Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2020:2345

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
18-06-2020
Datum publicatie
24-06-2020
Zaaknummer
NL18.16283
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Procedure tussen medeaandeelhouders/(voormalig) bestuurders, volgend op een uitspraak van de Ondernemingskamer. Onderwerpen die aan de orde komen: (1) bewijswaarde onderzoeksverslag en beschikking Ondernemingskamer, (2) uitleg van financieringsafspraken, (3) tegenstrijdig belang, (4) bestuurdersaansprakelijkheid (6:162, 2:8, 2:9 en 2:11 BW) en (5) verwijzing schadestaatprocedure.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
OR-Updates.nl 2020-0257
RO 2020/58
JONDR 2020/833
JOR 2021/34 met annotatie van Olden, P.D.
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

_________________________________________________________________ _

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Civiel recht

Zittingsplaats Utrecht

zaaknummer: NL18.16283

Vonnis van 18 juni 2020

in de zaak van

1 de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[eiseres sub 1] B.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[eiseres sub 2] B.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
eiseressen,

advocaat H.P. Plas te Utrecht,

tegen

1 de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[verweerder sub 1] B.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[verweerder sub 2] B.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
3. [verweerder sub 3] ,
wonende te [woonplaats] ,
4. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[verweerder sub 4] B.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
verweerders,

advocaat W.P. Wijers en mr. K. Spruitenburg te Amsterdam.

Eiseressen zullen hierna afzonderlijk [eiseres sub 1] en [bedrijf 1] worden genoemd en samen [eiseressen c.s.] Verweerders zullen afzonderlijk als [verweerder sub 1] , [verweerder sub 2] , [verweerder sub 3] en [verweerder sub 4] worden aangeduid en samen als [verweerders c.s.]

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenvonnis van 8 oktober 2019

  • -

    de akte van [eiseressen c.s.] van 31 december 2019

  • -

    de akte van [verweerders c.s.] van 31 december 2019

  • -

    de akte uitlating producties van [verweerders c.s.]

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De verdere beoordeling

Inleiding

2.1.

Zoals al in het tussenvonnis van deze rechtbank van 8 oktober 2019 (verder: het tussenvonnis) is overwogen, zijn de door [bedrijf 1] in de procesinleiding tegen [verweerder sub 4] en/of [verweerder sub 1] en/of [verweerder sub 2] en/of [verweerder sub 3] ingestelde vorderingen opgebouwd uit 17 verschillende posten. Omdat de rechtbank onvoldoende informatie van partijen had gekregen om over deze posten te oordelen, heeft zij het tussenvonnis gewezen en daarin per post vragen aan partijen gesteld. Mede op basis van de door partijen gegeven antwoorden op die vragen, zullen de 17 vorderingen worden beoordeeld. Daarna komt de vordering van [eiseres sub 1] (vordering 18) aan de orde. Voordat daaraan wordt toegekomen, moet een aantal (juridische) onderwerpen worden besproken die bij de bespreking van één of meer van de 17 vorderingen van [bedrijf 1] een rol spelen.

Uitspraak Ondernemingskamer

2.2.

Voor een goed begrip van de zaak is het goed om (nogmaals) te melden dat [bedrijf 1] een joint venture is, opgericht door [eiseres sub 1] (50% aandelen) en [verweerder sub 4] (50% aandelen). Vanaf de oprichting van [bedrijf 1] in 2001 was [verweerder sub 4] bestuurder. Enig aandeelhouder en bestuurder van [verweerder sub 4] is [verweerder sub 2] en enig aandeelhouder en bestuurder van [verweerder sub 2] is [verweerder sub 3] .

2.3.

Nadat de verhoudingen tussen [eiseres sub 1] en [verweerder sub 4] verstoord waren geraakt, heeft [eiseres sub 1] bij de Ondernemingskamer van het gerechtshof Amsterdam een enquêteverzoek ingediend. Tijdens de mondelinge behandeling van dit verzoekschrift op 11 mei 2017 hebben [verweerder sub 4] en [eiseres sub 1] een regeling getroffen, die inhoudt dat [eiseres sub 1] in plaats van [verweerder sub 4] bestuurder van [bedrijf 1] werd. De procedure bij de Ondernemingskamer ging wel gewoon door. In een beschikking van 12 juli 2017 heeft de Ondernemingskamer vervolgens geoordeeld dat er gegronde redenen zijn om te twijfelen aan een juist beleid en juiste gang van zaken bij [bedrijf 1] . Vervolgens heeft de Ondernemingskamer een onderzoeker benoemd en aan hem de opdracht gegeven bepaalde aspecten van het beleid bij [bedrijf 1] vanaf 2012 te onderzoeken. In het kader van dit onderzoek heeft de onderzoeker (1) een onderzoeksopzet gemaakt en naar de (advocaten van) betrokkenen toegezonden, (2) nadere informatie/stukken bij partijen opgevraagd, (3) verschillende personen geïnterviewd, waaronder [verweerder sub 3] , (4) de gespreksverslagen daarvan naar de geïnterviewden gezonden (en commentaar daarop zo nodig in het rapport verwerkt) en (5) het conceptonderzoeksverslag aan partijen verstrekt en gevraagd om een reactie. Daarna is het definitieve onderzoeksverslag opgesteld (hierna: het onderzoeksverslag) en met bijlagen ter griffie van de Ondernemingskamer voor belanghebbenden ter inzage gelegd. Vervolgens hebben [bedrijf 1] en [eiseres sub 1] bij de Ondernemingskamer een verzoekschrift ingediend en – kort gezegd – verzocht vast te stellen dat uit het onderzoeksverslag blijkt van wanbeleid bij [bedrijf 1] waarvoor [verweerder sub 4] / [verweerder sub 2] / [verweerder sub 3] verantwoordelijk zijn. De mondelinge behandeling van dit verzoek heeft op 25 oktober 2018 plaatsgevonden, waarbij de raadslieden de standpunten van partijen hebben toegelicht. Ten slotte heeft de Ondernemingskamer op 16 april 2019 uitspraak gedaan en daarbij beslist:

  1. dat uit het verslag van het onderzoek blijkt van wanbeleid van [bedrijf 1] ; en

  2. dat [verweerder sub 4] , [verweerder sub 2] en [verweerder sub 3] hiervoor verantwoordelijk zijn.

2.4.

[eiseressen c.s.] en [verweerders c.s.] verschillen erover van mening welke (bewijs)waarde het onderzoeksverslag en de beschikking van de Ondernemingskamer in deze procedure hebben. De rechtbank oordeelt daarover het volgende. Welke waarde wordt toegekend aan door partijen aangedragen bewijsmiddelen, is aan de rechtbank om te bepalen. Dit volgt uit artikel 152 lid 2 Rv. In dit kader is van belang dat zowel aan de inhoud van het onderzoeksverslag als de daarop volgende beschikking van de Ondernemingskamer een grondige en zorgvuldige procedure vooraf is gegaan. Daarbij hebben de betrokken partijen alle gelegenheid gehad om hun standpunten naar voren te brengen en op (voorlopige) conclusies van de onderzoeker te reageren. Dit volgt uit de hierboven onder randnummer 2.3 beschreven gang van zaken. Deze zorgvuldigheid en grondigheid brengen mee dat de bewijskracht (lees: de overtuigende kracht) van het enquêtedossier dermate groot is dat dit vraagt om een bijzondere, gemotiveerde weerlegging van de zijde van [verweerders c.s.] Dit geldt ook voor de door de Ondernemingskamer (mede op basis van het uitgebreide onderzoeksverslag) vastgestelde feiten en omstandigheden, voor zover [eiseressen c.s.] die feiten en omstandigheden in deze procedure aan haar vorderingen ten grondslag legt. Dit alles laat uiteraard onverlet dat de rechtbank – met inachtneming van de stellingen van partijen en de verschillende overgelegde bewijsmiddelen – zelfstandig de aan het adres van [verweerders c.s.] gemaakte verwijten en (de grondslagen van) de verschillende vorderingen zal moeten beoordelen.

De administratie van [bedrijf 1]

2.5.

Een van de redenen voor de Ondernemingskamer om in 2017 een onderzoek te gelasten naar het beleid bij [bedrijf 1] was - kort gezegd - gelegen in het gebrekkige inzicht dat door [verweerder sub 4] (in hoedanigheid van bestuurder van [bedrijf 1] ) in de administratie van [bedrijf 1] werd gegeven. Vragen van [eiseres sub 1] over bepaalde posten in de administratie van [bedrijf 1] , waaruit een mogelijk tegenstrijdig belang tussen bestuurder [verweerder sub 4] en aan haar gelieerde ondernemingen zou kunnen blijken, werden bijvoorbeeld niet beantwoord.

2.6.

In het rapport van de onderzoeker wordt over de wijze van administreren onder meer gemeld dat [verweerder sub 3] (lees: indirect) [bedrijf 1] bestuurde alsof het een vennootschap was die 100% tot zijn eigen groep van vennootschappen behoorde. Facturen die voor [bedrijf 1] bestemd waren werden op naam van andere vennootschappen gesteld en vervolgens doorbelast aan [bedrijf 1] . Ook werden gelden over en weer overgeboekt, naar gelang welke vennootschap van [verweerder sub 3] liquide middelen nodig had, aldus de onderzoeker. Onder verwijzing naar onder meer deze conclusies van de onderzoeker oordeelt de Ondernemingskamer in haar eindbeschikking van 16 april 2019 over de administratie van [bedrijf 1] vervolgens als volgt (randnummer 4.11.):

“De Ondernemingskamer is van oordeel dat deze overboekingen en verrekeningen zonder duidelijke administratieve verantwoording het belang van de Leege Landen bij een zorgvuldige en inzichtelijke administratie schaden. (…) De Ondernemingskamer acht de overboekingen en verrekeningen zonder deugdelijke verantwoording, mede in het licht van de overige geconstateerde tekortkomingen van [verweerder sub 3] in relatie met [eiseres sub 1] , blijk geven van wanbeleid.”

2.7.

Verschillende door [eiseressen c.s.] in deze procedure ingestelde vorderingen zien op die door de onderzoeker en de Ondernemingskamer bedoelde overboekingen en verrekeningen (binnen de groep van vennootschappen van [verweerder sub 3] en/of [bedrijf 1] ). In het licht hiervan en gegeven de duidelijke conclusies van de onderzoeker en de Ondernemingskamer op dit punt, mag van [verweerders c.s.] in deze procedure worden verwacht dat zij die boekingen en/of verrekeningen, voor zover de rechtsgeldigheid daarvan door [eiseressen c.s.] (wederom) ter discussie wordt gesteld, van een deugdelijke onderbouwing (met stukken) voorziet. Het is immers [verweerder sub 4] geweest die de administratie van [bedrijf 1] vanaf de oprichting heeft verzorgd. Doet [verweerders c.s.] dat niet, dan kan de conclusie zijn dat [verweerders c.s.] de stellingen van [eiseressen c.s.] onvoldoende gemotiveerd heeft betwist. Dat zal per vordering worden beoordeeld.

Financieringsafspraak

Inleiding

2.8.

Een ander algemeen onderwerp dat partijen verdeeld houdt en bij verschillende te beoordelen vorderingen terugkomt ziet op het volgende. De doelstelling van [bedrijf 1] bij de oprichting was het realiseren van een aantal (vastgoed)projecten. Omdat [verweerders c.s.] was ingewijd in de gebiedsontwikkeling in Baarn zou zij de projecten aandragen. [eiseres sub 1] zou vervolgens de bouw verzorgen. Het eerste project betrof de bouw van woningen aan de [adres] in [woonplaats] . De daarover gemaakte afspraken zijn door [verweerder sub 3] vastgelegd in een brief van 11 november 2009 en luiden als volgt:

“Naar aanleiding van ons telefoongesprek van afgelopen donderdag d.d. 5 november 2009 het volgende.

Als directeur van [eiseres sub 1] (…) heeft U met [bedrijf 2] B.V. inzake het project [adres] te [woonplaats] de volgende afspraken gemaakt:

[eiseres sub 1] (…) verwerft 50% van de aandelen in [eiseres sub 2] B.V. (…)

De benodigde liquiditeit in dit project zal worden opgebracht door [eiseres sub 1] (…) en [bedrijf 2] B.V. in verhouding ¾ en ¼.

De Winstverdeling zal pondsgewijs zijn (ieder 50%). (…)”

2.9.

Voor de duidelijkheid: de naam van [bedrijf 2] B.V. is later veranderd in [verweerder sub 4] . De in de brief van 11 november 2009 genoemde financiering is vervolgens door [eiseres sub 1] en [verweerder sub 4] aan [bedrijf 1] verstrekt en in de verhouding ¾ en ¼ in rekeningcourant geboekt, waardoor [eiseres sub 1] en [verweerder sub 4] een rekeningcourantvordering op [bedrijf 1] kregen ter hoogte van de respectieve door hen verstrekte bedragen. Uit een door [eiseressen c.s.] opgesteld overzicht, waarvan de juistheid niet door [verweerders c.s.] is betwist, blijkt dat de stand van de rekeningcourantverhouding tussen [bedrijf 1] enerzijds en [eiseres sub 1] en [verweerder sub 4] (en de aan haar gelieerde ondernemingen) anderzijds het volgende verloop heeft gehad:

[eiseres sub 1]

[verweerder sub 4] (en aan haar gelieerde ondernemingen)

Totaal

Verhouding

31-12-2011

€ 1.259.408

€ 422.980

€ 1.682.388

74,86%/25,14%

31-12-2012

€ 1.218.733

€ 206.251

€ 1.424.984

85,53%/14,47%

31-12-2013

€ 1.218.733

€ 122.038

€ 1.340.771

90,90%/ 9,10%

31-12-2014

€ 1.218.733

€ 74.179

€ 1.292.912

94,26%/ 5,74%

31-12-2015

€ 1.019.215

€ 4.482

€ 1.023.697

99.56%/ 0,44%

31-12-2016

€ 1.019.214,85

€ 381,22

€ 1.019.596,07

99,63%/ 0,37%

2.10.

[eiseressen c.s.] verwijt [verweerders c.s.] dat zij het er in de periode 2012 – 2016 toe heeft geleid dat haar rekeningcourantvordering geheel is afgelost en dat [eiseres sub 1] met een grote vordering is achtergebleven. Tegen dit verwijt heeft [verweerders c.s.] gemotiveerd verweer gevoerd en kort gezegd de volgende drie relevante vragen opgeworpen:

  1. Gold de financieringsafspraak ¾- ¼ tussen [eiseres sub 1] en [verweerder sub 4] alleen voor het project [adres] of ook voor de andere projecten die binnen [bedrijf 1] zijn ontwikkeld?

  2. Brengt de financieringsafspraak ¾- ¼ tussen [eiseres sub 1] en [verweerder sub 4] mee dat ook in dezelfde verhouding moest worden afgelost?

  3. Zo ja, gold die aflossingsafspraak dan ook in de verhouding tussen [eiseres sub 1] en andere aan [verweerder sub 3] gelieerde partijen, niet zijnde [verweerder sub 4] en was ook [bedrijf 1] aan die aflossingsafspraak gebonden?

Financieringsafspraak ¾- ¼ alleen [adres] of ook andere Projecten (ad. 1.)?

2.11.

Voor de beantwoording van deze vraag is van belang dat [bedrijf 1] na 11 november 2009 - naast het project [project] - nog een aantal andere projecten heeft uitgevoerd/ontwikkeld. [verweerders c.s.] stelt dat voor deze andere projecten niet eenzelfde financieringsafspraak is gemaakt. Tijdens de comparitie van partijen heeft de rechtbank aan [verweerders c.s.] gevraagd een voorbeeld te noemen van een project waarbij een andere verdeelsleutel is toegepast. Dat voorbeeld kon [verweerders c.s.] niet geven. Integendeel, het enige andere project waarvoor aanvullende liquiditeit benodigd was en in dit verband ter comparitie ter sprake is gekomen, betrof de bouw van een garagebox in 2015. [verweerder sub 3] heeft daarover toen aan [eiseres sub 1] geschreven: “ [eiseres sub 1] neemt op grond van een overeenkomst deel voor ¾ deel in de kosten en investeringen. De winsten worden 50/50 verdeeld.” En zo is het vervolgens ook gebeurd. Dit leidt tot de conclusie dat als er geen liquiditeit binnen [bedrijf 1] aanwezig was en er toch gelden nodig waren om een project te financieren, dat blijkbaar steeds in de verhouding ¾- ¼ is gedaan. Ter onderbouwing van de stelling dat het op een bepaald moment anders was, heeft [verweerders c.s.] geen aanknopingspunt geboden.

