Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2020:2483

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
30-06-2020
Datum publicatie
13-07-2020
Zaaknummer
C/16/500020/KL ZA 20-86
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Vordering tot overdracht patiëntendossiers toewijsbaar in kort geding. Maatschap wordt verdacht van fraude en eiseres zegt zorgovereenkomst op. Maatschap gaat failliet tezamen met een van de twee maten. Vordering voorschot schade tegen gefaill. geschorst.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
GZR-Updates.nl 2020-0192
INS-Updates.nl 2020-0206
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Vonnis

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Civiel recht/handelskamer

locatie Lelystad

zaaknummer / rolnummer: C/16/500020/KL ZA 20-86

Vonnis van 29 juni 2020

in de zaak van

De stichting “STICHTING TRIADE-VITREE”,

gevestigd te Lelystad,

eiseres,

advocaat mr. H.J. Amsing te Sliedrecht,

eiseres

tegen

1 [gedaagde sub 1] ,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

niet verschenen,

2. [gedaagde sub 2]

wonende te [vestigingsplaats] ,

in persoon,

3. [gedaagde sub 3] ,

wonende te [vestigingsplaats] ,

vertegenwoordigd door de heer [A] ,

gedaagden.

Partijen zullen hierna Vitree, [gedaagde sub 1] , [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt om te beginnen uit de volgende stukken:

de dagvaarding met producties;

het schriftelijk verweer met producties van [gedaagde sub 2] ;

het schriftelijk verweer met producties van [gedaagde sub 3] ;

de akte deponering ter griffie (productie 9) van Vitree;

akte van repliek van Vitree;

reactie van [gedaagde sub 3] op akte van repliek;

reactie van [gedaagde sub 2] op akte van repliek

1.2.

Op grond van het op 6 mei 2020 door deze rechtbank uitgesproken faillissement van [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] heeft de voorzieningenrechter het geding jegens hen geschorst voor zover dit ziet op de vordering tot betaling van een voorschot op een schadevergoeding, daar deze vordering een vordering is in de zin van artikel 29 van de Faillissementswet.

1.3.

Op 15 juni 2020 heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden, waarbij aanwezig waren Vitree, bijgestaan door mr. Amsing, [A] , gemachtigde van [gedaagde sub 3] , en [gedaagde sub 2] , bijgestaan door [B] .

1.4.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

Vitree is een stichting op het gebied van zorgverlening aan onder meer verstandelijk gehandicapten, psychiatrische cliënten en jongeren. Vitree heeft zich jegens de gemeente Almere verbonden jeugdhulp te bieden.

2.2.

[gedaagde sub 1] is een maatschap gericht op zorgverlening op het terrein van (hoog)begaafdheid, ontwikkelingsvoorsprong en hoogsensiviteit bij kinderen en volwassenen. [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] zijn de maten van deze maatschap.

2.3.

Op 20 november 2018 hebben Vitree en [gedaagde sub 1] een overeenkomst (“Raamcontract Jeugdhulp”) gesloten, op grond waarvan [gedaagde sub 1] bepaalde hulpverlening levert aan Vitree en Vitree aan [gedaagde sub 1] per cliënt een uurvergoeding betaalt.

2.4.

In artikel 2 van de overeenkomst is het volgende opgenomen over de aanvang en de duur van de overeenkomst:

“2.1. Deze Overeenkomst vangt aan op 01-10-2018 en is aangegaan voor de duur van 15 maanden.

2.2.

Uiterlijk op 01-10-2019 evalueren Partijen of de Overeenkomst aan beider verwachtingen voldoet. Als dat het geval is zullen Partijen deze Overeenkomst onder dezelfde voorwaarden voortzetten.

2.3.

Ieder der partijen is gerechtigd de (voortgezette) Overeenkomst op te zeggen met inachtneming van een opzegtermijn van 3 maanden.

2.4.

Ieder der Partijen is gerechtigd de (voortgezette) Overeenkomst op te zeggen tegen elke datum met inachtneming van een redelijke opzegtermijn als de andere Partij ondanks herhaald verzoek daartoe onder het stellen van een redelijke termijn een wezenlijke verplichting uit deze Overeenkomst niet nakomt.

2.5.

