Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2020:2584

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
03-07-2020
Datum publicatie
06-07-2020
Zaaknummer
C/16/502992 / KG ZA 20-247
Rechtsgebieden
Aanbestedingsrecht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Kort geding. Aanbestedingszaak. Voeging toegestaan ook al heeft voegende partij contractuele vervaltermijn ongebruikt laten verstrijken. Deugt de beoordeling van de kwalitatieve subgunningscriteria?

Geoordeeld wordt van wel. Voorlopige gunningsbeslissing niet met inachtneming van 2.130 Aanbestedingswet 2012 gemotiveerd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Module Aanbesteding 2020/1447
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Civiel recht

handelskamer

locatie Utrecht

zaaknummer / rolnummer: C/16/502992 / KG ZA 20-247

Vonnis in kort geding van 3 juli 2020

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

DUSSELDORP INFRA, SLOOP EN MILIEUTECHNIEK B.V.

gevestigd te Lichtenvoorde

eiseres

hierna te noemen: Dusseldorp

advocaat mr. F.R.H. Kuiper

en

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

VLASMAN BETONWERKEN- EN SLOOPTECHNIEKEN B.V.

statutair gevestigd en kantoorhoudende te Alphen aan den Rijn
hierna te noemen: Vlasman

voegende partij
advocaat: mr. P.B.J. van den Oord

tegen

de publiekrechtelijke rechtspersoon

HOOGHEEMRAADSCHAP DE STICHTSE RIJNLANDEN

gevestigd te Houten

gedaagde

hierna te noemen: Hoogheemraadschap de Stichtse Rijnlanden

advocaten mrs. M.W. Speksnijder en E.L. Vos

met als tussenkomende partij

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[bedrijf] B.V.

gevestigd te [vestigingsplaats]

hierna te noemen: [bedrijf]
advocaat mr. B. van der Zijpp

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding met producties 1 tot en met 4

  • -

    de akte wijziging eis met productie 5

  • -

    het schriftelijk verweer met producties 1 en 2 van Hoogheemraadschap de Stichtse Rijnlanden

  • -

    de incidentele conclusie tot tussenkomst subsidiair voeging van [bedrijf]
    - het verweerschrift van [bedrijf]

  • -

    de incidentele conclusie tot voeging aan de zijde van Dusseldorp van Vlasman

  • -

    de mondelinge behandeling van 30 juni 2020.

In verband met de coronacrisis en daardoor de beperkte zittingscapaciteit is aan partijen verzocht om voor de mondelinge behandeling een verweerschrift in te dienen, zodat tijdens de mondelinge mondelinge behandeling meteen tot de kern kan worden gekomen.
Vlasman heeft zich 24 uur voor de mondelinge behandeling aangediend, zodat Vlasman geen verweerschrift voor de mondelinge behandeling heeft ingediend.

1.2.

Tijdens de mondelinge behandeling zijn eerst de incidenten besproken.

1.2.1.

Iedereen kon zich erin vinden dat [bedrijf] in het kort geding tussenkomt. De voorzieningenrechter heeft dat toen ook bij wijze van mondeling vonnis toegestaan.

1.2.2.

Tegen de door Vlasman gevorderde voeging bestond wel bezwaar aan de kant van Hoogheemraadschap de Stichtse Rijnlanden en [bedrijf] . Hoogheemraadschap de Stichtse Rijnlanden en [bedrijf] hebben hun bezwaar toegelicht aan de hand van een pleitnota, waarna Dusseldorp en Vlasman daarop hebben mogen reageren. Dusseldorp verklaarde geen bezwaar tegen de voeging te hebben. De voorzieningenrechter heeft de beslissing over het wel of niet toestaan van de voeging aangehouden en heeft Vlasman voorwaardelijk toegestaan om mee te doen aan het kort geding.

1.3.

Daarna is overgegaan tot de inhoudelijke bespreking van het kort geding. Alle partijen hebben hun standpunt (nogmaals) toegelicht, Dusseldorp, [bedrijf] en Vlasman hebben dit mede gedaan aan de hand van een pleitnota. Ook hebben partijen vragen van de voorzieningenrechter beantwoord. Verder heeft Dusseldorp haar eis nog gewijzigd (vermeerderd).

1.4.

Aan het einde van de mondelinge behandeling is aan partijen verteld dat op
3 juli 2020 vonnis zal worden gewezen.

2 Waar gaat het kort geding over?

2.1.

Hoogheemraadschap de Stichtse Rijnlanden heeft een Europese openbare aanbestedingsprocedure georganiseerd om de rioolwaterzuiveringsinstallatie op haar terrein in Utrecht te laten slopen. Het gunningscriterium is de economisch meest voordelige inschrijving op basis van de beste prijs-kwaliteitverhouding. Daarbij wordt de score voor kwaliteit omgezet in een fictieve korting op de inschrijfsom. De inschrijving met de laagste fictieve inschrijfprijs wint de aanbesteding.
Er zijn drie criteria met betrekking tot de kwaliteit, namelijk:
1. robuustheid van de planning
2. kwaliteit van het sloopplan
3. kwaliteit van projectbesturing door de inschrijver.
Een beoordelingsteam dat bestaat uit deskundige personen, is belast met de waardering van de meerwaarde van de inschrijvingen aan de hand van deze criteria. Het beoordelingsteam moet eerst individueel en daarna in consensus een cijfer (0, 1, 3, 7) toekennen aan de afzonderlijke criteria. Dit cijfer correspondeert dan weer met een fictieve korting. De maximale fictieve korting die voor deze drie criteria kan worden behaald is € 7.700.000.

2.2.

Dusseldorp, Vlasman en [bedrijf] hebben met nog zes andere inschrijvers op de aanbesteding ingeschreven. Hoogheemraadschap de Stichtse Rijnlanden heeft bij brief van
8 mei 2020 aan alle inschrijvers laten weten dat [bedrijf] de winnaar is van de aanbesteding en dat zij daarom van plan is de opdracht aan [bedrijf] te gunnen. Dusseldorp en Vlasman zijn als derde en tweede geëindigd.

2.3.

Dusseldorp is het niet eens met dit voorlopig gunningsvoornemen omdat:

- de beoordeling door het beoordelingsteam niet deugt
- het voorlopig gunningsvoornemen niet met inachtneming van artikel 2.130 Aanbestedingswet 2012 is gemotiveerd.
Dusseldorp vordert daarom in dit kort geding (na wijzigingen van eis):
a. intrekking van de voorlopige gunningsbeslissing van 8 mei 2020
b. een verbod om de opdracht te gunnen aan [bedrijf] , althans een ander dan
Dusseldorp
c. primair herbeoordeling van alle inschrijvingen door een nieuw beoordelingsteam
en subsidiair staking en gestaakt houden van de aanbestedingsprocedure.

2.4.

Vlasman is het met Dusseldorp eens en wil zich voegen aan haar kant.

2.5.

[bedrijf] is het eens met de voorlopige gunningsbeslissing van Hoogheemraadschap de Stichtse Rijnlanden en vordert als tussenkomende partij dat:
a. de vorderingen van Dusseldorp worden afgewezen

b. Hoogheemraadschap de Stichtse Rijnlanden wordt geboden om verder te gaan met
de opdrachtverstrekking aan [bedrijf] .


3. Voeging Vlasman

3.1.

Voordat tot de inhoudelijke beoordeling wordt overgeaan, moet eerst nog worden beslist of Vlasman zich mag voegen aan de kant van Dusseldorp. Geoordeeld wordt dat dit is toegestaan. Hoogheemraadschap de Stichtse Rijnlanden en [bedrijf] worden, zoals hierna wordt uitgelegd, niet gevolgd in hun daartegen aangevoerde bezwaren.

3.1.1.

Hoogheemraadschap de Stichtse Rijnlanden en [bedrijf] voeren aan dat Vlasman zelf binnen de contractuele vervaltermijn (zoals vermeld in 2.12 van de inschrijvingsleidraad) een kort geding aanhangig had moet maken en dat zij nu zij deze contractuele vervaltermijn ongebruikt heeft laten verstrijken, niet alsnog mag meeliften op het tijdig door Dusseldorp aanhangig gemaakte kort geding.

Dit standpunt gaat niet op. De (contractuele) vervaltermijn heeft betrekking op het instellen van een eigen vordering. Wanneer die vervaltermijn ongebruikt is verstreken dan kan dit niet worden hersteld door mee te liften met een inschrijver die wel tijdig een kort geding aanhangig heeft gemaakt. Dit zou het geval zijn als Vlasman zou willen tussenkomen en daarbij een vordering zou willen instellen. Dat is hier echter niet aan de orde. Vlasman wil zich slechts voegen aan de kant van Dusseldorp. Dat houdt in dat zij Dusseldorp wil helpen (ondersteunen) in haar zaak tegen Hoogheemraadschap de Stichtse Rijnlanden.

3.1.2.

Dan voeren Hoogheemraadschap de Stichtse Rijnlanden en [bedrijf] nog aan dat Vlasman geen rechtmatig belang bij voeging heeft. Ook in dit standpunt worden zij niet gevolgd. Vlasman heeft belang bij toewijzing van de vorderingen van Dusseldorp strekkende tot intrekking van de voorlopige gunningsbeslissing en een herbeoordeling van alle inschrijvingen. Wanneer deze vorderingen worden toegewezen, maakt zij immers weer een kans om de aanbesteding te winnen.

