Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2020:2344

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
24-06-2020
Datum publicatie
24-06-2020
Zaaknummer
16/108820-19 (P)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank Midden-Nederland heeft een 24-jarige man uit Dronten een gevangenisstraf opgelegd van vier jaar. De man pleegde in maart vorig jaar twee gewapende overvallen op een supermarkt en een pizzeria in Dronten.

Op 11 maart 2019 loopt de verdachte de Jumbo aan de Wardhof in Dronten binnen. Bij de toonbank bedreigt hij een medewerkster met een op een echt lijkend vuurwapen. Ook haalt hij een honkbalknuppel tevoorschijn. Hij eist geld en wil dat de medewerkster de kassa opent. Uiteindelijk gaat hij ervandoor met bijna vierhonderd euro en ruim honderdzeventig koopzegels. Twee weken later slaat de verdachte opnieuw toe. Dit keer bij een filiaal van New York Pizza aan Het Ruim in Dronten. Daar bedreigt hij de filiaaleigenaar met twee messen. Hij vertrekt vervolgens met ongeveer achthonderd euro.

Beide aangevers van de overvallen hebben bij de politie verklaard dat ze enorm zijn geschrokken én zich bedreigd hebben gevoeld. Uit de aangifte van de medewerker van de Jumbo is bovendien op te maken dat ze in shock verkeerde. Maar zij was niet het enige slachtoffer. De verdachte pleegde de overval onder toeziend oog van onder meer winkelend publiek. Dit zorgde voor angst bij iedereen die het zag gebeuren. Toch weerhield dit de verdachte er niet van om op deze manier snel aan geld te komen. Dit rekent de rechtbank hem zwaar aan.

De verdachte heeft de twee overvallen bekend. Voor een overval waarbij sprake is van bedreiging met geweld wordt over het algemeen een gevangenisstraf opgelegd van twee jaar. In deze zaak pleegde de verdachte in zeer korte tijd twee overvallen. Het feit dat het om gewapende overvallen gaat, neemt de rechtbank als strafverzwarend mee. Daar staat tegenover dat de verdachte op zitting openheid van zaken heeft gegeven en daarmee verantwoordelijkheid heeft genomen voor wat hij heeft gedaan. Volgens de officier van justitie heeft de verdachte zich ook nog schuldig gemaakt aan het bedreigen van medewerkers van de Penitentiaire Inrichting Lelystad. Het Openbaar Ministerie eiste daarom in totaal een gevangenisstraf van vijf jaar. Volgens de rechtbank kan de bedreiging niet wettig en overtuigend bewezen worden. Dit alles maakt dat de rechtbank een gevangenisstraf van vier jaar passend vindt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Strafrecht

Zittingsplaats Lelystad

Parketnummer: 16/108820-19 (P)

Vonnis van de meervoudige kamer van 24 juni 2020

in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren op [1996] te [geboorteplaats] ,

ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres [adres] , [woonplaats] ,

thans verblijvende in de Penitentiaire Inrichting Lelystad,

hierna te noemen: verdachte.

1 ONDERZOEK TER TERECHTZITTING

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 27 augustus 2019, 1 november 2019, 17 januari 2020, 1 april 2020 en 10 juni 2020.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering en standpunten van officier van justitie mr. T. Tanghe en van hetgeen verdachte en diens raadsvrouw mr. R.G.M. Rijkhoff, advocaat te Veenendaal, naar voren hebben gebracht.

2 TENLASTELEGGING

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort samengevat, op neer dat verdachte:

feit 1:

op 11 maart 2019 te Dronten met geweld en/of bedreiging met geweld [slachtoffer 1] ([supermarkt] medewerker) heeft gedwongen tot afgifte van een geldbedrag en/of koopzegels dat aan die [slachtoffer 1] en/of [supermarkt] toebehoorde;

feit 2:

op 27 maart 2019 te Dronten met geweld en/of bedreiging met geweld [slachtoffer 2] (eigenaar filiaal [naam]) heeft gedwongen tot afgifte van een geldbedrag dat aan die [slachtoffer 2] en/of [naam] toebehoorde;

feit 3:

in de periode van 17 mei 2019 tot en met 20 juni 2019 te Lelystad een of meerdere medewerkers van de PI Lelystad heeft bedreigd.

