Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2020:2397

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
26-06-2020
Datum publicatie
08-07-2020
Zaaknummer
UTR 20/648
Rechtsgebieden
Bestuursprocesrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Beroep kennelijk niet-ontvankelijk. Brief is door verweerder terecht aangemerkt als zienswijze tegen de aanvraag en niet als bezwaarschrift. Er stond aan eiseres daarom geen beroep open tegen het niet tijdig nemen van een besluit.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummer: UTR 20/648

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 26 juni 2020 in de zaak tussen

Bewonersvereniging Oosterspoorplein en omgeving, eiseres

(gemachtigde: mr. A.R. Vliegen)

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Hilversum, verweerder

(gemachtigde: J.G. van Setten)

Procesverloop

1. Deze uitspraak gaat over het beroep dat eiseres heeft ingediend, omdat verweerder volgens haar niet op tijd heeft beslist op haar bezwaarschrift van 27 februari 2014. Volgens eiseres heeft zij met deze brief, weliswaar prematuur, bezwaar gemaakt tegen het besluit van 1 december 2014 waarin verweerder een omgevingsvergunning heeft verleend ter legalisatie van vier zelfstandige wooneenheden aan de [adres] in [woonplaats] .

Overwegingen

2. De rechtbank nodigt partijen niet uit voor een zitting, omdat dat in deze zaak niet nodig is, gelet op artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

3. Verweerder stelt zich op het standpunt dat eiseres met de brief van 27 februari 2014 geen bezwaar heeft gemaakt. Verweerder heeft de brief naar eigen zeggen terecht, opgevat als zienswijze gericht tegen de aanvraag van 29 januari 2014 voor het pand. Deze aanvraag is nadien ingetrokken. Op 26 november 2014 is een nieuwe aanvraag voor het pand ingediend. Hierop heeft verweerder het besluit van 1 december 2015 genomen.

4. Ingevolge artikel 1:5, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) wordt onder het maken van bezwaar verstaan: het gebruik maken van de ingevolge een wettelijk voorschrift bestaande bevoegdheid, voorziening tegen een besluit te vragen bij het bestuursorgaan dat het besluit heeft genomen. Artikel 6:4, eerste lid, van de Awb bepaalt vervolgens dat het maken van bezwaar geschiedt door indiening van een bezwaarschrift bij het bestuursorgaan dat het betreffende besluit heeft genomen.

5. De rechtbank oordeelt dat verweerder de brief van 27 februari 2014 terecht heeft opgevat als zienswijze tegen de aanvraag van 29 januari 2014, en niet als bezwaarschrift. De brief begint en eindigt weliswaar met de melding dat eiseres bezwaar maakt tegen het verlenen van een omgevingsvergunning voor het pand, maar in de brief wordt verwezen naar de publicatie van de aanvraag. Uit de inhoud van de brief blijkt duidelijk dat eiseres verweerder met de brief wil bewegen om de aanvraag af te wijzen als verweerder daarop een besluit gaat nemen. Eiseres eindigt de brief met de vraag of verweerder de aanvraag wil weigeren. Niet kan dus worden gezegd dat eiseres niet wist of redelijkerwijs niet kon weten, dat er nog geen besluit tot stand was gekomen, zodat zij met de brief beoogd heeft (prematuur) bezwaar te maken. Voor zover eiseres stelt dat haar brief door verweerder opgevat had moeten worden als handhavingsverzoek, volgt de rechtbank eiseres evenmin. In de brief vraagt eiseres verweerder niet om handhavend op te treden tegen een illegale situatie.

6. Gelet op het voorgaande is de rechtbank niet gebleken dat er, op het moment dat eiseres beroep instelde, sprake was van een ingediend bezwaarschrift. Dit betekent dat aan eiseres géén rechtstreeks beroep openstond tegen het niet (tijdig) nemen van een besluit op dat bezwaarschrift door verweerder, zoals bedoeld in artikel 6:2, aanhef en onder b van de Awb in samenhang met artikel 6:12, tweede lid van de Awb.

7. De rechtbank verklaart het beroep van eiseres niet-ontvankelijk. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.

Deze uitspraak is op 26 juni 2020 gedaan door mr. R.C. Stijnen, rechter, in aanwezigheid van mr. N.K. de Bruin, griffier. Als gevolg van maatregelen rondom het coronavirus is deze uitspraak niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Zodra dat weer mogelijk is, wordt deze uitspraak, voor zover nodig, alsnog in het openbaar uitgesproken.

de griffier de rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak kunt een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. De uitspraak is verzonden op de stempoeldatum die hierboven staat. Als u graag een zitting wilt waarbij u persoonlijk uw mening aan de rechter kunt geven, kunt u dit in uw verzetschrift aangeven.