4 De beoordeling


De vorderingen van Dusseldorp

4.1.

Dan nu de beoordeling van de vorderingen van Dusseldorp.

4.2.

Dusseldorp voert als grondslag voor al haar vorderingen aan dat:
1. de beoordeling door het beoordelingsteam niet deugt
2. de voorlopige gunningsbeslissing niet met inachtneming van artikel 2.130
Aanbestedingswet 2012 is gemotiveerd.


Deugt de beoordeling door het beoordelingsteam?

4.3.

Dusseldorp voert een aantal argumenten aan waarom de beoordeling door het beoordelingsteam volgens haar niet deugt. Deze argumenten zullen hierna worden besproken.

Bevooroordeling beoordelingsteam?

4.4.

Dusseldorp voert aan dat de beoordeling door het beoordelingsteam niet deugt, omdat het beoordelingsteam bevooroordeeld was.

Het is niet aannemelijk dat dit zo is. Er zijn daarvoor geen concrete aanwijzingen. Dusseldorp baseert haar stelling dat dit het geval is geweest vooral op haar ‘onderbuik gevoel’. Ook het feit dat [bedrijf] bezig is met sloopwerkzaamheden voor Hoogheemraadschap de Stichtse Rijnlanden op een terrein dat ligt naast het terrein waarop de aanbesteding ziet, maakt nog niet dat de beoordelingscommissie bij het toekennen van de cijfers bevooroordeeld is geweest. Ook niet als dit in combinatie wordt gezien met het feit dat het beoordelingsteam de inschrijvingen niet anoniem heeft beoordeeld en dus wist van wie elke inschrijving was. Het was beter geweest als de beoordeling anoniem zou zijn gedaan, maar het ontbreken van anonimiteit is onvoldoende om bevooroordeling ten gunste van [bedrijf] te kunnen aannemen.

Andere argumenten waarom de beoordeling niet zou deugen?

4.5.

Dusseldorp voert verder nog aan dat zij het onbegrijpelijk vindt dat zij voor alle drie de gunningscriteria een 1 (dat staat voor “gedeeltelijke meerwaarde”) heeft gekregen. Volgens haar had haar inschrijving hoger moeten worden gewaardeerd. Zij voert daarvoor verschillende argumenten aan.

4.6.

Bij de beoordeling van die hierna te bespreken argumenten wordt het volgende voorop gesteld.

4.6.1.

Het is in beginsel aan de aanbestedende dienst (en het door haar benoemde beoordelingsteam) om inschrijvingen te beoordelen en te waarderen.
De aanbestedende dienst (het beoordelingsteam) komt daarbij een ruime beoordelingsvrijheid toe. Zij moet daarbij wel blijven binnen het door haar vooraf bekend gemaakte beoordelingskader. Dit laatste is in dit kort geding echter geen punt van discussie, aangezien Dusseldorp niet aanvoert dat het beoordelingsteam bij de beoordeling van haar inschrijving buiten het vooraf bekend gemaakte toetsingskader is getreden.

Verder geldt dat enige mate van subjectiviteit bij de beoordeling van de inschrijvingen onvermijdelijk en acceptabel is. Alleen als sprake is van klaarblijkelijke procedurele of inhoudelijke onjuistheden of onduidelijkheden, die zouden kunnen meebrengen dat de beoordeling niet deugt, is plaats voor ingrijpen door de voorzieningenrechter.
Daarbij wordt benadrukt dat het niet aan de voorzieningenrechter is om op de stoel van de (de beoordelingscommissie van de) aanbestedende dienst te gaan zitten en te bepalen welk cijfer volgens hem had moeten worden gegeven. Dit is alleen al zo, omdat de voorzieningenrechter de deskundigheid die daarvoor nodig is niet heeft.

4.6.2.

De voorzieningenrechter stelt verder vast dat de deskundigheid van het beoordelingsteam niet gemotiveerd onderbouwd ter discussie is gesteld. Daarom wordt ervan uitgegaan dat dit team de deskundigheid had om de inschrijvingen op kwaliteit te beoordelen.Verder is ook niet in geschil dat het beoordelingsteam bij de beoordeling van de inschrijvingen binnen het beoordelingskader is gebleven.
Het gaat alleen om de door het beoordelingsteam aan de inschrijving van Dusseldorp gegeven waardering, waarbij zoals gezegd het beoordelingsteam een grote mate van beoordelingsvrijheid heeft.

4.7.