3 VOORVRAGEN

De dagvaarding is geldig, de rechtbank is bevoegd tot kennisneming van het ten laste gelegde, de officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging van verdachte en er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 WAARDERING VAN HET BEWIJS

4.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht het onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde wettig en overtuigend te bewijzen.

4.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft zich ten aanzien van het onder 1 en 2 ten laste gelegde gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

Ten aanzien van het onder 3 ten laste gelegde heeft de raadsvrouw vrijspraak bepleit en heeft hiertoe primair aangevoerd dat er onvoldoende bewijs is. Verdachte ontkent dat hij de woorden “Nederland gaat branden net als jullie Irak hebben aangedaan”, zoals opgenomen in de tenlastelegging, heeft gezegd. In het dossier bevindt zich slechts één proces-verbaal waarin staat dat verdachte deze woorden heeft gezegd. Dit proces-verbaal acht de verdediging onvoldoende concreet. Onduidelijk is tegen wie verdachte de woorden zou hebben gezegd. Daarnaast heeft de raadsvrouw naar voren gebracht dat de woorden “jullie zullen mij nog wel zien op het journaal” geen bedreiging vormen, zoals bedoeld in artikel 285 lid 1 van het Wetboek van Strafrecht. Subsidiair dient verdachte te worden vrijgesproken van het onder 3 ten laste gelegde, omdat de bewoordingen geen effectieve bedreiging zijn. De woorden zijn niet van dien aard en onder zulke omstandigheden geuit, dat bij de medewerkers van de PI de redelijke vrees kon ontstaan dat wat er werd gezegd zou worden uitgevoerd. Verdachte werd in een isoleercel geplaatst en was boos. De raadsvrouw heeft hierbij verwezen naar ECLI:NL:HR:2018:245.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

Vrijspraak van het onder 3 ten laste gelegde

In het dossier bevindt zich een proces-verbaal van bevindingen waarin wordt gerelateerd dat de opsteller van dat proces-verbaal van de Penitentiaire Inrichting waar verdachte verbleef de informatie kreeg dat verdachte ten tijde van zijn verblijf in de inrichting de woorden “Nederland gaat branden, net als jullie Irak hebben aangedaan. Jullie gaan mij nog wel zien op het journaal, let op mijn woorden!” heeft gezegd. Het dossier bevat geen andere bewijsmiddelen. Verdachte heeft ontkend de woorden, zoals in de tenlastelegging opgenomen, gezegd te hebben. De rechtbank is van oordeel dat niet is voldaan aan het bewijsminimum van artikel 344 lid 2 Wetboek van Strafvordering. De verbalisant heeft in het proces-verbaal van bevindingen immers niet gerelateerd wat zij zelf heeft waargenomen of ondervonden ten aanzien van de ten laste gelegde bedreiging, maar uitsluitend wat zij daarover van onbekend gebleven anderen heeft gehoord. Het proces-verbaal van bevindingen kan om die reden min of meer worden vergeleken met een proces-verbaal van verhoor van getuige. Daarvoor geldt het bewijsminimum van artikel 342 lid 2 Sv, waaraan evenmin is voldaan. Gelet daarop acht de rechtbank niet wettig en overtuigend te bewijzen dat verdachte het onder 3 ten laste gelegde heeft begaan. De verdachte wordt van dit feit dan ook vrijgesproken.

