Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2020:2471

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
02-04-2020
Datum publicatie
21-07-2020
Zaaknummer
19/922
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verzet tegen onduidelijkheid kenmerk, verzet ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummer: UTR 19/922-V

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 2 april 2020 op het verzet van

[opposante] ., te [vestigingsplaats] , opposante,

(gemachtigde: mr. D.A.N. Bartels MRE).

Procesverloop

Deze uitspraak gaat over het beroep dat opposante heeft ingediend tegen het besluit van de heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking gemeenten & hoogheemraadschap Utrecht van 21 januari 2019.

In de uitspraak van 17 juli 2019 heeft de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk verklaard.

Opposante is tegen deze uitspraak in verzet gegaan.

De zitting heeft plaatsgevonden op 21 januari 2020. De gemachtigde van opposante is ter zitting verschenen.

De heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking gemeenten & hoogheemraadschap Utrecht is niet verschenen (met bericht van verhindering).

Overwegingen

1. De rechtbank heeft in de uitspraak van 17 juli 2019 het beroep niet-ontvankelijk verklaard, omdat het griffierecht door opposante niet (op tijd) is betaald. Omdat de rechtbank geen twijfel had over de uitkomst van de zaak, heeft zij de uitspraak gedaan zonder eerst een zitting te houden. Dat mag op grond van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

2. In deze zaak moet de rechtbank beoordelen of de rechtbank toen terecht heeft geoordeeld dat er geen twijfel over de uitkomst was en dat er dus geen zitting nodig was.

De rechtbank kijkt (nog) niet of opposante gelijk heeft met haar beroep. Dat gebeurt pas als de rechtbank van oordeel is dat de uitspraak van de rechtbank van 17 juli 2019 niet juist was.

3. Volgens opposante is de uitspraak van de rechtbank van 17 juli 2019 niet juist omdat het voor haar niet duidelijk is welk zaaknummer op welk beroep ziet. In de ontvangstbevestiging is volgens opposante geen juist of herleidbaar kenmerk genoemd. Dit geldt ook voor de griffierechtnota. Ter zitting is toegelicht dat opposante meerdere panden heeft en wilt weten welke zaaknummers op welke beroepen/panden slaan, even als de griffierechtnota’s. Opposante stelt dat elk aanslagnummer uniek is en te herleiden is naar het object waar het besluit over is genomen. Hierover heeft de gemachtigde van opposante op 19 oktober 2018 een brief aan alle griffies gestuurd. Opposante wijst op diverse griffies die deze gegevens (al) wel vermelden en verschillende uitspraken van rechtbanken waaruit duidelijk wordt dat dat de juiste praktijk is. Op 8 augustus 2019 is ook een afspraak gemaakt met de griffie van deze rechtbank over het expliciet benoemen van een kenmerk waarin het object en het aanslagnummer in voorkomen. Deze zaak is van voor deze afspraak. Daarnaast verwijst opposante naar vier recente uitspraken van de Rechtbank Groningen waaruit blijkt dat de rechtbank heeft verzuimd om op de nota het door verweerder toegekende kenmerknummer dan wel het object te benoemen. Hierdoor is het onvoldoende duidelijk op welke specifieke procedure de nota betrekking heeft. Opposante heeft in deze uitspraken opnieuw de mogelijkheid gekregen om het griffierecht te betalen.

4. De rechtbank is het niet eens met opposante. De rechtbank ziet in dat in geval een ondernemingen aanslagen van meerdere panden ontvangt en daartegen in beroep gaat, een ontvangstbevestiging van beroep met vermelding van de naam van de onderneming en een kenmerk van de rechtbank niet direct duidelijkheid geeft over op welke aanslag of object het ziet. Het is echter de vaste werkwijze van de rechtbank, zoals in de brief van de rechtbank van 8 augustus 2019 aan de gemachtigde van opposante is toegelicht, dat de rechtbank in brieven en vervolgens in de griffierechtnota het eigen zaaknummer als kenmerk vermeld. Indien de indiener van het beroep een eigen kenmerk vermeld wil zien op de stukken afkomstig van de rechtbank, dan dient de indiener van het beroep dit duidelijk kenbaar te noemen in het beroepschrift. De rechtbank is van oordeel dat het noemen van het aanslagnummer in de tekst van een beroepschrift zoals in het beroepschrift van opposante met de volgende zinsnede ‘aldaar bekend onder nummer’, niet is aan te merken als een eigen kenmerk wat opposante aan het beroep geeft. Dat het aanslagnummer vervolgens door de rechtbank niet is gehanteerd als kenmerk van opposante is daarom naar het oordeel van de rechtbank niet onzorgvuldig of onjuist. Daarbij acht de rechtbank van belang dat, anders dan opposante meent, uit de brief van de rechtbank van 8 augustus 2019 geen afspraak valt af te leiden dat de rechtbank uit eigener beweging het aanslagnummer of object als kenmerk van opposante zal hanteren. Het is aan (de gemachtigde van) opposante om een goede administratie bij te houden. Dat uit uitspraken van andere rechtbanken en gerechtshoven, waar opposante naar verwijst, blijkt dat opnieuw een mogelijkheid is geboden om het griffierecht te voldoen, geeft de rechtbank geen aanleiding om anders te oordelen.

5. Opposante heeft ter zitting het punt over wie als indiener van het beroepschrift moet worden aangemerkt laten vallen. Verder stelt de rechtbank vast dat, zoals ter zitting is besproken, de opmerkingen in het verzetschrift over gedeeltelijke betaling van het griffierecht en het ten onrechte niet versturen van een splitsingsbrief hier niet aan de orde zijn. Hierom laat de rechtbank deze punten onbesproken.

6. Tot slot verzoekt opposante om immateriële schadevergoeding vanwege overschrijding van de redelijke termijn.

7. De rechtbank overweegt dat uitgangspunt is dat de behandeling door de rechtbank niet binnen een redelijke termijn is geweest, als de uitspraak niet binnen twee jaar na ontvangst van het bezwaarschrift is gedaan.1 Verweerder heeft op 18 april 2018 het bezwaarschrift ontvangen. Omdat de uitspraak van 17 juli 2019 binnen twee jaar na ontvangst van het bezwaarschrift is gedaan, bestond er geen aanleiding het verzoek om schadevergoeding toe te wijzen. Hoewel in de uitspraak niet gemotiveerd op het verzoek is gereageerd, ziet de rechtbank gelet op het niet overschrijden van de termijn en het standaardmatige karakter van het verzoek geen grond om de uitspraak van de rechtbank van 17 juli 2019 niet in stand te laten. Verder ziet de rechtbank geen aanleiding om het verzoek in verzet toe te wijzen. Daargelaten dat de twee jaar geldt voor de procedure tot de uitspraak op het beroep, heeft de procedure van verzet en deze uitspraak niet zodanig lang geduurd dat daarin aanleiding wordt gezien tot toekenning van immateriële schadevergoeding.

8. Uit het bovenstaande volgt dat het verzet ongegrond is en dat de uitspraak van de rechtbank van 17 juli 2019 in stand blijft.

9. Er is daarom geen aanleiding voor proceskostenvergoeding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het verzet ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. V.E. van der Does, rechter, in aanwezigheid van L.J.N. van der Linden, griffier, op 2 april 2020.

Als gevolg van maatregelen rondom het coronavirus is deze uitspraak niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Zodra het openbaar uitspreken weer mogelijk is, wordt deze uitspraak alsnog in het openbaar uitgesproken.

De griffier is verhinderd de uitspraak
mede te ondertekenen.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na verzending daarvan beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden.

1 De rechtbank wijst bij wijze van voorbeeld op de uitspraak van de Afdeling bestuursrecht van de Raad van State van 8 januari 2020, ECLI:NL:RVS:2020:27.