Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2020:2437

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
25-06-2020
Datum publicatie
15-07-2020
Zaaknummer
UTR 20/888
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Beroep, chauffeurskaart, VOG, in geschil is subjectief criterium, recent geweldsdelicten, veroordeling zedendelict 2002, ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummer: UTR 20/888

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 25 juni 2020 in de zaak tussen

[eiser] , te [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: mr. S.J.M. Laurier),

en

De Minister voor Rechtsbescherming, verweerder

(gemachtigde: mr. V.N. Chaudron).

Procesverloop

Bij besluit van 21 maart 2019 (het primaire besluit) heeft verweerder de afgifte van een door eiser gevraagde Verklaring Omtrent het Gedrag (VOG) afgewezen.

Bij besluit van 10 mei 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 juni 2020 door middel van Skype verbinding. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Tevens was zijn partner aanwezig. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser heeft een VOG aangevraagd voor de aanvraag van de chauffeurskaart bij KIWA Register B.V. te Rijswijk.

2. In het specifieke screeningsprofiel "taxibranche; chauffeurskaart" (het screeningsprofiel) staat onder meer vermeld dat bij de toetsing aan dit screeningsprofiel een terugkijktermijn geldt van vijf jaren. De taxichauffeur is verantwoordelijk voor het welzijn en de veiligheid van de passagiers. Eén van de risico’s is dat de veiligheid van de passagiers en medeweggebruikers in gevaar wordt gebracht. Dit risico kan veroorzaakt worden door rijden onder invloed, overschrijding van de maximumsnelheid, gevaarlijk rijgedrag en/of agressief gedrag. Indien in het Justitieel Documentatiesysteem (JDS) een zedendelict als bedoeld in de Beleidsregels is geregistreerd, wordt de terugkijktermijn in duur niet beperkt en wordt de gehele justitiële documentatie bekeken voor zover het zedendelicten betreft.

3. Verweerder heeft de aanvraag van eiser om een VOG afgewezen omdat in het JDS relevante justitiële gegevens zijn geregistreerd:

  • -

    Eiser is op 17 februari 2017 veroordeeld wegens twee gevallen van mishandeling onder strafverzwarende omstandigheden en bedreiging tot een gevangenisstraf van 137 dagen waarvan 30 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren, met een bijzondere voorwaarde. Tegen deze uitspraak heeft eiser op 28 februari 2017 hoger beroep ingesteld.

  • -

    Eiser is op 30 september 2002 veroordeeld wegens het seksueel binnendringen van het lichaam van een persoon beneden 16 jaar tot een werkstraf voor de duur van 15 uren subsidiair 7 dagen hechtenis. Deze uitspraak is op 15 oktober 2002 onherroepelijk geworden.

4. Verweerder stelt zich op het standpunt dat voldaan is aan het objectieve criterium. Voorts stelt verweerder zich op het standpunt dat ook niet op basis van het subjectieve criterium aan eiser een VOG kan worden afgegeven. Verweerder heeft daarbij geconcludeerd dat het belang van de samenleving bij bescherming tegen de door middel van het objectieve criterium vastgestelde risico’s, zwaarder dient te wegen dan het belang dat eiser heeft bij de afgifte van de VOG. In het kader van het subjectieve criterium heeft verweerder bij zijn beoordeling naast de antecedenten, de strafrechtelijke afdoening daarvan en de mate van tijdsverloop sinds het zedendelict én de laatste geweldsdelicten uit 2017 ook eisers persoonlijke belang bij de verlening van een VOG betrokken. Verweerder meent echter dat het belang van beperking van de risico’s voor de samenleving zwaarder weegt dan het belang van eiser bij afgifte van een VOG.

5. Eiser stelt dat correct is dat aan het objectieve criterium is voldaan, maar hij vindt dat verweerder ten onrechte geen of onvoldoende rekening gehouden met de concrete omstandigheden bij toetsing aan het subjectieve criterium. De pleegdatum van het zedenfeit (april-november 1998) is meer dan 21 jaar geleden en zou buiten het (verscherpte) toetsingskader moeten vallen. Ten onrechte is uitgegaan van de veroordelingsdatum in 2002. Gezien de lage straf is het hem licht aangerekend en nadien is er geen verdenking meer geweest van een dergelijk feit. Wat betreft de mishandeling is uitgegaan van een verkeerde datum, namelijk de veroordelingsdatum in eerste aanleg op 17 februari 2017 in plaats van de pleegdatum juli 2015. Nu het hoger beroep tegen deze veroordeling nog loopt, er geen tussentijdse feiten/verdenkingen zijn geweest en het aantal antecedenten laag is, dient het tijdsverloop in het voordeel van eiser uit te pakken. Ter zitting heeft eiser nog toegelicht dat hij in hoger beroep is veroordeeld tot 107 dagen gevangenisstraf. Daarnaast moet heel zwaar wegen dat eiser de VOG nodig heeft om zijn gezin te onderhouden. Een en ander duidt er op dat het besluit onvoldoende is gemotiveerd en sprake is van schending van artikel 3:46 in samenhang met artikel 3.47 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Tevens treffen de gevolgen van het besluit treffen hem onevenredig hard (schending 3:4, eerste lid, van de Awb), aldus eiser.

6. Niet in geschil is dat in dit geval wordt voldaan aan het objectieve criterium. In geschil is of eiser op grond van het subjectieve criterium in het bezit moet worden gesteld van een VOG.

7. Bij de toepassing van het subjectieve criterium gaat het, zoals omschreven in paragraaf 3.3.1 van de Beleidsregels VOG-NP-RP 2018 (de Beleidsregels) om een afweging waarbij het risico voor de samenleving wordt bezien tegen het licht van de wijze waarop de strafzaak is afgedaan, het tijdsverloop en de hoeveelheid antecedenten.

8. Gelet op het beperkte tijdsverloop tussen de veroordeling in eerste instantie in februari 2017 en de aanvraag om een VOG van 7 januari 2019, alsmede de hoeveelheid relevante strafbare feiten en de hoogte van de strafopleggingen heeft verweerder zich in het kader van het subjectieve criterium in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het risico voor de samenleving zwaarder weegt dan het belang van eiser bij afgifte van een VOG.

9. Bij misdrijven tegen de zeden als bedoeld paragraaf 3.3.2 van de Beleidsregels bestaat slechts zeer beperkte ruimte om op basis van het subjectieve criterium alsnog over te gaan tot de afgifte van een VOG wanneer sprake is van een functie met een gezags- of afhankelijkheidsrelatie en een belemmering wordt aangenomen voor een behoorlijke uitoefening van de taak of bezigheid. In deze paragraaf is voorts toegelicht wanneer het verscherpt toetsingskader geldt waarin als uitgangspunt wordt genomen dat de VOG wordt geweigerd.

10. De rechtbank is van oordeel dat verweerder in dit geval het verscherpt toetsingskader heeft mogen toepassen en overweegt daartoe als volgt.

11. In paragraaf 3.1.2 van de Beleidsregels is over de terugkijktermijn onder meer opgenomen dat om te bepalen of een relevant justitieel gegeven binnen de terugkijktermijn valt als uitgangspunt wordt genomen de datum van rechterlijke uitspraak in eerste aanleg. In dezelfde paragaaf staat vervolgens dat wanneer tussen de pleegdatum en datum van veroordeling in eerste aanleg een langere periode is verstreken dan twee jaren de pleegdatum als uitgangspunt geldt, tenzij sprake is van zedendelicten als bedoeld in deze beleidsregels en/of fraudedelicten. Omdat in dit geval sprake is van een zedendelict blijft de datum van de veroordeling in eerste aanleg het uitgangspunt voor de terugkijktermijn. Dit heeft tot gevolg dat de veroordeling van eiser voor een zedendelict in 2002 binnen de geldende, onbeperkte terugkijktermijn valt.

12. Dit betekent dat in dergelijke gevallen op grond van paragraaf 3.3.2 van de Beleidsregels alleen een VOG wordt afgegeven als de weigering evident disproportioneel is. Of deze weigering evident disproportioneel is wordt beoordeeld aan de hand van eisers specifieke omstandigheden. Bij deze beoordeling heeft verweerder het tijdsverloop sinds de veroordeling in 2002 voor een zedendelict en dat hij daarvoor licht is gestraft wel in het voordeel van eiser meegewogen. Maar verweerder heeft de recente delicten, die (zoals eiser ter zitting heeft toegelicht ook in hoger beroep) met een gevangenisstraf van 107 dagen onvoorwaardelijk zijn bestraft, zwaarder in het nadeel van eiser mogen meewegen. Gelet op de hoogte van de straf zijn deze feiten eiser niet licht aangerekend. Het gaat dan ook nog om meerdere agressie-delicten en een betrekkelijk gering tijdsverloop tussen het laatste antecedent in september 2016 en de aanvraag. Nu passagiers in een taxi -zeker als het om een één op één situatie betreft- wat betreft welzijn en veiligheid afhankelijk zijn van een chauffeur heeft verweerder hieraan doorslaggevend gewicht mogen toekennen. Agressiedelicten zijn immers niet te verenigen zijn met de functie van taxichauffeur. Dat de feiten in huiselijke sfeer zijn gepleegd, maakt dat niet anders. Verweerder heeft ter zitting toegelicht dat het erom gaat dat eiser kennelijk in een situatie getriggerd kan worden en daardoor geweld kan gebruiken. Dit standpunt is niet onredelijk.

13. Nu ter zitting naar voren is gebracht dat eiser ten tijde van het bestreden net was gestopt als koerier, nadien een Ziektewet-uitkering heeft ontvangen en ook zijn partner (deeltijd) werkt, is niet gebleken dat (het gezin van) eiser niet op een andere wijze in het inkomen kan voorzien. Verweerder heeft reeds hierom al geen doorslaggevend gewicht hoeven toekennen aan de wens van eiser om als taxichauffeur zijn geld te willen verdienen.

14. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het risico voor de samenleving zwaarder weegt dan het belang van eiser bij de afgifte van een VOG en dat het subjectieve criterium dus geen aanleiding geeft om tot afgifte van een VOG over te gaan. Van een tekortschietende motivering is geen sprake.

15. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. P.J.M. Mol, rechter, in aanwezigheid van mr. M.M. van Luijk-Salomons, griffier. Als gevolg van maatregelen rondom het coronavirus is deze uitspraak niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Zodra het openbaar uitspreken weer mogelijk is, wordt deze uitspraak, voor zover nodig, alsnog in het openbaar uitgesproken.

De griffier is verhinderd rechter

de uitspraak te ondertekenen

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.