ontvangen en waarmee ook de verzending van dat besluit aannemelijk is. Eiseres heeft niet aannemelijk gemaakt dat haar dochter dit telefoongesprek niet heeft gevoerd of niet kan hebben gevoerd. Het enkele feit dat het telefoongesprek niet in de agenda van haar dochter zou staan is daarvoor onvoldoende. Dat haar dochter zich niet kan voorstellen dat zij op 29 juni 2017 heeft gebeld omdat zij toen in een hotel was, is ook onvoldoende voor de conclusie dat zij het telefoongesprek niet heeft of niet kan hebben gevoerd. Hetzelfde geldt voor de stelling dat de dochter van eiseres in de week van 25 juni 2017 kampte met gezondheidsproblemen. Uit het feit dat het zorgkantoor op 29 juni 2017 aan eiseres een brief heeft gestuurd over het aanvragen van een pgb en er op 3 juli 2017 is gebeld om een bewust keuzegesprek te plannen, volgt bovendien dat bij eiseres en haar dochter bekend moet zijn geweest dat er een Wlz‑indicatie was toegekend.

2.4.

Uit wat hiervoor staat volgt dat het indicatiebesluit van 23 juni 2017 in werking is getreden zodat het zorgkantoor zijn besluitvorming mocht baseren op dit besluit.

Houdt het besluit van het zorgkantoor stand?

3. De vraag is vervolgens of het besluit van het zorgkantoor om vanaf 1 augustus 2018 zorg in natura toe te kennen in rechte stand houdt. De rechtbank beantwoordt deze vraag bevestigend en zal hieronder uitleggen hoe zij tot dit oordeel is gekomen.

3.1.

Volgens eiseres mocht het zorgkantoor niet met terugwerkende kracht de Wlz-indicatie activeren en zij wil dat het zorgkantoor de activatie weer ongedaan maakt. Zij heeft hier helemaal niet om gevraagd en door deze beslissing wordt zij vanaf 1 augustus 2018 geconfronteerd met een eigen bijdrage aan het CAK. Als eiseres beter was geïnformeerd over de gevolgen van het activeren van de Wlz-indicatie dan had zij er voor kunnen kiezen om dit niet te doen en had ze de zorg zelf betaald.

3.2.

Omdat het indicatiebesluit in werking is getreden had eiseres vanaf 23 juni 2017 een Wlz‑indicatie voor zorgprofiel 4VV, geldig voor onbepaalde tijd. De dochter van eiseres heeft weliswaar op 3 juli 2017 bij het zorgkantoor aangegeven dat de pgb-aanvraag kon worden stopgezet maar dit heeft er niet toe geleid en kan er ook niet toe leiden dat het indicatiebesluit niet meer bestaat. Deze Wlz-indicatie is echter een tijdlang niet benut terwijl eiseres wel thuiszorg kreeg (persoonlijke verzorging), geleverd door thuiszorgorganisatie Careyn, en vergoed vanuit de Zorgverzekeringswet (Zvw). Omdat eiseres een Wlz-indicatie had, had deze zorg echter vanuit de Wlz geleverd en vergoed moeten worden, en niet vanuit de Zvw, omdat de Wlz voorliggend is aan de Zvw.5 Het zorgkantoor heeft er terecht op gewezen dat eiseres niet de vrijheid heeft om zelf te bepalen vanuit welke wet de zorg wordt geleverd en betaald. Thuiszorgorganisatie Careyn heeft dus ondanks de Wlz‑indicatie ten onrechte een tijdlang de declaraties vergoed gekregen vanuit de Zvw. Hieraan kwam een einde omdat de zorgverzekeraars zijn gaan controleren en declaraties vanaf 1 augustus 2018 door de zorgverzekeraars worden afgewezen als een cliënt een Wlz-indicatie heeft en de zorg vanuit de Wlz kan betalen.6

4. Omdat de Wlz voorliggend is aan de Zvw was het zorgkantoor bevoegd om op grond van het indicatiebesluit van 23 juni 2017 zorg in natura thuis toe te kennen vanaf 1 augustus 2018. Vanaf 1 augustus 2018 zal de door thuiszorgorganisatie Careyn geleverde zorg, conform het verzoek van de dochter van eiseres7 met terugwerkende kracht worden betaald vanuit de Wlz. Dat eiseres zich niet heeft gerealiseerd dat zij met terugwerkende kracht een eigen bijdrage verschuldigd was, kan niet tot een ander oordeel leiden. Het is aan eiseres om zich daar goed over te informeren.

5. Als eiseres het niet eens is met het indicatiebesluit of als zij alsnog van deze indicatie af wil, zal zij dit bij het CIZ moeten aankaarten. Het zorgkantoor is niet bevoegd besluiten te nemen over het toekennen van een Wlz‑indicatie maar alleen over de vorm waarin de Wlz-zorg wordt geleverd (pgb of zorg in natura).

6. Het beroep van eiseres is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan op 6 juli 2020 door mr. L.C. Michon, rechter, in aanwezigheid van

mr. N.R. Hoogenberk, griffier.

Als gevolg van maatregelen rondom het coronavirus is deze uitspraak niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Zodra het openbaar uitspreken weer mogelijk is, wordt deze uitspraak, voor zover nodig, alsnog in het openbaar uitgesproken.

griffier rechter

De rechter is verhinderd de

uitspraak te ondertekenen.

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.

1 Zie de telefoonnotitie van 7 januari 2019.

2 4VV: VV Beschut wonen met intensieve begeleiding en uitgebreide verzorging.

3 Zie bv. de uitspraken van 14 februari 2018 en 28 april 2020 van de Centrale Raad van Beroep (CRvB), ECLI:NL:CRVB:2018:537 en ECLI:CRVB:2020:1045.

4 Zie ‘Aanvraag langdurig zorg (Wlz)’ van 3 mei 2017 onder punt 4.

5 Artikel 2.1. Besluit Zorgverzekering.

6 Zie de brief van 22 mei 2019 van het zorgkantoor aan eiseres.

7 Zie de telefoonnotitie van 7 januari 2019.