Vitree is voorts gerechtigd deze Overeenkomst op te zeggen met inachtneming van een opzegtermijn van 1 maand:

(…)

2.6.

Bij beëindiging van deze Overeenkomst zal [gedaagde sub 1] in redelijkheid medewerking verlenen aan Vitree en andersom die nodig is om de continuïteit van de hulpverlening aan Cliënten te realiseren.

2.7.

Opzegging dient schriftelijk, bij aangetekend schrijven plaats te vinden.”

2.5.

In artikel 5 van de overeenkomst staat het volgende over dossiervorming:

“5.1. [gedaagde sub 1] houdt een eigen dossier bij en kan deze op verzoek ter beschikking stellen aan Vitree.

Beide partijen dragen er zorg voor dat de cliënten gegevens die nodig zijn voor het verlenen van de uitbestede hulpverlening, worden opgeslagen in de administratie, een en ander op een wijze die in overeenstemming is met de uit wet-en regelgeving voortvloeiende eisen inzake privacy en geheimhouding. [gedaagde sub 1] stemt met cliënten af dat gegevens op verzoek uitgewisseld kunnen worden met de hoofdaannemer in verband met kwaliteitsbewaking.”

2.6.

[gedaagde sub 1] heeft met [naam organisatie] een overeenkomst gesloten op grond waarvan [gedaagde sub 1] tegen betaling bij [naam organisatie] (digitale) cliëntendossiers kan aanleggen.

2.7.

Op 27 februari 2020 heeft Vitree een brief aan [gedaagde sub 1] gestuurd, waarin zij schrijft dat een conflict bestaat tussen de maten van [gedaagde sub 1] en dat dit conflict de zorg in gevaar gebracht heeft. Daarnaast stelt Vitree in de brief [gedaagde sub 1] in de gelegenheid om uiterlijk op 9 maart 2020 orde op zaken te stellen.

2.8.

Op 17 maart 2020 heeft Vitree (per e-mail) een brief aan [gedaagde sub 1] , [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] gestuurd, waarin zijn de samenwerking met [gedaagde sub 1] , [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] opzegt met inachtneming van een termijn van een maand. Zij verwijst in de brief naar artikel 2.4 van de overeenkomst tussen partijen.

3 Verstekverlening

3.1

Het door Vitree gevraagde verstek tegen [gedaagde sub 1] zal worden verleend. Vitree heeft namelijk terecht gewezen op de bepaling in het maatschapscontract van [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] inhoudende dat de medewerking van alle maten wordt gevorderd voor het voeren van rechtsgedingen en van deze medewerking is niet gebleken. [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] verwijzen in hun verweerschriften wel naar de rol van [gedaagde sub 1] , maar voeren niet expliciet verweer namens de maatschap. Sterker, bij de behandeling hebben [gedaagde sub 2] en de gemachtigde van [gedaagde sub 3] nadrukkelijk gezegd niet (mede) namens [gedaagde sub 1] verschenen te zijn.

4 Het geschil

4.1.

Vitree vordert dat de voorzieningenrechter [gedaagde sub 1] , [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] hoofdelijk, uitvoerbaar bij voorraad:

-veroordeelt tot afgifte aan Vitree van de digitale en/of papieren cliëntendossiers die in behandeling zijn bij [gedaagde sub 1] , zulks op straffe van een dwangsom van € 5.000,00 per dag, althans van een door de rechtbank in goede justitie te bepalen bedrag, indien [gedaagde sub 1] , [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] niet uiterlijk binnen twee werkdagen na het vonnis uitvoering hebben gegeven aan de inhoud daarvan;

-veroordeelt aan Vitree te voldoen als voorschot op de geleden schade een bedrag

van € 130.000,00, althans een in goede justitie te bepalen bedrag en daarbij bepaalt dat [gedaagde sub 1] , [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] aan Vitree wettelijke rente verschuldigd zullen zijn vanaf het moment van de betekening van het vonnis tot aan de dag der algehele voldoening;

-veroordeelt in de reële kosten aan de zijde van Vitree ontstaan als gevolg van het onrechtmatig handelen van [gedaagde sub 1] , [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] , althans tot een in goede justitie te bepalen bedrag, alsmede de nakosten en daarbij bepaalt dat [gedaagde sub 1] , [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] aan Vitree wettelijke rente verschuldigd zullen zijn vanaf het moment van betekening van het vonnis tot aan de dag der algehele voldoening.