Bewijsmiddelen voor het onder 1 ten laste gelegde

Verdachte heeft het onder 1 ten laste gelegde feit bekend. De raadsvrouw heeft geen vrijspraak voor dit feit bepleit. De rechtbank volstaat onder deze omstandigheden met een opsomming van de volgende bewijsmiddelen:

  • -

    de bekennende verklaring van verdachte ter terechtzitting van 10 juni 2020;

  • -

    een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van aangifte van 11 maart 2019, genummerd PL0900-2019072698-1, opgemaakt door de politie Midden-Nederland, houdende de verklaring van aangever [aangever] , namens [supermarkt] Dronten, doorgenummerde pagina’s 1000 en 1001;

  • -

    een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van aangifte van 11 maart 2019, genummerd PL0900-2019072698-8, opgemaakt door de politie Midden-Nederland, houdende de verklaring van getuige [slachtoffer 1] , doorgenummerde pagina’s 1017 en 1018;

  • -

    een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van aangifte van 19 maart 2019, genummerd 20190319.0813.7173, opgemaakt door de politie Midden-Nederland, houdende de uitwerking van de camerabeelden van de [supermarkt], doorgenummerde pagina’s 1134 tot en met 1141.

Bewijsmiddelen voor het onder 2 ten laste gelegde

Verdachte heeft het onder 2 ten laste gelegde feit bekend. De raadsvrouw heeft geen vrijspraak voor dit feit bepleit. De rechtbank volstaat onder deze omstandigheden met een opsomming van de volgende bewijsmiddelen:

  • -

    de bekennende verklaring van verdachte ter terechtzitting van 10 juni 2020;

  • -

    een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van aangifte van 27 maart 2019, genummerd PL0900-2019089470-1, opgemaakt door de politie Midden-Nederland, houdende de verklaring van aangever [slachtoffer 2] , doorgenummerde pagina’s 2000 tot en met 2002;

  • -

    een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van aangifte van 1 april 2019, genummerd 1060692, opgemaakt door de politie Midden-Nederland, houdende de uitwerking van de camerabeelden van de [naam], doorgenummerde pagina’s 2121 tot en met 2131.

5 BEWEZENVERKLARING

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte:

feit 1:

op 11 maart 2019 te Dronten op een voor publiek toegankelijke plaats, te weten supermarkt de [supermarkt], gelegen aan de [adres] , enig geldbedrag van (in totaal) 399,20 euro en 178 koopzegels, dat toebehoorde aan supermarkt de [supermarkt], heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen welke diefstal werd vergezeld van bedreiging met geweld tegen [slachtoffer 1] ([supermarkt]-medewerker), gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken door

  • -

    supermarkt de [supermarkt] binnen te gaan en

  • -

    op de toonbank/balie af te lopen en

  • -

    (vervolgens) een op een vuurwapen gelijkend voorwerp op de toonbank/balie te leggen en

  • -

    (vervolgens) om de toonbank/balie heen te lopen en

  • -

    (vervolgens) een honkbalknuppel uit/achter zijn jas(zak) te pakken en deze aan die [slachtoffer 1] te tonen en in de richting van die [slachtoffer 1] te houden en

  • -

    (vervolgens) dreigend aan die [slachtoffer 1] de woorden toe te voegen: "Ik wil je geld"

  • -

    waardoor die [slachtoffer 1] de kassalade heeft geopend en

  • -

    (vervolgens) enig geldbedrag en koopzegels uit de geopende kassalade te pakken;

feit 2:

op 27 maart 2019 te Dronten op een voor publiek toegankelijke plaats, te weten de [naam], gelegen aan [adres] , enig geldbedrag van (in totaal) (ongeveer) 800 euro, dat toebehoorde aan de [naam], heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen welke diefstal werd vergezeld van bedreiging met geweld tegen [slachtoffer 2] (eigenaar filiaal [naam]), gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken door

  • -

    het pand van die [naam] binnen te gaan en

  • -

    (vervolgens) om de balie heen te lopen en

  • -

    (vervolgens) die [slachtoffer 2] dreigend de woorden toe te voegen: "Geef me je geld en doe de kassa's open" en dat hij, verdachte, ook de kluis wilde en

  • -

    (vervolgens) die [slachtoffer 2] in de richting van de kassa's te duwen en

  • -

    (daarbij) twee messen aan die [slachtoffer 2] te tonen en (op korte afstand) in de richting van die [slachtoffer 2] te houden en

  • -

    waardoor die [slachtoffer 2] de kassalade heeft geopend en

  • -

    (vervolgens) de geldlade met inhoud uit de kassa te pakken.

Voor zover in het bewezen verklaarde deel van de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. Verdachte wordt hiervan vrijgesproken.

6 STRAFBAARHEID VAN DE FEITEN

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezen verklaarde levert volgens de wet de volgende strafbare feiten op:

feit 1:

diefstal, vergezeld van bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken;

feit 2:

diefstal, vergezeld van bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken.

7 STRAFBAARHEID VAN VERDACHTE

Er is geen omstandigheid gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8 OPLEGGING VAN STRAF

8.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd verdachte ter zake van het door de officier van justitie bewezen geachte te veroordelen tot een gevangenisstraf van vijf jaar, met aftrek van het voorarrest.

8.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft betoogd dat de eis van de officier van justitie te hoog is. De reclassering heeft in het rapport van oktober 2019 aangegeven een geheel onvoorwaardelijke gevangenisstraf niet wenselijk te vinden. Een onvoorwaardelijke gevangenisstraf gelijk aan de duur van het voorarrest met een fors voorwaardelijk deel met bijzondere voorwaarden is passend, zodat verdachte hulp kan krijgen op diverse leefgebieden zoals ook uit het PBC-rapport naar voren komt.

8.3

Het oordeel van de rechtbank

Aard en ernst van het feit

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan twee gewapende overvallen, te weten op een [supermarkt] supermarkt en op een filiaal van [naam]. Daarvan zijn een kassamedewerker van de [supermarkt] en de eigenaar van het [naam] filiaal slachtoffer geworden. Bij beide overvallen heeft verdachte zich bediend van wapens. Bij de overval op de supermarkt heeft verdachte een kassamedewerker onder bedreiging van een op een echt lijkend vuurwapen en een honkbalknuppel de kassa laten openen. Bij [naam] heeft verdachte de filiaalleider onder bedreiging van twee messen bevolen de kassa te openen. Beide aangevers zijn door het gebeurde enorm geraakt. Uit de aangifte van de kassamedewerker van de [supermarkt] volgt dat de aangeefster in shock was. De aangever van de overval op het [naam] filiaal heeft verklaard dat hij enorm schrok en zich bedreigd voelde. Verdachte heeft de overval op de [supermarkt] onder toeziend oog van onder meer winkelend publiek gepleegd. Het is algemeen bekend dat slachtoffers en getuigen van dergelijke overvallen langdurig last kunnen hebben en blijven houden van gevoelens van angst en onveiligheid. Naast de angst die verdachte de direct betrokkenen en personen die hier gedwongen getuige van zijn geweest heeft bezorgd, zorgen dergelijke ernstige feiten in het algemeen voor gevoelens van onrust en onveiligheid in de maatschappij Dit alles heeft verdachte er niet van weerhouden om, ten koste van anderen, op deze manier snel aan geld te komen en dit rekent de rechtbank hem zwaar aan.

Daarnaast heeft verdachte met zijn handelen geen enkel respect getoond voor de eigendommen van een ander en heeft hij kennelijk enkel gedacht aan zijn eigen financiële gewin.

De persoon van verdachte

Bij haar beslissing heeft de rechtbank onder meer acht geslagen op:

- een uittreksel justitiële documentatie betreffende verdachte van 11 oktober 2019, waaruit volgt dat verdachte in de afgelopen vijf jaren onherroepelijk is veroordeeld voor geweldsfeiten;

- het reclasseringsadvies van 11 oktober 2019, uitgebracht door Reclassering Nederland. De reclassering schat het recidiverisico in als hoog en baseert zich daarbij op het strafrechtelijk verleden, een mogelijk risicovol sociaal netwerk, een beperkt cognitief vermogen, beïnvloedbaarheid, impulsiviteit en psychische problematiek. De reclassering acht een geheel onvoorwaardelijke gevangenisstraf niet wenselijk, vanwege de beïnvloedbaarheid van betrokkene;

- een Pro Justitia rapport van 19 juli 2019, uitgebracht door A.J. van de Linde, GZ-psycholoog, waarin onder meer het volgende is opgenomen. Verdachte werkte in eerste instantie mee aan het onderzoek, maar weigerde daarna verdere

medewerking. Doordat verdachte beperkte informatie heeft gegeven en doordat informatie vanuit referenten ontbrak, is slechts in beperkte mate een beeld van de problematiek van verdachte ontstaan. In het psychologisch onderzoek wordt een jongeman gezien met een voorgeschiedenis waarbij sprake was van veel instabiliteit en vermoedelijk een onder druk staande gehechtheidsontwikkeling. In zijn persoonlijkheidsontwikkeling worden kenmerken gezien van een narcistische en een borderline persoonlijkheidsstoornis, waarbij er mogelijk ook nog sprake is van een onderliggende posttraumatische stressstoornis. Uit het intelligentieonderzoek komt een cognitieve ontwikkelingsachterstand naar voren. Verdachte lijkt te functioneren op zwakbegaafd intelligentieniveau, waarbij ook zijn ego-ontwikkeling een achterstand vertoont;

- een Pro Justitia rapportage van 8 juni 2020, uitgebracht door F.H.A. Berkelbach van der Sprenkel, GZ-psycholoog en C.J. Kerssens, psychiater, waarin onder meer het volgende is opgenomen. Verdachte heeft grotendeels meegewerkt aan het onderzoek in het Pieter Baan Centrum, al was dit vaak op zijn voorwaarden. Uit het intelligentieonderzoek kwam naar voren dat verdachte beneden gemiddelde performale vaardigheden heeft en dat zijn werkgeheugen en verwerkingssnelheid van een (licht) verstandelijk beperkt niveau zijn. Voorts is er bij verdachte sprake van een onrijpe, ongedifferentieerde persoonlijkheid, waarbij hij gebruik maakt van onrijpe afweermechanismen, zoals loochening, vermijding, externaliseren, splitsen en zwart-wit denken om zijn kwetsbare zelfbeeld te beschermen. Onderzoekers kiezen ervoor om de persoonlijkheidsproblematiek te classificeren als een 'andere gespecificeerde persoonlijkheidsstoornis' met antisociale en narcistische trekken. Uit het onderzoek is voorts gebleken dat verdachte al vele jaren cannabis gebruikt, wat gezien kan worden als coping om niet te hoeven voelen en daardoor te zien in het verlengde van zijn persoonlijkheidsproblematiek: hij zou zich hierdoor meer ontspannen voelen. Onderzoekers hebben een eventuele verminderde toerekening van de ten laste gelegde feiten niet kunnen onderbouwen. Tot slot is naar voren gekomen dat verdachte niet is gemotiveerd voor enige behandeling;

-een email-bericht van 9 juni 2020 van M. Vogelpoel van Reclassering Nederland, waarin geadviseerd wordt geen bijzondere voorwaarden op te leggen. Vanwege de opstelling van betrokkene en zijn afwijzende houding jegens begeleiding wordt er geen plan van aanpak opgesteld. In het kader van een eventuele detentie zou middels detentie- en reïntegratieactiviteiten een plan van aanpak kunnen worden opgesteld, mits betrokkene daaraan dan wel zou willen meewerken (ten behoeve van zijn resocialisatie);

- de overige stukken betreffende de persoon van verdachte alsmede hetgeen verdachte en zijn raadsvrouw met betrekking tot zijn persoonlijke omstandigheden naar voren hebben gebracht.

De op te leggen straf

Gelet op de persoon van verdachte en op het hierboven aangehaalde onderzoek uitgevoerd door F.H.A. Berkelbach van der Sprenkel, GZ-psycholoog en C.J. Kerssens, psychiater, is de rechtbank van oordeel dat de hiervoor bewezen verklaarde feiten aan de verdachte volledig kunnen worden toegerekend.

Kijkend naar de aard en ernst van de bewezen verklaarde feiten is enkel een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van aanzienlijke duur passend en geboden. De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.

De oriëntatiepunten voor straftoemeting van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS) gaan voor een overval op een winkel waarbij sprake is van bedreiging met geweld uit van een gevangenisstraf van 2 jaren. In onderhavig geval heeft verdachte in zeer korte tijd twee overvallen gepleegd waarbij hij kennelijk na het plegen van de eerste overval niet tot inkeer is gekomen. Als strafverzwarende omstandigheid neemt de rechtbank mee dat verdachte bij beide overvallen gebruik heeft gemaakt van wapens. Bij één overval maakte hij gebruik van een op een echt lijkend vuurwapen. Daar staat tegenover dat verdachte ter terechtzitting openheid van zaken heeft gegeven, waarmee hij verantwoordelijkheid heeft genomen voor wat hij gedaan heeft. Alles overwegende ziet de rechtbank geen aanleiding af te wijken van het oriëntatiepunt van de LOVS en acht de rechtbank voor de onder 1 en 2 bewezenverklaarde strafbare feiten het opleggen van een gevangenisstraf van 4 jaren, met aftrek van het voorarrest, passend en geboden.

De rechtbank ziet geen aanleiding om een deel van deze gevangenisstraf voorwaardelijk op te leggen met eventueel daaraan verbonden bijzondere voorwaarden, zoals verzocht door de raadsvrouw. De onderzoekers van het Pro Justitia rapport stellen immers vast dat verdachte niet gemotiveerd is voor enige behandeling. Ook de reclassering constateert dat verdachte een afwijzende houding heeft jegens begeleiding. Behandeling en begeleiding kan eventueel te zijner tijd, in het kader van een voorwaardelijke invrijheidsstelling tot stand worden gebracht.

9 BESLAG

De officier van justitie heeft gevorderd de inbeslaggenomen jas en hoodie verbeurd te verklaren.

Teruggave aan verdachte

De rechtbank zal de vordering van de officier van justitie afwijzen en teruggave gelasten aan verdachte van de in beslag genomen voorwerpen, te weten een jas en een hoodie, aangezien deze voorwerpen niet vatbaar zijn voor verbeurdverklaring of onttrekking aan het verkeer en het belang van strafvordering zich niet tegen teruggave verzet.

10 BENADEELDE PARTIJ

[slachtoffer 2] heeft zich als benadeelde partij in het geding gevoegd en vordert een bedrag van € 1.497,18. Dit bedrag bestaat uit € 597,18 materiële schade en € 900,00 immateriële schade, ten gevolge van het aan verdachte onder 2 ten laste gelegde feit.

10.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering voldoende is onderbouwd en dient te worden toegewezen, evenals de wettelijke rente. De officier van justitie heeft voorts verzocht de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.

10.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw stelt zich op het standpunt dat de schade aan de kassalade voldoende is onderbouwd en kan worden toegewezen. Dit in tegenstelling tot de personeelskosten. De vordering bevat geen stukken die deze kosten onderbouwen. Met betrekking tot de gevorderde vergoeding voor immateriële schade is aangevoerd dat deze dient te worden afgewezen nu er geen stukken zijn die een psychiatrisch erkend ziektebeeld onderbouwen. Gevoelens van angst en slaapproblemen komen niet voor vergoeding in aanmerking, aldus de verdediging.

10.3

Het oordeel van de rechtbank

Ten aanzien van de gevorderde vergoeding voor materiële schade

Door het plegen van de overval door verdachte heeft [slachtoffer 2] een nieuwe kassa moeten aanschaffen. Daarvan is een besteloverzicht toegevoegd als bijlage twee bij het voegingsformulier. De rechtbank is van oordeel dat het bedrag betreffende de nieuwe kassalade ter hoogte van € 53,18 kan worden toegewezen.

De kosten betreffende de inzet van extra personeel komen volgens de rechtbank niet in aanmerking voor vergoeding. De rechtbank is van oordeel dat het verband tussen de door verdachte gepleegde overval en de inzet van extra personeel te ver van elkaar is verwijderd. Daar komt bij dat deze kosten niet zijn onderbouwd. [slachtoffer 2] zal daarom niet-ontvankelijk worden verklaard in dit deel van de vordering. Hij kan dit onderdeel van zijn vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Ten aanzien van de gevorderde vergoeding voor immateriële schade

De vordering voor wat betreft de immateriële schade is door [slachtoffer 2] niet onderbouwd met (medische) bewijsstukken. Gelet op de aard en de ernst van de normschending, komt de rechtbank echter tot het oordeel dat het bewezen verklaarde strafbare feit immateriële schade heeft toegebracht aan [slachtoffer 2] , In onderhavige situatie was [slachtoffer 2] ’s avonds alleen in zijn zaak aan het schoonmaken toen verdachte zijn winkel binnenstapte met een doek voor zijn neus en mond. Onder bedreiging van twee messen is [slachtoffer 2] vervolgens gedwongen naar de kassalade van de winkel te lopen en deze te openen. De nadelige gevolgen voor [slachtoffer 2] door dit handelen van verdachte zijn zo voor de hand liggend, dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen. Gelet op vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat de hoogte van de immateriële schade naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid op
€ 900,00 dient te worden vastgesteld.

Conclusie

De rechtbank wijst in totaal een bedrag van € 953,18 toe, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment dat het strafbare feit is gepleegd.

Schadevergoedingsmaatregel

Als extra waarborg voor betaling zal de rechtbank ten behoeve van [slachtoffer 2] aan verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van het bedrag van € 953,18 te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente vanaf 27 maart 2019 tot de dag van volledige betaling. Als door verdachte niet wordt betaald, zal deze verplichting worden aangevuld met 19 dagen gijzeling, waarbij toepassing van de gijzeling de betalingsverplichting niet opheft.

De betaling die is gedaan aan de Staat wordt op de verplichting tot betaling aan [slachtoffer 2] in mindering gebracht. Dit geldt andersom ook indien betaling is gedaan aan [slachtoffer 2] .

Proceskosten

Verdachte zal worden veroordeeld in de kosten die [slachtoffer 2] heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

11 TOEPASSELIJKE WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN

De beslissing berust op artikel 36f en 312 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

12 BESLISSING

De rechtbank:

Vrijspraak

- verklaart niet bewezen hetgeen onder feit 3 aan verdachte ten laste is gelegd en spreekt hem daarvan vrij.

Bewezenverklaring

- verklaart het ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld;

- verklaart het meer of anders ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Strafbaarheid

- verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en kwalificeert dit zoals hiervoor in rubriek 6 is vermeld;

- verklaart verdachte strafbaar.

Oplegging straf

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 4 (vier) jaren;

- bepaalt dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht.

Beslag

- gelast de teruggave aan verdachte van de volgende voorwerpen:

  • -

    jas;

  • -

    hoodie.

Benadeelde partij

  • -

    wijst de vordering van [slachtoffer 2] toe tot een bedrag van € 953,18, bestaande uit een vergoeding van € 53,18 aan materiële schade een vergoeding van € 900,00 aan immateriële schade;

  • -

    veroordeelt verdachte tot betaling aan [slachtoffer 2] van het toegewezen bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente over € 953,18 vanaf 27 maart 2019 tot de dag van volledige betaling;

  • -

    verklaart [slachtoffer 2] voor wat betreft het overig gevorderde niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de vordering voor dat restant kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;

  • -

    legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [slachtoffer 2] aan de Staat € 953,18 te betalen, te vermeerderden met de wettelijke rente over € 953,18 vanaf 27 maart 2019 tot de dag van volledige betaling, bij niet betaling aan te vullen met 19 dagen gijzeling;

  • -

    bepaalt dat verdachte van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als hij op een van de hiervoor beschreven manieren de schade aan de benadeelde dan wel aan de Staat heeft vergoed;

  • -

    veroordeelt verdachte in de kosten die [slachtoffer 2] heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Dit vonnis is gewezen door mr. H.J. Bos, voorzitter, mr. A.M. Crouwel en mr. A. Leschot, rechters, in tegenwoordigheid van mr. M.M.E. van Dijk griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van 24 juni 2020.

Mr. A.M. Crouwel en mr. M.M.E. van Dijk zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Bijlage: de tenlastelegging

Aan verdachte wordt ten laste gelegd dat:

1:

hij op of omstreeks 11 maart 2019 te Dronten op de openbare weg, althans een voor publiek toegankelijke plaats, te weten supermarkt de [supermarkt], gelegen aan de [adres] , enig(e) geldbedrag(en) van (in totaal) 399,20 euro en/of 187 koopzegels, in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander toebehoorde, te weten aan supermarkt de [supermarkt], heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen welke diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen [slachtoffer 1] ([supermarkt]-medewerker), gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken, en/of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door

- supermarkt de [supermarkt] binnen te gaan en/of

- op de toonbank/balie af te lopen en/of

- ( vervolgens) een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp op de toonbank/balie te leggen en/of

- ( vervolgens) om de toonbank/balie heen te lopen en/of

- ( vervolgens) een honkbalknuppel, althans een op een honkbalknuppel gelijkend voorwerp uit/achter zijn jas(zak) te pakken en/of deze aan die [slachtoffer 1] te tonen en/of in de richting van die [slachtoffer 1] te houden en/of

- ( vervolgens) dreigend aan die [slachtoffer 1] de woorden toe te voegen:

"Ik wil je geld" en/of "wat ben je aan het doen" en/of

- waardoor die [slachtoffer 1] de kassalade heeft geopend en/of

- ( vervolgens) enig(e) geldbedrag(en) en/of koopzegels uit de geopende kassalade te pakken;

2:

hij op of omstreeks 27 maart 2019 te Dronten op de openbare weg, althans een voor publiek toegankelijke plaats, te weten de [naam], gelegen aan [adres] , enig(e) geldbedrag(en) van (in totaal) (ongeveer) 800 euro, in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander toebehoorde, te weten aan de [naam], heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen welke diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen [slachtoffer 2] (eigenaar filiaal [naam]), gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken, en/of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door

- het pand van die [naam] binnen te gaan en/of

- ( vervolgens) om de balie heen te lopen en/of

- ( vervolgens) die [slachtoffer 2] dreigend de woorden toe te voegen: "Geef me je geld en doe de kassa's open" en/of dat hij, verdachte, ook de kluis wilde en/of

- ( vervolgens) die [slachtoffer 2] (met kracht) bij zijn arm vast te pakken en/of die [slachtoffer 2] meermalen, althans eenmaal (met kracht) in de richting van de kassa's te duwen en/of

- ( daarbij) twee, althans een mes(sen) aan die [slachtoffer 2] te tonen en/of (op korte afstand) in de richting van die [slachtoffer 2] te houden en/of

- waardoor die [slachtoffer 2] de kassalade heeft geopend en/of

- ( vervolgens) de geldlade met inhoud uit de kassa te pakken;

3:

hij in of omstreeks de periode van 17 mei 2019 tot en met 20 juni 2019 te Lelystad een of meerdere medewerkers van de PI Lelystad en/of een of meerdere personen heeft bedreigd

met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door die medewerker(s) van de PI Lelystad en/of een of meerdere personen dreigend de woorden toe te voegen "Nederland gaat branden, net als jullie Irak hebben aangedaan. Jullie gaan mij nog wel zien op het journaal, let op mijn woorden!", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking.