Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2020:2391

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
26-06-2020
Datum publicatie
08-07-2020
Zaaknummer
UTR 20/899
Rechtsgebieden
Bestuursprocesrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Beroep kennelijk ongegrond. Bezwaarschrift terecht niet-ontvankelijk verklaard, wegens ontbreken procesbelang.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummer: UTR 20/899

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 26 juni 2020 in de zaak tussen

[eisers] , uit [woonplaats] , eisers

(gemachtigde: mr. G.J.A.M. Bogaers),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Gooise Meren, verweerder

(gemachtigde: mr. H. Schuit)

Inleiding

1.1

Vergunninghouder [A] is eigenaar van de percelen aan de [adres] en [adres] in [woonplaats] . Op 24 maart 2017 heeft vergunninghouder een omgevingsvergunning aangevraagd voor het bouwen van een berging op het perceel aan de [adres] . De berging is bedoeld als noodzakelijke opslagruimte bij de winkel die vergunninghouder exploiteert op het naastgelegen perceel aan de [adres] . Bij besluit van 13 april 2017 (het primaire besluit) heeft verweerder vergunninghouder de gevraagde omgevingsvergunning verleend.

1.2

Eisers hebben het aangrenzende perceel aan de [adres] in eigendom en zijn het niet eens met de verleende omgevingsvergunning. Zij hebben daarom bezwaar gemaakt tegen het primaire besluit. Bij besluit van 7 december 2017 heeft verweerder het bezwaar van eisers ongegrond verklaard en het primaire besluit in stand gelaten. Vervolgens hebben eisers beroep ingesteld.

1.3

Bij uitspraak van 8 oktober 2018 heeft de rechtbank Midden‑Nederland het beroep van eisers gegrond verklaard, omdat verweerder de omgevingsvergunning niet had mogen verlenen zonder af te wijken van het bestemmingsplan. Het bouwen van een berging is volgens het bestemmingsplan namelijk alleen toegestaan als sprake is van een hoofdgebouw, en op het perceel aan de [adres] staat geen hoofdgebouw. Vervolgens heeft de rechtbank het besluit van 7 december 2017 vernietigd en verweerder opgedragen om een nieuw besluit te nemen op het bezwaarschrift van eisers. Hierbij heeft de rechtbank verweerder veroordeeld in de proceskosten die eiser in bezwaar en beroep hebben gemaakt. 1 Tegen de uitspraak van de rechtbank van 8 oktober 2018 hebben eisers hoger beroep ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling). Bij uitspraak van 18 september 2019 heeft de Afdeling het hoger beroep van eisers ongegrond verklaard.2

1.4

Op 19 november 2019 heeft vergunninghouder zijn aanvraag ingetrokken en verweerder verzocht om de aan hem verleende omgevingsvergunning ook in te trekken. Bij besluit van 24 februari 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder het primaire besluit ingetrokken én het bezwaarschrift van eisers daartegen niet‑ontvankelijk verklaard. Het verzoek van eisers om vergoeding van de proceskosten die zij in bezwaar hebben gemaakt heeft verweerder afgewezen.

1.5

Eisers hebben tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. De rechtbank doet op grond van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak in de zaak zonder partijen uit te nodigen voor een zitting.

Het geschil

2. In het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van eisers tegen het primaire besluit niet-ontvankelijk verklaard, omdat eisers volgens verweerder geen procesbelang hebben bij een beoordeling van de juistheid van het primaire besluit. Om die reden bestaat er volgens verweerder ook geen recht op vergoeding van de proceskosten die eisers in bezwaar hebben gemaakt.

3. Eisers zijn het hier niet mee eens. Uit stukken die pas onlangs aan eisers bekend zijn gemaakt blijkt dat de berging van begin af aan bedoeld was voor een (nog door vergunninghouder aan te vragen en nieuw te bouwen) woonhuis op het perceel aan de [adres] . Hier wist verweerder van. Door de gevraagde vergunning desondanks te verlenen heeft verweerder moedwillig onrechtmatig jegens eisers gehandeld. Voornoemde stukken heeft verweerder voor eisers verzwegen en met opzet achter gehouden in de gerechtelijke procedures. Verweerder heeft zich daarbij duister, weigerachtig en partijdig opgesteld. Eisers hebben hierdoor schade geleden in de vorm van honderden uren advocatenkosten, zodat zij naar eigen zeggen recht hebben op een integrale vergoeding van de proceskosten die zij in bezwaar hebben gemaakt.

Beoordeling van het geschil

4.1

De rechtbank stelt voorop dat zij de rechtmatigheid van het bestreden besluit moet beoordelen. Dat besluit houdt zoals gezegd een niet-ontvankelijkverklaring in, wegens ontbreken van procesbelang. De enige vraag die de rechtbank dus moet (én kan) beantwoorden is of er inderdaad geen sprake meer was van procesbelang. In dat geval is het bezwaar namelijk terecht niet-ontvankelijk verklaard.

4.2

Procesbelang is het belang dat iemand heeft bij de uitkomst van een procedure. Daarbij gaat het erom of het doel dat diegene voor ogen staat met het rechtsmiddel (in dit geval bezwaar) kan worden bereikt en voor diegene van feitelijke betekenis is. In beginsel heeft een belanghebbende die opkomt tegen een besluit belang bij een beoordeling van zijn bezwaar of beroep, tenzij vast komt te staan dat ieder belang bij de procedure ontbreekt of is komen te vervallen. Een louter formeel of principieel belang is onvoldoende voor het aannemen van voldoende procesbelang.

4.3

Eisers hebben in hun bezwaarschrift verzocht om het primaire besluit in te trekken of te vernietigen. Aangezien verweerder ten tijde van het nemen van het bestreden besluit het primaire besluit al had ingetrokken, had een beoordeling van eisers bezwaar op dit punt feitelijk geen nut (betekenis) meer. Verder hebben eisers verzocht om vergoeding van hun proceskosten in de bewaarfase. Op dat verzoek heeft deze rechtbank echter al beslist in de uitspraak van 8 oktober 2018. Het hoger beroep dat eisers hebben ingediend is door de Afdeling ongegrond verklaard, waarmee de uitspraak van de rechtbank onherroepelijk is geworden. De uitgesproken proceskostenveroordeling staat dus al in rechte vast. Ook ten aanzien van hun verzoek om proceskostenvergoeding hadden eisers dus geen procesbelang meer bij een beslissing op hun bezwaar.

4.4

Verweerder heeft terecht geoordeeld dat eisers geen procesbelang hebben bij een inhoudelijke beoordeling van het ingetrokken primaire besluit, zodat het bezwaar terecht niet‑ontvankelijk is verklaard.

5. Het beroep is daarom kennelijk ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is op 26 juni 2020 gedaan door mr. R.C. Stijnen, rechter, in aanwezigheid van mr. N.K. de Bruin, griffier. Als gevolg van maatregelen rondom het coronavirus is deze uitspraak niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Zodra dat weer mogelijk is, wordt deze uitspraak, voor zover nodig, alsnog in het openbaar uitgesproken.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak kunt een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. De uitspraak is verzonden op de stempoeldatum die hierboven staat. Als u graag een zitting wilt waarbij u persoonlijk uw mening aan de rechter kunt geven, kunt u dit in uw verzetschrift aangeven.

1 zaaknummer UTR 18/163

2 zaaknummer 201808657