Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2020:2433

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
30-06-2020
Datum publicatie
30-06-2020
Zaaknummer
UTR 19/5144
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De omgevingsvergunning van Windpark Goyerbrug B.V. voor de bouw van vier windturbines met een maximale ashoogte van 166 meter aan de zuidkant van het Amsterdam-Rijnkanaal, in de gemeente Houten, blijft in stand. Eisers in deze zaak zijn een hele groep omwonenden en twee stichtingen. De rechtbank verklaart het beroep voor zover dit is ingediend door de twee stichtingen en een aantal omwonenden die te ver van het plangebied vandaan wonen niet-ontvankelijk. Het beroep voor zover dat wel ontvankelijk is, verklaart de rechtbank ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummer: UTR 19/5144

uitspraak van de meervoudige kamer van 30 juni 2020 in de zaak tussen

  1. Stichting Belangen Wijkersloot en omstreken (verder: Belangen Wijkersloot e.o.), te Wijk bij Duurstede ,

  2. Stichting Redichem-de Geeren (verder: Redichem-de Geeren), te Culemborg

  3. 72 omwonenden (verder: omwonenden), te verschillende plaatsen1,

gezamenlijk eisers

(gemachtigde: mr. A. Kwint-Ocelíková),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Houten (verder: het college), verweerder

(gemachtigde: mr. M. Rus-van der Velde).

Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen:

Windpark Goyerbrug b.v. (verder: vergunninghouder), te Houten

(gemachtigde: mr. K. Dankers).

Inleiding

1. Vergunninghouder heeft het voornemen om aan de zuidkant van het Amsterdam-Rijnkanaal ter hoogte van de Goyerbrug in de gemeente Houten een windpark van vier windturbines in een lijnopstelling te realiseren. De lengte van de opstelling is circa 1.600 meter. De vier turbines zijn gelijk aan elkaar en hebben een ashoogte van minimaal 145 meter en maximaal 166 meter, en een rotordiameter van maximaal 150 meter. Het vermogen van het windpark bedraagt minimaal 14,4 MW en maximaal 22,4 MW. De definitieve keuze voor het type windturbine heeft vergunninghouder nog niet gemaakt.

2. Vergunninghouder heeft voor dit plan een aanvraag voor een omgevingsvergunning ingediend. Het college heeft het besluit op deze aanvraag voorbereid volgens de uitgebreide voorbereidingsprocedure2. Dit betekent dat er een ontwerpbesluit ter inzage heeft gelegen. Eisers hebben hierover tijdig een zienswijze naar voren gebracht. Ook heeft de gemeenteraad van Houten een verklaring van geen bedenkingen gegeven aan het college en het Ministerie van Defensie heeft een verklaring van geen bezwaar afgegeven.

3. Op 21 oktober 2019 heeft het college aan vergunninghouder een omgevingsvergunning (de omgevingsvergunning) verleend voor de activiteiten bouwen en planologisch strijdig gebruik en een beperkte milieutoets. Eisers hebben tegen de omgevingsvergunning beroep ingesteld. Het college heeft een verweerschrift ingediend.

4. De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening (verder: StAB) heeft op verzoek van de rechtbank op 9 april 2020 een deskundigenbericht uitgebracht. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld hierop schriftelijk te reageren. Eisers en het college hebben van deze gelegenheid gebruik gemaakt.

5. De zaak is – tegelijk, maar niet gevoegd, met de zaak met het zaaknummer UTR 19/5150 – behandeld op de zitting van 19 mei 2020. Namens eisers was hierbij [A] aanwezig, bijgestaan door de gemachtigde van eisers en mr. [B] . Namens het college was aanwezig de gemachtigde, mr. [C] , mr. [D] en

[E] . Vergunninghouder werd op de zitting vertegenwoordigd door

drs. ing. [F] , bijgestaan door de gemachtigde en de deskundigen

ing. [G] , ing. [H] , [I] MSc, ir. [J] , ir. [K] ,

ing. [L] , ir. [M] , mr. ing. [N] en drs. [O] . De StAB heeft zich laten vertegenwoordigen door drs. ing. [P] , ir. [Q] ,

drs. [R] , en [S] . Vanwege de maatregelen rondom het Coronavirus was van alle partijen één gemachtigde in de zittingszaal aanwezig. De andere genoemde personen waren via een Skype-verbinding met de zittingszaal verbonden. Alle eisers konden de zitting volgen via een livestream.

Overwegingen

Het geschil

6. Deze zaak gaat over de vraag of de omgevingsvergunning die het college heeft verleend aan vergunninghouder in stand kan blijven.

7. Het standpunt van eisers is, kort samengevat, dat het, gezien de negatieve gevolgen van het windpark, waaronder de toename van geluidoverlast, horizonvervuiling, aantasting van landschappelijke waarden, maar ook de negatieve gevolgen voor de natuur, onverantwoord en onacceptabel is om op de voorgenomen locatie windturbines toe te staan. Eisers maken zich ernstige zorgen over de gevolgen van het windpark voor hun directe leef- en woonomgeving en voor hun gezondheid en de gezondheid van hun kinderen.

8. Het college stelt zich op het standpunt dat het windpark in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening en dat de belangen van eisers op zorgvuldige wijze bij de besluitvorming zijn betrokken. De omgevingsvergunning is terecht aan vergunninghouder verleend.

Beoordelingskader en leeswijzer

9. De rechtbank zal in deze uitspraak de omgevingsvergunning aan de hand van de beroepsgronden die door eisers zijn ingediend beoordelen. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat het college bij zijn besluitvorming over de aanvraag van vergunninghouder beleidsruimte heeft. Als het college van mening is dat het windpark in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening, kan het ervoor kiezen om zijn bevoegdheid tot afwijking van het bestemmingsplan al dan niet te gebruiken. De rechtbank toetst of het college bij een afweging van de betrokken belangen in redelijkheid tot het verlenen van de omgevingsvergunning heeft kunnen komen.

10. De rechtbank zal in deze uitspraak eerst beoordelen of alle eisers belanghebbenden zijn bij de omgevingsvergunning. Vervolgens zal de rechtbank de beroepsgronden van eisers in de volgende volgorde behandelen:

  1. de formele punten die door eisers naar voren zijn gebracht;

  2. landschappelijke inpassing en welstand;

  3. MER-beoordeling;

  4. geluid;

  5. natuur;

  6. externe veiligheid;

  7. ezondheid.

De uitspraak eindigt met een conclusie.

De ontvankelijkheid van eisers

11. Het beroep is in eerste instantie ingediend door de Belangen Wijkersloot e.o., Redichem-de Geeren en door 75 omwonenden. Drie van de 75 omwonenden hebben het beroep voor zover dat namens hen was ingediend ingetrokken met een brief van 20 april 2020. Deze omwonenden zijn daarom niet meer als eisers opgenomen in bijlage 1.

De ontvankelijkheid van de omwonenden

12. Het is vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (verder: de Afdeling)3 dat degene die rechtstreeks feitelijke gevolgen ondervindt van een activiteit die door een besluit toegestaan wordt, in beginsel belanghebbende is bij dat besluit. Het criterium ‘gevolgen van enige betekenis’ dient als correctie op dit uitgangspunt. Voor windparken op land hanteert de Afdeling als uitgangspunt dat gevolgen van enige betekenis aanwezig kunnen worden geacht binnen een afstand van tien keer de tiphoogte van de voor eisers dichtstbijzijnde windturbine, gemeten vanaf de voet van de windturbine.

13. De omgevingsvergunning is verleend voor windturbines met een maximale ashoogte van 166 meter, met een rotordiameter van 150 meter. De maximale tiphoogte is 241 meter. Gelet op de manier waarop het criterium voor belanghebbendheid in dit soort zaken is ingevuld, zijn de omwonenden die binnen een straal van 2410 meter rond de voet van (één van de) windturbines wonen, als belanghebbende aan te merken.

14. Het college stelt zich op het standpunt dat 11 van de 72 eisers uit bijlage 1 buiten deze cirkel van 2410 meter wonen en daarom geen belanghebbende zijn. Het betreft de volgende eisers: 7, 21, 26, 27, 36, 42, 43, 44, 47, 48, 58, 63 en 65. Het college heeft met kaartmateriaal onderbouwd dat de adressen van deze eisers buiten de cirkel van de voor ieder van hen dichtstbijzijnde turbine liggen.

15. Eisers hebben de door het college overgelegde gegevens niet betwist. Wel stellen zij zich op het standpunt dat zij wel verwachten gevolgen van enige betekenis van het besluit te ondervinden. Eisers hebben ten aanzien van eiseres 27 aangevoerd dat de cirkel die rond de dichtstbijzijnde windturbine getrokken is, over haar erf loopt. Zij moet daarom in ieder geval als belanghebbende worden beschouwd.

16. De rechtbank is van oordeel dat de eisers 7, 21, 26, 27, 36, 42, 43, 44, 47, 48, 58, 63 en 65 geen belanghebbende zijn. Uit de door het college overgelegde gegevens blijkt dat de woningen van deze eisers op een dusdanig grote afstand van de geplande windturbines liggen, dat zij op grond van het criterium niet als belanghebbende aan te merken zijn. Eisers stellen dat zij verwachten wel gevolgen van enige betekenis te ondervinden, maar dat maakt niet dat zij toch belanghebbende zijn. Zoals is toegelicht onder 12, is dit criterium namelijk een correctie op het belanghebbendenbegrip en geeft het niet een zelfstandige invulling aan het belanghebbendenbegrip. Ten aanzien van eiseres 27 overweegt de rechtbank dat eisers niet aannemelijk hebben gemaakt dat de cirkel over haar erf loopt.

17. Het college heeft zich verder op het standpunt gesteld dat eiser 6, [eiser 6] B.V., en eiser 61, [eiser 61] , ook niet-ontvankelijk verklaard moeten worden. Volgens het college zijn deze eisers geen belanghebbende, omdat uit hun statutaire doelstelling niet blijkt dat zij een belang behartigen dat rechtstreeks wordt geraakt door de omgevingsvergunning. Het college heeft zich voorafgaand aan de zitting op het standpunt gesteld dat dit ook geldt voor eiser 38, V.O.F. [eiser 38] , maar is op de zitting van dit standpunt terug gekomen.

18. De rechtbank overweegt dat het criterium waar het college naar verwijst, het criterium uit artikel 1:2, derde lid, van de Awb is. Met dit criterium is beoogd veilig te stellen dat verenigingen of stichtingen met sociale, landschappelijke of culturele doelen e.d. als belanghebbenden kunnen opkomen. Eiser 6 en eiser 61 zijn geen verenigingen of stichtingen, maar bedrijven die binnen de cirkel van tien keer de maximale tiphoogte gevestigd zijn. De rechtbank is daarom van oordeel dat deze eisers wel belanghebbende zijn op grond van artikel 1:2, eerste lid, van de Awb, in combinatie met het onder 13 omschreven criterium. Dit geldt, wellicht ten overvloede, ook voor eiser 38.

19. De rechtbank concludeert dat alle omwonenden van bijlage 1 die wonen of gevestigd zijn binnen de cirkel van 2410 meter rond de windturbines belanghebbende zijn en om die reden ontvankelijk zijn in hun beroep. Dit betreft de gehele lijst, met uitzondering van de eisers 7, 21, 26, 27, 36, 42, 43, 44, 47, 48, 58, 63 en 65. Deze laatsten worden niet als belanghebbende aangemerkt.

De ontvankelijkheid van Belangen Wijkersloot e.o.

20. Voor de vraag of een rechtspersoon belanghebbende is, is bepalend of de rechtspersoon op grond van zijn statutaire doelstelling en blijkens zijn feitelijke werkzaamheden een rechtstreeks bij het bestreden besluit betrokken algemeen of collectief belang in het bijzonder behartigt4. De doelstelling en de feitelijke werkzaamheden moeten in onderling verband worden beoordeeld.

21. De statutaire doelstelling van Belangen Wijkersloot e.o. is het instandhouden en bevorderen van het landelijke en agrarische karakter van het Zuidwest-gedeelte van de gemeente Wijk bij Duurstede .

22. De rechtbank heeft Belangen Wijkersloot e.o. op 8 april 2020 gevraagd om in te gaan op haar feitelijke werkzaamheden en aan te tonen wat de feitelijke werkzaamheden de afgelopen anderhalf jaar zijn geweest. Belangen Wijkersloot e.o. heeft daarop aangegeven dat deze activiteiten onder andere betreffen het jaarlijks snoeien van hoogstambomen in de Wijkersloot en op de Smidsdijk en het vergroten van biodiversiteit, bijvoorbeeld door het behoud van insecten. Voor deze laatste activiteit worden natuurvriendelijke beplanting, insectenhotels en nestkasten geplaatst. Belangen Wijkersloot e.o. heeft foto’s van de snoei-activiteiten en de nestkasten overgelegd. Daarnaast is er jaarlijks en indien nodig vaker, overleg met wethouder Marchal van de gemeente Wijk bij Duurstede . Het laatste overleg was in januari 2020.

23. De rechtbank is van oordeel dat Belangen Wijkersloot e.o. niet als belanghebbende is aan te merken en overweegt daartoe als volgt. Van belang is dat de stichting een relevante doelstelling moet hebben, en dat de stichting deze doelstelling ook daadwerkelijk moet behartigen. De rechtbank is van oordeel dat uit de genoemde activiteiten en de toelichting op zitting onvoldoende blijkt dat dit laatste het geval is. Belangen Wijkersloot e.o. heeft namelijk toegelicht dat de bevordering van de insecten in de tuinen van individuele betrokkenen plaatsvindt. Uit de door Belangen Wijkersloot e.o. genoemde activiteiten blijkt dus onvoldoende dat dit in georganiseerd verband gebeurt en daarnaast is de relatie van deze activiteiten met de statutaire doelstelling onvoldoende onderbouwd. Belangen Wijkersloot e.o. is daarom geen belanghebbende.

De ontvankelijkheid van Redichem-de Geeren

24. De statutaire doelstelling van Redichem-de Geeren is
“a. Versterking van de huidige ruimtelijke en landschappelijke kwaliteiten van de polders Redichem, De Geeren en de belendende gebieden;
b. bescherming van het unieke en historische karakter van dit deel van het buitengebied van de Gemeente Culemborg ;
c. versterking, zo mogelijk uitbreiding van het netwerk langzaam verkeerroutes (wandelen, fietsen);
d. reduceren gemotoriseerd verkeer, terugbrengen tot bestemmingsverkeer;
e. toetsing van eventuele nieuwe ontwikkelingen aan het vigerende beleid (waaronder bestemmingsplan, landschapsontwikkelingsplan, groenstructuurplan);
f. het verrichten van alle verdere handelingen die met het vorenstaande in de ruimste zin verband houden of daartoe bevorderlijk kunnen zijn.”.

25. De rechtbank heeft ook Redichem-de Geeren op 8 april 2020 gevraagd om in te gaan op de feitelijke werkzaamheden en aan te tonen wat de feitelijke werkzaamheden de afgelopen anderhalf jaar zijn geweest. Redichem-de Geeren heeft daarop aangegeven dat de volgende activiteiten als feitelijke werkzaamheden aan te merken zijn:
- participatie in Collectief Redichemse Waard en Stichting Redichemse Waard, waarvan ook het voorzitterschap door één van de bestuursleden wordt vervuld. In het Collectief bundelen 6 belangengroepen met circa 3500 Culemborgse leden hun krachten;
- deelname aan de Regionale Energie Strategie (RES);
- Redichem-de Geeren heeft samen met grondeigenaren en andere omwonenden een ontwikkelingsplan voor de gebieden Redichem en De Geeren ontworpen en gerealiseerd, waarmee in de landelijke prijsvraag ‘Samen voor biodiversiteit’ een finaleplaats is gehaald;
- deelname aan het bestuur van stichting De Wakende Hond;

- voorbereiding van de windvisie voor Culemborg .
Redichem-de Geeren heeft bij deze brief verschillende krantenartikelen toegevoegd.

26. De rechtbank is van oordeel dat Redichem-de Geeren niet als belanghebbende is aan te merken en overweegt daartoe als volgt. De gestelde feitelijke werkzaamheden zijn naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende om als feitelijke werkzaamheden van Redichem-de Geeren aan te merken. De overgelegde krantenartikelen gaan over werkzaamheden door andere stichtingen of samenwerkingsverbanden. In geen van deze artikelen wordt Redichem-de Geeren genoemd. Het is ook uit de toelichting op zitting niet duidelijk geworden op welke wijze er activiteiten in georganiseerd verband plaatsvinden. Redichem-de Geeren is daarom geen belanghebbende.

Conclusie ontvankelijkheid
27. De rechtbank zal het beroep voor zover ingediend door de eisers van bijlage 1 onder de nummers 7, 21, 26, 27, 36, 42, 43, 44, 47, 48, 58, 63 en 65 en het beroep voor zover ingediend door Belangen Wijkersloot e.o. en Redichem-de Geeren niet-ontvankelijk verklaren.

Beoordeling van de beroepsgronden

a. Formele punten

28. Eisers voeren aan dat de omgevingsvergunning niet op de voorgeschreven wijze bekend is gemaakt. De kennisgeving moet ook via de elektronische weg gedaan worden. De inhoud van de stukken moet op grond van artikel 6.14 van het Besluit omgevingsrecht (verder: Bor) ook beschikbaar worden gesteld op de landelijke voorziening zoals bedoeld in

artikel 1.2.1, tweede lid, van het Bor. Hier is niet aan voldaan: de omgevingsvergunning is inhoudelijk niet te raadplegen via de website www.ruimtelijkeplannen.nl. Er is slechts twee keer de bekendmaking gepubliceerd en niet het besluit zelf.

29. Uit de wetsgeschiedenis bij artikel 6.14 van het Bor5 volgt dat de elektronische mededeling bedoeld is om via de landelijke voorziening www.ruimtelijkeplannen.nl de actuele planologische situatie voor iedereen eenvoudig kenbaar te maken. Het gaat daarbij uitsluitend om de zakelijke inhoud van de verleende vergunning, niet om een integrale publicatie van de vergunning met de daarin opgenomen (persoons)gegevens. Het standpunt van eisers dat de inhoud van de stukken bij de omgevingsvergunning ook gepubliceerd moet worden, volgt niet uit artikel 6.14 van het Bor. De beroepsgrond slaagt niet.

30. Eisers voeren aan dat de informatievoorziening ten aanzien van het ontwerp van de omgevingsvergunning onvoldoende is geweest, omdat de kennisgeving een te summiere omschrijving bevatte. De kennisgeving maakt geen melding van het te verwachten vermogen dan wel de toegestane afmetingen van het windpark.

31. In artikel 3:12 van de Awb is bepaald dat bij de publicatie volstaan kan worden met het weergeven van de zakelijke inhoud. De rechtbank is van oordeel dat de zakelijke inhoud van de omgevingsvergunning voldoende is vermeld in de publicatie. In de publicatie staat namelijk dat het gaat om vier windturbines, dat ze in lijnopstelling geplaatst zullen worden en dat het gaat om Windpark Goyerbrug. De publicatie is zodanig dat het voor een lezer voldoende duidelijk is of dit plan voor hem relevant is. Dat de publicatie niet in gaat op vermogen of afmetingen, doet daar niet aan af.

De beroepsgrond slaagt niet.

32. Eisers voeren aan dat het college de ontwerpverklaring van geen bedenkingen (verder: vvgb) ten onrechte niet ter inzage heeft gelegd. Hierdoor had het college de afgegeven vvgb niet aan het besluit ten grondslag mogen leggen en was het college niet bevoegd de omgevingsvergunning te verlenen. Eisers verwijzen daarbij naar een uitspraak van de Afdeling van 19 oktober 20166.

33. De rechtbank stelt vast dat uit het dossier blijkt de ontwerp-vvgb niet samen met het ontwerpbesluit ter inzage is gelegd. Het college heeft dit ook erkend. Dat betekent dat de omgevingsvergunning in strijd met artikel 3:11 van de Awb is genomen.

De beroepsgrond slaagt.

34. De rechtbank is echter van oordeel dat dit gebrek gepasseerd kan worden omdat de rechtbank het aannemelijk acht dat de belanghebbenden niet zijn benadeeld7. De rechtbank overweegt hiertoe als volgt. Eisers waren op de hoogte van de ontwerpvergunning: zij hebben hun zienswijzen hiertegen kenbaar gemaakt. Uit deze zienswijzen blijkt dat eisers wisten dat er een ontwerp-vvgb was afgegeven. Bovendien heeft de raad van de gemeente Houten de definitieve vvgb – anders dan in de door eisers genoemde uitspraak van de Afdeling – pas afgegeven ná de termijn van terinzagelegging van de ontwerpvergunning en heeft hij de Nota van Zienswijzen bij zijn besluit tot het afgeven van een vvgb betrokken. Daarnaast acht de rechtbank het niet aannemelijk dat anderen hebben afgezien van het indienen van een zienswijze vanwege het achterwege blijven van de publicatie van de ontwerp vvgb. In het ontwerpbesluit, dat wel ter inzage is gelegd, staat namelijk op pagina 5 dat er op 28 mei 2019 een ontwerp-vvgb genomen is. Tot slot komt de inhoud van beide stukken (het ontwerpbesluit en de ontwerp-vvgb) met elkaar overeen.

35. Eisers voeren aan dat de kennisgeving van de bekendmaking van de omgevingsvergunning een onjuistheid bevat. De termijn waar binnen beroep ingesteld kan worden is onjuist. De termijn is aangevangen op 25 oktober 2019 en loopt daarom tot en met 5 december 2019. In de kennisgeving staat echter dat dit kan tot en met 4 december 2019.

36. De rechtbank stelt vast dat deze vaststelling van eisers klopt. Het college heeft dat ook bevestigd. Hier zullen echter geen consequenties aan worden verbonden. Uit vaste rechtspraak van de Afdeling8 volgt dat een onregelmatigheid na de datum van het bestreden besluit, de rechtmatigheid van het besluit niet kan aantasten.

37. Eisers voeren aan dat de maximale invulling van de omgevingsvergunning niet onderzocht is. De vergunning maakt windturbines met een vermogen van maximaal 5,6 MW per stuk mogelijk, terwijl de in de onderzoeken betrokken windturbines een vermogen van maximaal 4,5 MW per stuk hebben. Het is onbegrijpelijk waarom de zwaardere turbine Vestas V150-5.6 MW niet onderzocht is. Dit wordt bevestigd door de memo van Antea Group van 27 november 2019. Eisers stellen dat de voor de ruimtelijke onderbouwing gebruikte windturbines onvoldoende representatief zijn en dat het ‘Onderzoek geluid en slagschaduw’ van LBP Sight een onvolledig en mogelijk onjuist beeld geeft van de gevolgen voor de geluidssituatie ter plaatse. Het besluit is daarom niet met de vereiste zorgvuldigheid tot stand gekomen.

38. De rechtbank overweegt dat de omgevingsvergunning is verleend voor windturbines met een ashoogte van minimaal 145 meter en maximaal 166 meter en een rotordiameter van

150 meter. Daarnaast is in de omgevingsvergunning vastgelegd dat het maximaal toegestane vermogen voor het gehele windpark 22,4 MW is. Er is ook een voorschrift opgenomen dat de definitieve keuze voor de bouw moet worden goedgekeurd. De rechtbank overweegt dat uit vaste rechtspraak van de Afdeling9 volgt dat het is toegestaan om bandbreedtes in de omgevingsvergunning op te nemen in plaats van vaste kenmerken. Eisers benoemen bij dit punt dat zij zich zorgen maken over het geluid. De windturbines die maximaal mogelijk zijn, zijn niet onderzocht, maar in de vergunning is voorgeschreven dat voor de grenswaarden voor wat betreft het geluid is aangesloten bij het Activiteitenbesluit milieubeheer (verder: Activiteitenbesluit). Op grond van vaste rechtspraak van de Afdeling10 mag hierbij aangesloten worden. De rechtbank ziet geen aanleiding voor het oordeel dat het college zich niet op het rapport van LBP Sight had mogen baseren.

De beroepsgrond slaagt niet.

Landschappelijke inpassing en welstand

Gemeentelijk beleidskader

39. Eisers voeren aan dat zij zich niet kunnen vinden in de conclusie van het college dat de ontwikkeling van het windpark op de locatie in overeenstemming is met de Structuurvisie Eiland van Schalkwijk . In deze structuurvisie wordt geen melding gemaakt van de criteria die zijn gebruikt bij de aanwijzing van de locaties voor het plaatsen van windturbines. Bij de totstandkoming van deze structuurvisie ging men uit van andere afmetingen en vermogens van windturbines dan nu aan de orde is. Bovendien heeft het college niet voldaan aan de in de structuurvisie opgenomen voorwaarde dat rekening gehouden moet worden met de besluitvorming, realisatie en evaluatie van de windmolens aan de Veerwagenweg te Houten (windpark Houten). Het plan is dus niet in overeenstemming met het gemeentelijk beleid.

40. De gemeenteraad van Houten heeft in 2001 een aantal locaties binnen haar grondgebied geschikt verklaard voor realisatie van windturbines. Aan dit besluit heeft een inrichtingsstudie ten grondslag gelegen om te komen tot een afgewogen besluitvorming. In het raadsbesluit van 2001 is geen zoekgebied aangewezen. In het besluit staat alleen dat de locatie ten zuiden van het Amsterdam-Rijnkanaal ter hoogte van `t Goy geschikt is voor windenergie. In de Structuurvisie Eiland van Schalkwijk (2011) is onder meer duurzame ontwikkeling en de productie van duurzame energie (“windmolens, landbouw, water”) als uitgangspunt opgenomen. Als locatie voor het voorgenomen windpark nabij de Goyerbrug zijn aangewezen de ‘komgronden ten noorden van Schalkwijk ’ en ‘Oeverwal’. Voor deze gebieden is specifiek windenergie benoemd. Deze structuurvisie stelt geen eisen aan het aantal en de hoogte van de windturbines in het zoekgebied. Wel is in de structuurvisie opgenomen dat het plaatsen van windmolens in het gebied Eiland van Schalkwijk afhankelijk is van de besluitvorming, realisatie en evaluatie van de windmolens aan de Veerwagenweg (windpark Houten).

De Provinciale Ruimtelijke Structuurvisie 2013 – 2018 (herijking 2016) benoemt specifieke locaties in landelijk gebied voor grootschalige windturbines met een ashoogte van 60 meter en hoger. Een van deze specifiek benoemde locaties is gelegen langs het Amsterdam-Rijnkanaal ten zuiden van Houten nabij de Goyerbrug. Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat aan de provinciale structuurvisie een planMER ten grondslag heeft gelegen waarin is uitgegaan van turbines met een vermogen van 2 tot 5 MW. De planMER bevat geen hoogtebeperkingen ten aanzien van de te realiseren turbines.

