Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2020:2625

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
17-07-2020
Datum publicatie
17-07-2020
Zaaknummer
NL18.24948
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Schadevergoedingsuitspraak
Inhoudsindicatie

Onrechtmatige uitlatingen. Vergoeding van immateriële schade. Rectificatie afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PS-Updates.nl 2020-0505
NJF 2020/309
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

VONNIS

_________________________________________________________________ _

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Civiel recht

Zittingsplaats Utrecht

zaaknummer: NL18.24948

Vonnis van 17 juli 2020

in de zaak van

1 [eiser sub 1] ,
wonende te [woonplaats] ,
2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[eiseres sub 2] B.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
eisers, hierna samen te noemen: Eiser (en afzonderlijk: [eiser sub 1] en [eiseres sub 2] B.V.),
advocaat M.J. Hoogendoorn,

tegen

[gedaagde] ,
wonende te [woonplaats] ,
verweerder, hierna te noemen: Gedaagde,
advocaat H. Loonstein.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de procesinleiding

  • -

    het verweerschrift

  • -

    de conclusie van Eiser

  • -

    de conclusie van Gedaagde.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 Inleiding

2.1.

Gedaagde heeft op 19 februari 2015 in het televisieprogramma [televisieprogramma] uitlatingen gedaan die Eiser onrechtmatig vindt. Eiser vordert dat voor recht wordt verklaard dat dit zo is, dat Gedaagde jegens hem schadeplichtig is en wordt veroordeeld tot betaling van een schadevergoeding. Daarnaast wil eiser dat een rectificatie wordt geplaatst op Twitter en in de Telegraaf, op straffe van een dwangsom.

2.2.

Gedaagde vindt de uitlatingen niet onrechtmatig en beroept zich op zijn vrijheid van meningsuiting. Ook betwist hij dat Eiser schade heeft geleden door de uitlatingen. Wat hem betreft worden de vorderingen afgewezen.

3 De beoordeling

3.1.

De uitlatingen van Gedaagde die in dit geschil ter beoordeling voorliggen zijn de volgende:

“Gedaagde: Mijn broers [A] en [B] , en daar hebben we het hier over, dat zijn

uitstekende juristen, die de praktijk nog hebben en ik kan ook als je het me vraagt

alleen maar de mensen aanraden daar vooral naar toe te gaan…Dat geldt overigens niet

voor m'n neefje [eiser sub 1] want die is die achternaam niet waard, ehm-

Interviewer: -Daar ben je boos op, hè?

Gedaagde: Nou ja maar dat is weetje dat is eigenlijk een niemendal, maar waar het

om gaat is-

Interviewer: -Hij is nog advocaat

Gedaagde: Jawel, dat weet ik

Interviewer: -als enige

Gedaagde: Dat weet ik [gelach publiek] Dat is waar maar dat heeft te maken met z'n

achternaam en niet met z'n kunde.

Interviewer: -Oh ja?

Gedaagde: Ja, je hoort het me toch zeggen?

Interviewer: -Ja ik hoor…Kijk zo kennen we de oude [gedaagde] weer

Gedaagde: Anders dan [B] en [A] waar ik mijn problemen mee heb daar zeg ik je,

je kent me ook wel lang genoeg dat ik open en eerlijk ben, dat zijn uitstekende juristen.

Dat is met m'n neefje niet het geval.(…)”

Toetsingskader onrechtmatige uitlating: botsing grondrechten

3.2.

Bij de vraag of een uiting onrechtmatig is zijn twee grondrechten aan de orde. Aan de ene kant het recht op vrijheid van meningsuiting van degene die de uitlating doet (artikel 7 Grondwet en artikel 10 EVRM). Aan de andere kant het recht op eerbiediging van de eer en goede naam van degene over wie de uitlating gaat (artikel 10 Grondwet en artikel 8 EVRM). Tussen die twee fundamentele rechten bestaat geen rangorde, zodat per geval aan de hand van de specifieke omstandigheden moet worden bepaald welk grondrecht in deze situatie zwaarder moet wegen. Het gaat daarbij niet om een in twee fasen te verrichten toetsing (aldus dat eerst aan de hand van de omstandigheden moet worden bepaald welk van beide rechten zwaarder weegt, waarna vervolgens nog moet worden beoordeeld of de noodzakelijkheidstoets als neergelegd in artikel 8 lid 2 respectievelijk 10 lid 2 EVRM zich verzet tegen het resultaat van die afweging). Deze toetsing moet in één keer gebeuren, waarbij het oordeel dat een van beide rechten, gelet op alle relevante omstandigheden, zwaarder weegt dan het andere recht, meebrengt dat de inbreuk op het andere recht voldoet aan de noodzakelijkheidstoets van het desbetreffende lid 2 (zie HR 18 januari 2008, ECLI:NL:HR:2008:BB3210 [naam] / [naam]; HR 5 oktober 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW9230, Endemol en SBS/A).