Dusseldorp voert als argument aan dat zij de stellige overtuiging heeft dat zij tekort wordt gedaan door de waardering die het beoordelingsteam aan haar inschrijving heeft gegeven. Zij vindt dat haar inschrijving ruimschoots voldoet aan de eisen die in de aanbestedingsstukken, worden gesteld en hoger had moeten worden gewaardeerd.
Dit argument gaat niet op. Het is aan het beoordelingsteam om de inschrijvingen van de inschrijvers te beoordelen en te waarderen en niet aan de inschrijver zelf. Dat
Dusseldorp dus vindt dat zij een hogere waardering had moeten krijgen, maakt nog niet dat de beoordeling van het beoordelingsteam niet deugt. Er zijn geen aanknopingspunten dat de waardering door het beoordelingsteam van de inschrijving van Dusseldorp klaarblijkelijk niet goed is. De motivering die voor die waardering is gegeven sluit aan op het toegekende cijfer en de omschrijving daarvan in de inschrijvingsleidraad.

4.8.

Dusseldorp voert verder aan dat de beoordeling niet deugt, omdat de motivering van de aan haar toegekende cijfers gebrekkig, onduidelijk, onbegrijpelijk en/of onnavolgbaar is.
Ook dit argument gaat niet op. In de voorlopige gunningsbeslissing die aan Dusseldorp is gezonden zijn de scores die aan Dusseldorp voor de drie subgunningscriteria voor kwaliteit zijn gegeven gemotiveerd onder het kopje “Argumentatie bij de waardering op hoofdlijnen”.
Aan Dusseldorp kan worden toegegeven dat dit geen volledige motivering is en dat de motivering ten aanzien van sommige punten beter had gekund, maar dit betekent nog niet dat de beoordeling van de inschrijving van Dusseldorp door het beoordelingsteam onjuist is en dus niet deugt. Daarvoor is meer nodig.

4.9.

De kritiek die Dusseldorp heeft met betrekking tot de waardering van het gunningscriterium “Robuustheid van planning” stuit hierop af. Dit wordt als volgt toegelicht.

4.9.1.

In de voorlopige gunningsbeslissing is de volgende uitleg gegeven voor de waardering van de inschrijving met betrekking tot het subgunningscriterium robuustheid van de planning:

Argumentatie bij de waardering op hoofdlijnen:
• Planning-technisch heeft de ingediende planning verbeterpunten en voldoet niet geheel
aan de gestelde eisen.
• De benoemde risico’s zijn goed uitgewerkt maar bieden inhoudelijk geen meerwaarde
voor de verlaging van het risicoprofiel
• De planning is niet bruikbaar voor voortgangsanalyse vanwege het niet op orde zijn van
het netwerk.

De conclusie van dit criterium die heeft geleid tot de waardering met genoemd cijfer 1 is dat de ingediende planning voldoet aan gestelde eisen, maar geen elementen in zich heeft die te kwalificeren zijn als meerwaarde.

4.9.2.

Dat, zoals Dusseldorp aanvoert, niet is uitgelegd waarom het beoordelingsteam vindt dat de ingediende planning planning-technisch verbeterpunten heeft, betekent nog niet dat dit een onjuist oordeel is.

4.9.3.

Dat het voor Dusseldorp, zoals zij aanvoert, onduidelijk is waarom volgens het beoordelingsteam de benoemde risico’s inhoudelijk geen meerwaarde voor de verlaging van het risicoprofiel betekenen, betekent evenmin dat dit oordeel onjuist is.

4.9.4.

Hetzelfde geldt voor de stelling van Dusseldorp dat het voor haar onduidelijk is waarom de planning niet bruikbaar is voor voortgangsanalyse vanwege het niet op orde zijn van het netwerk, omdat zij niet weet wat met “netwerk” wordt bedoeld. Daarbij komt dat het maar de vraag is of zij dit niet hoort te weten, aangezien gemotiveerd door Hoogheemraadschap de Stichtse Rijnlanden is aangevoerd dat dit in de aannemerswereld een gebruikelijke term is en dat iedereen in die wereld weet wat daarmee wordt bedoeld.

4.9.5.

De hiervoor besproken drie punten hadden, en dat kan aan Dusseldorp worden toegeven, wel beter door Hoogheemraadschap de Stichtse Rijnlanden kunnen worden uitgelegd dan is gedaan. Het leidt alleen niet tot het oordeel dat de beoordeling onjuist is en niet deugt.

4.10.

Ook de kritiek die Dusseldorp heeft op de waardering van het gunningscriterium “kwaliteit van het sloopwerk” en dan het onderdeel betreffende het inzetten van de hydraulische sloophamer gaat gelet op wat hiervoor in 4.8. is overwogen niet op. Dit wordt als volgt toegelicht.

4.10.1.

In de motivering met betrekking tot dit gunningscriterium is onder meer vermeld:

In H1 staat “waar hakken onontkoombaar is, zetten we een geluid reducerende hydraulische sloophamer in”. Maar een analyse hierover ontbreekt.

4.10.2.

Volgens Dusseldorp is het onduidelijk wat met “het ontbreken van een analyse wordt bedoeld ”. Dat dit misschien onduidelijk is, betekent nog niet dat de beoordeling door het beoordelingsteam onjuist is. Daarbij moet worden betrokken dat dit slechts een uitgelicht onderdeel betreft en dat dit oordeel niet alleen bepalend is voor de waardering van het gunningscriterium. Het gaat om de beoordeling van het plan van aanpak in zijn geheel.

4.11.

Dusseldorp voert verder als argument aan dat in het kader van het gunningscriterium “kwaliteit van het sloopplan” en “kwaliteit van projectsturing door de inschrijver” anders dan het beoordelingsteam heeft geoordeeld wel SMART is ingeschreven. Volgens haar heeft het beoordelingsteam onvoldoende acht geslagen op wat zij in haar plan van aanpak heeft vermeld.
Ook dit argument gaat, zoals hierna in 4.12. tot en met 4.14. wordt uitgelegd, niet op.

4.12.

In de voorlopige gunningsbeslissing is de volgende motivering gegeven voor deze gunningscriteria.

4.12.1.

Ten aanzien van “kwaliteit van het sloopplan”:

Argumentatie bij de waardering, op hoofdlijnen:
In H1 staat “waar hakken onontkoombaar is, zetten we een geluid reducerende hydraulische sloophamer in”. Maar een analyse hierover ontbreekt.

Geluidswal hst 2.2
U zet een geluidswal in die volgens de leverancier 33 dB reduceert. Omdat niet is aangegeven welke geluidswaarde wordt gecreëerd door de sloopmethode is niet SMART of deze maatregel een voordeel of een verslechtering veroorzaakt ten opzichte van de gestelde eisen.

Voor beheersing van overschrijding van de geluidsnorm worden metingen verricht die een alarm geven als de waarde overschreden wordt. Niet beschreven is welke sloopmethodes voorhanden zijn om in een dergelijke situatie wel te slopen met een verlaagde geluidsproductie.

De nieuwe machines zijn stiller en zuiniger, maar welke geluidswaarde dan wordt gerealiseerd is niet bekend. Het kan dus zijn dat de combinatie machines toch de norm overschrijdt en dan is niet SMART beschreven welke maatregelen getroffen kunnen worden om onder de norm te blijven.
2.3 “Door slimme inrichting van de werkvolgorde beperken we het aantal verplaatsingen”.
Hierbij is geen invulling gegeven wat deze slimme inrichting inhoudt.

De conclusie van dit criterium van deze de aanbieding kenmerkt zich door het benoemen van veel onderwerpen, acties en inspanningen, echter de SMART uitwerking op welke wijze deze worden georganiseerd of uitgevoerd ontbreekt. Hierdoor is het plan helder, maar niet te kwalificeren welke meerwaarde daadwerkelijk geleverd wordt.

4.12.2.

Ten aanzien van “kwaliteit van projectsturing door de inschrijver”:

Argumentatie bij de waardering, op hoofdlijnen:
Het hoofdstuk “Sturing en rapportage” beschrijft hoe zaken worden vastgelegd en welke afwijkingen (lees meerwerken) worden geconstateerd door ON. Daarnaast wordt beschreven welke achterstand is opgelopen. Deze beschrijving geeft inhoud aan rapportage, maar niet besturing vooraf. Juist deze besturing vooraf zorgt ervoor dat een project verloopt conform planning en eisen.

Veiligheid: beschreven wordt dat elke medewerker “een keer aan de beurt komt” voor het lopen van een veiligheidsronde. In het betreffende hoofdstuk staat niet beschreven of alle medewerkers die dit gaan doen, ook een opleiding hebben op gebied van veiligheidskunde. Hierdoor wordt wellicht een risico geïntroduceerd als gevolg van desinstresse of gebrek aan kennis. Juist omdat de veiligheidsdeskundige hierbij niet mee loopt, is dit een risico.

De conclusie van dit criterium kenmerkt zich door het noteren van de procesgang en voorbeelden van andere projecten, maar niet tot de beheersing, lees voorkomen van, afwijkingen en de SMART beschreven maatregelen die worden ingezet voor het realiseren van het project op het moment dat afwijkingen optreden.

4.13.

Uit deze motiveringen kan worden opgemaakt dat het beoordelingsteam ten aanzien van deze criteria heeft gevonden dat een aantal onderdelen niet SMART waren uitgewerkt en dat zij mede daarom heeft geoordeeld dat sprake was van “gedeeltelijke meerwaarde” en daarom conform het bepaalde in de inschrijvingsleidraad een 1 heeft gegeven voor deze gunningscriteria. Dit is niet onbegrijpelijk, omdat door het ontbreken van het SMART uitwerken de meerwaarde en daarmee de mate van innovativiteit niet goed kan worden beoordeeld.

4.14.

Dusseldorp meent dat het beoordelingsteam ten onrechte tot deze conclusie is gekomen, omdat zij volgens haar het plan van aanpak van Dusseldorp niet goed heeft gelezen. Het is echter onvoldoende aannemelijk dat dit zo is. Dusseldorp haalt ter onderbouwing van haar stelling wat citaten uit haar plan van aanpak aan waar volgens

haar uit volgt dat zij wel SMART heeft ingeschreven. Dit is echter onvoldoende om te concluderen dat het evident is dat het beoordelingsteam de inschrijving van Dusseldorp onjuist heeft beoordeeld en gewaardeerd. Daarbij is van belang dat het uitgangspunt is dat het beoordelingsteam een ruime mate van beoordelingsvrijheid heeft en dat het aan haar is om de inschrijvingen te beoordelen en te waarderen, met inachtneming van de kaders die daarvoor in de aanbestedingsstukken zijn gegeven.

4.15.

Verder voert Dusseldorp nog als argument aan dat de motivering die in het kader van het gunningscriterium “kwaliteit van het sloopplan” wordt gegeven ten aanzien van het onderdeel “geluidswal” onnavolgbaar is, omdat het voor zichzelf spreekt dat de geluidswal tot reductie van geluidsoverlast leidt.
Dusseldorp wordt daarin niet gevolgd. Het beoordelingsteam heeft gevonden dat dit onderdeel niet of onvoldoende SMART is uitgewerkt. Dusseldorp had concreter moeten maken welke effecten het inzetten van de geluidswal zouden hebben, en heeft dit naar het oordeel van het beoordelingsteam niet/onvoldoende gedaan. Dat is iets waar het beoordelingsteam over gaat. Alleen als zij daarbij onjuiste informatie betrekt dan is er mogelijk reden voor ingrijpen. Dat dit zo is, is echter niet gebleken.

4.16.

Dusseldorp voert als laatste argument nog aan dat het beoordelingsteam bij de beoordeling van het gunningscriterium “kwaliteit van projectbesturing door de inschrijver” ten onrechte heeft meegewogen dat Dusseldorp in het hoofdstuk “sturing en rapportage” geen inhoud is gegeven aan de besturing vooraf. Volgens haar heeft het beoordelingsteam de planning en de uitvoering door elkaar gehaald omdat besturing vooraf hetzelfde is als de planning. Omdat de planning onderdeel is van het gunningscriterium “robuustheid van de planning” diende de besturing vooraf niet bij de “kwaliteit van de projectbesturing door de inschrijver” beoordeeld te worden.
Ook dit argument gaat niet op omdat daaraan in wezen uitsluitend de opvatting van Dusseldorp ten grondslag ligt dat de sturing vooraf hetzelfde is als de planning. De juistheid van dit uitgangspunt is door Hoogheemraadschap de Stichtse Rijnlanden gemotiveerd weersproken door er op te wijzen dat de sturing vooraf betrekking heeft op de projectbesturing, te weten de wijze waarop processen worden ingericht en het management wordt georganiseerd. Het SMART weergeven van de projectbesturing was hetgeen het beoordelingsteam miste in de inschrijving van Dusseldorp. Dat oordeel is in het licht van het beoordelingskader “kwaliteit van de projectbesturing door de inschrijver” niet onbegrijpelijk en evenmin onjuist.

4.17.

De conclusie is dat het niet aannemelijk is dat de beoordeling door het beoordelingsteam niet deugt. Er is op die grond daarom geen reden tot ingrijpen door de voorzieningenrechter. Dit betekent dat de inschrijvingen niet hoeven te worden herbeoordeeld door een nieuw beoordelingsteam.


Deugt de motivering van de voorlopige gunningsbeslissing?
4.18. Dan voert Dusseldorp, en ook Vlasman, nog aan dat de voorlopige gunningsbeslissing niet met inachtneming van artikel 2.130 Aanbestedingswet 2012 is gemotiveerd. Dit standpunt gaat op. Hierna wordt uitgelegd waarom dit zo is.

4.19.

Op grond van het bepaalde in artikel 2.130 Aanbestedingswet 2012 moet de aanbestedende dienst alle relevante redenen voor de gunningsbeslissing in het gunningsvoornemen vermelden. De aanbestedende dienst moet de kenmerken en voordelen van de inschrijving van de winnende inschrijver duidelijk maken.

4.20.