Impliceert financieringsafspraak ¾- ¼ ook aflossing in die verhouding (ad 2.)?

2.12.

[verweerders c.s.] stelt zich terecht op het standpunt dat in de brief van 11 november 2009 alleen iets is vermeld over de verhouding van financieren: over aflossing staat in die brief niets. De vraag hoe in die brief de verhouding tussen [eiseres sub 1] en [verweerder sub 4] is geregeld, kan echter niet worden beantwoord op grond van alleen maar een zuiver taalkundige uitleg van de schriftelijke afspraken in die brief. Voor de beantwoording van die vraag komt het immers (ook) aan op de zin die [eiseres sub 1] en [verweerder sub 4] in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan de inhoud van die brief mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten (Hoge Raad 13 maart 1981, ECLI:NL:HR:1981:AG4158). Bij deze uitleg moet de rechter rekening houden met alle bijzondere omstandigheden van het gegeven geval, gewaardeerd naar hetgeen de maatstaven van redelijkheid en billijkheid meebrengen (Hoge Raad 20 februari 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO1427).

2.13.

Met inachtneming van dit juridisch kader is de rechtbank van oordeel dat uitleg van de tussen [eiseres sub 1] en [verweerder sub 4] gemaakte financieringsafspraak – zonder afwijkende afspraken – meebrengt dat ook in de verhouding ¾ - ¼ moest worden afgelost (als die gelden voorhanden waren). Dat dit niet op papier staat, leidt niet tot een andere conclusie. Het is immers heel logisch dat als twee gelijkwaardige partijen hebben geïnvesteerd in een onderneming, allebei deze partijen gelijktijdig en in de verhouding waarin zij hebben gefinancierd, worden afgelost. Voor een andere uitleg zijn ook geen redelijke en billijke aanknopingspunten te vinden. Een andere uitleg leidt namelijk tot het onaanvaardbare resultaat, zoals zich dat in deze zaak heeft verwezenlijkt, dat de bestuurder/aandeelhouder ( [verweerder sub 4] ) die ‘slechts’ 25% heeft gefinancierd naar eigen goeddunken kan overgaan tot volledige aflossing van zijn vordering, en daarmee zijn medeaandeelhouder en 75%-financier met lege handen achterlaat. In die zin had [verweerder sub 4] de met [eiseres sub 1] gemaakte financieringsafspraken niet mogen begrijpen. De onredelijke uitleg die [verweerders c.s.] voorstaat vindt ook geen steun in de andere tussen partijen gemaakte afspraken. Integendeel, in overeenstemming met de aandelenverhouding zou de winst namelijk wel gelijk worden verdeeld (50%/50%). Waarom wel ‘naar rato’ een winstverdeling en vervolgens dat uitgangspunt bij het doen van aflossingen verlaten? Op die vraag heeft [verweerders c.s.] geen overtuigend antwoord kunnen geven. Verder blijkt uit het antwoord van [verweerders c.s.] op de in het tussenvonnis gestelde vraag 1f en het antwoord daarop van [eiseressen c.s.] dat als met [eiseres sub 1] werd gecorrespondeerd over het doen van een aflossing dit ook telkens via de verhouding ¾ - ¼ is gebeurd (productie 29 en 29a [verweerders c.s.] ). Dat duidt erop dat partijen deze aflossingsafspraak ook als uitgangspunt namen. De door [verweerders c.s.] aangehaalde verdeling van een bedrag van € 100.000,- medio 2012 via de verhouding 50%/50%, brengt in deze conclusie geen verandering. Dat betrof namelijk geen ‘aflossing’, maar gezien de administratieve boeking een voorschot op de winst over 2012.

Gold die aflossingsafspraak ook in de verhouding tussen [eiseres sub 1] en andere aan [verweerder sub 3] gelieerde partijen, niet zijnde [verweerder sub 4] , en ook tussen [bedrijf 1] en [eiseres sub 1] / [verweerder sub 4] (ad. 3.)?

2.14.

In het licht van wat hiervoor is overwogen is dus het uitgangspunt dat de door [eiseres sub 1] en [verweerder sub 4] verstrekte financieringen in de verhouding ¾ - ¼, ook in die verhouding moesten worden afgelost. [verweerders c.s.] stelt dat als de rechtbank daarvan uitgaat, die afspraak niet gold voor de aflossing van de rekeningcourantverhouding van aan [verweerder sub 4] gelieerde partijen, zoals [verweerder sub 2] , [verweerder sub 1] en [verweerder sub 3] . Zij maakten immers geen deel uit van de tussen [eiseres sub 1] en [verweerder sub 4] gemaakte afspraken, aldus [verweerder sub 4] . Deze stelling gaat niet op en daarvoor geldt het volgende. De Ondernemingskamer en de onderzoeker zijn in duidelijke bewoordingen tot de conclusie gekomen dat [verweerder sub 3] allerlei boekingen en verrekeningen binnen de administratie van [bedrijf 1] doorvoerde, naar gelang welke vennootschap van [verweerder sub 3] liquide middelen (nodig) had. Het lijkt erop dat deze handelwijze van [verweerder sub 3] er ook toe heeft geleid dat niet alleen [verweerder sub 4] , maar ook andere aan hem gelieerde ondernemingen aan de ¼ - financieringsverplichting hebben voldaan, afhankelijk van de vraag binnen welke onderneming van [verweerder sub 3] geld aanwezig was. Anders is het bij randnummer 2.9. opgenomen overzicht niet te verklaren. In dat overzicht, waarvan de juistheid zoals gezegd niet door [verweerders c.s.] is betwist, is immers opgenomen dat het gefinancierde bedrag van € 422.980,- niet alleen door [verweerder sub 4] is opgebracht. Het ligt minst genomen niet voor de hand dat als [verweerder sub 3] zelf beslist dat een andere aan hem gelieerde onderneming dan [verweerder sub 4] de financiering (deels) verzorgt, de ¾ - ¼ aflossingsverplichting niet meer behoeft te worden nagekomen. In die zin had hij de met [eiseres sub 1] gemaakte afspraken in elk geval niet mogen begrijpen (en invullen).

2.15.

Deze conclusie brengt overigens niet mee dat alle door [bedrijf 1] aan [verweerders c.s.] verrichte betalingen respectievelijk boekingen in rekeningcourant, waarbij de ¾ - ¼ -verhouding niet in acht is genomen, in strijd met de gemaakte afspraken zijn. Als een betaling/boeking namelijk is geschied voor iets anders dan ‘aflossing’, kan het zeer goed zijn dat voor de volledige betaling een rechtsgeldige grondslag was. Hieronder bij de beoordeling van de vorderingen 1 tot en met 17 zal dit onderscheid verder worden uitgewerkt.

2.16.

Dan ten slotte de vraag of ook [bedrijf 1] aan de tussen haar aandeelhouders ( [verweerder sub 4] en [eiseres sub 1] ) gemaakte financierings- en aflossingsafspraak is gebonden. Ook het antwoord op deze vraag luidt bevestigend. De financieringsafspraak, zoals neergelegd in de brief van [verweerder sub 3] van 11 november 2009, schiep voor [bedrijf 1] namelijk het recht de voor haar bedrijfsvoering benodigde financiering in de verhouding ¾ - ¼ van haar aandeelhouders te vorderen. Dat heeft zij ook gedaan, waardoor [bedrijf 1] partij bij die overeenkomst is geworden (zie artikelen 6:253 en 6:254 BW). Daarmee is ook gegeven dat [bedrijf 1] de verplichting had haar aandeelhouders conform die verhouding af te lossen (als ze liquide middelen had). Deze uitleg is in het licht van wat hiervoor onder de randnummers 2.12. en 2.13. staat, gewaardeerd naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid, eveneens voor de hand liggend.

Vorderingen 1 tot en met 17 van [bedrijf 1] op [verweerders c.s.] / juridische aspecten

Inleiding

2.17.

Aan de vorderingen 1 tot en met 17 heeft [bedrijf 1] een aantal juridische argumenten ten grondslag gelegd, waarover door partijen uitgebreid is gedebatteerd. Enkele van deze juridische argumenten zullen hieronder in algemene zin worden besproken en daarna bij de beoordeling van de afzonderlijk vorderingen meer specifiek aan de orde komen.

Tegenstrijdig belang

2.18.

[bedrijf 1] betoogt dat [verweerder sub 4] , [verweerder sub 2] en [verweerder sub 3] in de periode van begin 2012 tot medio 2017, toen zij de (indirecte) bestuurders van [bedrijf 1] waren, namens [bedrijf 1] diverse rechtshandelingen met groepsvennootschappen van [verweerder sub 3] hebben verricht, onder invloed van een tegenstrijdig belang. Om vast te stellen of een bestuurder van een rechtspersoon heeft gehandeld onder invloed van een tegenstrijdig belang moet worden nagegaan of de bestuurder door de aanwezigheid van een persoonlijk belang niet in staat moet worden geacht het belang van de vennootschap en de daarmee verbonden onderneming te bewaken op een wijze die van een integer en onbevooroordeeld bestuurder mag worden verwacht. Daarbij is niet vereist dat zeker is dat de betrokken rechtshandeling daadwerkelijk tot benadeling van de vennootschap zal leiden, maar is voldoende dat de bestuurder te maken heeft met zodanig onverenigbare belangen dat in redelijkheid betwijfeld kan worden of hij zich bij zijn handelen uitsluitend heeft laten leiden door het belang van de vennootschap en de daarmee verbonden onderneming. De vraag of een tegenstrijdig belang bestaat, kan slechts worden beantwoord met inachtneming van alle relevante omstandigheden van het concrete geval (Hoge Raad 29 juni 2007, NJ 2007, 420, [namen] ).

2.19.

Voor de vaststelling van de rechtsgevolgen van een rechtshandeling die onder invloed van een tegenstrijdig belang is aangegaan, is in deze zaak allereerst artikel 12 lid 1 onder c van de statuten van [bedrijf 1] (hierna: de statuten) van belang. Daarin is bepaald dat bij een tegenstrijdig belang de directie bevoegd blijft om besluiten te nemen tot het aangaan van de desbetreffende rechtshandeling, op voorwaarde van voorafgaande schriftelijke goedkeuring van de algemene vergadering (van aandeelhouders). Bestuursbesluiten van [bedrijf 1] die in gevallen van een tegenstrijdig belang zijn genomen zonder voorafgaande schriftelijke goedkeuring van de algemene vergadering, zijn nietig op grond van artikel 2:14 BW. Ervan uitgaande – iets anders is gesteld noch gebleken – dat zo’n besluit alleen interne werking heeft, dat wil zeggen dat het alleen binnen de sfeer van de rechtspersoon werkt, brengt de nietigheid ervan niet mee dat de daaruit voortvloeiende rechtshandelingen met derden ook nietig zijn. Voor eventuele nietigheid van rechtshandelingen van een vennootschap met andere (rechts-)personen gelden in dat geval de regels van artikel 3:40 BW, maar die vormen van nietigheid zijn in deze zaak evenmin aan de orde. Wel van belang is dat [bedrijf 1] bij rechtshandelingen die zijn aangegaan in strijd met de hiervoor genoemde statutaire voorwaarden, onbevoegd is vertegenwoordigd. In die gevallen rijst de vraag of [bedrijf 1] gebonden is aan die rechtshandelingen. Daarbij is relevant dat aan [verweerder sub 4] , [verweerder sub 2] en [verweerder sub 3] wordt verweten dat zij in de periode van begin 2012 tot 11 mei 2017 namens [bedrijf 1] diverse rechtshandelingen met groepsvennootschappen van [verweerder sub 3] hebben verricht, onder invloed van een tegenstrijdig belang. De wettelijke regeling hiervoor is namelijk met ingang van 1 januari 2013 veranderd. Tot 1 januari 2013 gold artikel 2:256 (oud) BW en sinds die datum geldt artikel 2:239 lid 6 BW.

2.20.

Artikel 2:256 (oud) BW had externe werking, in die zin dat in het geval van een door de bestuurder namens de vennootschap met een andere (rechts-)persoon verrichte rechtshandeling, de onbevoegdheid van de bestuurder op grond van deze wetsbepaling door de vennootschap aan die derde kan worden tegengeworpen als de daarin bedoelde tegenstrijdigheid tussen het belang van de vennootschap en dat van de betrokken bestuurder(s) ten tijde van het verrichten van de rechtshandeling aan de derde bekend was, dan wel bekend had behoren te zijn (Hoge Raad 11 september 1998, NJ 1999,171, Mediasafe II). Kan de vennootschap de onbevoegdheid van de bestuurder tegenwerpen, dan is de vennootschap niet aan de rechtshandeling gebonden. In dat geval zijn de daaruit voortgevloeide prestaties zonder rechtsgrond verricht en ontstaat op het moment van uitvoering van die prestaties een verbintenis tot ongedaanmaking ervan (artikel 6:203 BW).

2.21.

Voor rechtshandelingen die na 1 januari 2013 door [bedrijf 1] zijn aangegaan onder invloed van een tegenstrijdig belang geldt artikel 2:239 lid 6 BW. In deze nieuwe regeling is de vertegenwoordigingsregeling met externe werking bij een tegenstrijdig belang van een bestuurder vervangen door een besluitvormingsregeling zonder externe werking. Een besluit van [verweerder sub 4] als bestuurder van [bedrijf 1] dat in strijd met artikel 12 lid 1 onder c van de statuten is genomen, tast de vertegenwoordigingsbevoegdheid van de bestuurder niet aan en heeft dus geen gevolgen voor de op dat besluit gebaseerde rechtshandelingen met derden. Op grond van artikel 2:240 lid 3 BW is de vertegenwoordigingsbevoegdheid van het bestuur namelijk onbeperkt en onvoorwaardelijk. Dat is niet zo voor zover uit de wet anders voortvloeit, maar statutaire bepalingen (die de vertegenwoordigingsbevoegdheid beperken) vloeien niet voort uit de wet. [bedrijf 1] beroept zich voor de situatie vanaf 1 januari 2013 echter op het arrest van de Hoge Raad van 17 december 1982, NJ 1983, 480 ( [naam] ). Op grond van dat arrest kan zich het geval voordoen dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is dat degene die met een onbevoegde bestuurder van een vennootschap heeft gehandeld de vennootschap aan de met hem gesloten overeenkomst wil houden, als hij ondanks de hem bekende bevoegdheidsbeperking toch een overeenkomst aanging. Daarvoor is overigens onvoldoende dat de wederpartij wist dat de vennootschap werd vertegenwoordigd zonder inachtneming van de interne beperking of voorwaarde. Een bijkomende omstandigheid is nodig, zoals bijvoorbeeld kennelijke nadeligheid van de rechtshandeling voor de vennootschap, of de omstandigheid dat de wederpartij in een nauwe relatie staat tot de vennootschap.

2.22.

In die gevallen waarin het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is dat [verweerders c.s.] [bedrijf 1] aan een onder invloed van een tegenstrijdig belang gesloten rechtshandeling wil houden, is [bedrijf 1] niet gebonden aan de desbetreffende rechtshandeling. Ook dan geldt dat de daaruit voortgevloeide prestaties zonder rechtsgrond zijn verricht en dat op het moment van die uitvoeringshandeling een verbintenis tot ongedaanmaking ervan is ontstaan (artikel 6:203 BW).

Bestuurdersaansprakelijkheid op grond van artikel 2:9 BW

2.23.

