Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2020:2539

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
04-06-2020
Datum publicatie
23-07-2020
Zaaknummer
UTR 19/4763
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Ongegrond, bezwaar te laat en geen procesbelang.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummer: UTR 19/4763

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 4 juni 2020 in de zaak tussen

[eiseres] , te [woonplaats] , eiseres

(gemachtigde: mr. W. Kort),

en

Dagelijks Bestuur Werk en Inkomen Lekstroom, verweerder.

Procesverloop

Deze uitspraak gaat over het beroep van eiseres tegen het besluit van verweerder van 30 september 2019. In dit besluit heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen de besluiten van 15 augustus 2018 en 3 januari 2019 niet-ontvankelijk verklaard.

Overwegingen

1.De rechtbank nodigt partijen niet uit voor een zitting, omdat dat in deze zaak niet nodig is (artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)). Hieronder legt de rechtbank dat verder uit.

2. Een bezwaarschrift moet worden ingediend binnen zes weken nadat het besluit bekend is gemaakt (artikelen 6:7 en 6:8 Awb). In artikel 3:41 van de Awb staat hoe dat bekendmaken gebeurt. In dit geval is het besluit van 3 januari 2019 bekendgemaakt op 4 januari 2019. Het bezwaarschrift had dus uiterlijk op 15 februari 2019 door verweerder ontvangen moeten zijn. Verweerder heeft het bezwaarschrift ontvangen op 2 september 2019. Dat is dus te laat. De hoofdregel is dan dat verweerder het bezwaar niet inhoudelijk mag behandelen. Soms is dat anders. Dan is er een geldige reden waarom het bezwaarschrift te laat is ingediend. Het gaat dan om omstandigheden waar eiseres niets aan kan doen.

3. In haar bezwaarschrift zegt eiseres dat zij te laat was omdat ze het besluit van 3 januari 2019 niet eerder dan 26 augustus 2019 via haar gemachtigde heeft ontvangen. Verweerder heeft hierop aangegeven dat het besluit van 3 januari 2019 aangetekend naar haar toen bekende adres is verzonden en dat uit de gegevens van PostNL blijkt dat het ook is afgeleverd.

4. In haar beroepschrift betwist eiseres niet dat zij te laat was met haar bezwaar tegen het besluit van 3 januari 2019. Zij stelt dat ze te laat was als gevolg van vele problemen en een slechte gezondheidstoestand. Ze bevond zich in een (psychische) noodsituatie, waardoor ze niet in staat was om zelf bezwaar in te dienen of hier iemand anders voor in te schakelen.

5. Hoewel de rechtbank begrip heeft voor de omstandigheden van eiseres, is de rechtbank van oordeel dat dit geen geldige reden is voor het te laat indienen van het bezwaarschrift. Eiseres heeft op geen enkele manier onderbouwd waarom zij niet in staat is geweest om op tijd bezwaar in te dienen of iemand anders dit voor haar te laten doen. De termijn voor het indienen van een bezwaarschrift is een fatale termijn van openbare orde. Dat betekent dat de duur van die termijn niet kan worden gewijzigd en dat het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard moet worden als het te laat is ingediend zonder dat daar een geldige reden voor is. In dit geval is van een geldige reden voor het te laat indienen van het bezwaar niet gebleken en daarom heeft verweerder het bezwaar tegen het besluit van 3 januari 2019 terecht niet-ontvankelijk verklaard.

6. Verweerder heeft het bezwaar tegen het besluit van 15 augustus 2018 niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van procesbelang. Volgens verweerder wordt in dit besluit slechts een aflossingsverplichting op de vordering tot terugbetaling van leenbijstand vastgesteld. Met een bezwaar tegen dit besluit kan niet worden bereikt dat van terugvordering wordt afgezien, zoals eiseres in haar bezwaarschrift verzoekt. Om die reden ontbreekt volgens verweerder het belang bij een bezwaar tegen het besluit van 15 augustus 2018. Daarnaast heeft verweerder op 3 september 2019 een nieuw besluit genomen waarin de aflossingsverplichting met ingang van 1 september 2019 op nihil is gesteld, waardoor ook de aflossingsverplichting niet als procesbelang gezien kan worden.

7. Eiseres stelt zich op het standpunt dat zij wel degelijk procesbelang heeft. Zij zegt dat verweerder met het besluit van 15 augustus 2018 een betalingsverplichting heeft opgelegd, waardoor feitelijk sprake is van een terugvordering van het eerder verstrekte bedrag aan leenbijstand. Daarnaast stelt eiseres dat het besluit van 3 januari 2019 is genomen met als grond dat eiseres haar terugbetalingsverplichting die voortvloeit uit het besluit van 15 augustus 2018 niet is nagekomen. Ook hieruit blijkt volgens eiseres haar procesbelang bij het bezwaar tegen het besluit van 15 augustus 2018.

8. Om te beoordelen of er voldoende procesbelang is moet volgens vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 7 november 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:3867) beoordeeld worden of het resultaat dat de indiener van een bezwaarschrift met het maken van bezwaar nastreeft, ook daadwerkelijk kan worden bereikt en of het realiseren van dat resultaat voor deze indiener feitelijke betekenis kan hebben. Nu uit het bezwaarschrift van 2 september 2019 blijkt dat eiseres met haar bezwaar wenst te bereiken dat van terugvordering (voorlopig) wordt afgezien, moet worden beoordeeld of dat een resultaat is dat kan worden bereikt met het bezwaar tegen het besluit van 15 augustus 2018. De rechtbank oordeelt dat dit niet het geval is. Het besluit van 15 augustus 2018 ziet op een aflossingsverplichting op de vordering tot terugbetaling van de leenbijstand. De rechtbank volgt eiseres niet in haar stelling dat de aflossingsverplichting ervoor zorgt dat er feitelijk sprake is van terugvordering. De rechtbank overweegt daarom dat een bezwaar tegen het besluit van 15 augustus 2018 slechts als gevolg kan hebben dat er iets verandert in de aflossingsverplichting. Eiseres kan met haar bezwaar niet bereiken dat van terugvordering wordt afgezien. De stelling van eiseres dat het besluit van 3 januari 2019 genomen is op grond van de terugbetalingsverplichting uit het besluit van 15 augustus 2018 maakt dat niet anders. Ook in de aflossingsverplichting ziet de rechtbank geen procesbelang, aangezien deze inmiddels is bepaald op nihil.

9. Verweerder heeft dus terecht het bezwaar tegen de besluiten van 15 augustus 2018 en van 3 januari 2019 niet-ontvankelijk verklaard. Het beroep is daarom kennelijk ongegrond.

10. Eiseres krijgt geen gelijk en daarom ook geen vergoeding van haar proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. G.P. Loman rechter, in aanwezigheid van O.G.J. Stroek, griffier. Deze uitspraak is gedaan op 4 juni 2020. Als gevolg van maatregelen rondom het coronavirus is deze uitspraak niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Zodra het openbaar uitspreken weer mogelijk is, wordt deze uitspraak, voor zover nodig, alsnog in het openbaar uitgesproken.

griffier rechter

de griffier is verhinderd de uitspraak

te ondertekenen

Afschrift verzonden aan partijen op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum op de stempel die hierboven staat. Als u graag een zitting wilt waarbij u persoonlijk uw mening aan de rechter kunt geven, kunt u dit in uw verzetschrift aangeven.