Hoogheemraadschap de Stichtse Rijnlanden heeft in de aan Dusseldorp gerichte voorlopige gunningsbeslissing een tabel opgenomen waarin de inschrijfprijs en de scores van [bedrijf] en Dusseldorp voor kwaliteit zijn vermeld.

Dit is echter niet voldoende om aan de motiveringsverplichting te voldoen. Ook zal duidelijk moeten worden gemaakt waarom de inschrijving van [bedrijf] beter is dan die van Dusseldorp. Dat is echter niet gebeurd.

Het Hoogheemraadschap heeft gesteld dat de relevante redenen, de kenmerken en voordelen van [bedrijf] , onder meer blijken uit de kritiekpunten op de inschrijving van Dusseldorp omdat daaruit blijkt wat de voordelen van de inschrijving van [bedrijf] zijn.

Nog afgezien van het feit dat dit zo niet door het Hoogheemraadschap aan Dusseldorp is uitgelegd, verdraagt deze wijze van uitleg van de voordelen van [bedrijf] zich niet met het verbod op een relatieve vergelijking van de inschrijvingen van Dusseldorp en [bedrijf] .

4.21.

Het voorgaande betekent dat de voorlopige gunningsbeslissing niet in stand kan blijven en dat de opdracht ook niet op grond van die beslissing aan [bedrijf] mag worden gegund. Het betekent, anders dan Dusseldorp meent, niet dat er een herbeoordeling van alle inschrijvingen zal moeten plaatsvinden en overigens ook niet dat er reden is voor het staken van de aanbestedingsprocedure. Hoogheemraadschap de Stichtse Rijnlanden zal op basis van de gedane beoordeling van de inschrijvingen een nieuwe voorlopige gunningsbeslissing kunnen nemen en daarbij die beslissing, anders dan bij de huidige beslissing het geval is, wel met inachtneming van artikel 2.130 Aanbestedingswet 2012 motiveren. Er zal dan vanzelfsprekend weer een nieuwe rechtsbeschermingstermijn gaan lopen.


Slotsom

4.22.

De vorderingen van Dusseldorp strekkende tot het intrekken van de voorlopige gunningsbeslissing en een verbod om de opdracht op basis van die gunningsbeslissing aan [bedrijf] te gunnen zal worden toegewezen. De overige vorderingen strekkende primair
tot een integrale herbeoordeling en subsidiair tot staking en gestaakt houden van de aanbetstedingsprocedure zullen worden afgewezen.


De vorderingen van [bedrijf] tegen Dusseldorp en Hoogheemraadschap de Stichtse Rijnlanden

4.23.

In het voorgaande ligt besloten dat de vordering van [bedrijf] om de vorderingen van Dusseldorp af te wijzen, gedeeltelijk wordt toegewezen en gedeeltelijk wordt afgewezen.

4.24.

De vordering van [bedrijf] om Hoogheemraadschap de Stichtse Rijnlanden te gebieden verder te gaan met de opdrachtverlening aan [bedrijf] wordt afgewezen, omdat in het voorgaande besloten ligt dat dit op dit moment niet is toegestaan.

De proceskosten en nakosten in de incidenten en de hoofdzaak

4.24.

De proceskosten in het incident tot tussenkomst en het incident tot voeging, zullen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

4.25.

In de hoofdzaak zullen Hoogheemraadschap de Stichtse Rijnlanden en [bedrijf] ieder als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld van Dusseldorp en Vlasman.

4.25.1.

De door Hoogheemraadschap de Stichtse Rijnlanden aan Dusseldorp te betalen proceskosten worden begroot op € 1.636, waarvan € 656 aan griffierecht en € 980 aan salaris advocaat.

4.25.2.

De door [bedrijf] aan Dusseldorp te betalen kosten worden begroot op € 980 voor salaris advocaat.

4.25.3.

De door Hoogheemraadschap de Stichtse Rijnlanden aan Vlasman te betalen proceskosten worden begroot op € 980 voor salaris advocaat.

4.25.4.

De door [bedrijf] aan Vlasman te betalen proceskosten worden begroot op
€ 980 voor salaris advocaat.

4.25.5.

De door Dusseldorp en Vlasman over deze proceskosten gevorderde wettelijke rente zal op de in de beslissing te noemen manier worden toegewezen.

4.26.

De door Dusseldorp en Vlasman verzochte nakosten zullen op de in de beslissing te noemen manier worden begroot. De door Dusseldorp en Vlasman over deze nakosten gevorderde wettelijke rente zal op de in de beslissing te noemen manier worden toegewezen.

4.27.

Het vonnis zal uitvoerbaar bij voorraad worden verklaard voor wat betreft de hiervoor in 4.25 en 4.26 genoemde proceskosten- en nakostenveroordelingen.

4.28.

