Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2020:2354

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
24-06-2020
Datum publicatie
26-06-2020
Zaaknummer
503394 / HA RK 20-139
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Wraking
Inhoudsindicatie

Wrakingszaak. Klacht over procesbeslissingen, wijze van vragen stellen door de rechter, kennis van het dossier en aannemen van kennelijke verschrijving in verzoek gecertificeerde instelling. Wrakingsverzoek ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

WRAKINGSKAMER

Locatie: Utrecht

Zaaknummer/rekestnummer: 503394 / HA RK 20-139

Beslissing van de meervoudige kamer voor de behandeling van wrakingszaken van 24 juni 2020

op het verzoek in de zin van artikel 36 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (verder: Rv) van:

[verzoekster] ,

wonende te [woonplaats] ,

(verder te noemen: verzoekster).

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    een e-mailbericht van verzoekster van 2 juni 2020 met daarin een wrakingsverzoek;

  • -

    het proces-verbaal van de zitting van 2 juni 2020;

  • -

    de schriftelijke reactie van mr. G.L.M. Urbanus van 11 juni 2020.

1.2.

Het wrakingsverzoek is op 16 juni 2020 met gesloten deuren behandeld door de meervoudige kamer voor de behandeling van wrakingszaken (verder: de wrakingskamer).

Bij de mondelinge behandeling zijn verschenen verzoekster en de gewraakte rechter. De wrakingskamer heeft mevrouw [A] , vertrouwenspersoon van verzoekster, toestemming verleend de zitting bij te wonen.

1.3.

De uitspraak is bepaald op heden.

2 Het wrakingsverzoek

2.1.

Het verzoek tot wraking is gericht tegen mr. G.L.M. Urbanus als behandelend rechter (hierna te noemen: de rechter), in de zaken met zaaknummers: C/16/501130/ JE RK 20-756, C/16/502728/JE RK 20-992, C/16/502450/ JE RK 20-945 en C/16/501242/ JE RK 20-769. De zaken betreffen een verzoek van het Leger des Heils Jeugdbescherming & Reclassering (hierna: de GI) tot verlenging van de ondertoezichtstelling en van de machtiging tot uithuisplaatsing van de zoon van verzoekster, [zoon] , verzoeken tot vervallenverklaring van schriftelijke aanwijzingen van de GI en een verzoek gebaseerd op artikel 1:262b BW.

2.2.

Verzoekster heeft de volgende vijf punten aan haar wrakingsverzoek ten grondslag gelegd. Ten eerste heeft de rechter ten onrechte aan mevrouw [B] , medewerker van Youké en mevrouw [C] , jurist van de GI, toestemming gegeven om de zitting, die met gesloten deuren plaatsvond, bij te wonen zonder hiervoor toestemming te vragen aan verzoekster. Ten tweede leek de rechter geen kennis te hebben van de stukken van zowel deze als voorgaande zittingen. Zij liet door gezichtsuitdrukkingen blijken het dossier niet te kennen en vroeg naar de herkomst van opmerkingen. Ten derde werd het één van de twee advocaten van verzoekster, mr. M.S. Krol, niet toegestaan te reageren op de door de gezinsvoogd gedane uitspraken. Het recht tot repliek is verzoekster daarmee ontnomen. Ten vierde heeft de rechter aan het adres van verzoekster beschuldigingen geuit, dan wel is de schijn gewekt dat verzoekster er van beschuldigd werd dat zij niet meewerkt aan de logopedische behandeling voor haar zoon [zoon] en dat zij niet wil meewerken aan mediation met de pleegouders van [zoon] . Ten slotte heeft de rechter ten onrechte zelfstandig het verzoek tot verlening van de ondertoezichtstelling (hierna: OTS) en machtiging tot uithuisplaatsing van [zoon] aangepast naar één jaar vanaf 18 juli 2020 (de wrakingskamer begrijpt: 15 juli 2020), terwijl in het verzoek staat dat is verzocht tot verlenging voor de periode 31 maart 2020 tot en met 31 maart 2021.

2.3.

De rechter heeft niet berust in de wraking. In haar schriftelijke reactie stelt zij zich op het standpunt dat het een nuttig gebruik is om personen, zoals mevrouw [B] , tot een besloten zitting toe te laten die wellicht relevante informatie kunnen hebben. Over de aanwezigheid van mevrouw [C] stelt de rechter dat de GI de bevoegdheid heeft om zich te laten bijstaan, reden waarom mevrouw [C] op zitting het woord mocht voeren. Het toelaten van deze personen tot de zitting zijn procesbeslissingen en vormen geen grond voor wraking. De rechter herkent zich verder niet in het niet kennen van het dossier. Zij heeft een aantal keer gevraagd waar een aangehaald citaat stond, zodat ze kon meelezen. Dat zij misschien verbaasd heeft gekeken naar aanleiding van een conclusie die een partij trok, betekent niet dat zij partijdig is. Over de derde wrakingsgrond stelt de rechter dat de zitting is verlopen zoals vooraf is besproken. Nadat iedereen aan het woord was geweest, wilde mr. Witteveen, advocaat van verzoekster, nog kort het woord om een juridisch punt te benadrukken. Daarna vroeg mr. Krol, de andere advocaat van verzoekster, het woord, maar dat heeft de rechter haar niet gegeven. Ook dat is een procesbeslissing. Over de vierde wrakingsgrond stelt de rechter dat zij verzoekster kritisch heeft bevraagd over haar opstelling met betrekking tot de logopedie van [zoon] , omdat dit voor het nemen van beslissingen in deze zaken van belang kan zijn. Dat de rechter verzoekster heeft verweten niet mee te willen werken aan mediation is volgens de rechter onjuist. Tijdens de zitting heeft de rechter verzoekster gevraagd of verzoekster bereid was deel te nemen aan mediation met de besproken doelstelling. Ten slotte voert de rechter over de vijfde wrakingsgrond aan dat de OTS en machtiging tot uithuisplaatsing lopen tot 15 juli 2020. Een verlengingsverzoek gaat altijd over de periode die daarop aansluit. De rechter ging er daarom van uit dat de genoemde datum van 31 maart 2020 een kennelijke verschrijving was.

3 De beoordeling

3.1.

Artikel 36 van het Rv bepaalt dat elk van de rechters die een zaak behandelen op verzoek van een partij kan worden gewraakt op grond van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen leiden.

3.2.

De wrakingskamer onderzoekt in een wrakingsprocedure of de onpartijdigheid van de rechter schade lijdt. Een rechter wordt geacht onpartijdig te zijn tot het tegendeel vaststaat. Van dat laatste kan sprake zijn indien uit zijn of haar overtuiging of gedrag persoonlijke vooringenomenheid tegenover een procespartij blijkt. Daarnaast kan een procespartij de indruk krijgen dat de rechter vooringenomen is. Het gezichtspunt van de procespartij is hier van belang maar speelt geen doorslaggevende rol. Beslissend is of de vrees voor partijdigheid objectief gerechtvaardigd is. Komt vooringenomenheid of een gerechtvaardigd vermoeden daarvan vast te staan, dan lijdt de rechterlijke onpartijdigheid schade. De wrakingskamer zal het wrakingsverzoek aan de hand van de hiervoor genoemde maatstaven beoordelen.

Wrakingsgronden 1 en 3: aanwezigheid niet-belanghebbenden op de zitting en het niet geven van een tweede termijn

3.3.

Het toestaan van mevrouw [B] en mevrouw [C] tot de zitting moet worden aangemerkt als een procesbeslissing. Een als negatief ervaren procesbeslissing is in het algemeen geen grond voor toewijzing van een verzoek tot wraking van de rechter die deze beslissing heeft genomen. Alleen als een beslissing of de motivering daarvan zo onbegrijpelijk is dat deze een zwaarwegende aanwijzing oplevert dat de rechter jegens een partij een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij die partij bestaande vrees voor partijdigheid van de rechter objectief gerechtvaardigd is, kan dit tot een ander oordeel leiden. Daar is bij de beslissing van de rechter geen sprake van. Zoals de rechter in haar reactie heeft gezegd kon mevrouw [B] , als pleegzorgmedewerker bij Youké, over relevante informatie beschikken die van belang zou kunnen zijn voor de zaak. Mevrouw [C] is als gemachtigde van de GI gerechtigd om bij de zitting aanwezig te zijn. Dat de rechter niet over de toelating van deze twee personen met de andere procesdeelnemers overlegd heeft kan daaraan niet afdoen, omdat de rechter daartoe zelfstandig kan beslissen.

3.4.

Ook het niet geven van een tweede termijn aan mr. Krol om te reageren op het standpunt van de gezinsvoogd is een procesbeslissing. Deze beslissing of de motivering daarvan is niet onbegrijpelijk. De wrakingskamer overweegt dat het krijgen van een tweede termijn geen wettelijk recht is. Uit het proces-verbaal van de zitting blijkt dat alle partijen het woord genoegzaam en in gelijke mate hebben kunnen voeren.

Wrakingsgrond 2: kennis van het dossier

3.5.

Ook de tweede wrakingsgrond slaagt naar het oordeel van de wrakingskamer niet. Voor de stelling dat de rechter het dossier niet kende, ziet de wrakingskamer onvoldoende onderbouwing in het wrakingsverzoek. Uit vragen van de rechter over de plaats van bepaalde citaten of uit de gezichtsuitdrukking van de rechter valt dat in ieder geval niet af te leiden.

Wrakingsgrond 4: beschuldigingen jegens verzoekster

3.6.

Over de vierde wrakingsgrond stelt de wrakingskamer vast dat de rechter kritische vragen heeft gesteld over het logopedietraject van [zoon] . De rechter heeft op zitting van de wrakingskamer toegelicht dat zij deze vragen heeft gesteld omdat er in een eerdere procedure vervangende toestemming was gekregen. De rechter ging er daarom van uit dat de logopedie al was gestart, maar in deze procedure bleek dat het logopedietraject nog niet was gestart omdat de aanvraag bij verzoekster leek te blijven hangen. Deze situatie was aanleiding voor de rechter om hierover kritische vragen te stellen. Naar het oordeel van de wrakingskamer is het de taak van de rechter om kritische vragen te stellen om zo duidelijkheid te krijgen op bepaalde punten. Dat heeft de rechter op dit punt ook gedaan. Dit geeft naar het oordeel van de wrakingskamer geen blijk van vooringenomenheid.

3.7.

Uit het proces-verbaal van de zitting blijkt dat de rechter met verzoekster en andere belanghebbenden heeft gesproken over de mogelijkheid en invulling van mediation. De vraag van de rechter aan verzoekster of zij nog aan mediation wil meewerken om de communicatie met de pleegouders te verbeteren kan niet opgevat worden als een beschuldiging, ook niet als verzoekster al eerder gezegd heeft dat zij daaraan wil meewerken


Wrakingsgrond 5: wijziging verzoek tot verlenging van de OTS en machtiging tot uithuisplaatsing

3.8.

Over de wrakingsgrond dat de rechter zelfstandig het verzoek tot verlenging van de OTS en machtiging tot uithuisplaatsing heeft gewijzigd, oordeelt de wrakingskamer dat, zoals de rechter ook in haar reactie heeft geschreven, een dergelijke verlenging altijd volgt op de eerder opgelegde maatregel. De GI heeft gevraagd om verlenging met één jaar en heeft daarbij de verkeerde ingangsdatum genoemd. De wrakingskamer vindt het, gelet op voorgaande, begrijpelijk om dat als een kennelijke verschrijving op te vatten. Dit kan naar het oordeel van de wrakingskamer dan ook niet worden uitgelegd als het zelfstandig wijzigen van het verzoek tot verlenging van de OTS en machtiging tot uithuisplaatsing. Hieruit blijkt naar het oordeel van de wrakingskamer dan ook niet van vooringenomenheid of partijdigheid.

3.9.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen zal de wrakingskamer het verzoek tot wraking ongegrond verklaren.

4 De beslissing

De wrakingskamer:

4.1.

verklaart het verzoek tot wraking ongegrond;

4.2.

draagt de griffier van de wrakingskamer op deze beslissing toe te zenden aan verzoekster, de gewraakte rechter, andere betrokken partijen, alsmede aan de voorzitter van het team Familierecht, waarin de rechter werkzaam is en de president van deze rechtbank;

4.3.

bepaalt dat de procedures van verzoekster met zaaknummers C/16/501130/ JE RK 20-756, C/16/502728/JE RK 20-992, C/16/502450/ JE RK 20-945 en C/16/501242/ JE RK 20-769 dienen te worden voortgezet in de stand waarin deze zich bevonden op het moment van de schorsing vanwege het wrakingsverzoek.

Deze beslissing is gegeven door mr. C.A. de Beaufort, voorzitter, mr. D.J. van Maanen en mr. G.A. Bos als leden van de wrakingskamer, bijgestaan door mr. K.S. Smits, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 24 juni 2020.

de griffier de voorzitter

Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.