Feit of mening?

3.3.

Onderscheid moet worden gemaakt tussen feitelijke beweringen of beschuldigingen enerzijds en het kenbaar maken van een negatief waardeoordeel of een mening anderzijds. Waar in het eerste geval in de belangenafweging moet worden betrokken of de uiting steun vindt in het beschikbare feitenmateriaal, is dat bij waardeoordelen of meningen niet het geval. Om de juiste toets aan te kunnen leggen moet dus eerst worden bepaald of de uitlatingen feitelijke beweringen zijn of de uitdrukking van een waardeoordeel. Het onderscheid daartussen is niet altijd duidelijk, zoals ook hier. Overigens is het onderscheid in zoverre relatief, dat ook een waardeoordeel enige feitelijke onderbouwing moet hebben om rechtmatig te kunnen worden geuit (EHRM 20 maart 2018, nr. 45791/13, Falzon/Malta).

3.4.

In dit geval vindt de rechtbank doorslaggevend dat de meeste uitlatingen zijn gepresenteerd als feiten. Nergens wordt expliciet gemaakt dat het gaat om de persoonlijke mening van gedaagde (bijvoorbeeld door woorden als “Ik vind…” of “Naar mijn smaak/mening…”). Ook uit de context blijkt niet dat de kijkers de uitingen moeten opvatten als een mening. Aan het woord is een bekende Nederlander, waarvan iedereen weet dat hij jurist is en voormalig strafpleiter.

Gedaagde zegt: Mijn broers [A] en [B] , en daar hebben we het hier over, dat zijn uitstekende juristen (…) Dat geldt overigens niet voor m'n neefje [eiser sub 1] want die is die achternaam niet waard. De interviewer wijst erop dat eiser nog wel advocaat is, waarop gedaagde zegt: Dat is waar maar dat heeft te maken met z'n achternaam en niet met z’n kunde. Dit laatste kan niet anders worden opgevat dan als feitelijke bewering; het is objectief toetsbaar. Dat wordt nog versterkt door de reactie die volgt. De interviewer vraagt: O ja? Reactie: Ja, je hoort het me toch zeggen? Dat is een stellige bevestiging van de eerdere feitelijke bewering en geen nuancering waaruit de kijker zou moeten afleiden dat het niet gaat om een feit maar om een opvatting, waar je ook anders tegenaan zou kunnen kijken.

Datzelfde geldt voor de laatste uitlating: Anders dan [B] en [A] waar ik mijn problemen mee heb daar zeg ik je, je kent me ook wel lang genoeg dat ik open en eerlijk ben, dat zijn uitstekende juristen. Dat is met m'n neefje niet het geval.(…). Juist door de inleiding dat gedaagde op persoonlijk vlak problemen heeft met de genoemde [B] en [A] , wordt de mededeling dat zijn uitstekende juristen. Dat is met m’n neefje niet het geval des te nadrukkelijker gepresenteerd als een feit. Het is geformuleerd als een zakelijke constatering die juist los staat van de persoonlijke gevoelens die kennelijk niet altijd even warm zijn. Dat wordt nog benadrukt door de woordkeuze: dat zijn uitstekende juristen (en niet: ik vind of naar mijn mening zijn dat).

3.5.

Dat ligt anders bij de uitlating: Nou ja maar dat is weetje dat is eigenlijk een niemendal, maar waar het om gaat is-. De term waar Eiser zich aan stoort is ‘niemendal’. Het op die manier iemand beschrijven is naar zijn aard een mening en geen feit. Of iets of iemand niets of weinig waard is, dat is in het algemeen vrijwel altijd subjectief en zo ook hier. Drie feitelijke beweringen, kortom, en een waardeoordeel. De rechtbank komt tot de slotsom dat alle vier de uitlatingen onrechtmatig zijn, en legt nu uit waarom.

De feitelijke beweringen zijn onrechtmatig

3.6.