De proceskosten tussen [bedrijf] en Hoogheemraadschap de Stichtse Rijnlanden zullen worden gecompenseerd in die zin dat ieder de eigen kosten draagt.

5 De beslissing

De voorzieningenrechter

in het incident tot tussenkomst van [bedrijf] :

5.1.

compenseert de proceskosten in het incident tot tussenkomst, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt


in het incident tot voeging van Vlasman

5.2.

staat Vlasman toe om zich te voegen aan de zijde van Dusseldorp

5.3.

compenseert de proceskosten in het incident tot voeging, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt

in de hoofdzaak

5.4.

gebiedt Hoogheemraadschap de Stichtse Rijnlanden om de voorlopige gunningsbeslissing van 8 mei 2020 in te trekken

5.5.

verbiedt Hoogheemraadschap de Stichtse Rijnlanden om de opdracht op basis van de voorlopige gunningsbeslissing van 8 mei 2020 definitief te gunnen aan [bedrijf]

5.6.

wijst het meer of anders door Dusseldorp gevorderde af

5.7.

veroordeelt Hoogheemraadschap de Stichtse Rijnlanden in de proceskosten, aan de zijde van Dusseldorp tot op heden begroot op € 1.636,00, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over dit bedrag met ingang van de veertiende dag na dit vonnis tot de dag van volledige betaling

5.8.

veroordeelt Hoogheemraadschap de Stichtse Rijnlanden in de kosten van Dusseldorp die zijn ontstaan na dit vonnis, begroot op:

- € 157,00 aan salaris advocaat, als niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan dit

vonnis is voldaan, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW

met ingang van de vijftiende dag na die aanschrijving tot de dag van betaling

en

- € 82,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van dit vonnis, als er vervolgens betekening heeft plaatsgevonden, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW met ingang van de vijftiende dag na de betekening van dit vonnis tot de dag van betaling

5.9.

veroordeelt Hoogheemraadschap de Stichtse Rijnlanden in de proceskosten, aan de zijde van Vlasman tot op heden begroot op € 980, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over dit bedrag met ingang van de veertiende dag na dit vonnis tot de dag van volledige betaling

5.10.

veroordeelt Hoogheemraadschap de Stichtse Rijnlanden in de kosten van Vlasman die zijn ontstaan na dit vonnis, begroot op:

- € 157,00 aan salaris advocaat, als niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan dit

vonnis is voldaan, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW

met ingang van de vijftiende dag na die aanschrijving tot de dag van betaling

en

- € 82,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van dit vonnis, als er vervolgens betekening heeft plaatsgevonden, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW met ingang van de vijftiende dag na de betekening van dit vonnis tot de dag van betaling

5.11.

veroordeelt [bedrijf] in de proceskosten, aan de zijde van Dusseldorp tot op heden begroot op € 980, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over dit bedrag met ingang van de veertiende dag na dit vonnis tot de dag van volledige betaling

5.12.

veroordeelt [bedrijf] in de kosten van Dusseldorp die zijn ontstaan na dit vonnis, begroot op:

- € 157,00 aan salaris advocaat, als niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan dit

vonnis is voldaan, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW

met ingang van de vijftiende dag na die aanschrijving tot de dag van betaling

en

- € 82,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van dit vonnis, als er vervolgens betekening heeft plaatsgevonden, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW met ingang van de vijftiende dag na de betekening van dit vonnis tot de dag van betaling
5.13. veroordeelt [bedrijf] in de proceskosten, aan de zijde van Vlasman tot op heden begroot op € 980, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over dit bedrag met ingang van de veertiende dag na dit vonnis tot de dag van volledige betaling

5.14.

veroordeelt [bedrijf] in de kosten van Vlasman die zijn ontstaan na dit vonnis, begroot op:

- € 157,00 aan salaris advocaat, als niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan dit

vonnis is voldaan, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW

met ingang van de vijftiende dag na die aanschrijving tot de dag van betaling

en

- € 82,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van dit vonnis, als er vervolgens betekening heeft plaatsgevonden, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW met ingang van de vijftiende dag na de betekening van dit vonnis tot de dag van betaling

5.15.

verklaart de onderdelen 5.7. tot en met 5.14. uitvoerbaar bij voorraad

5.16.

wijst de vordering van [bedrijf] tegen Hoogheemraadschap de Stichtse Rijnlanden af

5.17.

compenseert de proceskosten tussen [bedrijf] en Hoogheemraadschap de Stichtse Rijnlanden in die zin dat ieder de eigen kosten draagt.


Dit vonnis is gewezen door mr. H.M.M. Steenberghe en in het openbaar uitgesproken op 3 juli 2020 en ondertekend door mr. H.A. Brouwer.1

1 type: BvdG (4374) coll: