Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2020:2431

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
30-06-2020
Datum publicatie
30-06-2020
Zaaknummer
UTR 19/5150
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De omgevingsvergunning van Windpark Goyerbrug B.V. voor de bouw van vier windturbines met een maximale ashoogte van 166 meter aan de zuidkant van het Amsterdam-Rijnkanaal, in de gemeente Houten, blijft in stand. De rechtbank verklaart het het beroep van eisers, die vlakbij het te realiseren windpark wonen, ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummer: UTR 19/5150

uitspraak van de meervoudige kamer van 30 juni 2020 in de zaak tussen

[eisers] , te [woonplaats] , eisers

(gemachtigde: mr. P.A. de Lange),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Houten (verder: het college), verweerder

(gemachtigde: mr. M. Rus-van der Velde).

Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen:

Windpark Goyerbrug b.v. (verder: vergunninghouder), te Houten

(gemachtigde: mr. K. Dankers).

Inleiding

1. Vergunninghouder heeft het voornemen om aan de zuidkant van het Amsterdam-Rijnkanaal ter hoogte van de Goyerbrug in de gemeente Houten een windpark van vier windturbines in een lijnopstelling te realiseren. De lengte van de opstelling is circa 1.600 meter. De vier turbines zijn gelijk aan elkaar en hebben een ashoogte van minimaal 145 meter en maximaal 166 meter, en een rotordiameter van maximaal 150 meter. Het vermogen van het windpark bedraagt minimaal 14,4 MW en maximaal 22,4 MW. De definitieve keuze voor het type windturbine heeft vergunninghouder nog niet gemaakt.

2. Vergunninghouder heeft voor dit plan een aanvraag voor een omgevingsvergunning ingediend. Het college heeft het besluit op deze aanvraag voorbereid volgens de uitgebreide voorbereidingsprocedure1. Dit betekent dat er een ontwerpbesluit ter inzage heeft gelegen. Eisers hebben hierover tijdig een zienswijze naar voren gebracht. Ook heeft de gemeenteraad van Houten een verklaring van geen bedenkingen gegeven aan het college en het Ministerie van Defensie heeft een verklaring van geen bezwaar afgegeven.

3. Op 21 oktober 2019 heeft het college aan vergunninghouder een omgevingsvergunning (de omgevingsvergunning) verleend voor de activiteiten bouwen en planologisch strijdig gebruik en een beperkte milieutoets. Eisers hebben tegen de omgevingsvergunning beroep ingesteld. Het college heeft een verweerschrift ingediend.

4. De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening (verder: StAB) heeft op verzoek van de rechtbank op 9 april 2020 een deskundigenbericht uitgebracht. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld hierop schriftelijk te reageren. Het college heeft van deze gelegenheid gebruik gemaakt. Eisers en vergunninghouder hebben niet gereageerd.

5. De zaak is – tegelijk, maar niet gevoegd, met de zaak met het zaaknummer UTR 19/5144 – behandeld op de zitting van 19 mei 2020. Eiseres was hierbij aanwezig, bijgestaan door de gemachtigde van eisers. Namens het college waren aanwezig: de gemachtigde,

mr. [A] , mr. [B] en [C] . Vergunninghouder werd op de zitting vertegenwoordigd door drs. ing. [D] , bijgestaan door de gemachtigde en de deskundigen ing. [E] , ing. [F] , [G] MSc,

ir. [H] , ir. [I] , ing. [J] , ir. [K] ,

mr. ing. [L] en drs. [M] . De StAB heeft zich laten vertegenwoordigen door drs. ing. [N] , ir. [O] , drs. [P] , en

[Q] . Vanwege de maatregelen rondom het Coronavirus was van alle partijen één gemachtigde in de zittingszaal aanwezig. Alle andere genoemde personen waren via een Skype-verbinding met de zittingszaal verbonden.

Overwegingen

Het geschil

6. Deze zaak gaat over de vraag of de omgevingsvergunning die het college aan vergunninghouder heeft verleend in stand kan blijven.

7. De afstand tussen de eerste turbine uit de lijnopstelling tot aan de woning van eisers bedraagt 283 meter. Het standpunt van eisers is, kort samengevat, dat het windpark Goyerbrug niet binnen de huidige wettelijke kaders gerealiseerd kan worden en aan hen onevenredig en onaanvaardbaar veel schade zal berokkenen. Volgens eisers heeft het college voordat het de omgevingsvergunning heeft verleend geen zorgvuldig onderzoek gedaan naar alle relevante feiten en betrokken belangen en is de omgevingsvergunning in strijd met een goede ruimtelijke ordening en onvoldoende gemotiveerd.

8. Het college stelt zich op het standpunt dat het windpark in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening en dat de belangen van eisers op zorgvuldige wijze bij de besluitvorming zijn betrokken. De omgevingsvergunning is terecht aan vergunninghouder verleend.

Beoordelingskader en leeswijzer

9. De rechtbank zal in deze uitspraak de omgevingsvergunning aan de hand van de beroepsgronden die door eisers zijn ingediend beoordelen. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat het college bij zijn besluitvorming over de aanvraag van vergunninghouder beleidsruimte heeft. Als het college van mening is dat het windpark in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening, kan het ervoor kiezen om zijn bevoegdheid tot afwijking van het bestemmingsplan al dan niet te gebruiken. De rechtbank toetst of het college bij een afweging van de betrokken belangen in redelijkheid tot het verlenen van de omgevingsvergunning heeft kunnen komen.

10. De rechtbank zal de beroepsgronden van eisers in deze uitspraak in de volgende volgorde behandelen:

  1. de formele punten die door eisers naar voren zijn gebracht;

  2. landschappelijke inpassing;

  3. MER-beoordeling;

  4. geluid;

  5. natuur;

  6. slagschaduw;

  7. externe veiligheid;

  8. gezondheid.

De uitspraak eindigt met een conclusie.

a. Formele punten

11. Eisers voeren aan dat niet is voldaan aan het Verdrag van Aarhus, omdat de locatie al vast ligt. Eisers hebben hier onvoldoende inspraak in gehad. Dit is in de zienswijze ook al aangevoerd, maar eisers vinden de reactie van het college onvoldoende gemotiveerd. De uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (verder: de Afdeling) waar het college naar verwijst, zijn volgens eisers onjuist. Eisers willen daarom dat de rechtbank prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie te Luxemburg (verder: HvJ) stelt, om duidelijkheid te krijgen of nog sprake is van voldoende inspraak als de keuze voor de ligging van het windpark al gegeven is.

12. Het is vaste rechtspraak van de Afdeling2 dat op het moment dat iemand een zienswijze kan indienen, er nog geen beslissing is genomen op het ontwerpbesluit, met inbegrip van de exacte plaats waar de aangevraagde turbines moeten komen. Inspraak is volgens de Afdeling vroeg genoeg als alle opties nog open liggen en doeltreffende inspraak kan plaatsvinden. Eisers hebben hun zienswijze ingediend en in de Nota Zienswijzen zijn door het college – voorafgaande aan besluitvorming - alle zienswijzen afgewogen. De rechtbank stelt vast dat voldaan is aan de wettelijke vereisten van terinzagelegging en kennisgeving daarvan. Daarmee hebben eisers naar het oordeel van de rechtbank een reële mogelijkheid van inspraak gehad.

De beroepsgrond slaagt niet.

13. In artikel 267, tweede alinea, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (verder: VWEU) is bepaald dat de rechtbank een prejudiciële vraag kan stellen als dat nodig is voor een uitspraak. De rechtbank ziet in wat eisers hebben aangevoerd geen aanleiding om te twijfelen aan de vaste rechtspraak van de Afdeling. Er is daarom ook geen aanleiding tot het stellen van de door eisers voorgestelde prejudiciële vraag.

14. Eisers voeren aan dat in de zaak C-290/15 (D’Oultremont) door het HvJ bevestigend is beantwoord dat een wettelijke regeling met normen voor windparken moet worden opgevat als een ‘plan’ of ‘programma’ zoals bedoeld in artikel 2 onder a en artikel 3, tweede lid, onder a van de SMB-Richtlijn. Een plan of programma mag op grond van artikel 6 van de Richtlijn pas worden vastgesteld na een MER en na publieksparticipatie. Dit is niet gebeurd bij een aantal door het college gehanteerde regels die als ‘plan’ of ‘programma’ moeten worden beschouwd, zodat dit besluit niet vastgesteld had mogen worden. Het college stelt wel dat hij bij de beoordeling van de aanvraag aansluiting heeft gezocht bij de bepalingen uit het Activiteitenbesluit milieubeheer (verder: het Activiteitenbesluit) en de Activiteitenregeling milieubeheer (verder: Activiteitenregeling), maar bij de totstandkoming daarvan heeft ook geen MER-toetsing plaatsgevonden. Het college verwijst naar de uitspraken van de Afdeling, waarin de Afdeling heeft overwogen dat de normen voor het inwerking hebben van een windturbine uit het Activiteitenbesluit en de Activiteitenregeling geen plan of programma zijn, zodat er geen plicht bestaat om een plan-MER te maken op grond van de richtlijn. Deze uitspraken van de Afdeling hierover zijn volgens eisers onjuist, omdat er bij de beoordeling van de aanvraag al wordt aangesloten bij het Activiteitenbesluit en de Activiteitenregeling. De Afdeling miskent dat er volgens het Hof geen directe relatie hoeft te zijn met een concreet project, aldus eisers. Als de rechtbank de lijn van eisers niet volgt en wenst vast te houden aan de vaste rechtspraak van de Afdeling, verzoeken eisers om op dit punt prejudiciële vragen te stellen.

15. Het college heeft bij de beoordeling aangesloten bij de bepalingen die in het Activiteitenbesluit en de Activiteitenregeling zijn opgenomen voor het in werking hebben van een windturbine. Het is vaste rechtspraak van de Afdeling3 dat de bepalingen voor het inwerking hebben van een windturbine geen plan of programma als bedoeld in artikel 2 van de SMB-richtlijn vormen, zodat om deze reden al geen plicht om een plan-MER te maken kan voortvloeien. Deze vaste rechtspraak van de Afdeling is volgens eisers onjuist, maar de rechtbank ziet in wat eisers hebben aangevoerd geen aanleiding om hun standpunt te volgen. Het door eisers genoemde arrest D’Oultremont is in de rechtspraak van de Afdeling over de aard van het Activiteitenbesluit en de Activiteitenregeling uitdrukkelijk betrokken. De beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank ziet ook geen aanleiding tot het stellen van de door eisers voorgestelde prejudiciële vragen.

16. Eisers voeren aan dat het bevoegd gezag bij het nemen van haar besluiten partijdigheid en schijn van partijdigheid moet vermijden. Dat is niet gedaan, omdat deze locatie tot stand is gekomen op initiatief van vergunninghouder. De vaststelling van het college dat niet enkel op verzoek van initiatiefnemer deze locatie (vooral windturbine 1) voor windenergie is aangewezen, is feitelijk onjuist. Op aangeven van de initiatiefnemer is deze locatie in de structuurvisie van provincie Utrecht en gemeente Houten gekomen. Dit is vastgesteld in het streekplan 2005-2015 van de provincie Utrecht met nog de afstandsnorm van 4 maal de ashoogte. Deze afstandsnorm is in de provinciale structuurvisie vervallen. De afstanden worden korter terwijl de machines steeds groter en zwaarder worden, aldus eisers.

17. Door het college is in de Nota Zienswijzen toegelicht dat de huidige initiatiefnemer
10 jaar geleden kenbaar heeft gemaakt dit plan te willen uitvoeren. Daarvóór is deze locatie al in 2001 aangewezen als mogelijke locatie voor windenergie. Vervolgens is de locatie, na inspraak op de Structuurvisie, verplaatst. De rechtbank ziet hierin geen aanknopingspunten voor (schijn van) partijdigheid, zoals bedoeld in artikel 2:4 van de Awb. Dat de afstandsnorm in de provinciale structuurvisie is vervallen, komt overeen met het wegvallen van deze afstandsnorm bij de wijziging van het Activiteitenbesluit in 2010.4

De beroepsgrond slaagt niet.

18. Eisers voeren aan dat in de provincie Utrecht slechts een beperkt aantal locaties is waar windparken kunnen worden opgericht. Dit is door overheidshandelen gecreëerde schaarste. Bij verdeling van schaarse vergunningen moeten alle potentiële gegadigden gelijke kansen krijgen om in een transparante procedure mee te dingen. Dat is niet gebeurd: de omwonenden, waaronder eisers, zijn buiten spel gezet. Anders dan het college betoogt, is er wel sprake van een door overheidshandelen tot stand gekomen beperkt aantal locaties, als gevolg van het besluit van de Provincie over zoeklocaties. Als de rechtbank het standpunt van eisers niet volgt, willen zij dat er een prejudiciële vraag gesteld wordt. Op de zitting hebben eisers toegelicht dat het relativiteitsvereiste hen niet kan worden tegen geworpen, omdat zij potentieel belanghebbende zijn. Eisers hebben zich niet als serieus geïnteresseerde kunnen gedragen, omdat er niet transparant gecommuniceerd is.

19. De rechtbank overweegt dat eisers beroep hebben ingesteld om te voorkomen dat er windturbines op de nabijheid van hun woning worden geplaatst. Nergens blijkt uit dat eisers interesse hebben in participeren in windenergieprojecten. Uit rechtspraak van de Afdeling5 volgt dat in zo’n geval de norm waar eisers zich op beroepen, niet strekt tot bescherming van hun belang als omwonende bij het behoud van een goede kwaliteit van de woon- en leefomgeving. Ook als het betoog dat niet is voldaan aan de regels voor de verdeling van schaarse vergunningen zou slagen, kan dit niet leiden tot vernietiging van het bestreden besluit.6 Daargelaten of er sprake is van schaarste in de zin van schaarse vergunningen, kan deze beroepsgrond naar het oordeel van de rechtbank nergens toe leiden. Om deze reden wordt de beroepsgrond niet inhoudelijk besproken.

20. Omdat de beroepsgrond niet inhoudelijk wordt besproken, ziet de rechtbank ook geen aanleiding tot het stellen van prejudiciële vragen op dit punt.

21. Eisers voeren aan dat uit het hele proces blijkt dat het bestreden besluit op een onzorgvuldige wijze tot stand is gekomen. Het gebrek aan regie heeft een onacceptabele achteruitgang van het sociale leefklimaat tot gevolg heeft gehad in de kleine kern Goyerbrug. Eisers worden weggezet als tegenstanders van duurzame energie. Het vergunningenproces is niet democratisch, objectief, integer en transparant verlopen. In dat kader voeren eisers onder andere aan dat zij sinds 2009 onvoldoende op de hoogte zijn gehouden van de plannen van initiatiefnemer, dat er onvoldoende draagvlak is onder de omwonenden en dat er niet is gehandeld volgens de gedragscodes van de NLVOW en de NWEA. Daar komt bij dat het college een bureau (Pondera Consult B.V.) heeft ingezet dat meerdere petten op heeft en dat eisers van iedere inspraakmogelijkheid gebruik hebben gemaakt, maar dat zij buiten spel zijn gezet.

22. De rechtbank overweegt dat uit de door eisers genoemde punten niet blijkt dat wettelijke regels of algemene beginselen van behoorlijk bestuur in de procedure niet zijn nageleefd. De rechtbank begrijpt dat wat eisers aanvoeren voor hen een optelsom is van hoe zij de afgelopen jaren hebben ervaren Hoewel deze gevoelens in dergelijke langlopende vergunningverleningstrajecten op zich invoelbaar zijn, kunnen er – gelet op wat de rechtbank daarover hierboven heeft overwogen – in het kader van de vergunningverlening geen consequenties aan worden verbonden. De rechtbank ziet in de door eisers genoemde ervaringen geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit onzorgvuldig tot stand is gekomen. De beroepsgrond slaagt niet.

23. Eisers voeren aan dat in de omgevingsvergunning staat dat andere windturbinetypes mogen worden gehanteerd, mits 8 weken voorafgaand aan het gebruik wordt aangetoond dat ze gelijkwaardig zijn ten aanzien van de noise-mode-instellingen van de turbinetypes uit de aanvraag. De vergunning is daarmee onvoldoende afgebakend. Er is meer van belang dan alleen geluid, namelijk type rotorblad (vorm, breedte en dikte) en rotorsnelheid.

24. De rechtbank overweegt dat de omgevingsvergunning is verleend voor windturbines met een ashoogte van minimaal 145 meter en maximaal 166 meter en een rotordiameter van 150 meter. Daarnaast is in de omgevingsvergunning vastgelegd dat het maximaal toegestane vermogen voor het gehele windpark 22,4 MW is. Er is ook een voorschrift opgenomen dat de definitieve keuze voor de bouw moet worden goed gekeurd. De rechtbank overweegt dat uit vaste rechtspraak van de Afdeling7 volgt dat het is toegestaan om bandbreedtes in de omgevingsvergunning op te nemen in plaats van vaste kenmerken. Eisers benoemen bij dit punt dat zij zich zorgen maken over het geluid. De windturbines die maximaal mogelijk zijn, zijn niet onderzocht, maar in de vergunning is voorgeschreven dat voor de grenswaarden voor wat betreft het geluid is aangesloten bij het Activiteitenbesluit milieubeheer (verder: Activiteitenbesluit). Op grond van vaste rechtspraak van de Afdeling8 mag hierbij aangesloten worden. De beroepsgrond slaagt niet.

Landschappelijke inpassing

25. Eisers voeren aan dat de besluitvorming over de landschappelijke inpassing aan de hand van vastgestelde structuurvisies door de gemeente Houten en de provincie Utrecht is gebaseerd op verouderde informatie. Bij deze structuurvisies is men uitgegaan van de destijds gebruikelijke maximale tiphoogte van ongeveer 130 meter en een rotordiameter van 60 tot 85 meter. De aanvraag voor het windpark Goyerbrug gaat uit van een tiphoogte van 241 meter en een rotordiameter van 150 meter. De vraag is of deze locatie zou zijn gekozen als destijds was uitgegaan van deze hoogte. Tevens ging het in 2001 om een locatie ter hoogte van de kern ’t Goy en, anders dan het college stelt, niet om de huidige locatie voor het windpark.

26. De gemeenteraad van Houten heeft in 2001 een aantal locaties binnen haar grondgebied geschikt verklaard voor realisatie van windturbines. Aan dit besluit heeft een inrichtingsstudie ten grondslag gelegen om te komen tot een afgewogen besluitvorming. In het raadsbesluit van 2001 is geen zoekgebied aangewezen. In het besluit staat dat de locatie ten zuiden van het Amsterdam-Rijnkanaal ter hoogte van ’t Goy geschikt is voor windenergie. In de Structuurvisie Eiland van Schalkwijk (2011) is onder meer duurzame ontwikkeling en de productie van duurzame energie (“windmolens, landbouw, water”) als uitgangspunt opgenomen. Als locatie voor het voorgenomen windpark nabij de Goyerbrug zijn aangewezen de ‘komgronden ten noorden van Schalkwijk’ en ‘Oeverwal’. Voor deze gebieden is specifiek windenergie benoemd. Deze structuurvisie stelt geen eisen aan het aantal en de hoogte van de windturbines in het zoekgebied.

De Provinciale Ruimtelijke Structuurvisie 2013 – 2018 (herijking 2016) (verder: PRV) benoemt specifieke locaties in landelijk gebied voor grootschalige windturbines met een ashoogte van 60 meter en hoger. Een van deze specifiek benoemde locaties is gelegen langs het Amsterdam-Rijnkanaal ten zuiden van Houten nabij de Goyerbrug. Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat aan de provinciale structuurvisie een planMER ten grondslag heeft gelegen waarin is uitgegaan van turbines met een vermogen van 2 tot 5 MW. De planMER bevat geen hoogtebeperkingen ten aanzien van de te realiseren turbines.

Het college heeft mede aan de hand van kaartuitsneden aangegeven dat in de structuurvisie Eiland van Schalkwijk het zoekgebied voor de windturbines weliswaar iets in zuidoostelijke richting is verplaatst, maar nog steeds is gelegen binnen het zoekgebied zoals dat is aangewezen in de Provinciale Structuurvisie.

27. Niet is gebleken dat er in 2001 sprake was van een andere zoeklocatie dan nu het geval is. De rechtbank stelt vast dat voor de in de Provinciale Structuurvisie vastgelegde zoeklocatie is uitgegaan van een ashoogte van 60 meter of hoger en dat er verder geen voorwaarden zijn gesteld aan aantallen en de as- en tiphoogte van de windturbines. In de structuurvisie Eiland van Schalkwijk worden deze voorwaarden ook niet gesteld. Aan de hand van de aanvraag en de daarbij behorende stukken en onderzoeken heeft het college zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het windpark op de locatie, zoals aangevraagd, uit landschappelijk oogpunt niet onaanvaardbaar is te achten.

De beroepsgrond slaagt niet.

MER-beoordeling

28. Eisers voeren aan dat het college door het verlenen van de omgevingsvergunning om af te wijken van het geldende bestemmingsplan ‘Eiland van Schalkwijk’ de uitgebreide MER-procedure omzeilt. Deze MER-procedure is verplicht bij de wijziging van een bestemmingsplan. Het bestemmingsplan ‘Eiland van Schalkwijk’ is op 30 augustus 2017 vastgesteld. De beoogde locatie van het windpark Goyerbrug is niet in dit bestemmingsplan opgenomen. Deze is (bewust) uit het plan gehaald na zienswijzen op het ontwerpbestemmingsplan. Bij de omgevingsvergunning is alleen een beperkte MER-procedure van toepassing. Daardoor zijn volgens eisers belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu onvoldoende in beeld gebracht en hebben eisers geen inspraak gehad bij deze gewijzigde bestemming.

29. Als een windpark wordt opgericht met een gezamenlijk vermogen van 15 MW of meer moet het college ook bij het verlenen van een omgevingsvergunning op grond van

artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 3, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (verder: Wabo) – net als de gemeenteraad bij het vaststellen van een bestemmingsplan – beoordelen of een MER moet worden opgesteld9. Op basis van door LBP Sight opgestelde notities en uitgevoerde onderzoeken heeft het college op 10 januari 2019 de conclusie getrokken dat bij het toepassen van in de notities genoemde mitigerende maatregelen het windpark Goyerbrug niet leidt tot belangrijke cumulatieve effecten en/of nadelige gevolgen voor het milieu en dat dus geen MER-procedure hoeft te worden doorlopen.

30. Over de wijziging van het vastgestelde bestemmingsplan ‘Eiland van Schalkwijk’ ten opzichte van het ontwerpbestemmingsplan waar eisers naar verwijzen, heeft het college toegelicht dat het daarbij niet specifiek over de locatie van het windpark Goyerbrug ging. In het ontwerpbestemmingsplan was een afwijkingsbevoegdheid voor voorzieningen voor duurzame energie opgenomen voor het hele plangebied. Naar aanleiding van een zienswijze kwam het gemeentebestuur tot de conclusie dat deze afwijkingsbevoegdheid onvoldoende begrensd was. Dit is in lijn met vaste rechtspraak van de Afdeling dat onbegrensde afwijkingsmogelijkheden in een bestemmingsplan onverbindend zijn. Daarom is deze afwijkingsbevoegdheid niet opgenomen in het definitieve bestemmingsplan. Voor het verlenen de omgevingsvergunning kon het college dus geen gebruik maken van een afwijkingsbevoegdheid, maar moest het toepassing geven aan artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 3, van de Wabo. Eisers hebben via hun zienswijze en dit beroep kunnen reageren op de afwijking van het bestemmingsplan.

31. De conclusie van het voorgaande is dat het standpunt van eisers dat het college de MER-procedure heeft omzeild niet gevolgd wordt. Het college heeft conform de regels uit de Wet milieubeheer een MER-beoordeling uitgevoerd en daaruit kwam naar voren dat geen MER hoeft te worden opgesteld. Zoals het college heeft toegelicht zag de wijziging van het bestemmingsplan bij vaststelling ten opzichte van het ontwerp niet op het verwijderen van de locatie van windpark Goyerbrug uit het plan, maar op het verwijderen van een algemene afwijkingsbevoegdheid voor het gehele plangebied.

De beroepsgrond slaagt niet.

Geluid

32. Windturbines veroorzaken geluid. Daarom zijn in het Activiteitenbesluit specifieke geluidnormen opgenomen voor windturbines10 om geluidhinder te voorkomen of te beperken. Het windpark Goyerbrug moet in zijn totaliteit aan deze normen voldoen. De Wet geluidhinder waarnaar eisers in hun beroepsgronden verwijzen is gelet op deze specifieke normen voor windturbines in het Activiteitenbesluit niet van toepassing. Ook kent het Activiteitenbesluit geen eisen voor een minimale afstand tussen windturbines en woningen.

33. Uit het akoestisch onderzoek van LBP Sight dat bij de ruimtelijke onderbouwing van de omgevingsvergunning (verder: de ruimtelijke onderbouwing) is gevoegd, blijkt dat het windpark Goyerbrug niet zonder meer aan de normen in het Activiteitenbesluit voldoet en dat geluidsreductie noodzakelijk is. Daarom heeft het college in de omgevingsvergunning mitigerende maatregelen opgenomen in de vorm van noise-mode-instellingen. Met deze maatregelen wordt ook ter hoogte van de woning van eisers aan de normen voldaan.

34. Eisers verwijzen naar de uitkomsten van een ander geluidsonderzoek dat is gedaan in het kader van een aanvraag van een diervoederbedrijf om haar bedrijfstijden uit te breiden. Daaruit bleek dat de omgeving een landelijk stille omgeving is. Het diervoederbedrijf kon niet voldoen aan de richtwaarden die daarvoor gelden. Ditzelfde geldt volgens eisers voor het windpark Goyerbrug.

35. De StAB geeft in haar bevindingen aan dat het onderzoek waarnaar eisers verwijzen een heel ander onderzoek betreft dan het onderzoek dat LBP Sight heeft uitgevoerd voor het windpark Goyerbrug. Daarom zijn de resultaten volgens de StAB niet met elkaar te vergelijken. Door de afstand tussen de woning en het veevoederbedrijf kan volgens de StAB ook het vastgestelde referentieniveau van het omgevingsgeluid nabij deze inrichting niet zonder meer worden geprojecteerd op het akoestisch woonklimaat bij de woning van eisers.

36. De rechtbank mag bij de beoordeling in beginsel afgaan op de inhoud van het verslag van de StAB. Dat is slechts anders als het verslag onvoldoende onzorgvuldig tot stand is gekomen of anderszins gebreken bevat, dat het niet aan de oordeelsvorming ten grondslag mag worden gelegd. De rechtbank volgt het deskundigenbericht van de StAB dat er op basis van het onderzoek waarnaar eisers verwijzen geen aanleiding is om te twijfelen aan de juistheid van het akoestisch onderzoek van LBP Sight.

37. Verder voeren eisers aan dat in de aanvraag van vergunninghouder een verkeerd beeld van de werkelijkheid wordt gegeven, omdat het geluidsniveau enkel is berekend en niet daadwerkelijk is gemeten.

38. De StAB licht in haar bevindingen toe dat immissiemetingen (metingen van het binnenkomend geluid) bij woningen van derden niet goed mogelijk zijn. Dit komt door de keuze van de wetgever voor een jaargemiddelde norm, de invloed van stoorgeluid en problemen ten aanzien van representativiteit van de metingen door de gemiddelde windsnelheid en windrichting over een kalenderjaar. Daarom wordt het geluid dat windturbines maken beoordeeld op basis van het emissiegeluid (het geluid dat de windturbine produceert). Op grond van de Activiteitenregeling moet dit gebeuren aan de hand van het Reken- en meetvoorschrift windturbines. De StAB stelt in haar bevindingen vast dat LBP Sight in het akoestisch onderzoek toepassing heeft gegeven aan het Reken- en meetvoorschrift windturbines. In wat eisers aanvoeren ziet de rechtbank geen aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van deze bevindingen van de StAB.

39. Ten slotte voeren eisers over dit onderwerp aan dat door het geluid van de windturbines geen sprake is van een goed en aanvaardbaar woon- en leefmilieu en ook niet van een goede ruimtelijke ordening.

40. Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling is het aanvaardbaar dat het college vanuit een oogpunt van goede ruimtelijke ordening de geluidsnormen uit het Activiteitenbesluit als uitgangspunt neemt11. Nu aan deze normen wordt voldaan heeft het college in redelijkheid kunnen concluderen dat het windpark Goyerbrug wat betreft de geluidsproductie in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening

De beroepsgrond slaagt niet.

Natuur

41. De rechtbank stelt bij het onderwerp natuur voorop dat de aanvraag om de omgevingsvergunning geen betrekking heeft op de benodigde ontheffing op grond van de Wet natuurbescherming (verder: Wnb). Voor deze ontheffing is een afzonderlijke aanvraag gedaan. De rechtbank moet in een dergelijke situatie beoordelen of het college bij het verlenen van de omgevingsvergunning op voorhand in redelijkheid had moeten onderkennen dat de Wnb aan de uitvoerbaarheid van het project in de weg stond.

Van belang is dat voorafgaand aan de verlening van de omgevingsvergunning het college van gedeputeerde staten van de provincie Utrecht (verder: GS) op 14 december 2018 aan vergunninghouder een ontheffing heeft verleend op grond van de Wnb voor het verbod op het doden van bepaalde soorten (vogels en vleermuizen). In dat geval kan het college er in beginsel vanuit gaan dat de Wnb voor zover deze gaat over het doden van soorten niet aan de uitvoerbaarheid van de omgevingsvergunning in de weg staat12. Eisers hebben tegen de ontheffing bezwaar gemaakt. Dit bezwaar is niet ontvankelijk verklaard. Hiertegen hebben eisers beroep ingesteld bij de rechtbank. Met de uitspraak van 26 maart 202013 heeft de rechtbank deze beroepen ongegrond verklaard. De soortenbescherming is in deze procedure verder niet aan de orde.

42. Eisers voeren aan dat de aan vergunninghouder verleende Wnb-ontheffing niet ziet op de effecten van het windpark Goyerbrug op de instandhoudingsdoelstellingen van omliggende Natura-2000 gebieden en dat het bevoegd gezag ook geen besluit heeft genomen over de aantasting van de wezenlijke kenmerken en waarden van het Natuurnetwerk Nederland (verder: NNN).

43. De rechtbank zal eerst beoordelen of – zoals het college stelt – het relativiteitsbeginsel in de weg staat aan een inhoudelijke beoordeling van de beroepsgronden over de aantasting van Natura 2000-gebieden en het NNN.

44. De bepalingen in de Wnb over Natura 2000-gebieden en in de PRV over het NNN strekken ter bescherming van het behoud van de natuurwaarden in deze gebieden en dus niet ter bescherming van de belangen van eisers. Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling kunnen individuele belangen van burgers bij het behoud van een goede kwaliteit van hun leefomgeving, waarvan Natura 2000-gebieden en het NNN deel uitmaken, verweven zijn met de belangen die de Wnb en de PRV beogen te beschermen. Deze verwevenheid kan zelfs zo danig zijn dat de betrokken normen van de Wnb en PRV kennelijk ook strekken tot bescherming van de belangen van die burgers14. De rechtbank is van oordeel dat van een dergelijke verwevenheid tussen de belangen die de Wnb en de PRV beogen te beschermen en de belangen van eisers bij het behoud van een goede kwaliteit van hun leefomgeving in dit geval geen sprake is. De Natura 2000-gebieden ‘Rijntakken’, ‘Kolland & Overlangbroek’ en ‘Linge & Diefdijk Zuid’ zijn het dichtst bij het windpark Goyerbrug gelegen. Het NNN is in het kader van de omgevingsvergunning relevant voor dat deel dat tussen de het windpark Goyerbrug en het Amsterdam-Rijnkanaal ligt. Windturbine 3 en 4 zullen hier gedeeltelijk overheen draaien. Gelet op de afstand van de woningen van eisers tot de genoemde Natura 2000-gebieden (minimaal 7432 meter) en het deel van het NNN waarover turbine 3 en 4 zullen gaan draaien, maken deze gebieden naar het oordeel van de rechtbank geen deel uit van de directe leefomgeving van eisers.

45. De conclusie van het voorgaande is dat het relativiteitsbeginsel in de weg staat aan vernietiging van de omgevingsvergunning vanwege de beroepsgronden die eisers aanvoeren over de aantasting van de beschermde natuurgebieden die deel uitmaken van Natura 2000 en het NNN. De rechtbank ziet daarom af van een inhoudelijke beoordeling van de beroepsgronden van eisers over dit onderwerp. Ook ziet zij om die reden geen aanleiding tot het stellen van een prejudiciële vraag zoals aangevoerd door eisers in hun beroepsschrift genummerd als prejudiciële vraag IV.

Slagschaduw

46. Partijen zijn het er over eens en de rechtbank stelt ook vast dat gelet op de afstand van de woning van eisers tot de windturbines slagschaduw (passerende schaduw van draaiende rotorbladen) zal optreden op de woning van eisers. Ook is niet in geschil dat hiervoor normen zijn opgenomen in artikel 3.12 van de Activiteitenregeling. Wel verschillen partijen van mening hoe deze normen geïnterpreteerd moeten worden.

47. Op grond van de normen in de Activiteitenregeling moeten de windturbines zijn voorzien van een automatische stilstandvoorziening. Deze voorziening moet de windturbines afschakelen als meer dan 17 dagen per jaar gedurende meer dan 20 minuten per dag op de woning van eisers slagschaduw optreedt. De slagschaduwhinder op de woning van eisers is onderzocht door LBP Sight15. Volgens de uitgevoerde berekeningen zal op de woning van eisers op meer dan 17 dagen per jaar meer dan 20 minuten slagschaduw optreden. De windturbines moeten daarom worden voorzien van een stilstandvoorziening.

48. De StAB zijn bij de bestudering van het onderzoek van LBP Sight geen gebreken opgevallen. Bij de windturbines zal gebruik worden gemaakt van een slagschaduwcomputer in combinatie met een lichtsensor, die garandeert dat de norm voor slagschaduw nooit de norm uit de Activiteitenregeling overschrijdt. De computer kent de woning van eisers en controleert voortdurend of er sprake is van slagschaduw.

49. Eisers interpreteren de norm uit de Activiteitenregeling zo dat als gevolg van het windpark Goyerbrug maximaal 6 uur per jaar slagschaduw op hun woning mag optreden. Volgens eisers is onduidelijk of dit met de omgevingsvergunning is gewaarborgd.

50. De StAB beschrijft in zijn rapport dat bij de boordeling van de slagschaduw bij veel windparken in Nederland niet is uitgegaan van de letterlijke norm uit de Activiteitenregeling, maar van een vereenvoudigde norm van maximaal (17 x 21 minuten =) 6 uur per jaar aan slagschaduw. Deze vereenvoudigde benadering is geaccepteerd door de Afdeling.

51. De rechtbank begrijpt de wens van eisers om ook in het geval van het windpark Goyerbrug deze vereenvoudigde benadering toe te passen. Als deze wordt toegepast zal er namelijk minder ruimte bestaan voor aantasting van hun woon- en leefklimaat door slagschaduw, dan wanneer de wettelijke norm uit de Activiteitenregeling wordt toegepast. Dat de vereenvoudigde benadering door de Afdeling is geaccepteerd, maakt echter niet dat het het college niet vrij staat om de wettelijke regeling toe te passen. Zoals onder 48 reeds vermeld, blijkt uit het uitgevoerde onderzoek van LBP Sight dat met een stilstandvoorziening in de windturbines aan de norm uit de Activiteitenregeling kan worden voldaan.

De beroepsgrond slaagt niet.

52. Eisers doen ook een beroep op het gelijkheidsbeginsel. Voor het windpark Houten zijn maatwerkafspraken gemaakt op grond waarvan bij dit windpark helemaal geen slagschaduw mag optreden. Eisers vinden het in strijd met het gelijkheidsbeginsel dat voor het windpark Goyerbrug niet dezelfde maatwerkafspraken worden gemaakt.

53. De rechtbank volgt de uitleg van het college dat bij de twee windparken geen sprake is van een identieke situatie. Het windpark Houten ligt dicht tegen de kern van Houten aan, terwijl het Windpark Goyerbrug wordt gesitueerd in dun bevolkt gebied. Dat alleen al maakt dat de twee windparken niet gelijk zijn aan elkaar.

Het beroep op het gelijkheidsbeginsel slaagt daarom niet.

Externe veiligheid

54. Eisers voeren over dit punt aan dat in tegenstelling tot wat staat vermeld in de omgevingsvergunning, hun perceel wel binnen de zogeheten 10-6 contour voor het plaatsgebonden risico ligt.

55. Het college heeft toegelicht dat deze 10-6 contour wordt berekend vanaf het middelpunt van de turbine. Deze contour begint dus niet bij het uiteinde van het rotorblad gericht op de woning van eisers, waar eisers in hun beroepsgrond vanuit gaan. De rechtbank volgt het college in zijn standpunt dat wat eisers aanvoeren geen aanleiding geeft om de bevindingen in het rapport ‘Externe veiligheidsrisico’s’ van LBP Sight16 dat bij de ruimtelijke onderbouwing is gevoegd voor onjuist te houden. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het college uit dit rapport kunnen concluderen dat het aspect externe veiligheid geen belemmering vormt voor de ontwikkeling van het windpark Goyerbrug.

De beroepsgrond slaagt niet.

Gezondheid

56. Eisers voeren aan dat het college op grond van de zorgplicht uit artikel 22 van de Grondwet en richtlijn 2001/42/EG en het voorzorgbeginsel niet kan blijven ontkennen dat er een directe relatie bestaat tussen windturbines op relatief korte afstand van woningen en de gezondheidseffecten hiervan op direct omwonenden, omdat dit onvoldoende wetenschappelijk is aangetoond.

57. Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling is er op grond van de huidige wetenschappelijke inzichten geen bewijs voor directe effecten van windturbines op de gezondheid.17 Door eisers worden geen feiten en omstandigheden aangevoerd waaruit blijkt dat deze directe relatie wel bestaat. Zoals de Afdeling al meerdere malen heeft overwogen strekt het voorzorgsbeginsel niet zo ver dat op grond van bijvoorbeeld publicaties en uitlatingen waarin slechts een mogelijk verband wordt gelegd tussen windturbines en gezondheidsklachten, het college van het besluit tot verlening van de omgevingsvergunning moet afzien. De rechtbank ziet geen aanleiding om van deze vaste lijn in de rechtspraak van de Afdeling af te wijken.

De beroepsgrond slaagt niet.

Conclusie

58. De conclusie van het voorgaande is dat het beroep ongegrond is. Naar het oordeel van de rechtbank kan de omgevingsvergunning die het college heeft verleend aan vergunninghouder in stand blijven. Dit betekent voor partijen dat vergunninghouder het windpark Goyerbrug conform de aan haar verleende omgevingsvergunning mag realiseren.

59. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan op 30 juni 2020 door mr. N.H.J.M. Veldman-Gielen, voorzitter, en mr. E.M. van der Linde en mr. G.C.W. van der Feltz, leden, in aanwezigheid van

mr. I.C. de Zeeuw-'t Lam, griffier. Als gevolg van maatregelen rondom het Coronavirus is deze uitspraak niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Zodra het openbaar uitspreken weer mogelijk is, wordt deze uitspraak, voor zover nodig, alsnog in het openbaar uitgesproken.

de griffier is verhinderd deze

uitspraak te ondertekenen

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Op het hoger beroep tegen deze uitspraak is de Crisis- en herstelwet van toepassing. Dit betekent dat in het beroepschrift de gronden van hoger beroep kenbaar moeten worden gemaakt. Na de genoemde termijn van zes weken kunnen de gronden niet meer worden aangevuld

1 Artikel 3.10 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) en afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

2 De rechtbank verwijst naar bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 29 mei 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:1781).

3 De rechtbank verwijst naar de uitspraken van de Afdeling van 3 april 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:1064), 17 april 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:1258) en 29 januari 2020 (ECLI:NL:RVS:2020:301).

4 Zie de Nota van Toelichting, Stb 2010, 749 (blz. 15).

5 Zie de uitspraak van 2 oktober 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:3322).

6 De rechtbank verwijst hierbij naar artikel 8:69a van de Awb.

7 Zie bijvoorbeeld de uitspraken van 4 juli 2018 (ECLI:NL:RVS:2018:2225) en van 3 april 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:1064).

8 Zie bijvoorbeeld de uitspraken van 29 mei 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:1781) en van
21 februari 2018 (ECLI:NL:RVS:2018:616).

9 Onderdeel D22.2 van het Besluit m.e.r. in combinatie met de artikelen 7.16 t/m 7.20 van de Wet milieubeheer (Wm).

10 Artikel 3.14a, eerste lid, van het Activiteitenbesluit.

11 De rechtbank verwijst bijvoorbeeld naar de uitspraak van de Afdeling van 24 december 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:4442).

12 Zie de uitspraak van de Afdeling van 7 augustus 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:2720).

13 Deze uitspraak is te vinden via ECLI:NL:RBMNE:2020:1335.

14 De rechtbank verwijst bijvoorbeeld naar de uitspraak van de Afdeling van 19 juni 2019 (ECLI:NL:RVS:ECLI:NL:RVS:2019:1947).

15 Rapport ‘Windpark Goyerbrug: Aanvraag omgevingsvergunning – Onderzoek geluid en slagschaduw’, bijlage 10 bij de ruimtelijke onderbouwing.

16 Rapport ‘Windpark Goyerbrug onderzoek externe veiligheidsrisico’s’, bijlage 8 bij de ruimtelijke onderbouwing.

17 De rechtbank verwijst bijvoorbeeld naar de uitspraak van 6 november 2019, ECLI:NL:RVS:2019:3760, r.o. 21.