[bedrijf 1] verwijt [verweerder sub 4] , [verweerder sub 2] en [verweerder sub 3] ook onbehoorlijk bestuur in de zin van artikel 2:9 BW in combinatie met artikel 2:11 BW. Daarbij geldt het volgende toetsingskader. Een bestuurder die in de vervulling van zijn taak is tekortgeschoten is alleen aansprakelijk voor de schade die de rechtspersoon als gevolg van de tekortkoming lijdt, als hem ter zake daarvan een ernstig verwijt kan worden gemaakt. Of dat het geval is moet worden beoordeeld aan de hand van alle omstandigheden van het geval, waaronder a) de door de rechtspersoon uitgeoefende activiteiten, b) de in het algemeen daaruit voortvloeiende risico’s, c) de taakverdeling binnen het bestuur, d) de eventueel voor het bestuur geldende richtlijnen, e) de gegevens waarover de bestuurder beschikte of behoorde te beschikken ten tijde van de aan hem verweten beslissingen of gedragingen en f) het inzicht en de zorgvuldigheid die mogen worden verwacht van een bestuurder die voor zijn taak berekend is en deze nauwgezet vervult. Zie Hoge Raad 10 januari 1997, NJ 1997, 360 ( [namen] ). Als een bestuurder heeft gehandeld in strijd met statutaire bepalingen die de rechtspersoon beogen te beschermen (zoals artikel 12 lid 1 onder c van de statuten) moet dat als een zwaarwegende omstandigheid worden aangemerkt, die in beginsel de aansprakelijkheid van de bestuurder vestigt. Voert de bestuurder feiten en omstandigheden aan op grond waarvan zou kunnen worden aangenomen dat het gewraakte handelen in strijd met de statutaire bepalingen niet een ernstig verwijt oplevert, dan moet de rechter deze feiten en omstandigheden uitdrukkelijk in zijn oordeel betrekken (Hoge Raad 29 november 2002, NJ 2003, 455, [namen] ).

2.24.

Voor het antwoord op de vraag of een vennootschap door het handelen van haar bestuurder schade heeft geleden moet een vergelijking worden gemaakt tussen de werkelijke situatie en de situatie zonder de aan de bestuurder verweten gedraging.

Vorderingen 1 tot en met 17 van [bedrijf 1] op [verweerders c.s.] / inhoudelijke bespreking

Pop-out onttrekking: € 100.000,- (vordering 1)

2.25.

Een van de projecten van [bedrijf 1] betrof de bouw van twee huizen aan de [adres] in [woonplaats] . Die bouwactiviteiten werden verricht door [eiseres sub 1] . Naar later bleek heeft zij daarbij beton gebruikt waarin ongebluste kalk was verwerkt. Als ongebluste kalk in aanraking komt met vocht zet het uit. Daardoor kunnen kleine deeltjes beton loslaten. Deze worden ‘pop-outs’ genoemd. Medio 2011 is [bedrijf 1] door de twee kopers van de woningen aan de [adres] ( [A] en [B] ) voor deze schade aansprakelijk gesteld. Naar aanleiding daarvan is tussen [bedrijf 1] en [eiseres sub 1] een schikking getroffen. Deze schikking hield onder meer in dat [eiseres sub 1] een bedrag van € 340.000,- aan [bedrijf 1] zou betalen tegen finale kwijting over en weer. Dit bedrag is door [eiseres sub 1] in vier delen voldaan: op 16 maart 2012 drie betalingen (€ 50.000,-, € 50.000,- en € 40.000,-) en op 7 juni 2012 één betaling (€ 200.000,-).

2.26.

De vordering van [bedrijf 1] ziet op de eerste twee betalingen op 16 maart 2012 (totaal € 100.000,-). Daarover stelt zij onder meer het volgende. Deze bedragen zijn overgemaakt op de derdengeldrekening van de toenmalige advocaat van [bedrijf 1] met de omschrijving: “AFKOOP SCHADE 2/1 KAP [A] ” en “AFKOOP SCHADE 2/1 KAP [B] ”. Die bedragen moesten dus door [bedrijf 1] worden aangewend om met de kopers van de woningen tot een oplossing te komen. Dat is niet gebeurd, want op verzoek van [verweerder sub 3] is het bedrag van € 100.000,- van de derdenrekening van het kantoor van de toenmalige advocaat van [bedrijf 1] overgemaakt naar de bankrekening van [verweerder sub 2] (zonder dat dit met [eiseres sub 1] is afgestemd), waarna deze betaling is verwerkt in de rekeningcourantverhouding tussen [bedrijf 1] en [verweerder sub 2] . Als gevolg daarvan is de schuld van [bedrijf 1] aan [verweerder sub 2] met dit bedrag verminderd. [bedrijf 1] stelt - kort gezegd - dat deze betaling aan [verweerder sub 2] in strijd is met het doel waarvoor de € 100.000 door [eiseres sub 1] naar [bedrijf 1] is overgemaakt (schaderegeling) en zonder inachtneming van de ¾ - ¼ aflossingsafspraak. Daardoor is die betaling nietig, althans zonder rechtsgrond geschied, zodat [verweerder sub 2] de verplichting heeft dat bedrag aan [bedrijf 1] (terug) te betalen.

2.27.

De vordering van € 100.000,- op [verweerder sub 2] vanwege onverschuldigde betaling wordt afgewezen omdat voor die betaling wel een rechtsgrond bestond dan wel de vordering is verjaard. De gestelde vordering van € 100.000,- van [bedrijf 1] op [verweerder sub 4] , [verweerder sub 2] en [verweerder sub 3] op grond van artikel 2:9 BW en onrechtmatige daad slaagt evenmin. [bedrijf 1] heeft als gevolg van de betaling van dit bedrag aan [verweerder sub 2] namelijk geen schade geleden. Deze beslissingen zullen hieronder nader worden toegelicht. Daarbij zal ook een aantal aanvullende overwegingen worden gemaakt, die voor de beoordeling van de andere vorderingen van belang zijn.

2.28.

Dat in 2012 voor de betaling van € 100.000,- door [bedrijf 1] aan [verweerder sub 2] geen rechtsgrond bestond, kan niet zonder meer worden aangenomen. Er bestond immers een rekeningcourantverhouding uit hoofde waarvan [bedrijf 1] (in ieder geval) dit bedrag aan [verweerder sub 2] moest betalen. De rechtbank gaat ervan uit dat die rekeningcourantvordering van [verweerder sub 2] is ontstaan doordat zij (gedeeltelijk), in plaats van [verweerder sub 4] , ¼ van de benodigde financiering heeft verzorgd. Deze conclusie wordt ondersteund door wat de onderzoeker onder randnummers 4.48. en 8.3. van zijn rapport hierover overweegt, namelijk dat bij die aflossing de verhouding ¾ - ¼ in acht had moeten worden genomen. Daarbij komt dat [verweerders c.s.] en [eiseressen c.s.] ook niet hebben gesteld dat de betaling van het bedrag van € 100.000,- aan [verweerder sub 2] op iets anders zag dan op aflossing van de verstrekte financiering.

2.29.

Op grond van wat de rechtbank hiervoor onder de randnummers 2.8. tot en met 2.16. heeft overwogen, staat vast dat [bedrijf 1] in strijd met haar verplichting om bij iedere aflossing de ¾ - ¼ verhouding in acht te nemen alles aan [verweerder sub 2] heeft doen toekomen. Wat is daarvan het rechtsgevolg? Om die vraag te kunnen beantwoorden wordt allereerst verwezen naar de algemene opmerkingen over ‘het tegenstrijdig belang-leerstuk’ (zie 2.18. tot en met 2.22.). Als het namelijk zo is dat [verweerder sub 4] in haar functie van bestuurder bij deze aflossingsbeslissing te maken heeft gehad met zodanig onverenigbare belangen dat in redelijkheid betwijfeld kan worden of zij zich bij haar handelen uitsluitend heeft laten leiden door het belang van de vennootschap en de daarmee verbonden onderneming, is het tegenstrijdig belang gegeven. En die redelijke twijfel is er. [verweerder sub 4] wist immers, althans had moet begrijpen, dat iedere aflossing van verstrekt krediet via de verhouding ¾ - ¼ moest lopen. Deze afspraak heeft [verweerder sub 4] genegeerd ten faveure van haar bestuurder en moedermaatschappij: [verweerder sub 2] . De volle € 100.000,- is immers die kant opgegaan. Omdat dit zonder overleg of voorafgaande schriftelijke goedkeuring van de algemene vergadering is gebeurd, is ook in strijd gehandeld met het bepaalde in artikel 12 lid 1 onder c van de statuten van [bedrijf 1] . Het rechtsgevolg daarvan is dat [bedrijf 1] bij deze rechtshandeling (aflossing) onbevoegd is vertegenwoordigd en dat het besluit om tot de aflossing (op die wijze) over te gaan intern nietig is (zie 2.19.).

2.30.

Kan deze onbevoegde vertegenwoordiging ook [verweerder sub 2] worden tegengeworpen? Het antwoord is: ja. Daarvoor geldt dat [verweerder sub 2] als bestuurder van [verweerder sub 4] zeer wel op de hoogte was van tegenstrijdigheid tussen het belang van [bedrijf 1] en dat van [verweerder sub 4] ten tijde van het verrichten van de aflossing. Omdat de aflossing vóór 1 januari 2013 is gedaan, is deze op grond van het bepaalde in 2:256 (oud) BW (ook) in relatie jegens [verweerder sub 2] zonder rechtsgrond verricht, waardoor op het moment van die aflossing een verbintenis tot ongedaanmaking ervan is ontstaan (zie randnummer 2.20.). Dit betekent dat [bedrijf 1] een vordering had op [verweerder sub 2] ter hoogte van € 100.000,- . In het overzicht van productie 34 heeft [bedrijf 1] echter terecht opgemerkt dat tussen het moment van betaling van deze € 100.000,- en het moment dat dit – onverschuldigd betaalde – bedrag is teruggevorderd meer dan vijf jaar is gelegen, waardoor die vordering is verjaard (zie artikel 3:309 BW). Uit hetgeen [verweerders c.s.] in reactie hierop onder randnummer 3.16. van haar akte van 31 december 2019 heeft geschreven, maakt de rechtbank op dat [verweerders c.s.] op deze verjaring ook een beroep doet. Dit leidt ertoe dat de door [bedrijf 1] tegen [verweerder sub 2] ingediende vordering via deze weg niet kan worden toegewezen.

2.31.

Is er een andere weg die wel slaagt? [bedrijf 1] stelt dat die er is en onderbouwt dat met een beroep op onbehoorlijk bestuur in de zin van artikel 2:9 BW in combinatie met artikel 2:11 BW (juridisch kader: zie 2.23. en 2.24.). Met [bedrijf 1] is de rechtbank van oordeel dat [verweerder sub 4] haar taak als bestuurder in deze onbehoorlijk heeft vervuld. Het is namelijk ernstig verwijtbaar dat zij het ertoe heeft geleid dat het bedrag van € 100.000,- zonder inachtneming van de verhouding ¾ - ¼ volledig aan haar bestuurder ( [verweerder sub 2] ) is toegekomen. Daarbij komt dat [verweerder sub 4] daarbij als bestuurder van [bedrijf 1] ook heeft gehandeld in strijd met het bepaalde in artikel 12 lid 1 onder c van de statuten van [bedrijf 1] , terwijl die bepaling [bedrijf 1] juist moest beschermen voor een (mogelijk) tegenstrijdig belang bij haar bestuurder. Ook dat vestigt een aansprakelijkheid van [verweerder sub 4] in de zin van artikel 2:9 BW en vervolgens ook van [verweerder sub 2] en [verweerder sub 3] via de weg van artikel 2:11 BW. In dat laatste artikel is immers bepaald dat de aansprakelijkheid van een rechtspersoon als bestuurder ( [verweerder sub 4] ) ook hoofdelijk rust op ieder die ten tijde van het ontstaan van de aansprakelijkheid daarvan (indirect) bestuurder is ( [verweerder sub 2] en [verweerder sub 3] ).

2.32.

Toch kan dat niet tot toewijzing van de vordering van € 100.000,- op [verweerder sub 4] , [verweerder sub 2] en [verweerder sub 3] leiden, ook niet als op grond van de artikelen 3:320 en 3:321 BW en de stuitingsbrief van [eiseressen c.s.] van 10 november 2017 (productie 25 [eiseressen c.s.] ) zou worden aangenomen dat deze vordering – met als grondslag bestuurdersaansprakelijkheid – niet is verjaard. Daarvoor is redengevend dat voor die aansprakelijkheid vast moet staan dat [bedrijf 1] als gevolg van het handelen/nalaten van [verweerder sub 4] schade heeft geleden. Voor die vaststelling moet een vergelijking worden gemaakt tussen de situatie met en de situatie zonder de aan de bestuurder verweten gedraging (zie 2.24.). En die situaties verschillen niet, want door de betaling van het bedrag van € 100.000,- aan [verweerder sub 2] is de rekeningcourantschuld van [bedrijf 1] aan [verweerder sub 2] , althans [verweerder sub 4] , met eenzelfde bedrag verminderd. De vermogenspositie van [bedrijf 1] zou niet anders zijn geweest als met die € 100.000,- de schuld van [bedrijf 1] aan [eiseres sub 1] zou zijn afgelost met € 75.000,- en die aan [verweerder sub 2] met € 25.000,-. Vordering 1 zal dus worden afgewezen.

2.33.

Wat hiervoor is overwogen laat onverlet dat [eiseres sub 1] mogelijk als gevolg van de hiervoor vermelde gang van zaken schade heeft geleden, maar dat komt pas bij de beoordeling van vordering 18 aan de orde.

Betalingen zonder titel: € 4.070,44 na eisvermindering (vordering 2)

2.34.

In de akte van 31 december 2019 heeft [bedrijf 1] haar deelvorderingen 2, 7, 11 en 13 (deels) voorwaardelijk verminderd tot nihil. Die voorwaarde is volgens de stellingen van [bedrijf 1] vervuld als de rechtbank met betrekking tot die specifieke vorderingen (betalingen van [bedrijf 1] aan [verweerder sub 4] en/of aan [verweerder sub 4] gelieerde ondernemingen) oordeelt dat er geen sprake is van een tegenstrijdig belang en [bedrijf 1] bewijs moet leveren van haar stelling dat de betalingen ook zonder toepassing van de tegenstrijdig belangregeling zonder rechtsgrond zijn verricht. [bedrijf 1] wenst het niet tot een bewijslevering te laten komen, omdat zij voorziet dat zij dan in bewijsnood komt te verkeren. De intrekking van de vorderingen 2, 7, 11 en 13 onder deze voorwaarden noopt ertoe dat per (deel)vordering moet worden gekeken naar het gestelde ‘tegenstrijdig belang’ bij de verrichte betalingen en/of de vraag of bewijslevering nodig is. Voordat de rechtbank daaraan toekomt, moeten de ter discussie staande betalingen één voor één worden geanalyseerd.

2.35.

De vordering ter hoogte van € 4.070,44 is door [eiseressen c.s.] in de procesinleiding als volgt (feitelijk en juridisch) onderbouwd. In de administratie van [bedrijf 1] is in de periode 23 april 2013 tot en met 5 juli 2013 een vijftal betalingen aan [bedrijf 3] B.V. (verder [bedrijf 3] ) aangetroffen met een totale waarde van € 4.070,44 (€ 950,-, € 950,-, € 1.900,-, € 149,44 en € 121,-, productie 9 [eiseressen c.s.] ). [bedrijf 3] maakte tot 1 oktober 2012 onderdeel uit van de groep van vennootschappen van [verweerder sub 3] . Per 1 oktober 2012 zijn de aandelen in het kapitaal van [bedrijf 3] door [bedrijf 4] B.V. overgenomen. Deze betalingen zijn onder invloed van een tegenstrijdig belang en zonder rechtsgrond (en daarom onverschuldigd) verricht en moeten worden terugbetaald, aldus [eiseressen c.s.]

2.36.

In het verweerschrift heeft [verweerders c.s.] in reactie op deze stellingen een drietal facturen overgelegd die volgens haar een rechtsgrond vormen voor betaling van de bedragen € 121,-, € 1.900,- en € 149,44 (productie 10 [verweerders c.s.] ). Facturen ter onderbouwing van de andere twee betalingen zijn niet door [verweerders c.s.] in het geding gebracht.

2.37.