Bij de toetsing die moet plaatsvinden om te komen tot het oordeel welk van de botsende grondrechten in dit geval voorrang krijgt, zijn onder meer de volgende omstandigheden relevant.

  1. de aard van de gepubliceerde uitlatingen en de ernst van de te verwachten gevolgen voor degene op wie die uitlatingen betrekking hebben,

  2. de ernst - bezien vanuit het algemeen belang - van de misstand die aan de kaak wordt gesteld,

  3. de mate waarin de uitlatingen steun vinden in het beschikbare feitenmateriaal ten tijde van de publicatie,

  4. de totstandkoming en inkleding van de uitlatingen,

  5. het gezag dat het medium waarop de uitlatingen zijn gepubliceerd geniet en

  6. de maatschappelijke positie van de betrokken persoon.

Genoemde omstandigheden wegen niet allen even zwaar. Welke omstandigheden van toepassing zijn en welk gewicht daaraan moet worden gehecht, hangt af van het concrete geval.

3.7.

De weging en toetsing van deze omstandigheden leiden in dit geschil tot de volgende bevindingen.

Met de feitelijke beweringen (zie hiervoor in 3.4) diskwalificeert Gedaagde Eiser in zijn vak. Daarmee raakt hij Eiser behalve in zijn eer en goede naam ook in zijn bron van inkomen.

Dat de beroepsuitoefening door Eiser kwalitatief zodanig is, dat het publiek voor hem zou moeten worden gewaarschuwd is niet gebleken. Gedaagde heeft in dat verband een aantal zaken aangehaald waarin Eiser als advocaat heeft opgetreden. Eiser heeft overtuigend weerlegd dat en waarom hieruit geen blijk van ontoereikende kwaliteit van zijn beroepsuitoefening kan worden afgeleid. Uit het overgelegde feitenmateriaal blijkt ook verder niet dat de uitingen terecht zijn. Eiser heeft onbetwist gesteld dat het in Nederland niet mogelijk is om advocaat te zijn zonder aan de daaraan te stellen toelatings- en opleidingsvereisten te voldoen. Het staat dus vast dat Eiser niet uitsluitend door zijn achternaam advocaat is.

Het programma [televisieprogramma] wordt door het publiek waarschijnlijk niet gezien als gezaghebbende bron voor bevindingen van kwaliteitsonderzoek in de zakelijke dienstverlening. Laat onverlet dat met het programma een aanzienlijk aantal kijkers is bereikt bij wie mogelijk de mededeling in het achterhoofd is blijven hangen over de kwaliteiten van Eiser als advocaat. Een mededeling die, zoals gezegd afkomstig is van een bekend voormalig strafpleiter uit een familie van bekende juristen.

Deze omstandigheden, in samenhang bezien en gewogen, leiden tot de gevolgtrekking dat het belang van Eiser bij bescherming van eer en goede naam in dit geval zwaarder weegt van het belang van de vrijheid van meningsuiting van Gedaagde. De geuite feitelijke beweringen (zoals hiervoor in 3.4 geduid) zijn onrechtmatig jegens Eiser.

Het geuite waardeoordeel (“niemendal”) is in dit geval ook onrechtmatig

3.8.

Een waardeoordeel kan naar zijn aard niet op juistheid worden getoetst, maar dat betekent niet dat zomaar alles mag worden gezegd, met een beroep op vrijheid van meningsuiting. De inbreuk moet proportioneel zijn ten opzichte van het te beschermen belang, de eer en goede naam van de beledigde. In die belangenafweging kan het een rol spelen dat er voor de mening een grondslag in de feiten is te vinden. Zo niet dan kan de uiting excessief zijn.

Niet is aangevoerd of gebleken dat de uitlating van gedaagde moeten worden geduid in het licht van de vrijheid van de column of de satire. De uitlatingen zijn niet evident grappig of spitsvondig.

Hiervoor is al uitgelegd dat Gedaagde niet heeft laten zien dat zijn diskwalificatie van Eiser als advocaat (of jurist) een feitelijke grondslag heeft, zodat de rechtbank het ervoor houdt dat die grondslag er ook niet is.