Het college heeft mede aan de hand van kaartuitsneden aangegeven dat in de structuurvisie Eiland van Schalkwijk het zoekgebied voor de windturbines weliswaar iets in zuidoostelijke richting is verplaatst, maar nog steeds is gelegen binnen het zoekgebied zoals dat is aangewezen in de Provinciale Structuurvisie.

Wat betreft de evaluatie van het windpark Houten stelt het college zich op het standpunt dat dit windpark niet een op een is te vergelijken met het windpark Goyerbrug. Zo ligt windpark Houten dicht tegen de kern van Houten aan en zullen de windturbines van het windpark Goyerbrug door hun hoogte veel meer energie opwekken. De lessen die getrokken zijn uit windpark Houten zijn betrokken bij de besluitvorming van het onderhavige projectplan. Zo is er vooral geïnvesteerd in communicatie en het creëren van draagvlak onder de omwonenden. Gelet op hetgeen hierover in het dossier is overgelegd ziet de rechtbank geen aanleiding daaraan te twijfelen. Een van de meest sprekende voorbeelden hiervan vindt zij dat de werkateliers hebben geleid tot een aanbeveling aan het college om liever minder en hogere turbines mogelijk te maken dan méér en kleiner. Dat een aantal bewoners zich niet gehoord heeft gevoeld maakt niet dat gezegd kan worden dat het college niets gedaan heeft met de evaluatie van het eerdere windpark.

41. De rechtbank komt tot de conclusie dat het plan windpark Goyerbrug past in het gemeentelijk beleidskader.

Toetsingskader kernkwaliteiten; welk deelgebied

42. Verder voeren eisers aan dat het onderzoek en de afwegingen ten aanzien van de landschappelijke inpassing van het windpark Goyerbrug onvolledig en onvoldoende is.

Ter onderbouwing van hun standpunt hebben eisers een second opinion van Arcadis van
3 december 2019 overgelegd. Arcadis komt tot de conclusie dat de invloed van het windpark op de kernkwaliteiten van het deelgebied Kromme Rijn niet zijn beschreven, terwijl drie van de vier turbines binnen dit deelgebied liggen. Ook wordt niet ingegaan op de kenmerkende dwarsrelaties van de deelgebieden, zoals beschreven in de Kwaliteitsgids Utrechtse Landschappen. Door de toegenomen hoogte van het windpark is geen sprake meer van een ruimtelijk-visuele relatie van de windturbines met het landschap of ruimtelijk ensemble met het Amsterdam-Rijnkanaal, maar eerder van een nieuwe autonome laag boven het landschap.

43. Het toetsingskader voor de landschappelijke inpassing wordt gevormd door

artikel 1.8 van de Provinciale Ruimtelijke Verordening 2013 (Herijking 2016) (verder: PRV). Het vierde lid van dit artikel bepaalt dat de toelichting op een ruimtelijk besluit voor gronden die zijn aangewezen als ‘landschap’ een beschrijving bevat van de in het plangebied voorkomende kernkwaliteiten en de wijze waarop met de bescherming van de kernkwaliteiten is omgegaan. De rechtbank stelt daarbij voorop dat zij slechts terughoudend kan toetsen of het bestreden besluit aan de voorwaarden van artikel 1.8 van de PRV voldoet.

44. De locatie van het windpark Goyerbrug maakt deel uit van de Utrechtse Landschappen en is gelegen in het Landschap Rivierengebied, en meer specifiek in het deelgebied Schalkwijk . De kernkwaliteiten van deze landschappen worden beschreven in de Kwaliteitsgids Utrechtse Landschappen.

In de ruimtelijke onderbouwing bij de omgevingsvergunning van 11 januari 2019 opgesteld door LBP Sight (verder: de ruimtelijke onderbouwing) (paragraaf 2.2.2) wordt het landschap Rivierengebied omschreven als een landschap met een langgerekte opbouw. Voor dit landschap moeten volgens de PRV de volgende kernkwaliteiten behouden blijven:

  • -

    schaalcontrast van zeer open naar besloten;

  • -

    samenhangend stelsel van rivier – uiterwaard – oeverwal – kom;

  • -

    samenhangend stelsel van hoge stuwwal – flank – kwelzone – oeverwal – rivier; en

  • -

    de Kromme Rijn als vesting en vestiging.

Volgens de Kwaliteitsgids Utrechtse Landschappen vormt het open weidelandschap van het deelgebied Schalkwijk een contrast met de meer besloten stroomruggronden van de Kromme Rijn langs de Lek. Het Amsterdam-Rijnkanaal vormt een nieuwe grens aan de noordzijde en doorsnijdt de geleidelijke overgang naar het deelgebied Kromme Rijn.

Bij dit beschreven landschap Schalkwijk horen de volgende kernkwaliteiten:

  • -

    de ruggengraat bestaat uit een wetering, weg en huizen met verdichting en verdunning;

  • -

    het landgebruik kenmerkt zich als grasland met grazend vee;

  • -

    bijzondere bebouwing zoals kerktorens steken boven het lint uit; en

  • -

    ‘normale’ erven zijn gevarieerd in opbouw.

LBP Sight komt tot de conclusie dat door de plaatsing van de windturbines de kernkwaliteiten en karakteristieken van het landschap niet worden aangetast. De windturbines worden niet nabij een ruggengraat geplaatst. Het agrarisch landgebruik met grasland wordt gehandhaafd. Ook blijft bijzondere bebouwing zoals kerktorens zichtbaar vanuit de omgeving. Tot slot is er geen sprake van een wijziging van een erf en ligt de planlocatie aan de rand van het deelgebied Schalkwijk . Door de lijnopstelling van de vier windturbines langs het Amsterdam-Rijnkanaal wordt de grens van het deelgebied geaccentueerd en is vanuit de omgeving nog beter herkenbaar. Het windpark sluit daarmee aan op de infrastructuur en op de aanwezige landschappelijke structuur.

Naar aanleiding van het rapport van Arcadis heeft het college bij zijn verweerschrift een rapport van LBP Sight van 6 februari 2020 overgelegd, waarin nader wordt onderbouwd waarom aansluiting is gezocht bij het deelgebied Schalkwijk . Uit een overzichtskaart in de Kwaliteitsgids (p.88) blijkt dat de verschillende landschappen in elkaar overlopen en dat langs de randen kenmerken voorkomen die bij meerdere deelgebieden kunnen horen. De planlocatie van windpark Goyerbrug bevindt zich op een plek waar drie deelgebieden samenkomen (te weten Schalkwijk , Kromme Rijn en Nederrijn/Lek). Tussen het Kromme Rijn gebied en Schalkwijk is er een verschil in hoogte van circa één meter. De hoogteverschillen lopen geleidelijk in elkaar over en er is tussen deze gebieden geen duidelijke afbakening in het landschap waarneembaar, zoals dat wel het geval is bij het gebied Nederrijn/Lek. Daarnaast ligt het plangebied van het windpark Goyerbrug relatief ver verwijderd van de ruggengraat van het stroomgebied van de Kromme Rijn. De hoger gelegen gronden tussen de Lek en het Amsterdam-Rijnkanaal zijn door het kanaal afgescheiden van het Kromme Rijngebied, waarbij het kanaal op planlocatie het dominante landschapselement is. Nu ook uit andere in het rapport genoemde beleidsdocumenten niet blijkt van een op voorhand duidelijke begrenzing tussen de deelgebieden Schalkwijk en Kromme Rijn, stelt het college zich op het standpunt dat het plangebied méér aansluiting heeft met het deelgebied Schalkwijk dan met het deelgebied Kromme Rijn.

45. De rechtbank kan deze nadere toelichting op de ruimtelijke onderbouwing volgen en ziet geen aanknopingspunten voor het oordeel dat het projectplan niet aan de kernkwaliteiten van het juiste deelgebied is getoetst. Het rapport van Arcadis zaait daarover geen twijfel.

Inpassing in het landschap

46. Eisers zijn van mening dat de expert opinion die het college, naar aanleiding van de zienswijzen, door UUM/Smartland heeft laten opstellen met betrekking tot de landschappelijke inpassing van het windpark Goyerbrug te algemeen en vrijblijvend is. Zij hebben ter onderbouwing van hun standpunt deze expert opinion voorgelegd aan Arcadis, die daarover op 15 november 2019 een advies heeft uitgebracht. Volgens Arcadis gaat UUM/Smartland niet in op de landschappelijke effecten volgens de “Handreiking waardering landschappelijke effecten windenergie” van het Rijk en ook niet op de invloed op de Utrechtse kernkwaliteiten, zoals vereist op grond van de Provinciale Ruimtelijke Verordening. Daarmee is niet onderbouwd dat de kansen en mogelijke maatregelen de effecten werkelijk verzachten. Er is sprake van vrijblijvende aanbevelingen en niet van uitdrukkelijke voorwaarden. Eisers concluderen dat deze expert opinion niet kan dienen als aanvullende onderbouwing van de landschappelijke inpassing.

47. De expert opinion van UUM/Smartland van 27 augustus 2019 richt zich specifiek op de relatie tussen de hoogte/maat van de windturbines en de inpassing daarvan in het landschap.

Volgens de “Handreiking waardering landschappelijke effecten windenergie” wordt de beoordeling gedaan op micro- (minder dan 500 meter), meso- (tot 5 km) en macroniveau (tot 10 km). Volgens UUM/Smartland kan het open rivierenlandschap de windturbines dragen. De ruimtelijke en landschappelijke inpassing in het landschap zit in de bijdrage die de windturbines kunnen leveren aan het omliggende landschap. Op micro- en macroniveau kan het windpark een bijdrage leveren aan de beleving van het bestaande landschap. De maat en hoogte van de turbines past op deze plek bij de maat en de schaal van grote landschapseenheden in het rivierenlandschap. De inpasbaarheid op mesoniveau is het meest kwetsbaar, maar gerichte landschappelijke interventies op dit niveau bieden kansen om het zicht op de windturbines genuanceerd te ‘breken’ en andere karakteristieke landschapselementen te benadrukken. Op de zitting heeft het college nog toegelicht dat bij de aanwijzing van de zoeklocatie al meegenomen is dat er windturbines met een ashoogte van 60 meter en hoger in een weids en open landschap geplaatst gaan worden. Bij de besluitvorming ten aanzien van de windturbines van dit plan heeft vooral de gelijkmatigheid van de opstelling een rol gespeeld.

48. Op grond van de ruimtelijke onderbouwing bezien in samenhang met de expert opinion van UUM/Smartland, is de rechtbank van oordeel dat in redelijkheid kan worden geconcludeerd dat het project uit landschappelijk oogpunt bezien niet onaanvaardbaar is. De rechtbank betrekt daarbij dat de beoogde windturbines weliswaar hoger zijn dan de meeste in Nederland voorkomende windturbines, maar door eisers is niet onderbouwd waarom de beoogde windturbines vanwege hun hoogte niet meer visueel zouden kunnen aansluiten op de omgeving en er sprake zou zijn van verminderde ruimtelijke samenhang van de lijnopstelling met het Amsterdam-Rijnkanaal. De nieuwe autonome laag boven het landschap, waar Arcadis op doelt, geldt immers ook voor de gebruikelijke windturbines in Nederland.

Voor zover eisers stellen dat de door UUM/Smartland voorgestelde maatregelen ter bevordering van de landschappelijke inpassing op micro-niveau niet mogelijk zijn, gaat de rechtbank daar niet op in. Dergelijke interventies zijn immers niet als voorwaarde aan de omgevingsvergunning verbonden en liggen niet ter beoordeling voor. Het rapport van Arcadis

van 15 november 2019 leidt niet tot een ander oordeel.

Het college onderkent dat de windturbines van windpark Goyerbrug door hun grotere hoogte het landschap en de beleving ervan zullen beïnvloeden. Het college heeft overwogen dat de belangen die gemoeid zijn met de realisatie van het windpark Goyerbrug (het opwekken van duurzame energie) zwaarder wegen dan de effecten op de omgeving. Op de zitting heeft het college aangegeven dat daarbij zeker is gekeken naar de belangen van de direct omwonenden, maar dat het maatschappelijk belang in dit geval zwaarder weegt. De rechtbank betrekt daarbij dat de turbines in lijnopstelling met gelijke onderlinge afstand evenwijdig aan het kanaal worden geplaatst. Vanwege de grotere rotor van de te plaatsen turbines is het toerental lager. Daarmee wordt een rustiger beeld gecreëerd

De rechtbank komt tot de conclusie dat het college zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het project uit landschappelijk oogpunt niet onaanvaardbaar is.

Visualisaties

49. Verder stellen eisers dat de visualisaties een enigszins vertekend beeld geven, omdat de windturbines in werkelijkheid groter zijn dan op de visualisaties weergegeven. Er zijn geen visualisaties gemaakt op microniveau, terwijl dat wel relevant is voor omwonenden en passanten, aldus Arcadis.

50. Ten aanzien van de visualisaties heeft vergunninghouder toegelicht dat hiervoor foto’s uit 2009 zijn gebruikt met afbeeldingen van turbines met een tiphoogte van 150 meter. Om het verschil goed te laten zien zijn dezelfde foto’s gebruikt voor de nieuwe turbines met een tiphoogte van 241 meter.

Niet gebleken is dat het college zich bij de beoordeling van de effecten van het windpark op bijvoorbeeld het landschap alleen heeft laten leiden door de visualisaties. De rechtbank gaat er daarom van uit dat de visualisaties niet doorslaggevend zijn geweest voor de besluitvorming. Gelet hierop hoeft de vraag of de visualisaties in alle opzichten een juiste weergave geven niet te worden beantwoord11.

Invloed op Gelderse landschappen

51. Eisers voeren verder aan dat onvoldoende rekening is gehouden met de kernkwaliteiten van de Gelderse Landschappen in de aangrenzende gebieden in de provincie Gelderland en dat daarover onvoldoende afstemming heeft plaatsgevonden. Het besluit is volgens eisers daarom niet met de vereiste zorgvuldigheid tot stand gekomen.

52. Het college beroept zich ten aanzien van deze beroepsgrond op het relativiteitsbeginsel als bedoeld in artikel 8:69a van de Awb (verder: het relativiteitsbeginsel).

53. De rechtbank begrijpt dat eisers bedoelen te stellen dat het college de wettelijke bepalingen over verplicht vooroverleg met andere bestuursorganen12 heeft geschonden. Daargelaten of dat in dit geval zo is, overweegt de rechtbank dat deze bepaling kennelijk niet strekt ter bescherming van de belangen van de individuele inwoners van de gemeente waarvan het college op grond van deze bepaling overleg dient te initiëren of de belangen van in die gemeente gevestigde bedrijven. De betrokken norm strekt daarom kennelijk niet tot bescherming van de belangen van eisers.

54. De conclusie is dat het relativiteitsbeginsel in de weg staat aan vernietiging van de omgevingsvergunning vanwege de onder 51 vermelde beroepsgrond. De rechtbank ziet daarom af van een inhoudelijke bespreking van deze beroepsgrond. De rechtbank verwijst voor dit standpunt naar de uitspraak van de Afdeling van 29 januari 202013.

Conclusie landschappelijke inpassing

55. De beroepsgronden over het onderwerp landschappelijke inpassing slagen niet.

Welstand

56. Tot slot voeren eisers over dit onderwerp aan dat er geen welstandstoets heeft plaatsgevonden, noch is de Commissie Ruimtelijke Kwaliteit gevraagd om ten aanzien van de welstandsaspecten van de aanvraag te adviseren. Het college heeft ten behoeve van het bestreden besluit geen beeldkwaliteitsplan opgesteld. Overeenkomstig het bepaalde in artikel 2.10, eerste lid, aanhef en onder d van de Wabo had het bestreden besluit volgens eisers geweigerd moeten worden.

57. Het college stelt zich op het standpunt dat er in de gemeente Houten geen welstandstoezicht (meer) geldt, behoudens de excessenregeling in de Welstandsnota 2011. Een windturbine is volgens genoemde regeling op zichzelf niet aan te merken als een exces. Overigens geldt dat beeldkwaliteitsplannen deel uitmaken van het bestemmingsplan dat voor het betreffende gebied geldt. In dit geval is geen sprake van een bestemmingsplan, dan wel van een nieuw in te richten gebied, of van herinrichting van een bestaand gebied, zodat er voor dit project geen beeldkwaliteitsplan opgesteld had moeten worden.

58. De rechtbank kan dit standpunt van het college volgen. Zij neemt daarbij tevens in aanmerking dat in de ruimtelijke onderbouwing van het windpark visualisaties zijn bijgevoegd, waaruit de visuele impact van de te realiseren windturbines voldoende blijkt.

59. De beroepsgrond over het ontbreken van een welstandstoets slaagt niet.

MER-beoordeling

60. Eisers voeren aan dat het windpark belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kan hebben. Volgens hen mocht het college daarom niet volstaan met het verlenen van een omgevingsvergunning beperkte milieutoets (verder: OBM), maar had een milieueffectrapportage (verder: MER) opgesteld moeten worden. Het college heeft volgens eisers geen deugdelijke beoordeling van de aanmelding uitgevoerd. Dit is in strijd met de vergewisplicht van artikel 3:9 van de Awb. Volgens eisers kan het MER-beoordelingsbesluit van het college van 10 januari 2019 geen stand houden.

61. Als een windpark wordt opgericht met een gezamenlijk vermogen van 15 MW of meer moet het college beoordelen of een MER moet worden opgesteld14. Op basis van door LBP Sight opgestelde notities en uitgevoerde onderzoeken naar onder andere natuur, geluid en externe veiligheid heeft het college op 10 januari 2019 de conclusie getrokken dat bij het toepassen van in de notities genoemde mitigerende maatregelen het windpark Goyerbrug niet leidt tot belangrijke cumulatieve effecten en/of nadelige gevolgen voor het milieu en dat dus geen MER hoeft te worden opgesteld. Voor zover eisers aanvoeren dat de verrichte onderzoeken naar natuur, geluid en externe veiligheid gebrekkig zijn en daardoor door het college ten onrechte is geconcludeerd dat geen MER hoeft te worden opgesteld, overweegt de rechtbank dat die punten hierna afzonderlijk zullen worden besproken en dat daarom het oordeel over de beroepsgrond dat ten onrechte geen MER is opgesteld en dat het college niet aan de vergewisplicht heeft voldaan pas aan het einde van de uitspraak wordt gegeven.

Geluid

62. Windturbines voorzaken geluid. Daarom zijn in het Activiteitenbesluit specifieke geluidnormen opgenomen voor windturbines15 om geluidhinder te voorkomen of te beperken. Het windpark Goyerbrug moet in zijn totaliteit aan deze normen voldoen. Uit het akoestisch onderzoek dat bij de ruimtelijke onderbouwing is gevoegd, blijkt dat het windpark niet zonder meer aan deze normen voldoet en dat geluidsreductie noodzakelijk is. Daarom heeft het college in de omgevingsvergunning mitigerende maatregelen opgenomen in de vorm van noise-mode-instellingen.

63. Eisers hebben het akoestisch rapport en de mitigerende maatregelen laten toetsen door een deskundige van de Antea Group. Deze deskundige heeft zijn bevindingen neergelegd in een brief van 27 november 2019. De StAB is het met deze deskundige eens dat de voorgeschreven maatregelen in de vorm van noise-mode-instellingen gangbaar zijn en in de praktijk veel worden toegepast. Verder stelt de StAB vast dat uit de resultaten van het onderzoek blijkt dat met deze maatregelen aan de normen uit het Activiteitenbesluit kan worden voldaan. Vergunninghouder heeft daarnaast al rekening gehouden met de negatieve effecten voor de stroomopbrengst van het windpark die door de mitigerende maatregelen ontstaan.

64. Eisers voeren aan dat in het akoestisch onderzoek verouderde rekenmethodes zijn toegepast, de cumulatie van de windturbines onderling onvoldoende is meegenomen en het onduidelijk is of de juiste specificaties van de Vestas turbines zijn gebruikt.

65. De StAB geeft in haar bevindingen aan dat in het akoestisch onderzoek de voorgeschreven Reken- en meetvoorschriften (verder: RMW) uit Bijlage 4 van de Activiteitenregeling zijn toegepast. In het rekenmodel is rekening gehouden met de onderlinge afstand tussen de windturbines. En in een bijlage bij het rapport zijn de specificaties van de voor de berekening gebruikte windturbines van Vestas opgenomen.

66. De rechtbank mag bij haar beoordeling in beginsel afgaan op de inhoud van het verslag van de StAB. Dat is slechts anders als het verslag onvoldoende onzorgvuldig tot stand is gekomen of anderszins gebreken bevat, zodat het niet aan de oordeelsvorming ten grondslag mag worden gelegd. In wat eisers aanvoeren ziet de rechtbank geen aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van de bevindingen van de StAB. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat ook de door eisers ingeschakelde deskundige in zijn brief van 27 november 2019 schrijft dat er geen aanknopingspunten zijn waaruit blijkt dat in het akoestisch rapport sprake is van een onjuiste onderzoeks-/beoordelingssystematiek.

67. Om te kunnen beoordelen of het windpark in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening heeft het college het akoestisch effect van het windpark op de leefomgeving beoordeeld. Het heeft dit gedaan aan de hand van de classificatiemethode ‘Miedema’. Partijen zijn het er over eens dat door de realisatie van het windpark de akoestische kwaliteit bij 25 woningen zal verslechteren. Hiervan vallen 12 woningen ten gevolge van de geluidstoename in een lagere ’Miedema-classificatie’. Eisers voeren aan dat het college in de omgevingsvergunning onvoldoende heeft gemotiveerd waarom deze toename van de cumulatieve geluidbelasting aanvaardbaar is en het daarom gebruik maakt van zijn bevoegdheid om af te wijken van het bestemmingsplan.

68. De rechtbank stelt vast dat het college een belangenafweging heeft gemaakt. Het college acht de toename van de cumulatieve geluidbelasting bij 25 woningen en de negatieve wijziging van de ‘Miedema-classificatie’ bij 12 woningen acceptabel gelet op het belang van het realiseren van het windpark Goyerbrug voor het bereiken van de landelijke, provinciale en gemeentelijke duurzame energiedoelstellingen. Dit belang weegt volgens het college zwaarder dan het belang van eisers. Daarbij overweegt het college dat met toepassing van de voorgeschreven mitigerende maatregelen wordt voldaan aan de grenswaarden voor geluid door windturbines uit het Activiteitenbesluit. De rechtbank is van oordeel dat het college deze belangenafweging in redelijkheid heeft kunnen maken en voldoende heeft gemotiveerd. Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling is het aanvaardbaar dat het college vanuit een oogpunt van goede ruimtelijke ordening de geluidsnormen uit het Activiteitenbesluit als uitgangspunt neemt16.

69. Verder verwijzen eisers bij het onderwerp geluid naar de nieuwe geluidsrichtlijnen voor Europese landen die de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) in oktober 2018 heeft gepubliceerd17. In deze richtlijnen wordt gesproken over een aanbevolen maximale geluidbelasting van 45 dB Lden. Het RIVM is naar aanleiding van deze publicatie door het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat gevraagd om voor de Nederlandse situatie duiding te geven aan deze nieuwe gezondheidskundige richtlijnen voor omgevingsgeluid. Eisers voeren aan dat het college de beslissing op de aanvraag van vergunninghouder aan had moeten houden in afwachting van de aanbevelingen van het RIVM.

70. De StAB gaat in haar rapport in op dit punt. Zij geeft aan dat de advieswaarde van de WHO voor windturbinegeluid een zogenaamde ‘conditional recommendation’ – een voorwaardelijke aanbeveling – is. Bij zo’n voorwaardelijke aanbeveling is er minder zekerheid over de doeltreffendheid van de voorgestelde aanbeveling dan bij een ‘strong recommendation’. Dit is onder andere toe te schrijven aan de lagere kwaliteit van het bewijs voor het netto voordeel. Dit hangt samen met het feit dat de advieswaarde niet is ingegeven door bewijs voor gezondheidsrisico’s, maar door een hoge mate van hinder. De WHO geeft in de publicatie aan dat bewijs voor gezondheidseffecten ten gevolge van windturbines (afgezien van hinder) ontbreekt of een lage tot zeer lage kwaliteit heeft. Na oktober 2018 is er op de website van het RIVM geen nieuwe publicatie verschenen waarin het ingaat op de recente WHO-publicatie. De meest recente publicatie van het RIVM in dit verband is uit 2015, aldus de StAB.

Nu er nog geen nieuwe aanbevelingen van het RIVM zijn ziet de rechtbank, met overneming van de overwegingen van de StAB, in wat eisers aanvoeren geen aanleiding om af te wijken van de rechtspraak van de Afdeling dat deze aanbevelingen van de WHO geen aanleiding zijn om de geluidnormen voor windturbines uit het Activiteitenbesluit terzijde te stellen18.

71. Ten slotte willen eisers van het college duidelijkheid over de stappen die het zal zetten op het gebied van toezicht en handhaving van de geluidnormen. Doordat hieraan in de omgevingsvergunning geen enkele aandacht is besteed is deze volgens eisers niet met de daarvoor vereiste zorgvuldigheid tot stand gekomen.

72. De StAB schrijft in haar bevindingen dat het geluid van het windpark Goyerbrug goed controleerbaar en handhaafbaar is. Emissiemetingen kunnen in beginsel met behulp van de methode uit het RMW worden uitgevoerd. Als uit de controle blijkt dat er sprake is van overschrijdingen van de normen bij woningen moeten verdergaande geluid reducerende maatregelen aan de windturbines worden getroffen. Daarbij kan worden gedacht aan de mogelijkheid van maatregelen aan de rotatiesnelheid van de rotor van de windturbines dan wel het stilzetten van een of meerdere windturbines. De rechtbank is van oordeel dat op dit punt is voldaan aan de eisen die aan de omgevingsvergunning gesteld kunnen worden.

73. De beroepsgronden over het onderwerp geluid slagen niet.

Natuur

74. De rechtbank stelt bij het onderwerp natuur voorop dat de aanvraag om de omgevingsvergunning geen betrekking heeft op de benodigde ontheffing op grond van de Wet natuurbescherming (verder: Wnb). Voor deze ontheffing is een afzonderlijke aanvraag gedaan. De rechtbank moet in een dergelijke situatie beoordelen of het college bij het verlenen van de omgevingsvergunning op voorhand in redelijkheid had moeten onderkennen dat de Wnb aan de uitvoerbaarheid van het project in de weg stond. Van belang is dat voorafgaand aan de verlening van de omgevingsvergunning het college van gedeputeerde staten van de provincie Utrecht (verder: GS) op 14 december 2018 aan vergunninghouder een ontheffing heeft verleend op grond van de Wnb voor het verbod op het doden van bepaalde soorten (vogels en vleermuizen). In dat geval kan het college er in beginsel vanuit gaan dat de Wnb voor zover deze gaat over het doden van soorten niet aan de uitvoerbaarheid van de omgevingsvergunning in de weg staat19. De gronden van eisers over de Wnb-ontheffing moeten aan de orde komen in de procedure tegen deze ontheffing. Een aantal eisers heeft tegen de ontheffing bezwaar gemaakt. Dit bezwaar is niet ontvankelijk verklaard. Hiertegen hebben die eisers beroep ingesteld bij de rechtbank. Met de uitspraak van 26 maart 202020 heeft de rechtbank deze beroepen ongegrond verklaard.

75. Eisers stellen zich over het onderwerp natuur op het standpunt dat het windpark Goyerbrug leidt tot aantasting van beschermde natuurgebieden die deel uitmaken van Natura 2000 en het Natuurnetwerk Nederland (NNN) zoals dat is aangewezen in de PRV.

76. De rechtbank zal eerst beoordelen of – zoals het college stelt – het relativiteitsbeginsel in de weg staat aan een inhoudelijke beoordeling van de beroepsgronden over de aantasting van Natura 2000-gebieden en het NNN.

77. De bepalingen in de Wnb over Natura 2000-gebieden en in de PRV over het NNN strekken ter bescherming van het behoud van de natuurwaarden in deze gebieden en dus niet ter bescherming van de belangen van eisers. Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling kunnen individuele belangen van burgers bij het behoud van een goede kwaliteit van hun leefomgeving, waarvan Natura 2000-gebieden en het NNN deel uitmaken, verweven zijn met de belangen die de Wnb en de PRV beogen te beschermen. Deze verwevenheid kan zelfs zo danig zijn dat de betrokken normen van de Wnb en PRV kennelijk ook strekken tot bescherming van de belangen van die burgers21. De rechtbank is van oordeel dat van een dergelijke verwevenheid tussen de belangen die de Wnb en de PRV beogen te beschermen en de belangen van eisers bij het behoud van een goede kwaliteit van hun leefomgeving in dit geval geen sprake is. De Natura 2000-gebieden ‘Rijntakken’, ‘Kolland & Overlangbroek’ en ‘Linge & Diefdijk Zuid’ zijn het dichtst bij het windpark Goyerbrug gelegen. Het NNN is in het kader van de omgevingsvergunning relevant voor dat deel dat tussen de het windpark Goyerbrug en het Amsterdam-Rijnkanaal ligt. Windturbine 3 en 4 zullen hier gedeeltelijk overheen draaien. Gelet op de afstand van de woningen van eisers tot de genoemde Natura 2000-gebieden (minimaal 3563 meter) en het deel van het NNN waarover turbine 3 en 4 zullen gaan draaien, maken deze gebieden naar het oordeel van de rechtbank geen deel uit van de directe leefomgeving van eisers.

78. De conclusie van het voorgaande is dat het relativiteitsbeginsel in de weg staat aan vernietiging van de omgevingsvergunning vanwege de beroepsgronden die eisers aanvoeren over de aantasting van de beschermde natuurgebieden die deel uitmaken van Natura 2000 en het NNN. De rechtbank ziet daarom af van een inhoudelijke beoordeling van de beroepsgronden over het onderwerp natuur en de reactie van eisers op het verslag van de StAB voor zover die gaat over dit onderwerp.

Externe veiligheid

79. Eisers vinden het ongeloofwaardig dat de maximale werpafstand van de aangevraagde windturbines slechts 529 meter bedraagt. Daarom achten zij de conclusies die in het rapport ‘Onderzoek externe veiligheidsrisico’s’ van LBP Sight22 zijn opgenomen ongeloofwaardig. Volgens eisers blijkt uit het ‘Handboek Risicozonering Windturbines’ van de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland dat de maximale werpafstand onder andere wordt bepaald door de diameter, het rotortoerental en de ashoogte van de windturbine. De tabellen op pagina 21 van dit handboek gaan niet verder dan windturbines met een ashoogte van 120 meter. Een windturbine met een ashoogte van 120 meter en een vermogen van 5 MW heeft volgens deze tabellen bij overtoeren al een richtwerpafstand van 716. Een windturbine met een ashoogte van 120 meter en een vermogen van 4MW een richtwerpafstand van 667 meter. De ashoogte van de aangevraagde windturbines is veel hoger en dus zal ook de richtwerpafstand volgens eisers groter zijn dan de hiervoor genoemde richtwerpafstanden van 716 en 667 meter.

80. In wat eisers in hun beroepsgrond aanvoeren ziet de rechtbank geen aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van de berekening van de maximale werpafstanden door LBP Sight. LBP Sight heeft geen generieke gegevens toegepast, maar heeft de werpafstanden berekend volgens de rekenmethodiek werpafstanden en trefkansen, zoals die is beschreven in bijlage C hoofdstuk 3 van het ‘Handboek Risicozonering Windturbines’ (Herziene versie 3.1 september 2014). Daarbij wordt gebruik gemaakt van specifieke turbinegegevens. De rechtbank volgt het college in zijn standpunt dat de tabellen waarnaar eisers verwijzen daarom voor de aanvraag van de omgevingsvergunning niet relevant zijn.

81. De beroepsgrond over het onderwerp externe veiligheid slaagt niet.

Gezondheid

82. Eisers voeren aan dat zij zich grote zorgen maken over de gevolgen van de windturbines voor hun gezondheid en voor de gezondheid van hun kinderen. Dat deze gevolgen volgens het college en vaste rechtspraak van de Afdeling nog niet voldoende wetenschappelijk zijn aangetoond, maakt volgens eisers niet dat ze er niet zijn. Zij verwijzen naar berichten van de GGD, krantenartikelen, een artikel van de huisarts S. van Manen waarin wordt gepleit voor toepassing van het voorzorgsbeginsel bij realisatie van windturbines in en nabij bebouwde omgeving en een artikel uit Ars Aequi van mr. dr. L.B.A. Tigelaar. Daaruit blijkt volgens eisers dat er getwijfeld moet worden aan de conclusie dat windturbines geen gezondheidsschade veroorzaken bij omwonenden. Op grond van het voorzorgbeginsel uit artikel 191 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie zal de onzekerheid ten aanzien van het al dan niet intreden van schade, volgens eisers niet in de weg mogen staan aan het treffen van de nodige maatregelen.

83. De rechtbank verwijst in dit kader naar vaste rechtspraak van de Afdeling. Volgens die rechtspraak strekt het voorzorgsbeginsel niet zo ver dat op grond van publicaties en uitlatingen waarin slechts een mogelijk verband wordt gelegd tussen windturbines en gezondheidsklachten, het college van het besluit tot verlening van de omgevingsvergunning moet afzien23. De rechtbank ziet in wat eisers aanvoeren geen aanleiding om af te wijken van deze vaste rechtspraak van de Afdeling.

84. De beroepsgronden over het onderwerp gezondheid slagen niet.

Conclusie over uitgevoerde onderzoeken en MER

85. De conclusie van het voorgaande is dat de beroepsgronden van eisers niet tot het oordeel leiden dat de onderzoeken die in het kader van het verlenen van de omgevingsvergunning zijn verricht gebrekkig zijn.

86. De rechtbank volgt eisers niet in hun standpunt dat het college zich er bij meerdere onderzoeken onvoldoende van heeft vergewist dat het onderzoek op zorgvuldige wijze heeft plaatsgevonden24. Het college heeft de onderzoeken die in opdracht van vergunninghouder zijn gedaan en bij de aanvraag zijn gevoegd ter controle voorgelegd aan bureau Pondera Consult B.V. (verder: Pondera). Pondera heeft in samenwerking met de Regionale Uitvoeringsdienst een inhoudelijke beoordeling uitgevoerd ten aan zien van de kwaliteit van de bij de aanvraag ingediende documenten, de volledigheid van de onderzoeken en het al dan niet kunnen voldoen aan wet- en regelgeving. In haar notitie ‘Beoordeling aanvraag windpark Goyerbrug’ van 9 april 2019 heeft Pondera geconcludeerd dat de aanvraag, inclusief een aanvullende reactie na het eerste commentaar van Pondera, voldoende informatie bevat om een besluit op te kunnen nemen. Volgens Pondera is de beoordeling van de ruimtelijke aspecten begrijpelijk en zijn de inhoudelijke onderzoeken op correcte wijze uitgevoerd. Het voornemen van vergunninghouder voldoet aan de wettelijke kaders. Daarmee heeft het college zich er naar het oordeel van de rechtbank voldoende van vergewist dat de onderzoeken op zorgvuldige wijze hebben plaatsgevonden. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat eisers voor de meeste onderzoeken geen tegenrapporten hebben overgelegd waaruit blijkt dat de onderzoekmethodiek onjuist zou zijn toegepast en/of de conclusies op basis van de onderzoeken onjuist zijn. Voor de punten waarvoor eisers dit wel hebben gedaan, heeft de rechtbank in deze uitspraak overwogen dat deze tegenrapporten geen twijfel zaaien over de juistheid van de onderzoeken die ten grondslag liggen aan de omgevingsvergunning.