In het tussenvonnis van 8 oktober 2019 heeft de rechtbank aan [verweerders c.s.] gevraagd (1) ook de andere twee facturen van [bedrijf 3] in het geding te brengen en (2) per factuur (alle vijf) uit te leggen welke werkzaamheden door [bedrijf 3] hiervoor zijn verricht (onderbouwd met stukken).

2.38.

Wat betreft de betaling van twee keer € 950,- op 23 april 2013 door [bedrijf 1] aan [bedrijf 3] voert [verweerders c.s.] aan dat dit twee keer een storting van een waarborgsom betreft die huurders van een woning aan de [adres] aan verhuurder ( [bedrijf 1] ) verschuldigd waren. Ter onderbouwing van deze stelling heeft [verweerders c.s.] een huurovereenkomst overgelegd waaruit deze afspraak zou moeten blijken (productie 44 [verweerders c.s.] ). Deze uitleg van [verweerders c.s.] volstaat niet. Integendeel, uit de huurovereenkomst (artikel 10.1.) blijkt namelijk dat de huurder een waarborgsom van € 950,- aan [bedrijf 1] moet betalen. Waarom [bedrijf 1] op basis van deze afspraak niet iets heeft ontvangen, maar juist € 950,- aan [bedrijf 3] heeft voldaan, ontgaat de rechtbank. Dat er een grondslag voor deze twee betalingen heeft bestaan, kan al daarom niet worden aangenomen.

2.39.

Voor zover het de onderbouwing van de andere drie posten betreft (€ 121,-,

€ 1.900,- en € 149,44) verwijst [verweerders c.s.] naar een verklaring van de heer [C] (verder: [C] ), directeur van [bedrijf 3] (productie 28 [verweerders c.s.] ). Daarin wordt geschreven dat [bedrijf 3] zich destijds als makelaar bezighield met de verhuur van zes woningen aan de [adres] en daarvoor kosten bij [bedrijf 1] (de verhuurder) in rekening heeft gebracht. Uit die verklaring blijkt dat [C] daarbij ook een Excel bestand heeft gevoegd, waaruit die werkzaamheden moeten blijken. Dat bestand is door [verweerders c.s.] echter niet in het geding gebracht. Hierdoor kan niet worden vastgesteld dat, althans welke, werkzaamheden [bedrijf 3] ten behoeve van [bedrijf 1] heeft verricht, terwijl de rechtbank in haar tussenvonnis uitdrukkelijk om die (gedocumenteerde) onderbouwing heeft gevraagd. Daarbij komt dat de post van € 1.900,- gelet op de door [bedrijf 3] aan [bedrijf 1] verzonden factuur betrekking heeft op “Courtage verhuur [adres] ” (productie 10 [verweerders c.s.] ). In artikel 11.1. van de huurovereenkomst staat echter dat de huurder bij ondertekening van de overeenkomst een courtage van € 950,- aan de makelaar is verschuldigd. Gelet hierop is zonder nadere toelichting (die ontbreekt) niet goed te begrijpen waarom de verhuurder ( [bedrijf 1] ) dit bedrag aan [bedrijf 3] heeft moeten betalen (2 x € 950,- = € 1.900,-). Voor het gefactureerde bedrag van € 121,- geldt meer specifiek dat op de daarop betrekking hebbende factuur staat: “kosten gemaakt voor verhuur [adres] [woonplaats] volgens bijgevoegde kopie.” Die ‘kopie’ is echter niet overgelegd, zodat ook deze gestelde kosten niet zijn onderbouwd. De factuur van € 149,44 ten slotte ziet volgens de omschrijving op kosten gemaakt voor het plaatsen van twee advertenties (op marktplaats en in de krant). [C] stelt in zijn verklaring dat hij de advertentie in de krant heeft bijgevoegd, maar die is vervolgens niet door [verweerders c.s.] in het geding gebracht. Evenmin zijn bewijzen overgelegd waaruit blijkt dat [bedrijf 3] de kosten voor de twee gestelde advertenties heeft gemaakt.

2.40.

Dit alles brengt mee dat [bedrijf 1] zonder het bestaan van een rechtsgrond in totaal € 4.070,44 aan [bedrijf 3] heeft voldaan. Op grond van het bepaalde in de artikel 2:9 BW in combinatie met artikel 2:11 BW zijn [verweerder sub 4] , [verweerder sub 2] en [verweerder sub 3] voor de hierdoor ontstane schade aansprakelijk. Het betalen van bedragen zonder dat daar een rechtsgrond voor bestaat is verwijtbaar als voor die “vergissing” geen goede verklaring is te geven, wat [verweerders c.s.] niet heeft gedaan. In dat geval vervult de bestuurder ( [verweerder sub 4] ) zijn taak niet met een inzicht en zorgvuldigheid die van hem mogen worden verwacht (zie 2.23.). Dit verwijt wordt ernstig als de bestuurder vervolgens niet tot terugvordering van die onverschuldigde betalingen overgaat, wat [verweerder sub 4] , [verweerder sub 2] en [verweerder sub 3] evenmin hebben gedaan. [bedrijf 1] heeft door dit handelen/nalaten schade geleden, omdat [eiseressen c.s.] onbetwist heeft gesteld dat [bedrijf 3] “op sterven na dood is” : de (enige) vestiging van [bedrijf 3] is per 1 november 2018 opgeheven en uit de laatst gedeponeerde jaarrekening van [bedrijf 3] over 2017 blijkt van een negatief eigen vermogen van € 232.274,-. Vordering 2 zal dus worden toegewezen.

[bedrijf 3] : € 37.000 (vordering 3)

2.41.

Deze vordering behoeft geen verdere bespreking omdat [eiseressen c.s.] haar eis heeft verminderd, voor zover het hier gevorderde bedrag ook onderdeel uitmaakt van de hierna te bespreken vordering 17. Omdat de rechtbank van oordeel is dat dit het geval is, zal zij deze eisvermindering als onvoorwaardelijk beschouwen.

[verweerder sub 3] : € 1.500,- (vordering 4)

2.42.

In de procesinleiding stelt [eiseressen c.s.] dat zij in de administratie van [bedrijf 1] een betaling van € 1.500,- aan [verweerder sub 3] heeft aangetroffen (22 maart 2012) zonder dat daarvoor een grondslag is aan te wijzen. Op verzoek van de rechtbank heeft [eiseressen c.s.] het bankafschrift overgelegd waaruit deze betaling blijkt. Dat heeft zij bij haar akte van 31 december 2019 gedaan. Uit dat bankafschrift blijkt dat [verweerder sub 3] kort daarvoor, namelijk op 14 maat 2012, een zelfde bedrag naar [bedrijf 1] heeft overgemaakt. [verweerders c.s.] stelt dat deze betaling van 14 maart 2012 is verricht door een tijdelijk liquiditeitstekort op de rekening van [bedrijf 1] , waarna die aanvulling is terugbetaald. Op die stelling heeft [eiseressen c.s.] vervolgens niet gereageerd, zodat de rechtbank van de juistheid van de stellingen van [verweerders c.s.] op dit punt uitgaat. Dat leidt tot afwijzing van vordering 4 van [bedrijf 1] .

[verweerder sub 2] : € 414,75 (vordering 5)

2.43.

Deze vordering is ingetrokken en hoeft daarom niet te worden besproken.

[VVE beheer] : € 484,- (vordering 6)

2.44.

In haar akte van 31 december 2019 heeft [eiseressen c.s.] haar eis verminderd met het bedrag van € 484,-. Deze vordering behoeft daarom ook geen bespreking.

[verweerder sub 1] : € 10.639,25 (vordering 7)

2.45.

In de periode 29 oktober 2013 tot en met 27 november 2016 is door middel van 13 overboekingen een totaalbedrag van € 9.919,67 door [bedrijf 1] aan [verweerder sub 1] voldaan (productie 14 [eiseressen c.s.] ). Ter rechtvaardiging van al deze betalingen heeft [verweerders c.s.] onderliggende facturen overgelegd (productie 14 [verweerders c.s.] ). Op die facturen is vermeld op welke werkzaamheden die betrekking hebben (bijvoorbeeld: courtage verkoop [adres] , entresol afwerken met rabatdelen, voordeur herstellen woonhuis [adres] etc.).

2.46.

Naar aanleiding van een aantal in het tussenvonnis door de rechtbank gestelde vragen heeft [verweerders c.s.] uitgelegd dat gezien de beperkte omvang van de door [verweerder sub 1] verrichte (op de facturen gespecificeerde) werkzaamheden hierover geen verdere documentatie beschikbaar is. In reactie hierop heeft [eiseressen c.s.] de gestelde door [verweerder sub 1] verrichte werkzaamheden niet inhoudelijk betwist, maar gesteld dat als die werkzaamheden zijn verricht, er sprake is van tegenstrijdig belang (omdat [verweerder sub 1] een aan [verweerder sub 4] gelieerde onderneming is). Deze laatste stelling van [eiseressen c.s.] gaat niet op. Het enkele feit dat [bedrijf 1] zaken heeft gedaan met een aan [verweerder sub 4] gelieerde onderneming, brengt namelijk nog niet mee dat [verweerder sub 4] ( [verweerder sub 3] ) met zodanig onverenigbare belangen te maken had dat in redelijkheid betwijfeld moet worden of zij (hij) zich bij haar (zijn) handelen uitsluitend heeft laten leiden door het belang van [bedrijf 1] en de daarmee verbonden onderneming (zie voor juridisch kader 2.18.). Er zijn dus bijzondere omstandigheden nodig voor een geslaagd beroep op tegenstrijdig belang. Die bijzondere omstandigheden zijn niet door [eiseressen c.s.] gesteld, noch anderszins gebleken.

2.47.

Nu van het door [eiseressen c.s.] gestelde tegenstrijdig belang geen sprake is en [verweerders c.s.] op dit moment voldoende aanknopingspunten heeft geleverd voor een rechtsgeldige grondslag voor de 13 besproken betalingen, is het aan [eiseressen c.s.] om haar andersluidende stelling te bewijzen. Zoals al onder randnummer 2.34. van dit vonnis is overwogen, wenst [eiseressen c.s.] bij die stand van zaken haar vordering 7 in te trekken, zodat de rechtbank daarvan uitgaat, behoudens het navolgende.

2.48.

Vaststaat dat er nog drie betalingen door [bedrijf 1] aan [verweerder sub 1] zijn verricht (2 x € 33,55 en 1 x € 652,48). Evenmin is tussen partijen in geschil dat deze betalingen onverschuldigd zijn geschied (want dubbele betaling(en) op een factuur). Deze bedragen zijn door [verweerder sub 1] echter niet aan [bedrijf 1] terugbetaald, maar verwerkt in de rekening-courantverhouding tussen [bedrijf 1] en [verweerder sub 1] . Daardoor is de rekeningcourantvordering die [bedrijf 1] op [verweerder sub 1] had, verhoogd met een bedrag van € 719,58 (2 x € 33,55 en € 652,48). Vervolgens is deze rekeningcourantschuld van [verweerder sub 1] aan [bedrijf 1] overgeheveld naar de rekeningcourantverhouding tussen [bedrijf 1] en [verweerder sub 4] . Dit heeft tot gevolg gehad dat de rekeningcourantvordering van [verweerder sub 4] op [bedrijf 1] (in ieder geval) is verminderd met genoemd bedrag van € 719,58. Dit is dus een aflossing geweest van de schuld die [bedrijf 1] aan [verweerder sub 4] had. Daarbij is echter de ¾ - ¼ verhouding (wederom) niet in acht te nemen. De juiste weg was geweest dat [verweerder sub 1] het bedrag van € 719,58 aan [bedrijf 1] zou hebben terugbetaald, waarna 75% van dat bedrag als aflossing in de rechtsverhouding tot [eiseres sub 1] had kunnen worden aangewend en 25% in de rechtsverhouding tot [verweerder sub 4] .

2.49.

Nu in plaats van deze verdeling het gehele bedrag ten goede aan [verweerder sub 4] is gekomen en [verweerder sub 1] een aan [verweerder sub 4] gelieerde onderneming is, is deze aflossingsbeslissing onderhevig geweest aan een tegenstrijdig belang. Voor dat oordeel geldt dezelfde redenering als hiervoor bij de beoordeling van vordering 1. is uitgewerkt (zie randnummer 2.29.). Anders dan bij vordering 1., is dat de aflossing van het bedrag van € 719,58 heeft plaatsgevonden na 1 januari 2013. Zoals uit het algemeen juridisch kader ‘tegenstrijdig belang’ blijkt geldt sindsdien het bepaalde in artikel 2:239 lid 6 BW. Zoals onder randnummer 2.21. al is vermeld, volgt daaruit dat een besluitvorming in strijd met de statuten (geen goedkeuring algemene vergadering) de vertegenwoordigingsbevoegdheid niet aantast en daarom geen gevolgen heeft voor de op dat besluit gebaseerde rechtshandelingen met derden (verrekening met [verweerder sub 1] ). Toch speelt hier het geval dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is dat [verweerder sub 1] (de derde) [bedrijf 1] aan genoemde verrekening van het bedrag van € 719,58 wenst te houden. [verweerder sub 1] is immers een aan [verweerder sub 4] gelieerde onderneming en wist daarom als geen ander dat (1) [verweerder sub 4] in deze een regenstrijdig belang had, (2) toch zonder goedkeuring van de algemene vergadering tot verrekening overging en (3) [verweerder sub 4] en [bedrijf 1] daardoor tekortschoten in de nakoming van hun ¾ - ¼ aflossingsverplichtingen (met alle mogelijke schade van dien). Deze bijkomende omstandigheden rechtvaardigen een beroep van [bedrijf 1] op de onder randnummer 2.21. genoemde ‘ [naam] -exceptie’. Dit leidt ertoe dat [bedrijf 1] niet gebonden is aan de verrekening van het bedrag van € 719,58 en dat zij dit bedrag van [verweerder sub 1] kan terugvorderen (zie randnummer 2.22.), zodat die vordering tot zover wordt toegewezen. Die vordering wordt afgewezen voor zover die uit hoofde van bestuurdersaansprakelijkheid ook tegen [verweerder sub 4] , [verweerder sub 2] en [verweerder sub 3] is ingesteld. Tussen partijen staat namelijk vast dat [verweerder sub 1] goed is voor haar geld.

[B] : € 7.500,- (vordering 8 )

2.50.

Op 20 juli 2012 heeft [bedrijf 1] een betaling van € 7.500,- aan [B] gedaan ter hoogte van € 7.500,- met als omschrijving ‘fact. 12/LII/065’. [B] is de koper van de woning aan de [adres] te [woonplaats] (zie 2.25). In de administratie van [bedrijf 1] bevindt zich een creditfactuur van 19 juli 2012 met dezelfde omschrijving. Op die creditfactuur, die aan [B] is geadresseerd, staat: “In verband met tegemoetkoming kosten herstellen garage [adres] te [woonplaats] ” (zie productie 15 bij de procesinleiding). [eiseressen c.s.] plaatst vraagtekens bij deze betaling. Zo vindt ze het opvallend dat die betaling plaatsvond precies rond de tijd dat ook de pop-out problematiek speelde (zie vordering 1.). Daarom is volgens [eiseressen c.s.] niet vast te stellen op welke ‘problematiek’ de betaling van € 7.500,- betrekking heeft. Wel vindt [eiseressen c.s.] dat er sprake is van een dubieuze samenhang van omstandigheden ( [B] was werknemer van [verweerder sub 3] , hij was koper van een woning aan de [adres] en hij had [bedrijf 1] aansprakelijk gesteld voor de pop-up problematiek). Verder vindt [eiseressen c.s.] dat door haar is aangetoond dat [B] over bepaalde onderwerpen onjuist heeft verklaard. Al met al voldoende reden volgens [eiseressen c.s.] om aan te nemen dat de betaling van € 7.500,- zonder rechtsgrond is geschied.

2.51.

[verweerders c.s.] betwist deze gevolgtrekking van [eiseressen c.s.] en voert daartoe het volgende aan. Er was wel degelijk iets mis met de constructie van de garage bij de woning van [B] en zijn buren. Daardoor spoelde onder beide garages zand weg en verzakte de bestratingen rondom het huis. Dit probleem heeft [B] zelf opgelost en daarvoor een (schade)vergoeding van € 7.500,- van [bedrijf 1] ontvangen. Ter onderbouwing van deze gang van zaken heeft [verweerders c.s.] een tweetal verklaringen van [B] overgelegd (producties 16 en 32). Volgens [verweerders c.s.] heeft bedoelde betaling dus niets met de pop-out problematiek te maken.