4.2.

Vitree grondt haar vordering op het volgende:

[gedaagde sub 1] , [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] zijn hun verplichtingen uit de overeenkomst niet nagekomen, omdat ten gevolge van een conflict tussen [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] de zorgverlening is komen stil te vallen. Daarnaast hebben [gedaagde sub 1] , [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] in strijd met de daarover bestaande afspraak geen (beroeps)aansprakelijkheidsverzekering afgesloten. Ten slotte hebben [gedaagde sub 1] , [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] werkzaamheden aan Vitree in rekening gebracht, die niet verricht zijn. Ondanks aandringen door Vitree op verbetering is de zorgverlening niet verbeterd. Vitree zag zich genoodzaakt de overeenkomst op te zeggen. Ten behoeve van de hulpverlening aan de cliënten heeft Vitree schriftelijk verzocht de cliëntendossiers aan Vitree te overhandigen. Die heeft Vitree echter niet mogen ontvangen. Volgens Vitree heeft de softwareleverancier van [gedaagde sub 1] wegens wanbetaling de toegang tot de dataomgeving van [gedaagde sub 1] geblokkeerd. Inmiddels bestaat bereidheid bij leverancier [naam organisatie] om de dossiers vrij te geven, maar eerst dienen alle ouders van de cliënten toestemming te geven voor het afgeven van de dossiers aan Vitree. Zolang de dossiers niet afgegeven zijn heeft Vitree belang bij haar vordering.

[gedaagde sub 1] heeft over de periode augustus tot en met december 2019 voor

ongeveer € 115.000,00 aan facturen verzonden aan Vitree. Vitree heeft die facturen betaald. Verschillende cliënten hebben Vitree er echter op gewezen dat vanaf omstreeks augustus 2019 geen zorg meer is verleend door [gedaagde sub 1] . Naar alle waarschijnlijkheid is de volledige facturatie ten onrechte geweest. Diverse controllers en managers binnen Vitree hebben uren gemaakt in verband met het onderzoek naar [gedaagde sub 1] . Op dit moment gaat het om 150 uur. De schade is nu € 15.000.

Bij de mondelinge behandeling op 15 juni 2020 heeft Vitree daaraan toegevoegd dat zij de cliëntendossiers nodig heeft om na te kunnen gaan welke werkzaamheden [gedaagde sub 1] voor de verschillende cliënten verricht heeft. Met die informatie kan Vitree dan de omvang van het ten onrechte in rekening gebrachte vaststellen.

4.3.

[gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] voeren afzonderlijk verweer.

4.4.

[gedaagde sub 3] heeft er volgens [gedaagde sub 2] voor gezorgd dat de zorg is stil komen te liggen. Zij, [gedaagde sub 2] , is altijd bereid geweest om met Vitree een oplossing te zoeken. [gedaagde sub 2] heeft ook Vitree ingelicht over haar vermoeden van fraude door [gedaagde sub 3] en het niet afsluiten van de bedrijfsaansprakelijkheidsverzekering. Vitree wist dat zij, [gedaagde sub 2] , geen toegang had tot de digitale systemen. Zij, [gedaagde sub 2] , heeft getracht die toegang met medewerking van [gedaagde sub 3] te krijgen, maar is daar niet in geslaagd. Volgens [gedaagde sub 2] heeft Vitree niet adequaat gereageerd. Vitree vindt de schijn van lopende hulpverlening belangrijk dat het belang van de cliënten. Vitree blijft verantwoordelijk voor de kwaliteit van de zorg en Vitree heeft niet gecontroleerd of [gedaagde sub 1] aan de voorwaarden voldeed. [gedaagde sub 3] kan toegang tot de dossiers verlenen. Dat hangt niet alleen van betaling af, maar ook van [gedaagde sub 3] zelf. Zij weigerde al toegang te verlenen, toen geen sprake was van afsluiting wegens wanbetaling. Zij heeft ook en betalingsregeling met [naam organisatie] gefrustreerd, door twee maanden betaling aan [naam organisatie] terug te laten boeken.