87. Op grond hiervan kan de rechtbank het college volgen in zijn conclusie dat voor het windpark Goyerbrug geen MER hoeft te worden opgesteld. Ook deze laatste beroepsgrond slaagt niet.

Conclusie over de beroepsgronden

88. De conclusie van het voorgaande is dat de omgevingsvergunning die het college heeft verleend aan vergunninghouder in stand kan blijven. Dit betekent voor partijen dat vergunninghouder het windpark Goyerbrug conform de aan haar verleende omgevingsvergunning mag realiseren.

89. Zoals is overwogen onder 33 en 34 vertoont de omgevingsvergunning wel een gebrek. Dit is voor de rechtbank aanleiding om het college te veroordelen in de proceskosten van eisers. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.050,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde van € 525,- per punt en een wegingsfactor 1). Daarnaast bepaalt de rechtbank dat het college het door eisers betaalde griffierecht vergoedt.

Omdat de rechtbank de proceskostenveroordeling uitspreekt vanwege een formeel punt, ziet de rechtbank geen aanleiding om andere kosten dan de kosten voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand voor vergoeding in aanmerking te laten komen. Om die reden zijn de door eisers opgevoerde deskundigenkosten niet in de proceskostenveroordeling betrokken

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep niet-ontvankelijk, voor zover dit beroep is ingediend door Stichting Belangen Wijkersloot e.o. en Stichting Redichem- De Geeren;

  • -

    verklaart het beroep niet-ontvankelijk, voor zover dit beroep is ingediend door eisers 7, 21, 26, 27, 36, 42, 43, 44, 47, 48, 58, 63 en 65 uit bijlage I;

  • -

    verklaart het beroep, voor zover ontvankelijk, ongegrond;

  • -

    veroordeelt het college in de proceskosten tot een bedrag van € 1.050,-;

  • -

    draagt het college op het betaalde griffierecht van € 345,- te vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan op 30 juni 2020 door mr. N.H.J.M. Veldman-Gielen, voorzitter, en mr. E.M. van der Linde en mr. G.C.W. van der Feltz, leden, in aanwezigheid van

mr. I.C. de Zeeuw-'t Lam, griffier. Als gevolg van maatregelen rondom het Coronavirus is deze uitspraak niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Zodra het openbaar uitspreken weer mogelijk is, wordt deze uitspraak, voor zover nodig, alsnog in het openbaar uitgesproken.

de griffier is verhinderd deze

uitspraak te ondertekenen

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Op het hoger beroep tegen deze uitspraak is de Crisis- en herstelwet van toepassing. Dit betekent dat in het beroepschrift de gronden van hoger beroep kenbaar moeten worden gemaakt. Na de genoemde termijn van zes weken kunnen de gronden niet meer worden aangevuld.

Bijlage 1: de gegevens van eisers in UTR 19/5144

1. [eiser 1] te [woonplaats]

2. [eiser 2] te [woonplaats]
3. [eiser 3] te [woonplaats]
4. [eiser 4] te [woonplaats]
5. [eiser 5] te [woonplaats]

6. [eiser 6] B.V. te [woonplaats]
7. [eiser 7] te [woonplaats]
8. [eiser 8] te [woonplaats]
9. [eiser 9] te [woonplaats]
10. [eiser 10] te [woonplaats]

11. [eiser 11] te [woonplaats]
12. [eiser 12] te [woonplaats]
13. [eiser 13] te [woonplaats]
14. [eiser 14] te [woonplaats]
15. [eiser 15] te [woonplaats]
16. [eiser 16] te [woonplaats]
17. [eiser 17] te [woonplaats]
18. [eiser 18] te [woonplaats]
19. [eiser 19] te [woonplaats]
20. [eiser 20] te [woonplaats]
21. [eiser 21] te [woonplaats]
22. [eiser 22] te [woonplaats]
23. [eiser 23] te [woonplaats]

24. [eiser 24] te [woonplaats]
25. [eiser 25] te [woonplaats]
26. [eiser 26] te [woonplaats]
27. [eiser 27] te [woonplaats]

28. [eiser 28] te [woonplaats]
29. [eiser 29] te [woonplaats]
30. [eiser 30] te [woonplaats]
31. [eiser 31] te [woonplaats]
32. [eiser 32] te [woonplaats]
33. [eiser 33] te [woonplaats]
34. [eiser 34] te [woonplaats]
35. [eiser 35] te [woonplaats]
36. [eiser 36] te [woonplaats]

37. [eiser 37] te [woonplaats]
38. V.O.F. [eiser 38] te [woonplaats]
39. [eiser 39] te [woonplaats]
40. [eiser 40] te [woonplaats]
41. [eiser 41] te [woonplaats]
42. [eiser 42] te [woonplaats]
43. [eiser 43] te [woonplaats]
44. [eiser 44] te [woonplaats]
45. [eiser 45] te [woonplaats]
46. [eiser 46] te [woonplaats]
47. [eiser 47] te [woonplaats]
48. [eiser 48] te [woonplaats]
49. [eiser 49] te [woonplaats]
50. [eiser 50] te [woonplaats]
51. [eiser 51] te [woonplaats]
52. [eiser 52] te [woonplaats]
53. [eiser 53] te [woonplaats]
54. [eiser 54] te [woonplaats]
55. [eiser 55] te [woonplaats]
56. [eiser 56] te [woonplaats]
57. [eiser 57] te [woonplaats]
58. [eiser 58] te [woonplaats]
59. [eiser 59] te [woonplaats]
60. [eiser 60] te [woonplaats]
61. [eiser 61] te [woonplaats]
62. [eiser 62] te [woonplaats]
63. [eiser 63] te [woonplaats]
64. [eiser 64] te [woonplaats]
65. [eiser 65] te [woonplaats]
66. [eiser 66] te [woonplaats]
67. [eiser 67] te [woonplaats]
68. [eiser 68] te [woonplaats]
69. [eiser 69] te [woonplaats]
70. [eiser 70] te [woonplaats]
71. [eiser 71] te [woonplaats]
72. [eiser 72] te [woonplaats]

1 Voor de leesbaarheid zijn de gegevens van de omwonenden in een bijlage bij deze uitspraak opgenomen.

2 Artikel 3.10 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) en afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht (verder: Awb).

3 Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 21 februari 2018, ECLI:NL:RVS:2018:616.

4 Zie artikel 1:2, derde lid, van de Awb.

5 Zie de Nota van Toelichting, ​​Stb.​​ 2010, 143​,​ p.​ 105.

6 Zie ECLI:NL:RVS:2016:2734.

7 Zie artikel 6:22 van de Awb. Zie ook de uitspraak van de Afdeling van 29 september 2010, ECLI:NL:RVS:2010:BN8584.

8 Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 13 februari 2019, ECLI:NL:RVS:295, en van 19 september 2018, ECLI:NL:RVS:2018:3067.

9 Zie bijvoorbeeld de uitspraken van 4 juli 2018, ECLI:NL:RVS:2018:2225, en van 3 april 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1064.

10 Zie bijvoorbeeld de uitspraken van 29 mei 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1781, en van
21 februari 2018, ECLI:NL:RVS:2018:616.

11 Zie de uitspraak van de Afdeling van 29 juni 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1947, r.o. 28.2.

12 Artikel 3.1.1, eerste lid, van het Besluit ruimtelijke ordening.

13 ECLI:NL:RVS:2020:283 (r.o. 9.1).

14 Onderdeel D22.2 van het Besluit m.e.r. in combinatie met de artikelen 7.16 t/m 7.20 van de Wet milieubeheer (Wm).

15 Artikel 3.14a, eerste lid, van het Activiteitenbesluit.

16 De rechtbank verwijst bijvoorbeeld naar de uitspraak van de Afdeling van 24 december 2019, ECLI:NL:RVS:2019:4442.

17 Environmental Noise Guidelines for the European Region, ISBN 978 92 890 5356 3.

18 Ook hier verwijst de rechtbank bijvoorbeeld naar de uitspraak van de Afdeling van 24 december 2019, ECLI:NL:RVS:2019:4442.

19 Zie de uitspraak van de Afdeling van 7 augustus 2019, ECLI:NL:RVS:2019:2720.

20 Deze uitspraak is te vinden via ECLI:NL:RBMNE:2020:1335.

21 De rechtbank verwijst bijvoorbeeld naar de uitspraak van de Afdeling van 19 juni 2019, ECLI:NL:RVS:ECLI:NL:RVS:2019:1947.

22 Bijlage 8 bij de ruimtelijke onderbouwing.

23 bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 24 december 2019, ECLI:NL:RVS:2019:4442 (r.o. 15.1).

24 Artikel 3:9 van de Awb.