2.52.

Met [eiseressen c.s.] is de rechtbank van mening dat in de (contractuele) relatie tussen [B] en [verweerders c.s.] niet alles even duidelijk is. Ook deelt de rechtbank het standpunt van [eiseressen c.s.] dat de verklaringen van [B] op sommige punten niet overeenstemmen met de aanwezige bewijsmiddelen, zoals door [eiseressen c.s.] nader is toegelicht in haar reactie op de antwoorden van [verweerders c.s.] op de in het tussenvonnis gestelde vragen 1b en 8c. Dit bewijst echter niet dat (1) alles wat tussen [B] en [bedrijf 1] / [verweerder sub 4] is afgesproken, een opzetje is om de daadwerkelijke gang van zaken te verbloemen en (2) dat daarom de betaling van € 7.500,- in 2012 zonder rechtsgrond is geschied. Er is meer nodig dan alleen een vermoeden dat er iets niet in de haak is. Nu dat ‘meerdere’ er niet is, leidt dat tot afwijzing van deze vordering 8 zonder dat [eiseressen c.s.] tot bewijslevering wordt toegelaten.

[B] : € 65.000,- en 69.830,70 (vordering 9 en 10)

2.53.

Op 26 februari 2013 is door [bedrijf 1] een bedrag van € 65.000,- betaald aan [bedrijf 5] (verder: [bedrijf 5] ). Bij deze betaling is de omschrijving opgenomen: “ [bedrijf 5] voorschot verbouwing [adres] [woonplaats] .” [bedrijf 5] is een eenmanszaak van [B] . Op 26 februari 2013 is ook een bedrag van € 65.000,- in de rekeningcourantverhouding tussen [verweerder sub 2] en [bedrijf 1] verwerkt, waardoor de vordering van [bedrijf 1] op [verweerder sub 2] met dit bedrag is toegenomen. Vervolgens zijn een drietal boekingen in dezelfde rekeningcourant-verhouding zichtbaar: 6 maart 2013 € 29.747,85, 12 april 2013 € 29.747,85 en 25 april 2013 € 10.335,00. Deze boekingen zijn verricht met de omschrijving “verbouwing [adres] ” en hebben ertoe geleid dat de rekeningcourantvordering van [bedrijf 1] op [verweerder sub 2] met een bedrag van € 69.830,70 is afgenomen. [verweerders c.s.] stelt dat met deze boekingen/betalingen de verbouwing aan de [adres] is gerealiseerd, waarbij [verweerder sub 2] als opdrachtgever en [bedrijf 5] als opdrachtnemer is opgetreden.

2.54.

Onder verwijzing naar deze (gestelde) feitelijke gang van zaken heeft de rechtbank in haar tussenvonnis aan [eiseressen c.s.] de vraag gesteld waarom zij zowel het bedrag van € 65.000,- als het bedrag van € 69.830,70 vordert, terwijl de positie van [bedrijf 1] in verband met de gestelde verbouwing [adres] ‘slechts’ met € 69.830,70 lijkt te zijn verminderd. In reactie op de deze vraag heeft [eiseressen c.s.] haar eis verminderd met een bedrag van € 65.000,- (zie onder randnummer 64 van de akte, blz 101). Vordering 9 is daardoor ingetrokken.

2.55.

Door deze eisvermindering resteert een te beoordelen vordering van € 69.830,70 (vordering 10). Omdat de rechtbank de door [verweerders c.s.] opgetuigde - onder 2.53. omschreven - constructie niet (goed) begreep, heeft zij in het tussenvonnis aan [verweerders c.s.] gevraagd hierop een nadere toelichting te geven (zie ook 2.7.). Een duidelijk en overtuigend antwoord heeft [verweerders c.s.] niet gegeven. Zo heeft zij niet kunnen uitleggen waarom ervoor is gekozen [verweerder sub 2] in deze als opdrachtgever van [bedrijf 5] te laten opgetreden, en niet [bedrijf 1] . Verder zijn geen stukken door [verweerders c.s.] overgelegd waaruit de gestelde opdracht van [verweerder sub 2] aan [bedrijf 5] blijkt. Het enige dat door [verweerders c.s.] in het geding is gebracht betreft een drietal facturen van [bedrijf 5] aan [verweerder sub 2] waarop een korte omschrijving van de gestelde verrichte werkzaamheden is vermeld (productie 34 [verweerders c.s.] ). Op die drie facturen is verder te lezen wanneer de betalingen door [bedrijf 5] zijn ontvangen: factuur 6 maart 2013 (€ 29.747,85) op 8 maart 2013, factuur 12 april 2013 (€ 29.747,85) op 17 april 2013 en factuur 25 april 2013 (€ 10.335,00) op 6 mei 2013. In haar tussenvonnis heeft de rechtbank uitdrukkelijk gevraagd om bewijzen van deze gestelde betalingen door [verweerder sub 2] aan [bedrijf 5] te overleggen. [verweerders c.s.] heeft dit niet gedaan. Zij stelt dat ze die bewijzen niet heeft omdat die zich in de administratie van [bedrijf 1] (lees: thans bij [eiseres sub 1] ) bevinden. Deze uitleg is niet goed te begrijpen in het licht van het feit dat [verweerder sub 2] opdrachtgever was (en de betalingen zou hebben verricht) en [bedrijf 5] de opdrachtnemer (die de betalingen zou hebben ontvangen). Deze administratie bevindt zich juist bij [verweerders c.s.] (die van [verweerder sub 2] ), althans is door haar eenvoudig op te vragen bij [bedrijf 5] ( [B] ).

2.56.

Wat hiervoor is overwogen komt er - samenvattend - op neer dat [bedrijf 1] in totaal een bedrag van € 69.830,70 aan [verweerder sub 2] heeft betaald (in rekeningcourant) voor de verbouwing van [adres] zonder dat ergens uit blijkt dat die betalingen uiteindelijk ook door [verweerder sub 2] aan [bedrijf 5] zijn doorbetaald. Evenmin heeft [verweerders c.s.] kunnen onderbouwen dat de gestelde werkzaamheden, waarvoor € 69.830,70 door [bedrijf 1] is betaald, ook daadwerkelijk door [bedrijf 5] zijn verricht. Op de specifieke vraag in het tussenvonnis om stukken/bewijzen in het geding te brengen waaruit die werkzaamheden blijken, heeft [verweerders c.s.] namelijk alleen een aantal huurcontracten overgelegd (tussen [bedrijf 1] en haar huurders aan de [adres] ). Uit deze huurcontracten kan wellicht worden opgemaakt dat destijds een aantal woningen aan de [adres] ‘verhuur klaar’ moesten worden gemaakt, maar dat [bedrijf 5] daarbij was betrokken volgt daar niet uit.

2.57.

Bij deze stand van zaken is de conclusie dat [verweerders c.s.] onvoldoende gemotiveerd heeft betwist dat de betaling van het bedrag van € 69.830,70 zonder rechtsgrond is geschied. Al daarom kan deze vordering, voor zover die tegen [verweerder sub 2] is ingesteld, als onverschuldigd betaald worden toegewezen. Op grond van artikel 2:9 BW in combinatie met artikel 2:11 BW is deze vordering ook toewijsbaar tegen [verweerder sub 4] en [verweerder sub 3] . Het is uiteraard ernstig verwijtbaar dat zij een betaling aan een gelieerde onderneming (doen) verrichten (in rekening courant) waarvan zij weten dat daarvoor geen rechtsgrond bestaat, althans dat ze die betaling niet hebben teruggevorderd nadat die ontbrekende grondslag bekend was geworden. Door dit verwijtbaar handelen heeft [bedrijf 1] ook schade geleden ter hoogte van € 69.830,70. Door [eiseressen c.s.] is namelijk onbetwist gesteld dat de financiële positie van [verweerder sub 2] zeer slecht is (negatief eigen vermogen van € 684.602,-). Het lijkt daarom illusoir dat [bedrijf 1] deze vordering op [verweerder sub 2] kan verhalen. Het voorgaande leidt ertoe dat vordering 10 ook tegen [verweerder sub 4] en [verweerder sub 3] wordt toegewezen.

Non existente verrekeningen [verweerder sub 4] : € 16.085,41 (vordering 11)

2.58.

Op 31 december 2015 is een bedrag van € 16.085,41 in de administratie van [bedrijf 1] verwerkt als: “Nog door te belasten kosten [adres] vanuit [verweerder sub 1] (2014 reeds voorgeschoten)”. Het bedrag van € 16.085,41 is niet door [bedrijf 1] betaald aan [verweerder sub 1] , maar in de rekeningcourantverhouding tussen [bedrijf 1] en [verweerder sub 4] verwerkt. Hierdoor is de vordering van [verweerder sub 4] op [bedrijf 1] toegenomen met dit bedrag. [eiseressen c.s.] stelt in de procesinleiding dat er geen documentatie (onderliggende) stukken ter onderbouwing van deze administratieve verwerking zijn, zodat zij ervan uitgaat dat deze ‘betaling’ onverschuldigd is geschied.

2.59.

In haar tussenvonnis heeft de rechtbank aan [verweerders c.s.] hierover een aantal vragen gesteld. In reactie hierop heeft [verweerders c.s.] – kort gezegd – gesteld dat [verweerder sub 1] is opgericht als aannemer. Daarom bezat zij een pas om materialen te kopen. Na afronding van de werkzaamheden aan de [adres] zijn deze door [verweerder sub 1] gemaakte materiaalkosten (€ 6.512,93) en het arbeidsloon van een ingehuurde derde ( [bedrijf 6] B.V.) eerst geboekt in de rekeningcourantverhouding tussen [verweerder sub 1] en [verweerder sub 4] en daarna door [verweerder sub 4] doorberekend aan [bedrijf 1] . Ter onderbouwing van de stelling dat [verweerder sub 1] daadwerkelijk deze kosten heeft gemaakt heeft [verweerders c.s.] een groot aantal bonnetjes en facturen in het geding gebracht (zie producties 18, 36 en 37).

2.60.

De rechtbank is van oordeel dat [verweerders c.s.] met deze stukken een begin van een onderbouwing heeft gegeven voor haar stelling dat [verweerder sub 1] kosten heeft gemaakt voor de (af)bouw van [adres] . De bonnetjes/facturen zijn in de door [verweerders c.s.] overgelegde grootboekkaart ook terug te vinden. Verder is door [eiseressen c.s.] niet betwist dat het project [adres] van [bedrijf 1] was, zodat de daarvoor gemaakte kosten ook ten laste van [bedrijf 1] moesten worden gebracht. Bij deze stand van zaken is het aan [eiseressen c.s.] om bewijs te leveren van haar stelling dat de betalingen – ondanks de door [verweerders c.s.] aangedragen bewijsmiddelen – onverschuldigd zijn geschied. Omdat [eiseressen c.s.] ook met betrekking tot vordering 11 heeft gesteld niet tot bewijslevering toegelaten te willen worden (zie 2.34.), gaat de rechtbank er verder vanuit dat [eiseressen c.s.] deze vordering heeft ingetrokken.

2.61.

Het feit dat [bedrijf 1] voor de (af)bouw van [adres] zaken heeft gedaan met [verweerder sub 1] (een aan [verweerder sub 4] gelieerde onderneming), maakt wat hiervoor is overwogen niet anders. Daarvoor geldt dezelfde redenering als bij vordering 7: voor een geslaagd beroep op tegenstrijdig belang zijn bijzonder omstandigheden vereist en die zijn door [eiseressen c.s.] niet gesteld of anderszins gebleken. Met andere woorden: [bedrijf 1] heeft onvoldoende onderbouwd dat hier is gehandeld met een tegenstijdig belang. Evenmin had [verweerder sub 4] / [bedrijf 1] bij de uiteindelijke rekeningcourantboeking van het bedrag € 16.085,41 de ¾-¼-verhouding in acht hoeven te nemen. Deze betaling (in rekeningcourant) betrof immers een betaling voor materialen en verrichte werkzaamheden en niet een ‘aflossing’ op het verstrekte krediet (vergelijk 2.15.).

Non existente verrekeningen [verweerder sub 4] : € 25.000,- (vordering 12)

2.62.

[eiseressen c.s.] heeft deze vordering ingetrokken, omdat hetzelfde bedrag ook bij vordering 17 wordt gevorderd.

Non existente verrekeningen [verweerder sub 4] : € 785,48 na eisvermindering (vordering 13)

2.63.

Uit de akte van [eiseressen c.s.] (randnummer 64) blijkt dat zij deze vordering vermindert met een bedrag van € 1.403,31 (€ 624,49 + 778,82). Hierdoor resteert een te beoordelen vordering van € 785,48. Deze vordering bestaat uit drie posten (€ 37,10 + € 260,65 + € 487,73). Daarover stelt [eiseressen c.s.] – kort gezegd – dat deze bedragen door middel van verrekening administratief zijn verwerkt in de rekeningcouranteverhouding tussen [verweerder sub 4] en [bedrijf 1] , terwijl een rechtsgrondslag daarvoor lijkt te ontbreken.

2.64.

Over het bedrag van € 487,73 oordeelt de rechtbank als volgt. Dit bedrag ziet op de helft van een aan [bedrijf 1] gerichte factuur van de [notaris] van € 975,45. [verweerders c.s.] stelt dat deze factuur notariskosten betreffen van een uiteindelijk niet doorgegaan transport van een woning en dat deze factuur in zijn geheel door [bedrijf 1] is betaald. Omdat de koper van de ontbonden overeenkomst het redelijk vond dat hij de helft van deze kosten zou dragen, heeft hij een bedrag van € 487,73 aan [verweerder sub 3] betaald. Vervolgens heeft [verweerder sub 3] deze betaling in mindering gebracht op de rekeningcourantvordering die [verweerder sub 4] nog op [bedrijf 1] had, aldus steeds [verweerders c.s.]

2.65.

Deze redenering van [verweerders c.s.] is naar het oordeel van de rechtbank niet te volgen. Uit de grootboekkaart die [eiseressen c.s.] in het geding heeft gebracht blijkt namelijk dat het bedrag van € 487,73 niet in mindering is gebracht op de vordering van [verweerder sub 4] op [bedrijf 1] , maar juist met dat bedrag is vermeerderd (productie 19 [eiseressen c.s.] ). Nu [verweerders c.s.] hiervoor geen verklaring geeft, is de conclusie dat deze boeking in de rekeningcourantverhouding tussen [bedrijf 1] en [verweerder sub 4] onverschuldigd is geschied. Daarom moet [verweerder sub 4] het bedrag van € 487,73 aan [bedrijf 1] terugbetalen. Via de route van artikel 2:9 BW in combinatie met artikel 2:11 BW zijn ook [verweerder sub 2] en [verweerder sub 3] voor betaling van dit bedrag aan te spreken, omdat hen van hun handelen een ernstig verwijt kan worden gemaakt. [verweerder sub 4] is met haar (indirect) bestuurders namelijk verantwoordelijk voor deze ondoorzichtige en onbegrijpelijke wijze van boekhouden, waardoor zij de belangen van [bedrijf 1] rechtstreeks hebben geschaad. Het lijkt erop dat [verweerder sub 4] , [verweerder sub 2] en [verweerder sub 3] op een bepaald moment ook zelf het overzicht in de boekingen en verrekeningen over en weer zijn verloren. Van een met inzicht en zorgvuldig handelend bestuurder had anders mogen worden verwacht. Dit alles is temeer verwijtbaar nu de hier bedoelde foutieve boeking niet is hersteld. [bedrijf 1] heeft hierdoor schade geleden, omdat door [eiseressen c.s.] onbetwist is gesteld dat [verweerder sub 4] er financieel zeer slecht voorstaat en dat daarom niet verwacht mag worden dat [verweerder sub 4] in staat is het bedrag van € 487,73 aan [bedrijf 1] terug te betalen.

2.66.

Het bedrag van € 260,65 heeft volgens [verweerders c.s.] betrekking op de betaling van een aan [bedrijf 1] gerichte factuur voor geleverde nutsvoorzieningen voor de huizen aan de [adres] toen die nog niet verkocht waren. Die factuur heeft [verweerder sub 3] betaald vanwege liquiditeitsproblemen bij [bedrijf 1] , waarna die betaling binnen de rekeningcourantverhouding tussen [verweerder sub 4] en [bedrijf 1] is geadministreerd, aldus [verweerders c.s.] De rechtbank heeft aan [verweerders c.s.] in haar tussenvonnis gevraagd een kopie van de factuur van € 260,65 en een bewijs van betaling van dat bedrag door [verweerder sub 3] in het geding te brengen. Beide bewijsstukken zijn vervolgens niet door [verweerders c.s.] overgelegd. Volgens [verweerders c.s.] kan zij niet aan dit verzoek voldoen omdat (1) de factuur zich in de administratie van [bedrijf 1] moet bevinden en (2) [verweerder sub 3] niet meer over bankafschriften uit 2014/2015 beschikt. Beide stellingen overtuigen niet. Uit het verweerschrift van [verweerders c.s.] onder randnummer 5.137. volgt namelijk dat [verweerders c.s.] wel naar die factuur in de administratie van [bedrijf 1] heeft gezocht, maar dat die niet is gevonden. [bedrijf 1] stelt ook dat zij die factuur niet heeft. Verder blijkt nergens uit dat [verweerder sub 3] heeft geprobeerd om bij zijn bank informatie te krijgen over zijn betalingen uit 2014 en 2015. Bij deze stand van zaken heeft [verweerders c.s.] onvoldoende gemotiveerd betwist dat het bedrag van € 260,65 onverschuldigd ten laste van [bedrijf 1] in de rekeningcourantverhouding tussen [verweerder sub 4] en [bedrijf 1] is geboekt. Naast [verweerder sub 4] zijn ook [verweerder sub 2] en [verweerder sub 3] voor (terug)betaling van dit bedrag aan te spreken. Daarvoor gelden dezelfde gronden als hiervoor bij randnummer 2.65. aan de orde zijn gekomen.

2.67.

Dan ten slotte het bedrag van € 37,10. Ter onderbouwing van deze post heeft [verweerders c.s.] wel een onderliggende factuur overgelegd. Daaruit lijkt te volgen dat in 2014 ten behoeve van [adres] een aantal kleine werkzaamheden zijn verricht (productie 19 [verweerders c.s.] ). Nu [verweerders c.s.] hiermee een begin van bewijs heeft aangedragen ter rechtvaardiging van de boeking van het bedrag van € 37,10 en het aan [eiseressen c.s.] is haar andersluidende stelling te bewijzen, wordt [bedrijf 1] geacht deze vordering te hebben ingetrokken (zie randnummer 2.34.). Het voorgaande betekent dat vordering 13 tegen [verweerder sub 4] , [verweerder sub 2] en [verweerder sub 3] zal worden toegewezen, behoudens het zojuist genoemde bedrag van € 37,10.

Non existente verrekeningen [verweerder sub 2] : € 142.705,64 (vordering 14)

2.68.

In de procesinleiding stelt [eiseressen c.s.] dat [bedrijf 1] in 2015 een vordering van

€ 142.705,64 op [verweerder sub 2] had en dat die toen is overgeheveld naar de rekeningcourantverhouding tussen [bedrijf 1] en [verweerder sub 4] . Als gevolg daarvan is de vordering van [verweerder sub 4] op [bedrijf 1] met dit bedrag verminderd, aldus [eiseressen c.s.] In haar verweerschrift erkent [verweerders c.s.] dat het zo is gegaan. Verder stelt [verweerders c.s.] dat [bedrijf 1] hierdoor geen nadeel heeft ondervonden. Immers, tegenover het verdwijnen van een vordering van € 142.705,64 stond een gelijkwaardige vermindering van de schuld die [bedrijf 1] aan [verweerder sub 4] had, aldus [verweerders c.s.]

2.69.

In haar tussenvonnis heeft de rechtbank over deze vordering aan partijen een aantal vragen gesteld. Bij de beantwoording van die vragen stelt [verweerders c.s.] plots, in afwijking van haar verweerschrift, dat [bedrijf 1] in 2015 geen vordering van € 142.705,64 op [verweerder sub 2] had, maar een schuld ter hoogte van dat bedrag. Deze tournure legt zij echter niet uit. Verder heeft [verweerders c.s.] in haar akte ook niet de juistheid van het overzicht van [eiseressen c.s.] betwist, waaruit volgens [eiseressen c.s.] blijkt uit welke posten de vordering van € 142.705,64 op [verweerder sub 2] is opgebouwd (productie 50 [eiseressen c.s.] ). Bij de verdere beoordeling zal de rechtbank daarom ervan uit gaan dat [bedrijf 1] in 2015 een vordering van € 142.705,64 op [verweerder sub 2] had (en geen schuld aan [verweerder sub 2] ).

2.70.

[eiseressen c.s.] stelt dat de rekeningcourantboeking van € 142.705,64 als een aflossing van de door [verweerder sub 4] verstrekte financiering moet worden beschouwd en dat daarbij de ¾ - ¼ verhouding in acht had moeten worden genomen. Deze stelling slaagt. Als [bedrijf 1] haar vordering op [verweerder sub 2] namelijk gewoon had geïncasseerd, dan had zij liquide middelen gehad ter hoogte van € 142.705,64. Vervolgens had zij die gelden conform de overeengekomen verhouding (¾ - ¼) ter aflossing van haar schulden kunnen gebruiken (zie 2.8. tot en met 2.16.). Nu in plaats van deze verdeling het gehele bedrag ten goede aan [verweerder sub 4] is gekomen en [verweerder sub 2] een aan [verweerder sub 4] gelieerde onderneming is, is deze aflossingsbeslissing onderhevig geweest aan een tegenstrijdig belang. Voor dat oordeel geldt dezelfde redenering als hiervoor bij de beoordeling van vordering 1. is uitgewerkt (zie randnummer 2.29.). Nu de aflossing van het bedrag van € 142.705,64 heeft plaatsgevonden na 1 januari 2013, geldt via dezelfde redenering als bij vordering 7. dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is dat [verweerder sub 2] [bedrijf 1] aan de verrekening van het bedrag van € 142.705,64 wenst te houden (zie randnummer 2.49.). Dit leidt ertoe dat [bedrijf 1] niet gebonden is aan de verrekening van dat bedrag en dat van [verweerder sub 2] kan terugvorderen (zie randnummer 2.22.). Op grond van artikel 2:9 BW in combinatie met artikel 2:11 BW is deze vordering ook toewijsbaar tegen [verweerder sub 4] en [verweerder sub 3] . Ook hier geldt namelijk dat het ernstig verwijtbaar dat zij het ertoe hebben geleid dat het bedrag van € 142.705,64 door middel van een verrekening volledig ten goede van [verweerder sub 4] is gekomen (dus zonder de ¾ - ¼ verhouding in acht te nemen). Verder staat vast dat het zeer onwaarschijnlijk is dat [verweerder sub 2] in staat is het bedrag van € 142.705,64 aan [bedrijf 1] te voldoen (zie randnummer 2.57.). [bedrijf 1] lijdt door het verwijtbare handelen van [verweerder sub 4] en [verweerder sub 3] dus ook schade ter hoogte van dit bedrag. Het voorgaande leidt er samenvattend toe dat vordering 14 zowel tegen [verweerder sub 2] als tegen [verweerder sub 4] en [verweerder sub 3] wordt toegewezen.

Non existente verrekeningen [verweerder sub 3] : € 13.400,- (vordering 15)

2.71.

In de periode 3 november 2014 en 8 augustus 2015 is door middel van zes overboekingen een bedrag van € 13.400,- door [bedrijf 1] naar [verweerder sub 3] , althans zijn echtgenote, overgemaakt. Hierdoor is voor dit bedrag een schuld van [verweerder sub 3] aan [bedrijf 1] ontstaan. Die schuld is vervolgens per 31 december 2015 overgeheveld naar de rekeningcourantverhouding tussen [verweerder sub 4] en [bedrijf 1] . Als gevolg daarvan is de vordering van [verweerder sub 4] op [bedrijf 1] met een bedrag van € 13.400,- verminderd.

2.72.

[eiseressen c.s.] merkt ook met betrekking tot deze verrekening terecht op dat de rekeningcourantboeking van € 13.400,- als een aflossing van de door [verweerder sub 4] verstrekte financiering moet worden beschouwd en dat daarbij de ¾ - ¼ verhouding in acht had moeten worden genomen. Dit leidt tot hetzelfde resultaat als bij vordering 14 (via dezelfde redenering), zodat [verweerder sub 3] ertoe wordt veroordeeld het bedrag van € 13.400,- aan [bedrijf 1] (terug) te betalen. Voor een veroordeling van [verweerder sub 4] en [verweerder sub 2] op grond van bestuurdersaansprakelijkheid is hier geen plaats. Er zijn namelijk geen aanknopingspunten dat [verweerder sub 3] niet in staat is dat bedrag te voldoen.

Non existente verrekeningen [verweerder sub 1] : € 34.434,45 (vordering 16)

2.73.

In 2015 is een vordering van € 34.434,45 van [bedrijf 1] op [verweerder sub 1] overgeheveld naar de rekeningcourantverhouding tussen [bedrijf 1] en [verweerder sub 4] . Als gevolg daarvan is de vordering van [verweerder sub 4] op [bedrijf 1] met dit bedrag verminderd. Op dezelfde gronden als bij vordering 14 en 15 wordt [verweerder sub 1] veroordeeld dit bedrag aan [bedrijf 1] te betalen. Omdat [verweerder sub 1] goed is voor haar geld (zie randnummer 2.49.), zal deze vordering - voor zover die (ook) tegen de (indirecte) bestuurders van [verweerder sub 4] is ingesteld - worden afgewezen.

Managementfee: € 90.750,- (vordering 17)

2.74.

Deze vordering van [eiseressen c.s.] bestaat uit de volgende zes betalingen respectievelijk verrekeningen in rekening-courant:

  • -

    € 10.000,- ( [bedrijf 1] aan [bedrijf 4] op 25 mei 2012 (zie ook vordering 3.))

  • -

    € 9.000,- ( [bedrijf 1] aan [bedrijf 3] op 22 oktober 2012 (zie ook vordering 3.))

  • -

    € 18.000,- ( [bedrijf 1] aan [bedrijf 3] op 22 oktober 2012 (zie ook vordering 3.))

  • -

    € 25.000,- ( [bedrijf 1] aan [verweerder sub 4] op 31 december 2015 (zie ook vordering 12.))

  • -

    € 25.000,- ( [bedrijf 1] aan [verweerder sub 4] op 1 januari 2016)

  • -

    € 3.750,- ( [bedrijf 1] aan [verweerder sub 4] op 30 september 2016)

€ 10.000,-, € 9.000,- en 18.000,-

2.75.

Deze drie betalingen zijn in de jaarrekening 2012 van [bedrijf 1] opgenomen onder de post ‘managementfee’. [verweerders c.s.] stelt in haar verweerschrift dat in 2012 door [bedrijf 4] / [bedrijf 3] in opdracht van [bedrijf 1] ontwikkelingswerkzaamheden zijn verricht ten behoeve van project ‘ [project] ’, welke werkzaamheden destijds onder de noemer ‘managementfee’ zijn gefactureerd. In reactie op door de rechtbank in haar tussenvonnis gestelde vragen heeft [verweerders c.s.] in aanvulling op die stelling nog een verklaring van de eerder genoemde [C] (productie 31) overgelegd. Uit die verklaring moet volgens [verweerders c.s.] blijken welke werkzaamheden destijds precies door [bedrijf 4] en [bedrijf 3] zijn verricht. Met [eiseressen c.s.] is de rechtbank van mening dat zij op die verklaring in beginsel geen acht hoeft te slaan. [verweerders c.s.] legt namelijk niet uit op welke specifieke feiten en omstandigheden uit die verklaring zij zich beroept. Toch kan dit [eiseressen c.s.] niet baten. Daarvoor geldt dat door [verweerders c.s.] onbetwist is gesteld dat [bedrijf 1] in 2012 het project ‘ [project] ’ heeft ontwikkeld en dat [verweerder sub 4] voor deze ontwikkeling de verantwoordelijkheid droeg (zie ook procesinleiding randnummer 3). Voor die ontwikkeling heeft [verweerder sub 4] destijds blijkbaar [bedrijf 3] en [bedrijf 4] ingeschakeld. [eiseres sub 1] was daarvan op de hoogte en heeft dat toen ook goed gevonden, zo blijkt uit het verslag van de door de Ondernemingsmaker benoemde onderzoeker (zie productie 3 procesinleiding, paragraaf 6.16 en verder). In het onderzoeksverslag staat hierover namelijk het volgende:

“Voor de fee van 2012 geldt wel dat deze bij [eiseres sub 1] bekend was: deze was opgenomen in de kolommenbalans die in die tijd nog eens per kwartaal aan de toenmalige controller [D] werd toegezonden. En was tevens opgenomen in de jaarrekening 2012. Hiertegen heeft [eiseres sub 1] destijds, voor zover Onderzoeker bekend, niet geprotesteerd. Ook staat vast dat in ieder geval de jaarrekening is besproken in een algemene vergadering van 25 februari 2014, die heeft plaatsgevonden in aanwezigheid van [eiseres sub 1] .”

[eiseressen c.s.] heeft voor deze gang van zaken destijds geen verklaring gegeven, althans zij heeft niet (goed) kunnen uitleggen waarom haar controller [D] in 2012 wel akkoord ging met de inschakeling van [bedrijf 3] en [bedrijf 4] en de drie betalingen (€ 10.000,-, € 9.000,- en 18.000,-), terwijl thans wordt betwist dat daarvoor een rechtsgrond bestond. Het beroep van [eiseressen c.s.] op een mogelijk tegenstrijdig belang van [verweerder sub 4] bij de inschakeling van [bedrijf 3] en/of Talsita kan haar niet helpen. Zoals al eerder in dit vonnis is overwogen, zijn voor een succesvol beroep daarop bijkomende omstandigheden nodig. Die zijn niet door [eiseressen c.s.] gesteld. Dit leidt ertoe dat de vordering ter hoogte van € 37.000,- wordt afgewezen. De rechtbank voelt zich bij dit oordeel overigens gesteund door de Ondernemingskamer. Die overwoog in haar eindbeschikking namelijk dat onvoldoende grond aanwezig is om de gang van zaken rondom de managementvergoeding 2012 als wanbeleid te kwalificeren (productie 28, randnummer 4.15).

€ 25.000,- op 31 december 2015

2.76.

