Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2020:2430

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
11-06-2020
Datum publicatie
30-06-2020
Zaaknummer
UTR 20/1777 en UTR 20/2070
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Beroep en vovo i.v.m. woningsluiting o.g.v. artikel 13b Opiumwet. In totaal ging het om 24,89 kilogram hennep. Verder zijn in de woning diverse verpakkingsmaterialen (strijkzakken en gripzakken), een strijkijzer, een stanleymes, een weegschaal, koolstoffilters en afzuigmotoren aangetroffen. Sluiting noodzakelijk en evenredig.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

Zaaknummers: UTR 20/1777 en UTR 20/2070

uitspraak van de voorzieningenrechter van 11 juni 2020 op het beroep en het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen

[verzoekster] , te [woonplaats] , verzoekster

(gemachtigde: mr. M. Hoevers),

en

de burgemeester van Amersfoort, verweerder

(gemachtigde: mr. drs. H. Maaijen).

Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen: Stichting de Alliantie, te Hilversum

(gemachtigde mr. K. Sluijs).

Procesverloop

Bij besluit van 7 mei 2020 (het primaire besluit) heeft verweerder onder aanzegging van bestuursdwang gelast dat de woning van verzoekster aan de [adres] te [woonplaats] (hierna: de woning) op grond van artikel 13b van de Opiumwet voor de duur van drie maanden wordt gesloten. Verzoekster heeft bezwaar gemaakt tegen dit besluit en een voorlopige voorziening gevraagd.

Bij uitspraak van 12 mei 2020 heeft de voorzieningenrechter van deze rechtbank het primaire besluit bij wijze van ordemaatregel geschorst tot uitspraak zal zijn gedaan op het verzoek om een voorlopige voorziening.

Bij besluit van 2 juni 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van verzoekster ongegrond verklaard. Verzoekster heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Het verzoek om een voorlopige voorziening dat al was ingediend hangende bezwaar, wordt gelijkgesteld met een verzoek om een voorlopige voorziening hangende beroep.

In verband met de maatregelen rondom het coronavirus heeft het onderzoek ter zitting op

8 juni 2020 plaatsgevonden via Skype for Business. Verzoekster, verweerder en derde-partij hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden.

Overwegingen

1. Na afloop van de zitting is de voorzieningenrechter tot de conclusie gekomen dat nader onderzoek niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak. De voorzieningenrechter doet daarom op grond van artikel 8:86 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) niet alleen uitspraak op het verzoek om voorlopige voorziening, maar ook op het beroep.

Inleiding

2. Verzoekster woont sinds 33 jaar in de woning, die zij huurt van Stichting De Alliantie. Sinds het overlijden van haar echtgenoot is verzoekster de enige huurder van de woning. Haar zoon [A] en haar neef [B] staan ook op het adres [adres] ingeschreven in de BRP1. Verzoekster verblijft al enige tijd in Marokko.

Waarom heeft verweerder besloten de woning te sluiten?

3. Verweerder heeft besloten de woning te sluiten in verband met de volgende omstandigheden. Op 21 februari 2020 heeft de politie naar aanleiding van een melding over een sterke henneplucht de woning betreden. In de woning zijn 15 zakken met daarin hennep(toppen) aangetroffen. In totaal ging het om 24,89 kilogram hennep. Verder zijn in de woning diverse verpakkingsmaterialen (strijkzakken en gripzakken), een strijkijzer, een stanleymes, een weegschaal, koolstoffilters en afzuigmotoren aangetroffen. Deze voorwerpen duiden volgens verweerder op professionele kweek en verpakking van en handel in hennep.

4. Gelet op deze omstandigheden vindt verweerder het aannemelijk dat de woning een rol vervulde binnen de keten van drugshandel. Omdat het volgens verweerder gaat om een ernstig geval zoals bedoel in de Beleidsregel Sluiting lokalen en woningen op grond van artikel 13b Opiumwet (Damoclesbeleid gemeente Amersfoort), kan niet worden volstaan met een waarschuwing. Hier is sprake van een ernstig geval omdat de zeer grote hoeveelheid hennep en de aangetroffen voorwerpen duiden op grootschalige verkoop. Verder blijkt uit de justitiële gegevens dat [B] de afgelopen vijf jaar twee keer is veroordeeld voor overtreding van de Opiumwet. In 2018 en 2019 is hij aangehouden door de politie op verdenking van het verhandelen van hard- en softdrugs.

5. Het doel van de sluiting is de drugshandel vanuit de woning te beëindigen en de bekendheid van de woning als drugspand te doorbreken en de loop naar het pand eruit te halen. De sluiting is er ook op gericht om verdere aantasting van het woon- en leefklimaat rondom de woning te voorkomen. Het algemeen belang daarvan prevaleert boven de belangen van verzoekster als bewoonster van de woning.

Waarom moet verweerder volgens verzoekster de sluiting achterwege laten?

6. Verzoekster heeft verschillende omstandigheden naar voren gebracht, die volgens haar tot de conclusie leiden dat verweerder in redelijkheid niet van zijn sluitingsbevoegdheid gebruik mag maken.

7. In de eerste plaats stelt verzoekster dat sluiting niet noodzakelijk is. Hoewel de drugs kennelijk in de woning zijn verwerkt en verpakt, zijn er geen drugs vanuit de woning verhandeld. Van handel is immers pas sprake als er een transactie of overdracht plaatsvindt. In de woning zijn geen wapens of geld aangetroffen en van een ‘loop’ naar de woning is niet gebleken. Er zijn ook geen andere signalen die erop wijzen dat vanuit de woning in drugs is gehandeld. Van enig risico voor de openbare orde is geen sprake. Tot slot staat niet vast de eerder gepleegde strafbare feiten van neef [B] in of rondom de woning in kwestie zijn gepleegd.

8. In de tweede plaats stelt verzoekster dat sluiting niet evenredig is. Verzoekster voert hierover aan dat zij niets wist van de situatie in de woning en dat haar dus geen verwijt kan worden gemaakt. Het is niet rechtvaardig dat de gevolgen van de misdragingen van [A] en [B] voor haar rekening komen. Verweerder stelt ten onrechte dat het op de weg van een ander zoon van verzoekster ( [naam] ) had gelegen om toezicht te houden op wat er in de woning gebeurde. Verder heeft verzoekster een groot belang bij het behoud van de woning. Verweerder heeft daar onvoldoende rekening mee gehouden. Sluiting van de woning zal betekenen dat Stichting de Alliantie de huurovereenkomst zal ontbinden en verzoekster heeft geen andere woonruimte. Zij zal dus dakloos worden als verweerder de woning sluit. Dat is niet aanvaardbaar. Verzoekster lijdt aan dementie en heeft een kwetsbare gezondheid. Door de dementie is verzoekster gebonden aan haar woning en woonomgeving. De herkenning daarvan zorgt ervoor dat zij nog kan functioneren, maar wanneer deze herkenning wordt weggenomen is verzoekster mentaal verloren. Verweerder gaat er verder ten onrechte van uit dat verzoekster niet kan terugkeren vanuit Marokko. Zij is daar op dit moment nog omdat zij door de coronapandemie niet terug kan keren, maar het is de bedoeling dat zij weer naar Nederland komt zodra dat mogelijk is, aldus verzoekster.

Wat is het oordeel van de voorzieningenrechter?

9. Allereerst stelt de voorzieningenrechter vast dat verzoekster niet betwist dat verweerder bevoegd is om de woning te sluiten. Gelet op de in de woning aangetroffen handelshoeveelheid hennep is ook de voorzieningenrechter van oordeel dat verweerder bevoegd is de woning te sluiten. Daarmee komt de voorzieningenrechter toe aan de vraag of verweerder in redelijkheid van die bevoegdheid gebruik mag maken. Bij de beantwoording van die vraag is van belang of sluiting van de woning noodzakelijk is om het woon- en leefklimaat te beschermen en de openbare orde te herstellen. Daarnaast is van belang of een sluiting van de woning voor drie maanden evenredig is en of verweerder voldoende heeft gemotiveerd waarom voor een sluitingstermijn van drie maanden is gekozen.

Noodzakelijkheid

10. In hoeverre de sluiting van de woning noodzakelijk is ter bescherming van het woon- en leefklimaat bij de woning en het herstel van de openbare orde, moet worden beoordeeld aan de hand van de ernst en omvang van de overtreding.

11. De voorzieningenrechter is van oordeel dat verweerder voldoende heeft gemotiveerd dat sluiting van de woning noodzakelijk is. Daarbij heeft verweerder belang mogen toekennen aan de grote hoeveelheid drugs die in de woning aanwezig was, de voorwerpen die zijn aangetroffen, de antecedenten van neef [B] en de ligging van de woning in een kwetsbare woonwijk. De hoeveelheid hennep die is aangetroffen is erg groot en kan aangemerkt worden als een handelshoeveelheid. Als een handelshoeveelheid drugs wordt aangetroffen in een pand, mag aangenomen worden dat het pand een rol vervult binnen een keten van drugshandel. Dit levert op zichzelf al een belang op bij sluiting, ook als geen overlast of feitelijke drugshandel is geconstateerd.2 Anders dan verzoekster tijdens de zitting naar voren heeft gebracht, is dus niet bepalend of feitelijk transacties of overdrachten in of vanuit de woning hebben plaatsgevonden. Met een sluiting wordt het pand aan het drugscircuit onttrokken. De antecedenten van neef [B] mogen door verweerder worden meegewogen, omdat deze neef stond ingeschreven op het adres van de woning in kwestie en niet betwist is dat hij daar ook daadwerkelijk woonachtig was. Verweerder heeft bij zijn keuze om tot sluiting over te gaan ook belang mogen toekennen aan de ligging van de woning in een voor drugscriminaliteit kwetsbare woonwijk en in de buurt van een basisschool. Dat er geen overlast zou zijn geconstateerd en dat er geen loop was naar de woning, doet gezien het voorgaande geen afbreuk aan de noodzaak van de sluiting.

Evenredigheid

12. Daarmee komt de voorzieningenrechter toe aan de vraag of de sluiting van de woning voor drie maanden ook evenredig is. De voorzieningenrechter is van oordeel dat dat in dit geval zo is. Bij de beoordeling van de evenredigheid zijn in het geval van verzoekster twee omstandigheden van belang: de verwijtbaarheid van verzoekster en de gevolgen van de sluiting.

13. Verweerder is net als verzoekster zelf van mening dat haar persoonlijk geen verwijt treft. De voorzieningenrechter is van oordeel dat het aannemelijk is dat verzoekster niet wist wat zich in haar woning afspeelde tijdens haar verblijf in Marokko. Het standpunt van verweerder dat zoon M. namens verzoekster toezicht had moeten houden op wat er in de woning gebeurde, volgt de voorzieningenrechter niet. Dat zoon M. kennelijk de post van verzoekster in de gaten hield en namens haar contact heeft opgenomen met verweerder naar aanleiding van het voornemen tot sluiting, wil niet zeggen dat hij namens verzoekster toezicht moest houden op wat er in de woning gebeurde in de periode voordat de drugs daar zijn aangetroffen.

14. Dat verzoekster persoonlijk niets kan worden verweten, is gezien de andere aangevoerde omstandigheden echter onvoldoende om tot de conclusie te komen dat sluiting niet evenredig is. De voorzieningenrechter is van oordeel dat onvoldoende is komen vast te staan dat de gevolgen van de sluiting zo bijzonder zijn dat ondanks de ernst van de overtreding van sluiting moet worden afgezien. Wat verzoekster heeft gesteld over de dementie waaraan zij lijdt is niet genoeg om tot die conclusie te komen. Dat verzoekster lijdt aan dementie is weliswaar onderbouwd met een patiëntenkaart van de huisarts, waarop staat vermeld: begindatum 30-01-2018 M. Alzheimer. Hieruit volgt niet hoe deze ziekte zich in het geval van verzoekster uit, of dat verzoekster afhankelijk is van juist deze woning. Een verdere medische of medisch sociale onderbouwing ontbreekt. Het blijft daarnaast onduidelijk op welke manier de dementie in de weg staat aan een wat langer verblijf in Marokko, waar verzoekster in ieder geval al sinds februari 2020 verblijft, terwijl onduidelijk is wanneer zij terug zal keren naar Nederland. Of de dementie in de weg staat aan een tijdelijk verblijf bij familie, bijvoorbeeld bij een van haar zes kinderen die allen in Amersfoort wonen, blijft ook onduidelijk. Ook als De Alliantie overgaat tot ontbinding van de huurovereenkomst, is onvoldoende duidelijk dat de gevolgen daarvan zo ingrijpend zijn dat een sluiting niet evenredig is. Kortom, er zijn te veel vraagtekens over de nadelige gevolgen van de sluiting voor verzoekster, om alleen door het ontbreken van de verwijtbaarheid tot de conclusie te komen dat de gevolgen voor verzoekster onevenredig zijn in verhouding tot de met de sluiting te dienen doelen.

15. Tot slot is de voorzieningenrechter van oordeel dat de termijn van drie maanden in overeenstemming is met het beleid van verweerder. De voorzieningenrechter acht deze termijn niet onredelijk.


Conclusie

16. De voorzieningenrechter komt tot de conclusie dat verweerder in redelijkheid gebruik heeft kunnen maken van zijn bevoegdheid om de woning te sluiten en daarbij een termijn van drie maanden heeft kunnen hanteren. Dat betekent dat de woning met ingang van maandag 15 juni 2020 vanaf 15.00 uur door verweerder mag worden gesloten, zoals in het bestreden besluit is aangekondigd.

17. Het beroep is ongegrond. Omdat het beroep ongegrond is, is er geen aanleiding om een voorlopige voorziening te treffen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter:

  • -

    verklaart het beroep ongegrond;

  • -

    wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is op 11 juni 2020 gedaan door mr. M. Eversteijn, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. A.M. Slierendrecht, griffier. Als gevolg van maatregelen rondom het coronavirus is deze uitspraak niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Zodra het openbaar uitspreken weer mogelijk is, wordt deze uitspraak, voor zover nodig, alsnog in het openbaar uitgesproken.

De voorzieningenrechter is verhinderd de uitspraak te ondertekenen

griffier voorzieningenrechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan voor zover daarbij is beslist op het beroep binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

1 Basisregistratie Personen

2 Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 28 augustus 2019, ECLI:NL:RVS:2019:2912.