Waar de uiting ‘niemendal’ als op zichzelf staande typering zeker niet altijd of zonder meer onrechtmatig zal zijn, moet hij hier worden bekeken in de context van het fragment en geplaatst tussen de andere uitlatingen. Zo bezien worden met deze uitdrukking van de mening van Gedaagde de onrechtmatige feitelijke beweringen kracht bijgezet. Voor die uitlating is geen rechtmatig belang of doel geschetst of gebleken (er valt niets aan de kaak te stellen of te waarschuwen) en geen andere rechtvaardiging dan de vrijheid van meningsuiting. Dat is in dit geval niet voldoende. De vrijheid van meningsuiting van Gedaagde moet hier wijken voor het belang van Eiser om ervan verschoond te blijven zonder grond op televisie in diskrediet te worden gebracht.

Is er schade en wie lijdt die?

3.9.

Gedaagde heeft zich op het standpunt gesteld dat, zelfs als er sprake zou zijn van onrechtmatige uitlatingen, de vorderingen nog steeds moeten worden afgewezen, omdat Eiser helemaal geen schade heeft geleden. En als er al schade zou zijn geleden, dan heeft Eiser niet genoeg gedaan om die schade te beperken, aldus Gedaagde.

Daarnaast wijst Gedaagde erop dat wat Eiser vordert (namelijk: rectificatie in de krant en op internet) niet heelt wat volgens hemzelf schade oplevert. Bovendien houdt de gevraagde rectificatie feitelijk het maken van excuses in, en dat is niet toewijsbaar. Ook zijn de uitlatingen te lang geleden om nog te worden gerectificeerd, aldus Gedaagde.

3.10.

Eiser heeft over de schade, kort gezegd, het volgende aangevoerd. Immateriële schade is aan de orde omdat de persoon van [eiser sub 1] is aangetast en omdat sprake is van hinder en reputatieschade. Diezelfde reputatieschade leidt [eiseres sub 2] B.V. Daarnaast heeft [eiseres sub 2] B.V. materiële schade geleden in de vorm van gederfde omzet. Eiser stelt dat het aannemelijk is dat als gevolg van de mededelingen één of meer potentiële klanten als gevolg van de uitlatingen naar de broers van Gedaagde zijn gestapt in plaats van naar Eiser.

Geen schade voor [eiseres sub 2] B.V.

3.11.

De rechtbank is van oordeel dat niet aannemelijk is geworden dat [eiseres sub 2] B.V. materiële schade heeft geleden als gevolg van de onrechtmatige uitlatingen door Gedaagde. Eiser stelt dat, maar heeft dat niet verder uitgelegd, terwijl Gedaagde dit gemotiveerd en onderbouwd betwist, onder meer door te verwijzen naar wat Eiser zelf hierover zegt in zijn boek.

Daar komt bij dat, gelet op het tijdsverloop sinds de uitlating, de materiële schade zich inmiddels wel (volledig) zou hebben moeten laten zien. Het had op de weg van Eiser gelegen daar meer concreet over te zijn, in het licht van de gemotiveerde betwisting door Gedaagde op dit punt.

3.12.

Dat [eiseres sub 2] B.V. immateriële schade heeft geleden is ook niet gebleken. Zij is geen rechtspersoon met een ideëel doel, dus van het opzettelijk frustreren van een dergelijk doel is geen sprake geweest. Dat deze rechtspersoon zelf reputatieschade heeft geleden is niet evident (zoals Eiser zegt), omdat de vennootschap in de uitlatingen niet is genoemd. Er was dus nadere toelichting nodig om tot die conclusie te kunnen komen en die is niet gegeven. Dat betekent dat de rechtbank de gevolgtrekking maakt dat niet is gebleken van schade voor [eiseres sub 2] B.V. Dat betekent dat zij als eiser geen belang heeft bij deze procedure, zodat in het midden kan blijven of de uitlatingen ook onrechtmatig zijn jegens deze besloten vennootschap. De vorderingen van [eiseres sub 2] B.V. zullen worden afgewezen.

Wel vergoeding van immateriële schade voor [eiser sub 1]

3.13.

Voor nadeel dat niet in vermogensschade bestaat heeft de benadeelde recht op een naar billijkheid vast te stellen schadevergoeding als in hij in zijn eer of goede naam is geschaad of op andere wijze in zijn person is aangetast (artikel 6:106 sub b BW). Naar het oordeel van de rechtbank heeft [eiser sub 1] op deze grondslag recht op een vergoeding van het nadeel (namelijk reputatieschade) dat hij heeft ondervonden door de onrechtmatige uitlatingen door Gedaagde. Dat [eiser sub 1] daadwerkelijk nadeel (anders dan financiële schade) heeft ondervonden van de uitlatingen vindt de rechtbank duidelijk naar voren komen in deze procedure. Ten eerste is dit nadeel ondervonden direct door de uitzending; de aard van de uitlatingen is zodanig dat daaruit begrijpelijkerwijs meteen bij kennisneming ongenoegen, ergernis of ander geestelijk leed is voortgevloeid. Dat de uitlatingen ook verder en daarna nog van invloed zijn geweest op de reputatie van [eiser sub 1] blijkt onder andere uit het feit dat er bij interviews steeds op werd teruggekomen.

De vordering tot vergoeding van immateriële schade van € 10.000,- met wettelijke rente daarover vanaf 19 februari 2015 zal dus worden toegewezen zoals gevorderd. Tegen het bedrag en de verschuldigdheid van wettelijke rente daarover is geen (gemotiveerd) verweer gevoerd.

Geen rectificatie meer

3.14.

De gevorderde rectificatie zal de rechtbank niet toewijzen. De uitlating vond plaats op 19 februari 2015, dat is inmiddels meer dan vijf jaar geleden. In een item van ongeveer een kwartier, hebben de uitlatingen in kwestie minder dan een minuut in beslag genomen. Bij het grote publiek bestaat geen actieve herinnering meer aan dit voorval. Met de rectificatie zoals gevorderd zal in feite niets worden rechtgezet, maar wordt de kwestie opnieuw voor het voetlicht gebracht. De uitlatingen worden dan herhaald en zullen voor veel lezers zelfs nieuw zijn. Zou je de uitlatingen zelf weglaten uit de rectificatie, dan zal de publicatie waarschijnlijk tot gevolg hebben dat mensen het fragment gaan terugzoeken. Dat gevolg strookt niet met het nadeel dat Eiser stelt te ondervinden van de uitlatingen destijds, namelijk dat deze uitlatingen steeds nog gevonden kunnen worden op internet en daarom blijven terugkomen in interviews. De rechtbank oordeelt daarom dat Eiser geen gerechtvaardigd belang heeft bij de gevraagde rectificatie.

Procedurele gang van zaken geen invloed op proceskosten.

3.15.

Gedaagde vindt dat Eiser te lang heeft gewacht met het instellen van de vordering en dat hij bovendien rauwelijks is gedagvaard. De procedure kwam uit de lucht vallen en zo is hem de kans ontnomen één en ander buiten rechte op te lossen met Eiser, en dat moet volgens Gedaagde tot uitdrukking komen in de proceskostenveroordeling.

3.16.

Het argument dat kosten hadden kunnen worden voorkomen als er eerst was geschreven of gebeld over de kwestie, voordat werd gedagvaard is in dit geval niet overtuigend. Gedaagde heeft niet uitgelegd waartoe hij in dat geval bereid zou zijn geweest en wat dit had kunnen opleveren. Zijn standpunt in dit geschil doet niet vermoeden dat een oplossing buiten rechte voor de hand had gelegen.

3.17.

Wat wel gevolgen heeft voor de proceskosten in deze procedure is het feit dat elk van partijen gedeeltelijk gelijk en gedeeltelijk ongelijk krijgt. Om die reden zullen de proceskosten worden gecompenseerd, op de manier zoals in de beslissing weergegeven.

4 De beslissing

De rechtbank

4.1.

verklaart voor recht dat de volgende uitlatingen van Gedaagde onrechtmatig zijn jegens [eiser sub 1] :

  • -

    ‘Mijn broers [A] en [B] , en daar hebben we het hier over, dat zijn uitstekende juristen, die de praktijk nog hebben en ik kan ook als je het me vraagt alleen maar de mensen aanraden daar vooral naar toe te gaan…Dat geldt overigens niet voor m'n neefje [eiser sub 1] want die is die achternaam niet waard’

  • -

    ‘Nou ja maar dat is weetje dat is eigenlijk een niemendal’

  • -

    ‘Anders dan [B] en [A] waar ik mijn problemen mee heb daar zeg ik je, je kent me ook wel lang genoeg dat ik open en eerlijk ben, dat zijn uitstekende juristen. Dat is met m'n neefje niet het geval’,

4.2.

veroordeelt Gedaagde om aan [eiser sub 1] ter zake van immateriële schade een bedrag te betalen van € 10.000,- te vermeerderen met wettelijke rente vanaf
19 februari 2015 tot de dag van voldoening,

4.3.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

4.4.

compenseert de kosten van deze procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,

4.5.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. F.C. Burgers en in het openbaar uitgesproken op 17 juli 2020.