Op 31 december 2015 is in de administratie van [bedrijf 1] een bedrag van € 25.000,- geboekt als: “nog te factureren managementfee 2015”. Deze ‘schuld’ is verwerkt in de rekeningcourantverhouding tussen [verweerder sub 4] en [bedrijf 1] . Hierdoor is de vordering van [verweerder sub 4] op [bedrijf 1] met een bedrag van € 25.000,- vermeerderd. In haar verweerschrift schrijft [verweerders c.s.] dat de vergoeding van € 25.000,- ziet op een dagdeel per week (€ 500,-) voor afwikkeling/begeleiding van (1) de gerechtelijke procedure tussen [B] en [bedrijf 1] , (2) de verdere afhandeling van het project [adres] / [adres] en (3) aquisitiewerkzaamheden in verband met de restkavel [adres] . In haar akte na tussenvonnis is [eiseressen c.s.] uitgebreid op de gestelde werkzaamheden ingegaan. Zo heeft [eiseressen c.s.] de procestukken overgelegd in de procedure tussen [B] en [bedrijf 1] en aangevoerd dat die zodanig beperkt in omvang zijn dat die een maximale besteding van twee dagdelen rechtvaardigen. Over de verdere afhandeling van de [adres] / [adres] verwijst [eiseressen c.s.] naar een interview dat [verweerder sub 3] met de onderzoeker had over de managementfee van € 25.000,-. In dat interview, zo stelt [eiseressen c.s.] , zegt [verweerder sub 3] niets over verrichte werkzaamheden in verband met de (verdere) afhandeling van [adres] / [adres] : hij spreekt alleen over een rechtszaak die hij moest bijwonen. Over de gestelde aquisitiewerkzaamheden in verband met restkavel [adres] voert [eiseressen c.s.] onder meer aan dat het haar onbekend is welke werkzaamheden dit betroffen en - als er al werkzaamheden zijn verricht – de daarmee verband houdende kosten bij [verweerder sub 1] in rekening moeten worden gebracht (en niet bij [bedrijf 1] ). [verweerder sub 3] heeft deze ‘corporate opportunity’ namelijk niet bij [bedrijf 1] , maar bij [verweerder sub 1] ondergebracht. Op deze gemotiveerde stellingen van [eiseressen c.s.] heeft [verweerders c.s.] in haar akte niet gereageerd, waartoe zij wel de gelegenheid had. Bij deze stand van zaken heeft [verweerders c.s.] onvoldoende gemotiveerd betwist dat er een grondslag ontbrak om de managementfee van € 25.000,- bij [bedrijf 1] in rekening te brengen. Dit leidt ertoe dat [verweerder sub 4] het bedrag van € 25.000,- aan [bedrijf 1] moet (terug)betalen, zodat die vordering wordt toegewezen. Ook [verweerder sub 2] en [verweerder sub 3] worden hoofdelijk veroordeeld het bedrag van € 25.000,- aan [bedrijf 1] te voldoen. Daarvoor geldt, zoals ook al eerder in dit vonnis is overwogen, dat het ernstig verwijtbaar is dat [verweerder sub 2] en [verweerder sub 3] (als indirect bestuurders van [bedrijf 1] ) de verrekening/betaling van dit bedrag aan [verweerder sub 4] (bovendien zonder overleg met [eiseres sub 1] ) mogelijk hebben gemaakt, niet tot terugvordering zijn overgegaan en [verweerder sub 4] er financieel zeer slecht voorstaat.

2.77.

Bovenstaande conclusie zou mogelijk anders luiden als [eiseres sub 1] haar akkoord aan de vergoeding van € 25.000,- (via een andere weg) zou hebben gegeven. Anders dan bij de managementvergoeding over 2012, zijn hiervoor geen aanknopingspunten. Uit het onderzoeksverslag van de onderzoeker blijkt alleen dat [verweerder sub 3] op 3 december 2015 aan [eiseres sub 1] een ‘financieel overzicht’ heeft gestuurd en daarbij heeft geschreven dat nog een managementfee over 2014-2015 in dat overzicht moet worden betrokken (zie productie 3, paragraaf 6.14.). Dat [eiseres sub 1] daarmee vervolgens heeft ingestemd blijkt nergens uit en is ook niet aannemelijk gezien de verklaring van [verweerder sub 3] ten overstaan van de onderzoeker dat hij ook betalingen deed zonder overleg (dus zonder toestemming). Bovendien blijkt uit de brief van [eiseres sub 1] van 16 december 2016 dat zij vragen stelt over de (grondslag van) de managementfee-betalingen. Ook daaruit blijkt dat [eiseres sub 1] niet (zonder meer) een akkoord gaf aan de rekeningcourantboeking van € 25.000,- ten gunste van [verweerder sub 4] (productie 54 [eiseressen c.s.] ).

€ 25.000,- op 1 januari 2016 en € 3.750,- op 30 september 2016

2.78.

Op 1 januari 2016 is in de administratie van [bedrijf 1] een bedrag van € 25.000,- geboekt als managementvergoeding 2016 voor [verweerder sub 4] en op 30 september 2016 eenzelfde post, maar dan voor een bedrag van € 3.750,- (zie productie 34 [eiseres sub 1] en randnummer 6.7. van productie 3 van [eiseres sub 1] ). Hoewel partijen zich daar niet uitdrukkelijk over uitlaten, lijkt het erop dat deze ‘schulden’ ook zijn verwerkt in de rekeningcourantverhouding tussen [verweerder sub 4] en [bedrijf 1] . Hierdoor is de vordering van [verweerder sub 4] op [bedrijf 1] met een bedrag van in totaal € 28.750,- toegenomen. De rechtbank maakt dit op uit het onderzoeksverslag van de door de Ondernemingskamer benoemde onderzoeker onder randnummer 6.10: “De managementvergoeding 2016 in 2016 is uitgekeerd aan [verweerder sub 4] . Deze uitkering is in rekening-courantvergoeding van [verweerder sub 4] geboekt. (…)” De rechtbank is van oordeel dat ook deze boekingen zonder rechtsgrond zijn geschied en dat naast [verweerder sub 4] ook [verweerder sub 2] en [verweerder sub 3] gehouden zijn dit bedrag aan [bedrijf 1] te voldoen, zodat alle drie deze partijen daartoe worden veroordeeld. Daarvoor gelden dezelfde overwegingen als hiervoor bij de beoordeling van de managementvergoeding 2015 aan de orde zijn geweest.

Conclusie vorderingen 1 tot en met 17 van [bedrijf 1]

2.79.

Alles wat hiervoor is overwogen leidt samengevat tot de volgende toe te wijzen bedragen (waarbij achter ieder toe te wijzen bedrag de veroordeelde partijen zijn vermeld):

  • -

    Vordering 2.: € 4.070,44- ( [verweerder sub 4] , [verweerder sub 2] en [verweerder sub 3] )

  • -

    Vordering 7.: € 719,58 ( [verweerder sub 1] )

  • -

    Vordering 10.: € 69.830,70 ( [verweerder sub 4] , [verweerder sub 2] en [verweerder sub 3] )

  • -

    Vordering 13.: € 748,38 ( [verweerder sub 4] , [verweerder sub 2] en [verweerder sub 3] )

  • -

    Vordering 14.: € 142.705,64 ( [verweerder sub 4] , [verweerder sub 2] en [verweerder sub 3] )

  • -

    Vordering 15.: € 13.400,- ( [verweerder sub 3] )

  • -

    Vordering 16.: € 34.434,45 ( [verweerder sub 1] )

  • -

    Vordering 17.: € 53.750,- ( [verweerder sub 4] , [verweerder sub 2] en [verweerder sub 3] )

De andere door [bedrijf 1] ingestelde vorderingen zijn ofwel later door haar ingetrokken of worden afgewezen.

2.80.

Onder randnummers 148 tot en met 150 in de procesinleiding en in productie 34 heeft [bedrijf 1] per vordering het moment van opeisbaarheid genoemd. Overeenkomstig de hierbij genoemde data vordert [bedrijf 1] de rente over de door haar gevorderde bedragen. [verweerders c.s.] heeft hiertegen geen verweer gevoerd, zodat de wettelijke rente over de toe te wijzen bedragen wordt toegewezen vanaf de door [bedrijf 1] genoemde startdata tot en met die van volledige betaling. Dit leidt tot het volgende overzicht:

  • -

    Vordering 2.: € 4.070,44 (€ 1.900 vanaf 23 april 2013, 1.900,- vanaf 1 juli 2013 en € 270,44 vanaf 5 juli 2013)

  • -

    Vordering 7.: € 719,58 ( € 719,58 vanaf 29 oktober 2013)

  • -

    Vordering 10.: € 69.830,70 (€ 29.747,85 vanaf 6 maart 2013, € 29.747,85 vanaf 12 april 2013 en € 10.335,- vanaf 25 april 2013)

  • -

    Vordering 13.: € 748,38 (€ 748,38 vanaf 31 december 2015)

  • -

    Vordering 14.: € 142.705,64 (€ 142.705,64 vanaf 31 december 2015)

  • -

    Vordering 15.: € 13.400,- (€ 1.000,- vanaf 25 mei 2015, € 950,- vanaf 29 mei 2015, € 1.500,- vanaf 12 juni 2015, € 950,- vanaf 24 juni 2015 en € 8.000,- vanaf 8 juli 2015)

  • -

    Vordering 16.: € 34.434,45 (€ 34.434,45 vanaf 31 december 2015)

  • -

    Vordering 17.: € 53.750,- (€ 25.000,- vanaf 31 december 2015, € 25.000,- vanaf 1 januari 2016 en € 3.750,- vanaf 30 september 2016)

Vordering 18 van [eiseres sub 1] op [verweerder sub 4] , [verweerder sub 2] en [verweerder sub 3]

2.81.

Anders dan de vorderingen 1 tot en met 17 die zijn ingesteld door [bedrijf 1] , betreft vordering 18 een vordering van [eiseres sub 1] . [eiseres sub 1] richt die vordering op [verweerder sub 4] , [verweerder sub 2] en [verweerder sub 3] . Daarbij neemt [eiseres sub 1] tot uitgangspunt het hiervoor in randnummer 2.9. genoemde overzicht van de rekening-courantverhouding tussen enerzijds [bedrijf 1] en anderzijds [eiseres sub 1] en [verweerder sub 4] . De kern van de verwijten van [eiseres sub 1] is dat [verweerder sub 4] , [verweerder sub 2] en [verweerder sub 3] ervoor hebben gezorgd dat [bedrijf 1] haar rekening-courantschuld aan [verweerder sub 4] volledig heeft afgelost, waarbij zij doelbewust de tussen [verweerder sub 4] en [eiseres sub 1] gemaakte 3:1-aflossingsafspraak hebben geschonden teneinde daar zelf van te profiteren. [eiseres sub 1] houdt [verweerder sub 4] op grond hiervan aansprakelijk voor schade als gevolg van deze tekortkoming in de nakoming van haar verbintenissen. Daarnaast levert het zojuist genoemde handelen volgens [eiseres sub 1] ook een onrechtmatige daad op van [verweerder sub 4] , [verweerder sub 2] en [verweerder sub 3] ten opzichte van [eiseres sub 1] omdat hen in hun hoedanigheid van (indirect) bestuurder van [bedrijf 1] een ernstig verwijt treft (artikel 6:162 BW in combinatie met artikel 2:11 BW). Op grond van dit alles vordert [eiseres sub 1] een bedrag van € 427.502,- van [verweerder sub 4] , [verweerder sub 2] en [verweerder sub 3] .

2.82.

Volgens [verweerders c.s.] moet deze vordering worden afgewezen. Zij betoogt het volgende. Van wanprestatie van [verweerder sub 4] is geen sprake. [verweerder sub 4] , [verweerder sub 2] en [verweerder sub 3] zijn niet aansprakelijk op grond van onrechtmatig handelen in hun hoedanigheid van (indirect) bestuurders van [bedrijf 1] . Voor laatstgenoemde grondslag geldt dat de schade van [eiseres sub 1] afgeleide schade is en dat [eiseres sub 1] niet stelt dat sprake is van een rechtstreeks jegens haar gepleegde onrechtmatige daad. Daarnaast geldt dat [verweerder sub 4] , [verweerder sub 2] en [verweerder sub 3] niet ernstig verwijtbaar hebben gehandeld. Zij wisten niet dat [bedrijf 1] onvoldoende verhaal zou bieden voor het niet-nakomen door [bedrijf 1] van haar aflossingsverplichting jegens [eiseres sub 1] , en zij hoefden dat ook niet te begrijpen. Dat blijkt al uit het feit dat [bedrijf 1] (ook) thans nog voldoende verhaal biedt.

2.83.

De rechtbank oordeelt hierover als volgt.

2.84.

In dit geval is van afgeleide schade geen sprake. Afgeleide schade is de schade die een aandeelhouder lijdt door de waardevermindering van zijn aandelen in een vennootschap, wanneer en voor zover dit een gevolg is van schade die aan die vennootschap is toegebracht. Die situatie doet zich hier niet voor. De schade die [eiseres sub 1] stelt te hebben geleden bestaat immers niet uit een waardevermindering van haar aandelen in [bedrijf 1] , maar uit gemiste inkomsten doordat [bedrijf 1] haar aflossingsverplichting ten opzichte van [eiseres sub 1] niet is nagekomen. Het daartoe strekkende verweer van [verweerders c.s.] wordt derhalve verworpen.

2.85.

Het toetsingskader in deze zaak is als volgt. Wanneer een individuele aandeelhouder van een vennootschap een bestuurder van die vennootschap op grond van een onrechtmatige daad (artikel 6:162 BW) aansprakelijk stelt voor de wijze waarop deze zijn bestuurstaken heeft uitgeoefend, geldt de norm voor interne aansprakelijkheid van artikel 2:9 BW (zie Hoge Raad 20 juni 2008, NJ 2009, 21, [namen] ). Voor aansprakelijkheid op de voet van deze bepaling is het noodzakelijk dat de bestuurder een ernstig verwijt kan worden gemaakt. Of dat zo is moet worden beoordeeld aan de hand van alle omstandigheden van het geval. Daarbij moeten in ieder geval worden betrokken de omstandigheden die door de Hoge Raad zijn genoemd in zijn arrest van 10 januari 1997,

NJ 1997, 360 ( [namen] ). Zie hierover ook 2.23. Anders dan in de situatie waarin een schuldeiser van een vennootschap een bestuurder van die vennootschap op grond van een onrechtmatige daad aansprakelijk stelt, is in de relatie vennootschap-bestuurder voor een ernstig verwijt in de zin van artikel 2:9 BW niet vereist dat de bestuurder wist of moest begrijpen dat de vennootschap door zijn handelen schade zou leiden. Dit volgt impliciet uit het arrest van de Hoge Raad van 24 maart 2017, ECLI:NL:HR:2017:486. Behalve het hof en A-G Hartlief in de zaak die tot dat arrest heeft geleid (en die door de Hoge Raad met toepassing van artikel 81 lid 1 RO is afgedaan), hebben Assink, Bröring, Timmerman en De Valk in 2011 hetzelfde standpunt ingenomen (zie Evolutie van het bestuurdersaansprakelijkheidsrecht, Instituut voor Ondernemingsrecht nr. 76, A.II.1(a).3, randnummer 31). Omdat ook in de verhouding aandeelhouder-bestuurder de norm van artikel 2:9 BW van toepassing is, is het voor de aansprakelijkheid op grond van artikel 6:162 BW van [verweerder sub 4] , [verweerder sub 2] en [verweerder sub 3] (in hun hoedanigheid van (indirecte) bestuurders van [bedrijf 1] ) ten opzichte van [eiseres sub 1] niet vereist dat zij wisten of moesten begrijpen dat [eiseres sub 1] door hun handelen (definitief) schade zou leiden.

2.86.

Met inachtneming van dit toetsingskader is de rechtbank van oordeel dat [verweerder sub 4] , [verweerder sub 2] en [verweerder sub 3] in hoedanigheid van (indirecte) bestuurders van [bedrijf 1] onrechtmatig ten opzichte van [eiseres sub 1] hebben gehandeld. Zij waren in deze joint-venture niet alleen voor 50% (indirect) mede-aandeelhouder in [bedrijf 1] , maar zij waren ook (indirect) de enige bestuurders van [bedrijf 1] . In de wetenschap dat [verweerder sub 4] , [verweerder sub 2] en [verweerder sub 3] de bestuurders van [bedrijf 1] waren, was [eiseres sub 1] bereid om 75% van de financiering van projecten van [bedrijf 1] voor haar rekening te nemen. Daarmee stelde [eiseres sub 1] een groot vertrouwen in [verweerder sub 4] , [verweerder sub 2] en [verweerder sub 3] als (indirecte) bestuurders van [bedrijf 1] . Op grond van artikel 2:8 BW rustte daarom op hen de plicht om zich zorgvuldig ten opzichte van [eiseres sub 1] te gedragen en daarbij hun eigen financiële belangen niet voorop te stellen. Die zorgvuldigheids-verplichting hebben [verweerder sub 4] , [verweerder sub 2] en [verweerder sub 3] geschonden. Uit het overzicht bij randnummer 2.9. blijkt namelijk, zoals al eerder is overwogen, dat de totale rekeningcourantschuld aan [verweerders c.s.] begin 2012 (afgerond) € 422.000,- bedroeg en dat deze eind 2016 volledig is afgelost. De rekeningcourantschuld aan [eiseres sub 1] is in die periode (afgerond) slechts met € 240.000,- verminderd. In totaal is dus ongeveer € 662.000,- afgelost. De aflossingen hadden echter in de verhouding 3:1 moeten gebeuren. [eiseres sub 1] zou in dat geval ongeveer € 496.500,- van [bedrijf 1] hebben ontvangen (75% van € 662.000,-) en [verweerder sub 4] ongeveer € 165.500,- (25% van € 662.000,-). [verweerder sub 4] , [verweerder sub 2] en [verweerder sub 3] hebben er dus als (indirect) bestuurders van [bedrijf 1] voor gezorgd dat [bedrijf 1] haar daarmee samenhangende verplichting om ook in de verhouding 3:1 af te lossen, niet is nagekomen. Zij hebben dus in strijd met de op hen rustende zorgvuldigheids-verplichting hun eigen financiële belangen vooropgesteld, en hebben [eiseres sub 1] daarbij bewust benadeeld. In hun verhouding tot [eiseres sub 1] valt [verweerder sub 4] , [verweerder sub 2] en [verweerder sub 3] daarvan in hun hoedanigheid van (indirecte) bestuurders van [bedrijf 1] een ernstig verwijt te maken (in de zin van artikel 2:9 BW).