Volgens [gedaagde sub 2] is het niet juist dat de zorg al in augustus 2019 stilgevallen is. Zorg is verleend tot februari/maart 2020, zij het dat daarvoor de zorg al verminderd was.

[gedaagde sub 2] betwijfelt of de cliëntendossiers de informatie bevatten die Vitree denkt nodig te hebben om na te gaan welke zorg [gedaagde sub 1] aan de verschillende cliënten geleverd heeft.

4.5.

[gedaagde sub 3] wijst op het tussen [gedaagde sub 2] en haar gerezen geschil. [gedaagde sub 3] begrijpt dat Vitree om de cliëntendossiers vraagt. Zij zou schriftelijke dossiers kunnen produceren, indien zij toegang zou hebben tot het systeem [naam organisatie] , waarin de dossiers binnen [gedaagde sub 1] bijgehouden zijn. Vanwege betalingsachterstand en gebrek aan financiële middelen bij [gedaagde sub 1] en haarzelf kan zij daar echter niet aan voldoen. Zij vindt de gevraagde dwangsommen buitensporig. Volgens [gedaagde sub 3] zullen misschien niet alle declaraties 100% correct zijn, maar er is beslist geen sprake van enige intentie om wie dan ook op te lichten. Als er zaken niet zouden kloppen, dan is Vitree medeverantwoordelijk, die had beter moeten controleren. [gedaagde sub 3] beroept zich op overmacht.

5 De beoordeling

Overdracht van de dossiers

5.1.

Vitree heeft gesteld dat zij de dossiers nodig heeft ten behoeve van de zorgverlening aan de cliënten, die thans stilgevallen is. Daarmee is naar het oordeel van de voorzieningenrechter het spoedeisend karakter van de gevraagde voorziening op dit punt gegeven. [gedaagde sub 1] , [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] bestrijden dit ook niet.

5.2.

[gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] erkennen dat de zorg stil is komen te liggen en dat de dossiers van de desbetreffende cliënten aan Vitree overgedragen zouden moeten worden. [gedaagde sub 2] zegt de dossier niet te kunnen overgedragen, omdat [gedaagde sub 3] geen toegang geeft tot het systeem, waarin de dossiers (digitaal) opgenomen zijn. Daarnaast betwijfelt [gedaagde sub 2] of de cliëntendossiers de gegevens bevatten aan de hand waarvan Vitree kan controleren of alle gefactureerde zorg wel verleend is.

[gedaagde sub 3] zegt de dossiers niet te kunnen overdragen, omdat zij geen toegang heeft tot het systeem [naam organisatie] , waarin de dossiers opgenomen zijn. Die toegang is geblokkeerd omdat de maatschap openstaande facturen van [naam organisatie] moet betalen.

5.3.

Vitree heeft een overeenkomst gesloten met [gedaagde sub 1] . Omdat de maatschap geen rechtspersoonlijkheid heeft zijn de individuele maten [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] jegens Vitree persoonlijk aansprakelijk voor de nakoming van daaruit voortvloeiende verplichtingen van de maatschap. In dit geval is sprake van een door de maatschap aanvaarde opdracht, zodat op grond van art. 7:407 lid 2 BW iedere maat jegens de opdrachtgever aansprakelijk voor het geheel. Vitree en [gedaagde sub 1] zijn overeengekomen dat [gedaagde sub 1] dossiers van haar cliënten bijhoudt. Daarnaast dient [gedaagde sub 1] bij beëindiging van de overeenkomst medewerking aan Vitree te verlenen om de continuïteit van de zorgverlening te realiseren. De overdracht van die dossiers is naar het oordeel van de voorzieningenrechter een uitvloeisel van de overeenkomst, nu de zorg voor de desbetreffende cliënten is komen stil te liggen. Daarom beschouwt de voorzieningenrechter de overdracht van de dossiers als een verplichting uit de overeenkomst tot opdracht, waarvoor [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] ieder geheel aansprakelijk zijn. Het geschil tussen [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] kunnen zij niet aan Vitree tegenwerpen. Dat is een geschil binnen de maatschap, waarvan de gevolgen niet ten nadele van Vitree kunnen strekken. [gedaagde sub 2] kan zich er tegenover Vitree dan ook niet op beroepen dat [gedaagde sub 3] niet meewerkt aan de overdracht van de dossiers. Net zo min kan [gedaagde sub 3] kan zich tegenover Vitree beroepen op de betalingsachterstand, die ontstaan is ten gevolge van het vastlopen van de samenwerking tussen [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] en die geleid heeft tot het blokkeren van de toegang tot het systeem, waarin de dossiers bijgehouden worden. Met andere woorden: de gevolgen van het conflict komen voor risico van [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] , niet voor risico van Vitree. Aan [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] komt geen beroep op overmacht als bedoeld in artikel 6:75 BW toe.

5.4.

Indien het verweer van [gedaagde sub 2] dat Vitree niet adequaat gereageerd heeft, te lang een afwachtende houding ingenomen heeft en niet voldoende controle uitgeoefend heeft op te vatten is als een beroep op artikel 6:58 BW (schuldeisersverzuim) kan dat [gedaagde sub 2] thans niet baten. De voorzieningenrechter is van oordeel dat [gedaagde sub 2] onvoldoende aannemelijk gemaakt heeft dat sprake is geweest van dergelijk optreden aan de zijde van Vitree en evenmin, als daar sprake van zou zijn geweest, dat dat in de weg gestaan heeft aan de nakoming van de verplichtingen uit de overeenkomst door [gedaagde sub 1] . Uit de stukken, die [gedaagde sub 2] in het geding gebracht heeft, en uit de hiervoor onder genoemde brief kan de voorzieningenrechter slechts afleiden, dat Vitree vanaf december 2019 en voordat zij overgegaan is tot het aanspannen van dit kort geding getracht heeft in overleg met betrokkenen een oplossing voor de bij [gedaagde sub 1] ontstane problemen te vinden. Onvoldoende om aannemelijk te achten dat Vitree niet genoeg controle uitgeoefend heeft en het aan zichzelf wijten heeft dat de geleverde zorg op een gegeven moment te wensen overliet is de stelling van [gedaagde sub 2] dat uit de mededeling van Vitree dat het een kwestie van vertrouwen was dat de kwaliteit van de door [gedaagde sub 1] geleverde zorg voldoende was.

5.5.

De voorzieningenrechter volgt Vitree waar zij zich op het standpunt stelt dat zij weliswaar in overleg geweest - onder meer met [naam organisatie] - over de overdracht van de dossiers, maar nog steeds belang heeft bij toewijzing van haar vordering, zolang zij de cliëntendossiers niet ontvangen heeft.

5.6.

Gelet op het bovenstaande zal de voorzieningenrechter de vordering die ziet op het afgeven van de cliëntendossiers toewijzen. De voorzieningenrechter zal aan de veroordeling een dwangsom verbinden die naar zijn oordeel voldoende prikkel is om gevolg te geven aan de veroordeling en dat is een dwangsom van € 2.000,00 per dag met een maximum

van € 50.000. [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] verzetten zich tegen het opleggen van een dwangsom, omdat zij die niet zullen kunnen betalen. Dat staat echter niet aan het opleggen van een dwangsom in de weg. Een dwangsom dient immers in de eerste plaats om aan te zetten tot het gevolg geven aan de veroordeling en niet om een geldbedrag aan de wederpartij te laten betalen. Gelet op wat de voorzieningenrechter hiervoor onder 5.3 overwogen heeft over de aansprakelijkheid binnen de maatschap, zal hij een hoofdelijke veroordeling uitspreken.

5.7.

Vitree wil ook over de cliëntendossiers kunnen beschikken om na te gaan of [gedaagde sub 1] alle zorg die zij gefactureerd heeft wel aan cliënten heeft verleend. Hiermee lijkt Vitree haar vordering mede te gronden op artikel 843a Rv. Omdat de voorzieningenrechter de vordering, zoals hij hiervoor overwogen heeft, al om en andere reden toewijst, behoeft deze grond geen verdere bespreking.

Voorschot schadevergoeding

5.8.

Vooropgesteld wordt dat met betrekking tot de toewijzing van een geldvordering in kort geding terughoudendheid op zijn plaats is. De rechter zal daarbij niet alleen hebben te onderzoeken of het bestaan van een vordering van de eiser op de gedaagde voldoende aannemelijk is, maar ook of daarnaast sprake is van feiten en omstandigheden die meebrengen dat uit hoofde van onverwijlde spoed een onmiddellijke voorziening is vereist, terwijl de rechter in de afweging van de belangen van partijen mede zal hebben te betrekken de vraag naar – kort gezegd – het risico van onmogelijkheid van terugbetaling, welk risico kan bijdragen tot weigering van de voorziening.

5.9.

[gedaagde sub 3] stelt dat Vitree afgaat op de fraudemelding van [gedaagde sub 2] en dat is een twijfelachtige bron. [gedaagde sub 3] voegt daaraan toe dat misschien niet alle declaraties 100% correct zijn, maar dat niemand opgelicht is.

Volgens [gedaagde sub 3] staan de geclaimde kosten niet in verhouding tot de activiteiten in [gedaagde sub 1] .

5.10.

In het licht van de betwisting van [gedaagde sub 3] is wat Vitree aangevoerd heeft om haar vordering te ondersteunen onvoldoende om aannemelijk te maken dat alle facturatie over de periode augustus en met november 2019 onjuist is geweest. Zij verwijst naar informatie die zij van ouders van cliënten heeft gekregen, maar onderbouwt dat verder niet. Niet voor niets wil Vitree over de cliëntendossiers beschikken om te onderzoeken welke zorg [gedaagde sub 1] daadwerkelijk verleend heeft. De voorzieningenrechter verwijst naar wat hij hiervoor onder 5.7 overwogen heeft. Nu nog te veel onduidelijkheid bestaat over de (on)juistheid van de facturatie van [gedaagde sub 1] aan Vitree is in het kader van dit kort geding geen plaats voor een veroordeling ter zake van kosten van onderzoek naar die facturatie. Bovendien heeft Vitree dit onderdeel slechts summier onderbouwd. Het gaat om een grove schatting, zo leidt de voorzieningenrechter af uit de door Vitree overgelegde opstelling van haar controller [C] .

5.11.

Nu Vitree daarnaast niet onderbouwd heeft, dat spoedeisend belang bestaat bij haar vordering tot veroordeling tot betaling van een voorschot van de door haar geclaimde schadevergoeding zal de voorzieningenrechter dit deel van de vordering afwijzen. Het verweer van [gedaagde sub 3] dat Vitree meer controle had moeten verrichten kan onbesproken blijven.

5.12.

[gedaagde sub 1] , [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] zullen als de in belangrijke mate in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De proceskostenveroordeling is niet gegrond op de overeenkomst van opdracht tussen partijen. Voor een hoofdelijke veroordeling tot betaling van deze deelbare betalingsverplichting is geen aanleiding. De kosten aan de zijde van Vitree worden begroot op:

- explootkosten € 310,67

- griffierecht € 656,00

- salaris advocaat € 1.327,00

Totaal € 2.293,67

5.13.

De voorzieningenrechter zal [gedaagde sub 1] , [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] veroordelen in de nakosten op een wijze zoals onder de beslissing vermeld.

6 De beslissing

De voorzieningenrechter

6.1.

verleent verstek tegen de niet verschenen [gedaagde sub 1] ,

6.2.

veroordeelt [gedaagde sub 1] , [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] hoofdelijk tot afgifte aan Vitree van de digitale en/of papieren cliëntendossiers die in behandeling zijn bij [gedaagde sub 1] , zulks op straffe van een dwangsom van € 5.000,00 per dag, indien [gedaagde sub 1] , [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] niet uiterlijk binnen twee werkdagen na het vonnis uitvoering hebben gegeven aan deze veroordeling;

6.3.

veroordeelt [gedaagde sub 1] , [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] in de proceskosten, aan de zijde van Vitree tot op heden begroot op 2.293,67 te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf de betekening van het vonnis tot de dag van de algehele voldoening;

6.4.

veroordeelt [gedaagde sub 1] , [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 157,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat [gedaagde sub 1] , [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] niet binnen 14 dagen na aanschrijving aan het vonnis hebben voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 82,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak, en te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW met ingang van veertien dagen na de betekening van dit vonnis tot aan de voldoening,

6.5.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

6.6.

wijst het gevorderde voor het overige af.

Dit vonnis is gewezen door mr. C.A. de Beaufort en in het openbaar uitgesproken op 29 juni 2020.1

1 type: coll: