Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2020:2376

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
26-06-2020
Datum publicatie
08-07-2020
Zaaknummer
AWB - 20 _ 2054
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Wet aanpak woonoverlast, gedragsaanwijzing

151d Gemeentewet

Samenvatting:

Verweerder heeft een last onder dwangsom opgelegd aan verzoekers en daarbij gedragsaanwijzingen gegeven. Verzoekers zijn het daar niet mee eens en hebben de voorzieningenrechter gevraagd de besluiten te schorsen. De voorzieningenrechter wijst dit verzoek af. De meldingen van omwonenden, de verklaringen van de gebiedsmakelaar en de interventiespecialist, de bestuurlijke rapportage en de videobeelden, schetsen het beeld dat verzoekers ernstige en herhaaldelijke hinder voor omwonenden veroorzaken. De hinder vindt vooral plaats in de nachtelijke uren en verweerder heeft toegelicht dat de hinder veel invloed heeft op de buurtbewoners, waaronder jonge kinderen. De voorzieningenrechter is het met verweerder eens dat deze situatie moet worden doorbroken. Het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter is daarom dat verweerder de last onder dwangsom mag opleggen en de gedragsaanwijzingen mag geven.

De gedragsaanwijzingen raken het ongestoord genot van de woning van verzoekers en maken daarom inbreuk op artikel 8 van het EVRM. Vanwege deze inbreuk wordt van verweerder verwacht dat hij de belangen van verzoekers op het ongestoord genot van de woning enerzijds en het algemene belang bij openbare orde en veiligheid tegen elkaar afweegt. Verweerder heeft in de primaire besluiten wel een belangenafweging gemaakt, maar die belangenafweging is niet expliciet in het kader van artikel 8 van het EVRM gemaakt. Verweerder had dat wel had moeten doen. Toch is dit geenreden om het verzoek om een voorlopige voorziening toe te wijzen. Verweerder kan dit in de beslissing op bezwaar herstellen en gelet op de op dit moment tot het dossier behorende gegevens is niet aannemelijk dat deze belangenafweging in het voordeel van verzoekers uitvalt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummer: UTR 20/2007 en UTR 20/2054

uitspraak van de voorzieningenrechter van 26 juni 2020 op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen

[verzoeker 1] en [verzoeker 2] , te [woonplaats] , verzoekers

(gemachtigde: mr. S.J.M. Jaasma),

en

de burgemeester van de gemeente De Bilt, verweerder

(gemachtigde: S.T. de Graaf).

Procesverloop

Bij afzonderlijke besluiten van 28 mei 2020 (de primaire besluiten) heeft verweerder verzoekers opgedragen om te stoppen met het veroorzaken van woonoverlast door het opleggen van gedragsaanwijzingen. Als verzoekers dat wel doen, moeten zij een dwangsom van € 500,- per keer betalen, met een maximum van € 3.000,-.

Verzoekers hebben tegen de primaire besluiten bezwaar gemaakt. Verzoekers hebben de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 juni 2020. Verzoekers zijn verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde en door [A] , interventiespecialist.

Overwegingen

Inleiding

1. [verzoeker 2] huurt een woonwagenstandplaats aan de [adres] in [woonplaats] . [verzoeker 1] verblijft in een toercaravan op het perceel dat hoort bij [adres] .

Wat was de aanleiding voor verweerder om de last onder dwangsom op te leggen?

2. Verweerder heeft de last onder dwangsom opgelegd, omdat verzoekers en [B] (de vriendin van [verzoeker 1] ) onaanvaardbare en herhaaldelijke woonoverlast veroorzaken. Dat blijkt uit een bestuurlijke rapportage van de politie van 20 mei 2020, de door omwonenden bij de gemeente ingediende klachten en meldingen en uit de verklaringen van [A] en de gebiedsmakelaar [naam] , [C] , van 19 mei 2020.

Wat mogen verzoekers op grond van de primaire besluiten niet meer doen?

3. Verzoekers moeten zich houden aan de volgende gedragsaanwijzingen:

  • -

    Geen geluidsoverlast veroorzaken en laten veroorzaken, waaronder in ieder geval wordt verstaan schreeuwen, ruzie maken, langdurig en/of veelvuldig laten blaffen van een hond, hard geluid maken met behulp van gereedschap of andere voorwerpen en harde muziek of anderszins buitensporig onnodig geluid produceren;

  • -

    Geen intimiderend gedrag, verbaal of non-verbaal, vertonen en laten vertonen, waaronder in ieder geval wordt verstaan het uitschelden, intimideren en bedreigen van omwonenden, het opsteken van een middelvinger en schreeuwen naar omwonenden, het zich bewust ophouden rondom of betreden van percelen of auto’s van omwonenden, met een motorvoertuig met hoge snelheid door de straat rijden, onaangelijnd laten lopen van een hond in de openbare ruimte, het toepassen van fysiek geweld of het aanbrengen van vernielingen aan bezittingen van anderen en het vertonen van ander intimiderend gedrag;

  • -

    Geen alcohol en/of drugs te nuttigen en te laten nuttigen of te gebruiken en te laten gebruiken of daartoe aanwezig te hebben;

  • -

    Geen afval of andere aan hun oorspronkelijk gebruik onttrokken zaken te verbranden of te laten verbranden of zich daarvan op een andere wijze te ontdoen of te laten ontdoen;

  • -

    Niet op of in de onmiddellijke nabijheid van het woonwagenkamp aan de [straat] te [woonplaats] te verblijven na 22.00 uur en voor 7.00 uur de daaropvolgende dag (geldt alleen voor [verzoeker 1] );

  • -

    Geen elders ingeschreven of woonachtige familie of bezoekers meer ontvangen of laten verblijven na 22.00 uur en voor 7.00 uur de volgende dag (geldt alleen voor [verzoeker 2] );

  • -

    Geen toercaravans en daarmee vergelijkbare roerende zaken bij de woonwagens te plaatsen en te laten plaatsen, al dan niet bedoeld om daarin te overnachten of te verblijven;

  • -

    De aanwezige toercaravan(s) te (laten) verwijderen en nadien verwijderd te houden, nu deze kennelijk ten doel hebben daarin personen te laten overnachten of te verblijven (geldt alleen voor [verzoeker 2] ).

Als verzoekers zich niet per direct (dus met ingang van 28 mei 2020) aan deze regels houden, moeten zij een dwangsom van € 500,- per overtreding betalen, met een maximum van € 3.000,-. Voor het verwijderen van de toercaravan is een termijn gegeven, dat moet [verzoeker 2] voor 8 juni 2020 doen.

Waarom zijn verzoekers het niet eens met de besluiten van verweerder?

4. Verzoekers voeren aan dat zij geen waarschuwing hebben gekregen voordat verweerder

de bestreden besluiten nam. Dat is in strijd met artikel 4:8 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Als verzoekers eerst hun zienswijze hadden kunnen geven, dan hadden zij naar voren kunnen brengen dat verweerder van onjuiste feiten uitgaat. [verzoeker 1] staat bijvoorbeeld niet op het erf van [verzoeker 2] , maar op het erf van [D] . Het is onduidelijk waarom [verzoeker 2] wordt aangesproken op het gedrag van [verzoeker 1] . [verzoeker 1] is verantwoordelijk voor zijn eigen gedrag. Omdat [verzoeker 2] niet de eigenaar is van de toercaravan en deze bovendien niet op zijn erf staat, kan hij deze caravan niet verwijderen. Verzoekers betwisten ook dat de gedragingen die verweerder noemt hebben plaatsgevonden. Zij denken dat verweerder hen van de woonwagenlocatie weg wil hebben, zodat er woningen kunnen worden gebouwd. Verder zijn verzoekers van mening dat verweerder eerst minder vergaande middelen had moeten inzetten om tot een oplossing te komen. Bovendien had verweerder op grond van artikel 5:32a van de Algemene wet bestuursrecht een termijn moeten geven voordat de dwangsom zal zijn verbeurd. Verweerder heeft dat ten onrechte niet gedaan.

5. Verder voeren verzoekers aan dat de gedragsaanwijzingen diep ingrijpen op de persoonlijke levenssfeer van verzoekers. [verzoeker 2] kan bijvoorbeeld zijn eigen kinderen niet laten overnachten als zij hem bezoeken in zijn woning, terwijl zijn kinderen ver weg wonen. De gedragsaanwijzingen zijn daarom in strijd met artikel 8 EVRM. Het opleggen van een dwangsom treft volgens verzoekers bovendien geen doel. Zij hebben minimale inkomens, zodat zij de dwangsommen niet kunnen betalen als deze worden verbeurd. Dit is in strijd met artikel 3:4, tweede lid, van de Awb en met artikel 5:32b, derde lid, van de Awb. Tot slot heeft [verzoeker 1] zich op het standpunt gesteld dat hij een spandoek op de toercaravan heeft geplaatst en dat hij dus aan het demonstreren is. Verweerder wil die demonstratie beëindigen door deze last onder dwangsom op te leggen dat is in strijd met de Wet op de openbare manifestaties en de Grondwet.

Beoordeling voorzieningenrechter

6. Verweerder heeft de primaire besluiten gebaseerd op artikel 151d van de Gemeentewet. Dit artikel geeft verweerder de mogelijkheid om een last onder dwangsom op te leggen aan een gebruiker van een erf of woning bij ernstige en herhaaldelijke hinder voor omwonenden. Verweerder hoeft daarbij geen begunstigingstermijn te geven, omdat het hier om een preventieve last onder dwangsom gaat.1 Verweerder had verzoekers wel in de gelegenheid moeten stellen om een zienswijze in te dienen, voordat hij de bestreden besluiten nam. Verzoekers wijzen er terecht op dat verweerder dat niet heeft gedaan. Dit is geen reden om een voorlopige voorziening te treffen. Verzoekers kunnen hun argumenten namelijk alsnog naar voren brengen tijdens de geplande hoorzitting.

7. De meldingen van omwonenden, de verklaringen van de gebiedsmakelaar en de interventiespecialist, de bestuurlijke rapportage en de videobeelden, die door verweerder zijn overgelegd, schetsen het beeld dat verzoekers ernstige en herhaaldelijke hinder voor omwonenden veroorzaken. De eerste meldingen van omwonenden over een toenemende onrust en geluidsoverlast zijn in mei 2019 gedaan en ondanks gesprekken met de interventiespecialist en bezoeken van de politie gaat die hinder door. De hinder vindt vooral plaats in de nachtelijke uren en verweerder heeft toegelicht dat de hinder veel invloed heeft op de buurtbewoners, waaronder jonge kinderen. De voorzieningenrechter is het met verweerder eens dat deze situatie moet worden doorbroken. Het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter is daarom dat verweerder de last onder dwangsom mag opleggen en de gedragsaanwijzingen mag geven. Gezien de ernst van de situatie, de lange duur van de hinder en het feit dat op andere manieren is geprobeerd te situatie te verbeteren, hoeft verweerder op dit moment niet voor een minder vergaand middel te kiezen. Zoals verweerder tijdens de zitting heeft aangegeven, blijft verweerder in gesprek met verzoekers en omwonenden en kan een verbetering van de situatie ertoe leiden dat de gedragsaanwijzingen worden aangepast.

8. De gedragsaanwijzingen raken het ongestoord genot van de woning en maken daarom inbreuk op artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden. Vanwege deze inbreuk wordt van verweerder verwacht dat hij de belangen van verzoekers op het ongestoord genot van de woning enerzijds en het algemene belang bij openbare orde en veiligheid tegen elkaar afweegt. In dit verband wijst de voorzieningenrechter er wel op dat voor wat betreft [verzoeker 1] bij de belangenafweging een rol speelt dat hij zonder toestemming van verweerder een toercaravan op het perceel dat hoort bij [adres] heeft geplaatst. Verweerder heeft in de primaire besluiten wel een belangenafweging gemaakt, maar die belangenafweging is niet expliciet in het kader van artikel 8 van het EVRM gemaakt. De voorzieningenrechter is van voorlopig oordeel dat verweerder dat wel had moeten doen. Toch is dit voor de voorzieningenrechter geen reden om het verzoek om een voorlopige voorziening toe te wijzen. De reden daarvoor is dat verweerder dit in de beslissing op bezwaar kan herstellen en dat het gelet de op dit moment tot het dossier behorende gegevens niet aannemelijk is dat deze belangenafweging in het voordeel van verzoekers uitvalt.

9. De hoogte van de dwangsom moet in redelijke verhouding staan tot het geschonden belang en de beoogde werking. Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter is een dwangsom van € 500,- en een maximum van € 3.000,- in deze situatie niet onredelijk. Met de draagkracht van verzoekers hoeft verweerder in dit stadium geen rekening te houden.

10. Het standpunt van [verzoeker 1] dat verweerder een inbreuk maakt op zijn recht op betoging volgt de voorzieningenrechter niet. [verzoeker 1] heeft toegelicht dat hij met zijn vriendin in de toercaravan verblijft omdat hij nergens anders kan wonen. De toercaravan staat dus op de woonwagenstandplaats, zodat [verzoeker 1] daar in kan wonen. De toercaravan staat daar niet met het doel te betogen. De enkele plaatsing van een spandoek aan de toercaravan maakt dat niet anders.

Conclusie

11. Het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter is dat het bezwaar geen redelijke kans van slagen heeft. Er is daarom geen reden om het verzoek om een voorlopige voorziening toe te wijzen. Voor een proceskostenvergoeding bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan op 26 juni 2020 door mr. L.M. Reijnierse, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. A.M. Slierendrecht, griffier. Als gevolg van maatregelen rondom het coronavirus is deze uitspraak niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Zodra het openbaar uitspreken weer mogelijk is, wordt deze uitspraak, voor zover nodig, alsnog in het openbaar uitgesproken.

griffier voorzieningenrechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

1 Dat volgt uit artikel 5:32a van de Algemene wet bestuursrecht en uit rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, bijvoorbeeld de uitspraak van 9 december 2015, ECLI:NL:RVS:2015:3776.