2.87.

Onder deze omstandigheden zijn [verweerder sub 4] , [verweerder sub 2] en [verweerder sub 3] hoofdelijk aansprakelijk voor de schade van [eiseres sub 1] . De omstandigheid dat [verweerder sub 4] , [verweerder sub 2] en [verweerder sub 3] bij het doen van aflossingen in strijd met de 3:1-afspraak mogelijk niet wisten of moesten begrijpen dat [bedrijf 1] nooit voldoende verhaal zou bieden voor de schade van [eiseres sub 1] , leidt niet tot een ander oordeel. Uit het slot van 2.85. volgt immers dat dat geen vereiste is voor hun aansprakelijkheid.

2.88.

Ten overvloede wijst de rechtbank erop dat [verweerder sub 4] ook aansprakelijk is ten opzichte van [eiseres sub 1] uit hoofde van wanprestatie. De financieringsafspraak, die [verweerder sub 4] met [eiseres sub 1] heeft gesloten in haar hoedanigheid van aandeelhouder én enige bestuurder van [bedrijf 1] , bracht voor [verweerder sub 4] immers mee dat zij ten opzichte van [eiseres sub 1] ook de verplichting op zich nam om er als bestuurder van [bedrijf 1] voor te zorgen dat [bedrijf 1] in de verhouding 3:1 ging aflossen (zie 2.12. en 2.13.). In die verbintenis is [verweerder sub 4] tekortgeschoten. Die tekortkoming is haar ook toe te rekenen (want ernstig verwijtbaar), zodat zij ook via deze (juridische) weg aansprakelijk is voor de als gevolg daarvan door [eiseres sub 1] geleden schade. De rechtbank laat in het midden of [verweerder sub 2] en [verweerder sub 3] in verband daarmee niet ook in hun hoedanigheid van (indirect) bestuurder van [verweerder sub 4] aansprakelijk zijn voor de schade van [eiseres sub 1] .

2.89.

De rechtbank zal partijen ter zake de begroting van de hiervoor bedoelde schade naar de schadestaatprocedure verwijzen, aangezien de omvang daarvan zich in dit stadium nog niet laat becijferen. Anders dan [eiseres sub 1] bepleit, ziet de rechtbank daarom ook geen grond voor schatting van die schade. Daarvoor is van belang dat voor een begroting van de schade van [eiseres sub 1] een vergelijking moet worden gemaakt tussen de werkelijke situatie, waarin sprake is van de hierboven besproken onrechtmatige daad van [verweerder sub 4] , [verweerder sub 2] en [verweerder sub 3] , en de hypothetische situatie zonder dat onrechtmatige handelen. De werkelijke situatie noch de hypothetische situatie is op dit moment te becijferen. Die zijn namelijk afhankelijk van de volgende variabelen/onzekerheden:

  1. De uitkomst van de onderhavige procedure tussen [bedrijf 1] en [verweerders c.s.] (vorderingen 1 tot en met 17) kan ertoe leiden dat [verweerders c.s.] bepaalde in strijd met de 3:1-afspraak betaalde bedragen terugbetaalt. Dat heeft dan uiteraard weer invloed op de stand van de rekeningcourantschuld van [bedrijf 1] aan [verweerder sub 4] (die stijgt), met als gevolg dat de procentuele verhouding van de gedane aflossingen anders komt te liggen dan weergeven in het overzicht van randnummer 2.9.

  2. Naast de hiervoor toegewezen vorderingen tegen [verweerders c.s.] heeft [bedrijf 1] nog een aantal andere activa, waaronder 88 appartementsrechten die inmiddels zijn verkocht. Onzeker is nog of [bedrijf 1] alle vorderingen op [verweerders c.s.] kan incasseren. Ook is nog onduidelijk wat de verkoop van de 88 appartementsrechten precies opbrengt. De koopprijs bestaat namelijk uit een vast deel van € 300.000,- en een variabel deel. Wel staat vast dat [bedrijf 1] de uiteindelijke geïncasseerde bedragen kan aanwenden om haar schulden af te lossen, waaronder de rekeningcourantschuld aan [eiseres sub 1] en een schuld aan de Gemeente Baarn van € 500.000,- . Als (ook) de rekening-courantschuld (gedeeltelijk) wordt afgelost heeft dat als gevolg dat de rekening-courantvordering van [eiseres sub 1] op [bedrijf 1] daalt, waardoor de door [eiseres sub 1] geleden schade mogelijk ook vermindert.

Pas nadat de hiervoor genoemde onzekerheden (variabelen) niet meer bestaan, kan worden vastgesteld welke schade [eiseres sub 1] door het handelen van [verweerder sub 4] , [verweerder sub 2] en [verweerder sub 3] heeft geleden. Dit moet gebeuren door de dan inmiddels vaststaande werkelijke situatie te vergelijken met de hypothetische situatie (zonder het onrechtmatig handelen). Die hypothetische situatie kan worden berekend door de stand van de rekening-courantvorderingen van [eiseres sub 1] en [verweerders c.s.] te bepalen als bij aflossing van die schulden wel de 3:1-verhouding in acht was genomen. Het verschil tussen de aflossingen aan [eiseres sub 1] in de situatie met de onrechtmatige daad en de aflossingen aan [eiseres sub 1] zonder dat handelen, is dan de maximale schade die [eiseres sub 1] als gevolg van het handelen van [verweerder sub 4] , [verweerder sub 2] en [verweerder sub 3] heeft geleden. Vooralsnog gaat de rechtbank ervan uit dat dit dan ongeveer € 256.500,- is (€ 496.500,-, minus € 240.000,-), te vermeerderen met wettelijke rente (zie 2.86.), maar het is uiteindelijk aan de rechter in de schadestaatprocedure om hierover een definitief oordeel te vellen.

Beslaglegging

2.90.

[eiseressen c.s.] heeft ten laste van [verweerders c.s.] beslagen doen leggen en vordert de daarmee gemoeid gaande kosten. Deze vordering is in beginsel toewijsbaar, maar de rechtbank is niet in staat het totaal aan beslagkosten vast te stellen. Uit productie 5 valt namelijk slechts op te maken dat naast de verschuldigde griffiegelden voor het indienen van het verzoekschrift de volgende beslagkosten door [eiseressen c.s.] zijn gemaakt:

  • -

    € 73,02 in verband met betekening verzoekschrift aan [verweerder sub 4]

  • -

    € 73,02 in verband met betekening verzoekschrift aan [verweerder sub 2]

  • -

    € 73,02 in verband met betekening verzoekschrift aan [verweerder sub 1]

  • -

    € 70,15 in verband met betekening verzoekschrift aan [verweerder sub 3]

Verdere beslagstukken zijn door [eiseressen c.s.] niet in het geding gebracht. Dit leidt ertoe dat deze post op dit moment niet kan worden begroot, zodat dit ook in de schadestaatprocedure moet gebeuren.

Loon deskundige BDO

2.91.

Nadat [eiseressen c.s.] in 2017 bestuurder van [bedrijf 1] was geworden (zie 2.3.) heeft zij (nader) onderzoek gedaan naar de gang van zaken binnen [bedrijf 1] toen [verweerder sub 4] nog bestuurder was. Dit vormde voor haar aanleiding om forensisch onderzoekers van BDO in te schakelen, waarna BDO op 12 oktober 2017 een rapport heeft afgeleverd met de titel: “Waarnemingen op grond van oriënterend (financieel) administratief onderzoek”. De kosten van de inschakeling van BDO vordert [eiseressen c.s.] in deze procedure. Als ervan wordt uitgegaan dat de met de inschakeling van BDO gemoeid gaande kosten te beschouwen zijn als kosten ter vaststelling van de schade en aansprakelijkheid in de zin van artikel 6:96 lid 2 sub b BW, kunnen die kosten worden toegewezen voor zover de door BDO verrichtte werkzaamheden redelijkerwijs noodzakelijk waren en ook de kosten naar hun omvang redelijk zijn. Deze beoordeling kan de rechtbank op dit moment niet maken, omdat [eiseressen c.s.] niets over de hoogte van de kosten van BDO heeft gezegd. Ook de begroting van deze schadepost zal daarom naar de schadestaatprocedure worden verwezen.

Uitvoerbaar bij voorraad

2.92.

[verweerders c.s.] heeft betoogd dat dit vonnis niet uitvoerbaar bij voorraad moet worden verklaard, dan wel dat hieraan de voorwaarde moet worden verbonden dat zekerheid wordt gesteld. Zij heeft hiertoe aangevoerd dat als [bedrijf 1] tot een tussentijdse executie van het vonnis overgaat, een reëel restitutierisico ontstaat. [bedrijf 1] beschikt namelijk niet over (voldoende) financiële middelen en binnen [bedrijf 1] vinden geen ondernemingsactiviteiten meer plaats waardoor zij geen inkomsten genereert, aldus steeds [verweerders c.s.] (randnummers 7.3. en 7.4. conclusie van antwoord).

2.93.

Op grond van artikel 233 Rv kan de rechtbank een vonnis uitvoerbaar bij voorraad verklaren. Uit vaste rechtspraak van de Hoge Raad volgt dat bij de beoordeling van de vraag of van die bevoegdheid gebruik moet worden gemaakt, een belangenafweging dient plaats te vinden in het licht van de omstandigheden van het geval. Daarbij moet worden nagegaan of op grond van die omstandigheden, bijvoorbeeld in verband met de spoedeisendheid van het voldoen aan die veroordeling, het belang van degene die de veroordeling verkrijgt, zwaarder weegt dan het belang van de wederpartij bij behoud van de bestaande toestand tot op het rechtsmiddel is beslist.

2.94.

Met betrekking tot de belangenafweging overweegt de rechtbank als volgt. Degene die een veroordeling tot betaling van een geldsom verkrijgt, zoals [bedrijf 1] , wordt vermoed het vereiste belang bij uitvoerbaarverklaring bij voorraad te hebben. Van het tegendeel is in dit geval ook niet gebleken. Verder geldt dat mogelijke ingrijpende gevolgen van de executie, die moeilijk ongedaan gemaakt kunnen worden, op zichzelf niet in de weg staan aan uitvoerbaarverklaring bij voorraad (vgl. Hoge Raad 28 mei 1993, NJ 1993, 468). Bij deze stand van zaken is het aan [verweerders c.s.] om concrete feiten en omstandigheden aan te voeren en onder verwijzing daarnaar te stellen dat hun belangen bij het achterwege blijven van uitvoerbaarverklaring bij voorraad (toch) prevaleren boven de belangen van [eiseressen c.s.] bij toewijzing van de betreffende vordering. Over die belangenafweging heeft [verweerders c.s.] echter niets gesteld. Zij heeft volstaan met het opsommen van uitsluitend haar belangen. Bovendien verliest [verweerders c.s.] bij haar verzoek uit het oog dat de vorderingen 1 tot en met 17 en de slechte financiële van [bedrijf 1] voor een groot deel het gevolg zijn van een ernstig verwijtbaar handelen van [verweerders c.s.] zelf. Dit alles leidt tot de conclusie dat het risico dat [bedrijf 1] niet zal kunnen restitueren niet zodanig zwaar weegt dat het aan toewijzing van de vordering tot uitvoerbaarverklaring bij voorraad in de weg staat. Voor het stellen van zekerheid door [bedrijf 1] ziet de rechtbank gelet op dezelfde gronden geen aanleiding.

Proceskostenveroordeling

2.95.

[verweerders c.s.] zal als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. Omdat een deel van het gevorderde bedrag wordt afgewezen en een deel naar de schadestaatprocedure wordt verwezen, begroot de rechtbank de proceskosten aan de zijde van [eiseressen c.s.] op basis van de wel (in deze procedure) toegewezen bedragen op:

- griffierecht 3.946,00

- salaris advocaat 7.206,00 (3,0 punten × tarief € 2.402,00)

Totaal € 11.152,00

2.96.

De gevorderde nakosten en rente over de (na)kosten, zullen worden toegewezen als in het dictum van dit vonnis is omschreven.

3 De beslissing

De rechtbank

3.1.

veroordeelt [verweerder sub 4] , [verweerder sub 2] en [verweerder sub 3] hoofdelijk, zodat indien en voor zover de één betaalt ook de ander zal zijn bevrijd, om aan [bedrijf 1] te betalen een bedrag van € 271.105,16 (vorderingen 2, 10, 13, 14 en 17), vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over de verschillende onderdelen waaruit dit bedrag is opgebouwd, telkens vanaf de dag van het ontstaan van die deelvorderingen, zoals vermeld onder randnummer 2.80. van dit vonnis, tot de dag van volledige betaling,

3.2.

veroordeelt [verweerder sub 1] om aan [bedrijf 1] te betalen een bedrag van € 35.154,03 (vorderingen 7 en 16), vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over de verschillende onderdelen waaruit dit bedrag is opgebouwd, telkens vanaf de dag van het ontstaan van die deelvorderingen, zoals vermeld onder randnummer 2.80. van dit vonnis, tot de dag van volledige betaling,

3.3.

veroordeelt [verweerder sub 3] om aan [bedrijf 1] te betalen een bedrag van € 13.400,- (vordering 15), vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over de verschillende onderdelen waaruit dit bedrag is opgebouwd, telkens vanaf de dag van het ontstaan van die deelvorderingen, zoals vermeld onder randnummer 2.80. van dit vonnis, tot de dag van volledige betaling,

3.4.

veroordeelt [verweerder sub 4] , [verweerder sub 2] en [verweerder sub 3] hoofdelijk om aan [eiseres sub 1] te vergoeden alle door [eiseres sub 1] geleden en nog te lijden schade ten gevolge van het handelen zoals bedoeld in r.o. 2.86. en 2.87. (vordering 18), nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet,

3.5.

veroordeelt [verweerders c.s.] hoofdelijk om aan [eiseressen c.s.] te vergoeden alle door [eiseres sub 1] geleden en nog te lijden schade ten gevolge van de gelegde beslagen (kosten van het beslag) zoals bedoeld in r.o. 2.90. en de kosten van de deskundige van BDO zoals bedoeld in r.o. 2.91., nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet,

3.6.

veroordeelt [verweerders c.s.] hoofdelijk, zodat indien en voor zover de één betaalt ook de ander zal zijn bevrijd, in de proceskosten, aan de zijde van [eiseressen c.s.] tot op heden begroot op € 11.152,00, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over dit bedrag met ingang van de 15e dag na de datum van dit vonnis tot de dag van volledige betaling,

3.7.

veroordeelt [verweerders c.s.] hoofdelijk, zodat indien en voor zover de één betaalt ook de ander zal zijn bevrijd, in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 157,00 aan salaris advocaat:

  • -

    i) te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over dit bedrag met ingang van de vijftiende dag na de datum van dit vonnis tot de dag van volledige betaling; en

  • -

    ii) indien [verweerders c.s.] niet binnen 14 dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, te vermeerderen met een bedrag van € 82,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak, en te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over € 82,00 met ingang van de vijftiende dag na de betekening van dit vonnis tot aan de voldoening,

3.8.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

3.9.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mrs. J.P.H. van Driel van Wageningen, J.K.J. van den Boom en M. Ynzonides en in het openbaar uitgesproken op 18 juni 2020.