Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2020:2320

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
19-06-2020
Datum publicatie
01-07-2020
Zaaknummer
UTR 19/3289
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

WAV, bestuurlijke boete

Eiser is beboet wegens overtreding van artikel 2 van de WAV. Hij heeft Macedonische werknemers laten werken aan de bouw van de [.] zonder tewerkstellingsvergunningen. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat de verleende tewerkstellingsvergunningen, waren verleend voor het verrichten van laswerkzaamheden en dat de vreemdelingen geen laswerkzaamheden verrichtten, maar werkzaamheden als constructiebankwerkers. De vreemdelingen hebben dit zelf verklaard en verweerder mocht op deze verklaringen afgaan. De door eiser in de bezwaarfase ingebrachte verklaringen van de vreemdelingen waarin zij anders verklaren, hebben niet de bewijskracht die eiser daaraan gehecht wil zien. De boete is dan ook terecht opgelegd. (ZIE OOK: ECLI:NL:RBMNE:2020:2318)

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummer: UTR 19/3289


uitspraak van de meervoudige kamer van 19 juni 2020 in de zaak tussen

[eiser] te [vestigingplaats] , Macedonië, eiser

(gemachtigde: B. Gleiss),

en

de staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, verweerder

(gemachtigde: drs. C.D. van Brussel).

Procesverloop

Bij besluit van 16 november 2016 (het primaire besluit) heeft verweerder aan eiser een bestuurlijke boete opgelegd van € 48.000,- wegens overtreding van de Wet arbeid vreemdelingen (Wav).

Bij besluit van 12 juni 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser gegrond verklaard. Verweerder heeft daarbij het primaire besluit herroepen en de boete vastgesteld op € 36.000,-.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingediend.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 maart 2020. Eiser heeft zich ter zitting laten vertegenwoordigen door [A] , bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Het beroep is gelijktijdig behandeld met de beroepen in zaken UTR 19/2994, UTR 19/2793, UTR 19/2795 en UTR 19/2797.

Overwegingen

Feiten en omstandigheden die aan de zaak voorafgingen

  1. Op 10 oktober 2013 hebben arbeidsinspecteurs van de Inspectie SZW een locatiebezoek gebracht aan de [adres] te [plaatsnaam 1] waar een brug in aanbouw was, te weten de [.] . Opdrachtgever voor deze brug was Rijkswaterstaat, die de opdracht had gegeven aan [onderneming 1] . [onderneming 1] had de werkzaamheden uitbesteed aan [onderneming 1] B.V., die de opdracht had uitbesteed aan [onderneming 2] v.o.f. Die v.o.f. heeft de opdracht weer uitbesteed aan [onderneming 3] v.o.f. en die v.o.f. weer aan [onderneming 4] GmbH. [onderneming 4] GmbH heeft de opdracht ten slotte uitbesteed aan eiser.
    Op 17 oktober 2013 heeft een administratief onderzoek plaatsgevonden bij [onderneming 5] te [plaatsnaam 2] . Dit bureau verzorgt de administratie voor eiser.
    Op 6 februari 2014 heeft een onderzoek plaatsgevonden op de locatie [adres] te [plaatsnaam 1] . De bevindingen van de onderzoeken zijn vastgelegd in een boeterapport van 24 november 2014, dat is aangevuld op 31 maart 2015 en 18 mei 2016. Uit het boeterapport blijkt dat op 6 februari 2014 acht personen met de Macedonische nationaliteit werkzaamheden verrichtten als (constructie)bankwerker, terwijl voor hen tewerkstellingsvergunningen (hierna: twv’s) waren verleend als lasser. Tijdens verder onderzoek bleek dit te gelden voor nog twee vreemdelingen die op het moment van de controle niet aanwezig waren.

  2. Bij het primaire besluit heeft verweerder aan eiser een bestuurlijke boete opgelegd vanwege overtreding van artikel 2, eerste lid, van de Wav voor zes vreemdelingen met de Macedonische nationaliteit. Voor vier van de hiervoor genoemde tien vreemdelingen is onvoldoende gebleken welke arbeid zij hebben verricht.

Hebben de vreemdelingen werkzaamheden verricht buiten de grenzen van de verleende twv’s?

3. Eiser heeft aangevoerd dat de vreemdelingen hebben gewerkt binnen de grenzen van de verleende twv’s. De door de vreemdelingen uitgevoerde werkzaamheden zijn de werkzaamheden van een lasser. Hoewel de werkzaamheden die van een constructiebankwerker overlappen, worden ze door verweerder ten onrechte alleen toegeschreven aan een constructiebankwerker. Verweerder maakt uit de verklaringen van de vreemdelingen ten onrechte op dat ze ‘in ieder geval niet als lasser werkzaam zijn geweest’. De verklaringen van de vreemdelingen bevatten onjuistheden. De vreemdelingen verklaren immers dat zij geen las-diploma hebben, maar dit is onjuist. Van alle vreemdelingen zijn lasdiploma’s overgelegd. Dit was ook een voorwaarde voor de twv. Eiser weet niet waarom de vreemdelingen onjuiste verklaringen hebben afgelegd, maar zij hadden daar wel een belang bij. Ze zouden direct van de bouwplaats worden verwijderd en dus hun werk verliezen als zij zonder uitdrukkelijke toestemming laswerkzaamheden aan de bovenbouw van de brug hadden verricht. Het kan ook zo zijn dat de vreemdelingen de tolk niet goed hebben begrepen. Ze behoorden tot een andere Macedonische bevolkingsgroep dan de tolk.

4. Verweerder heeft zich hierover op het standpunt gesteld dat de vreemdelingen zelf hebben verklaard dat zij werkzaam waren als constructiebankmedewerker en dat er geen reden is om aan deze verklaringen te twijfelen. Verweerder hecht geen waarde aan de later afgelegde verklaringen van de vreemdelingen, de heer [B] en de heer [C] .

5. De rechtbank is van oordeel dat de vreemdelingen structureel werkzaamheden hebben verricht buiten de grenzen van de verleende twv’s. De beroepsgrond hierover van eiser slaagt niet en daartoe overweegt de rechtbank als volgt.

6. Verweerder heeft terecht in aanmerking genomen dat de vreemdelingen en de voorman van de lassers van [eiser] , dhr. [B] , ten overstaan van beëdigde toezichthouders hebben verklaard dat zij niet als lasser werkzaam waren, maar als monteur. Twee vreemdelingen verklaren verder uitdrukkelijk geen lasser te zijn en één vreemdeling verklaart verder expliciet dat hij de voorbereidende werkzaamheden voor de lassers uitvoert. Naar het oordeel van de rechtbank is er geen reden om niet van de juistheid van de bij het boeterapport gevoegde verklaringen van de vreemdelingen en dhr. [B] uit te gaan.
Er zijn geen aanwijzingen dat de verklaringen onder druk zijn afgelegd of dat de tolk niet goed heeft vertaald. De vreemdelingen hebben hun eigen uitgeschreven verklaring ondertekend. Verder kan uit de lasnaadcontroleschema’s niet worden afgeleid dat de vreemdelingen op de bouwlocatie laswerkzaamheden hebben verricht gedurende de onderzoeksperiode van het boeterapport, te weten augustus 2013 tot en met 6 februari 2014.

7. Over de verklaring van dhr. [B] voert eiser aan dat het juist is dat hij heeft verklaard dat hij de lassers aanstuurt, maar dit is niet het hele verhaal. Hij stuurde alleen de lassers aan die aan de bovenbouw werkten, omdat daaraan veel hogere eisen worden gesteld. De verklaring van [B] van 6 februari 2014 ontbreekt bij het boeterapport. Er wordt hiernaar verwezen in de verklaring van 24 februari 2014, maar de verklaring van 6 februari 2014 zit niet bij het boeterapport. De rechtbank stelt met eiser vast dat de verklaring van [B] van 6 februari 2014 niet afzonderlijk in een rapport is neergelegd. Hetgeen hij op die datum heeft verklaard is weergegeven in het rapport van 24 februari 2014. De rechtbank ziet geen aanleiding om aan de juistheid van dit rapport te twijfelen, om dezelfde redenen als hiervoor al genoemd. [B] heeft verklaard dat de vreemdelingen voorbereidende werkzaamheden voor onder andere de lassers uitvoerden. De rechtbank ziet niet in hoe het feit dat [B] alleen de lassers aanstuurde die aan de bovenbouw werkten, daaraan kan afdoen. Deze beroepsgrond slaagt niet.

8. Over de verklaringen van de vreemdelingen die eiser in de bezwaarfase heeft overgelegd, overweegt de rechtbank als volgt. Deze verklaringen zijn in januari 2017 afgelegd ten overstaan van een advocaat, gevestigd in Macedonië. Daarbij verklaren zij wel als lasser te hebben gewerkt en dat zij eerder anders hebben verklaard, omdat de tolk niet duidelijk was. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder aan deze verklaringen niet de bewijskracht hoeven toekennen die eiser daaraan gehecht wil zien. Verweerder heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat een onder ambtseed of ambtsbelofte door een verbalisant weergegeven verklaring niet bij voorbaat zou moeten wijken voor een latere, afwijkende en al dan niet beëdigde verklaring die buiten het zicht van de toezichthouder onder een zekere regie van de beboete partij tot stand is gebracht. De onjuistheid van de eerste ten overstaan van een toezichthouder afgelegde verklaring moet met concrete, verifieerbare gegevens worden aangetoond dan wel moet eiser aannemelijk maken dat de eerste verklaring onder ontoelaatbare druk is afgelegd. Daarin is eiser naar het oordeel van de rechtbank niet geslaagd. Dat de vreemdelingen aantoonbaar onjuist hebben verklaard dat zij niet over las-diploma’s beschikken, terwijl dat wel zo is, is hiervoor onvoldoende. Verweerder heeft er verder terecht op gewezen dat de vreemdelingen bij de latere verklaring juist hebben verklaard niet onder druk te zijn gezet, bang te zijn geweest of zich geïntimideerd te hebben gevoeld. De enkele verklaring dat de tolk niet goed was, is door de vreemdelingen niet nader toegelicht of geconcretiseerd. Ook deze verklaring heeft verweerder buiten beschouwing mogen laten.

9. Uit het voorgaande volgt dat de vreemdelingen in Nederland arbeid hebben verricht buiten de grenzen van de twv’s.


Conclusie

10. De vreemdelingen hebben in Nederland arbeid hebben verricht zonder dat daarvoor een geldige twv was verleend. Dit betekent dat verweerder terecht heeft geconcludeerd dat artikel 2, eerste lid, van de Wav is overtreden en dat de boete terecht is opgelegd.

10. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.P. Glerum, voorzitter, en mr. V.E. van der Does en mr. J.L.W. Broeksteeg, leden, in aanwezigheid van mr. M.L. Bressers. Deze uitspraak is gedaan op 19 juni 2020. Als gevolg van maatregelen rondom het coronavirus is deze uitspraak niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Zodra het openbaar uitspreken weer mogelijk is, wordt deze uitspraak, voor zover nodig, alsnog in het openbaar uitgesproken.

De voorzitter is verhinderd de

uitspraak te ondertekenen.

griffier

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.