Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2020:2503

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
01-07-2020
Datum publicatie
20-07-2020
Zaaknummer
8145564 UC EXPL 19-12098
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Koop auto. Gerepareerde ster in voorruit. Non-conformiteit? Nee.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Civiel recht

kantonrechter

locatie Utrecht

zaaknummer: 8145564 UC EXPL 19-12098 RW/1368

Vonnis van 1 juli 2020

inzake

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[eiseres] B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

verder ook te noemen [eiseres] ,

eisende partij in conventie,

verwerende partij in reconventie,

gemachtigde: Stichting Rechtsbijstand Mobiliteitsbranche,

tegen:

[gedaagde] ,

wonende te [woonplaats] ,

verder ook te noemen [gedaagde] ,

gedaagde partij in conventie,

eisende partij in reconventie,

procederend in persoon.

1 De procedure

1.1.

De procedure is als volgt verlopen.

  • -

    Eerst bracht [eiseres] een dagvaarding uit, waarop [gedaagde] schriftelijk heeft geantwoord en daarbij een tegeneis instelde. [eiseres] heeft daarop geantwoord en tegelijk een conclusie van repliek in conventie genomen. Op 12 februari 2020 is [gedaagde] op de rolzitting verschenen om te reageren op de conclusie van [eiseres] . De kantonrechter heeft op de rolzitting bepaald dat een comparitie van partijen (zitting) zou moeten plaatsvinden.

  • -

    Op 8 april 2020 is een tussenvonnis uitgesproken. Daarin werd vemeld dat door de coronacrisis een zitting niet op korte termijn mogelijk is en daarom de zaak schriftelijk voortgezet moet worden.

  • -

    [gedaagde] heeft daarna een conclusie van dupliek in conventie en repliek in reconventie genomen, en [eiseres] een conclusie van dupliek in reconventie.

1.2.

Daarna is bepaald dat een vonnis zal worden uitgesproken.

2 De beoordeling

Waar gaat de zaak over en wat is het eindoordeel van de kantonrechter

2.1.

[gedaagde] kocht op 18 juli 2018 een jonge occasion, een BMW X5, bij [eiseres] voor € 80.000,00. Op 19 juli 2018 gaf [gedaagde] [eiseres] opdracht om de velgen van de BMW te stralen en te poedercoaten. Op 20 juli 2018 leverde [eiseres] de BMW aan [gedaagde] af, met wintervelgen (de te stralen velgen waren op dat moment nog niet klaar). Vrijwel direct na de aflevering op die dag meldde [gedaagde] aan [eiseres] dat er een ster in de voorruit zat. [eiseres] heeft de BMW teruggenomen en de ster laten repareren door een harsinjectie, bij [naam onderneming] (productie 2 bij de conclusie van antwoord in conventie). Op 25 juli 2018 heeft [eiseres] opnieuw de BMW aan [gedaagde] geleverd, met de nieuw gestraalde velgen en de gerepareerde ster in de voorruit. Op 4 september 2018 heeft [eiseres] het stralen en poedercoaten van de velgen aan [gedaagde] in rekening gebracht voor € 642,12 (productie 2 bij de dagvaarding). Op 9 september 2018 heeft [gedaagde] [eiseres] laten weten dat hij het niet eens is met de reparatie van de ster en het bedrag voor de velgen niet zal betalen (productie 3 bij de dagvaarding).

2.2.

In conventie vordert [eiseres] genoemd bedrag van € 642,12, met nevenvorderingen. [gedaagde] is het daarmee niet eens. Volgens [gedaagde] was de ster in de voorruit al bij de verkoop aanwezig. Omdat [gedaagde] dat niet hoefde te verwachten en geen genoegen hoeft te nemen met een gerepareerd ster, is er volgens hem sprake van een non-conforme koop en heeft hij recht op schadevergoeding. Die schadevergoeding begroot [gedaagde] op de kosten voor het vervangen van de voorruit, € 1.524,67 (zie producties 1 en 2 van [gedaagde] ). De kantonrechter leest de vordering van [gedaagde] zo, dat [gedaagde] in conventie zijn schadevergoeding wil verrekenen met de vordering van [eiseres] , en het meerdere in reconventie vordert.

2.3.

De kantonrechter komt tot de eindconclusie dat [gedaagde] ongelijk krijgt. Dat wordt hierna uitgelegd.

De hoofdsom in conventie

2.4.

[gedaagde] erkent dat hij de factuur voor het stralen en poedercoaten van de velgen in principe moet betalen. Die factuur, de hoofdsom in conventie, is daarom toewijsbaar.

Wanneer de ster is ontstaan, maakt niet uit

2.5.

Partijen zijn het er niet over eens wanneer de ster in de voorruit is ontstaan. Volgens [eiseres] was de ster bij de levering van de BMW op 20 juli 2018 aan [gedaagde] nog niet aanwezig, volgens [gedaagde] wel. De kantonrechter hoeft dat niet te beoordelen, want voor de uitkomst van deze procedure maakt dat niet uit:

2.5.1.

Zou de ster ná aflevering zijn ontstaan, dan is [eiseres] daarvoor niet verantwoordelijk. Dat een ster in de voorruit ontstaat is het risico van het gebruik van de auto en dat blijft dan voor rekening van [gedaagde] .

2.5.2.

Zou de ster bij aflevering wél aanwezig zijn geweest, dan is de vraag of het hier gaat om een verborgen gebrek, dat niet bij de aankoop ontdekt had kunnen worden. De kantonrechter is daarvan niet overtuigd. [gedaagde] heeft over het gebrek op de dag dat de BMW is afgeleverd namelijk het sterretje ontdekt. Niet valt in te zien waarom dat dan ook niet bij grondige inspectie van de BMW bij aankoop had kunnen worden ontdekt.

2.5.3.

Partijen zijn het er over eens dat het sterretje zich buiten het gezichtsveld bevindt en dus niet opvalt. Aangenomen dat het sterretje daardoor bij de aankoopinspectie niet ontdekt is en dus om die reden als verborgen gebrek zou hebben te gelden, is de vraag wat dat gebrek voor de verkoop heeft betekend en wat partijen op dat punt over en weer van elkaar mochten verwachten. Kennelijk (en ook vanzelfsprekend) was het gebrek niet van dien aard dat [gedaagde] de BMW niet zou hebben gekocht als hij het sterretje had ontdekt. Evenmin is gebleken dat partijen hebben gesproken over een prijsvermindering en daarover een akkoord hebben bereikt. Voorstelbaar is dat partijen na ontdekking van het sterretje nadere afspraken zouden hebben gemaakt over de betaling van de nog uit te voeren werkzaamheden aan de velgen, als dit punt voor [gedaagde] wezenlijk was geweest, maar dat dit is gebeurd blijkt nergens uit. Integendeel toen de BMW op 25 juli 2018 voor de tweede keer aan [gedaagde] is afgeleverd, was de ster in de voorruit gerepareerd en heeft [gedaagde] die zonder protest in ontvangst genomen. Pas anderhalve maand later is het sterretje weer ter sprake gekomen. Omdat partijen geen nadere afspraken hebben gemaakt, geldt dus wat partijen over en weer mochten verwachten nadat duidelijk was dat er een sterretje in de voorruit zat. De kantonrechter is van oordeel dat [gedaagde] niet meer mocht verwachten dan deugdelijk herstel van de voorruit. Daarvoor heeft [eiseres] , in haar ogen onverplicht, gezorgd. Een harsinjectie is namelijk een algemeen geaccepteerde en in principe deugdelijke methode voor de reparatie van een ster, en [gedaagde] heeft niets aangevoerd waaruit blijkt dat [naam onderneming] die reparatie niet naar behoren zou hebben verricht. Volledige vervanging van de voorruit vanwege een sterretje dat eenvoudig gerepareerd kan worden en op een plek zit waar die nauwelijks zichtbaar is, is feitelijk kapitaalvernietiging en gaat dus te ver. [gedaagde] stelt nog dat hij bij een BMW van deze prijsklasse geen gerepareerde ster zou hoeven te verwachten, maar licht dat niet toe. Dat had wel op zijn weg gelegen, want de kantonrechter ziet niet in waarom dat per definitie zo zou zijn. De BMW blijft - hoewel in de duurdere prijsklasse - een gebruikte auto, die door dat gebruik met ruitschade door bijvoorbeeld steenslag te maken kan hebben gehad. Na een harsinjectie is een ster niet onzichtbaar, maar zoals [eiseres] onbetwist heeft aangevoerd bevindt de reparatie zich buiten het directe gezichtsveld.

De slotsom in conventie

2.6.

Hetgeen in punt 2.5 is overwogen maakt dat [gedaagde] geen aanspraak kan maken op de kosten voor het vervangen van de voorruit van de BMW. Er is dus geen recht op verrekening en de vordering in conventie wordt voor de hoofdsom toegewezen.

2.7.

[eiseres] maakt aanspraak op de vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. Dat wordt afgewezen. Niet gebleken is dat in de aanmaning aan [gedaagde] een betalingstermijn van 14 dagen is gegeven ingaande de dag na ontvangst daarvan, zoals vereist door artikel 6:96 lid 6 BW. In dit verband wordt verwezen naar de uitspraak van de Hoge Raad van 25 november 2016, ECLI:NL:HR:2016:2704.

2.8.

[eiseres] vordert de wettelijke handelsrente over de hoofdsom, maar van een handelsovereenkomst zoals bedoeld in artikel 6:119a BW lijkt geen sprake. Als het mindere is wel de wettelijke rente zoals bedoeld in artikel 6:119 BW toewijsbaar, vanaf 13 september 2018 tot de dag van betaling.

2.9.

[gedaagde] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten in conventie worden veroordeeld. De kosten van [eiseres] worden begroot op:

- dagvaarding € 85,18

- griffierecht € 486,00

- salaris gemachtigde € 240,00 (2 punten x tarief € 120,00)

Totaal € 811,18

De nakosten zijn zoals hierna bepaald toewijsbaar.

De slotsom in reconventie

2.10.

De vordering in reconventie voor de hoofdsom wordt afgewezen. De nevenvorderingen in reconventie delen dat lot.

2.11.

[gedaagde] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten in reconventie worden veroordeeld. De kosten van [eiseres] worden begroot op € 180,00 aan salaris gemachtigde (1,5 punten x tarief € 120,00).

3 De beslissing

De kantonrechter:

in conventie

3.1.

veroordeelt [gedaagde] om aan [eiseres] tegen bewijs van kwijting te betalen € 642,12, te vermeerderen met de wettelijke rente zoals bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf 13 september 2018 tot de betaling;

3.2.

veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de proceskosten in conventie van [eiseres] , tot de uitspraak van dit vonnis begroot op € 811,18, waarin begrepen € 240,00 aan salaris gemachtigde;

3.3.

veroordeelt [gedaagde] , onder de voorwaarde dat hij niet binnen 14 dagen na aanschrijving door [eiseres] volledig aan dit vonnis voldoet, in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 60,00 aan salaris gemachtigde, te vermeerderen, als betekening van het vonnis heeft plaatsgevonden, met de explootkosten van betekening van het vonnis;

3.4.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

3.5.

wijst het meer of anders gevorderde af.

in reconventie

3.6.

wijst de vordering af;

3.7.

veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de proceskosten aan de zijde van [eiseres] , tot de uitspraak van dit vonnis begroot op € 180,00 aan salaris gemachtigde;

3.8.

verklaart deze kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. D.C.P.M. Straver, kantonrechter, en is in aanwezigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 1 juli 2020.