Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2020:2317

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
19-06-2020
Datum publicatie
22-06-2020
Zaaknummer
503346 / HA RK 20-138
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Wraking
Inhoudsindicatie

Wrakingsverzoek ongegrond. Voorstel rechter om behandeling op korte termijn aan te houden en de machtiging uithuisplaatsing tot die zitting te verlengen vanwege ontbreken tolk op zitting moet worden aangemerkt als procesbeslissing. Geen sprake van vooringenomenheid.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

WRAKINGSKAMER

Locatie: Utrecht

Zaaknummer/rekestnummer: 503346 / HA RK 20-138

Beslissing van de meervoudige kamer voor de behandeling van wrakingszaken van 19 juni 2020

op het verzoek in de zin van artikel 36 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (verder: Rv) van:

[verzoekster] ,

wonende in [woonplaats] ,

(verder te noemen: verzoekster),

advocaat: mr. J.J. Weldam, advocaat in Utrecht.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het proces-verbaal van de zitting van 2 juni 2020 met daarin opgenomen het wrakingsverzoek van verzoekster gericht tegen mr. S.G.M. Buys, kinderrechter bij deze rechtbank;

- de beschikking verlenging uithuisplaatsing van 2 juni 2020;

- de schriftelijke reactie van mr. S.G.M. Buys van 12 juni 2020.

1.2.

Het wrakingsverzoek is op 16 juni 2020 met gesloten deuren behandeld door de meervoudige kamer voor de behandeling van wrakingszaken (verder te noemen: de wrakingskamer). Bij de mondelinge behandeling zijn verschenen verzoekster bijgestaan door mr. Weldam, advocaat, en de heer A. Biada, tolk in de Arabische (Egyptisch) taal. De rechter is met bericht van verhindering niet verschenen.

1.3.

De uitspraak is bepaald op heden.

2 Het wrakingsverzoek

2.1.

Het verzoek tot wraking is gericht tegen mr. S.G.M. Buys als behandelend rechter (hierna de rechter), in de zaak met zaaknummer C/16/491586 / JE RK 19-2342. In deze zaak heeft de gecertificeerde instelling Samen Veilig Midden-Nederland (verder te noemen: GI) verzocht tot verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van de zoon van verzoekster.

2.2.

Mr. Weldam heeft namens zijn cliƫnte het volgende ten grondslag gelegd aan het wrakingsverzoek. Op de zitting van 2 juni 2020 bleek dat de GI geen tolk had opgeroepen terwijl verzoekster de Nederlandse taal niet machtig is. De rechter heeft toen voorgesteld de behandeling van de zaak aan te houden tot 24 juni 2020 en de machtiging tot uithuisplaatsing te verlengen tot die dag. Verzoekster heeft toen aangegeven dat als de rechter bij dit voorstel zou blijven dat zij de rechter zou wraken. Omdat de rechter bij haar voorstel bleef heeft verzoekster de rechter gewraakt. Volgens haar heeft de rechter blijk gegeven van vooringenomenheid omdat de rechtbank voor de tweede keer de machtiging tot uithuisplaatsing van haar zoon zou verlengen zonder dat zij of haar advocaat daarover zijn gehoord. Op de zitting van de wrakingskamer heeft mr. Weldam namens verzoekster nog naar voren gebracht dat de beslissing tot verlenging van de machtiging een schending is van artikel 6 EVRM en artikel 19 Rv omdat geen sprake is geweest van hoor en wederhoor. Daarnaast heeft de rechter in strijd met de wet en het wrakingsprotocol beslist. Artikel 800 Rv bepaalt namelijk dat een beslissing die niet kan worden afgewacht slechts twee weken van kracht blijft. In deze zaak is de volgende zitting niet binnen twee weken gepland. Tot slot verzoekt verzoekster de wrakingskamer om de beschikking van de rechter van 2 juni 2020 te vernietigen omdat zij deze beslissing niet meer mocht nemen omdat zij gewraakt was. Deze beslissing had door een andere rechter genomen moeten worden.

2.3.

De rechter heeft niet berust in de wraking. In haar schriftelijke reactie stelt zij zich op het standpunt dat geen sprake is van objectieve en/of subjectieve feiten en/of omstandigheden die tot de conclusie kunnen leiden dat zij partijdig of vooringenomen zou zijn. Zij heeft voordat zij een procesbeslissing ging nemen geprobeerd om in onderling overleg met partijen de zitting te verdagen en de machtiging uithuisplaatsing te verlengen voor de tussenliggende periode. Zonder tolk was het niet mogelijk om verzoekster te horen over het verzoek van de GI en kon zij dus niet voldoen aan het beginsel van hoor en wederhoor. Dat zij partijen heeft gevraagd naar hun mening over het voorstel om de zitting te verdagen, impliceert niet dat zij partijdig of vooringenomen was. Als het voorstel wel als een beslissing wordt gekwalificeerd, dan stelt de rechter zich op het standpunt dat ook dan sprake is van een procesbeslissing die geen blijk geeft van vooringenomenheid of partijdigheid.

3 De beoordeling

3.1.

Artikel 36 Rv bepaalt dat elk van de rechters die een zaak behandelen op verzoek van een partij kan worden gewraakt op grond van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen leiden.

3.2.

De wrakingskamer onderzoekt in een wrakingsprocedure of de onpartijdigheid van de rechter schade lijdt. Een rechter wordt geacht onpartijdig te zijn tot het tegendeel vaststaat. Van dat laatste kan sprake zijn indien uit zijn of haar overtuiging of gedrag persoonlijke vooringenomenheid tegenover een procespartij blijkt. Daarnaast kan een procespartij de indruk krijgen dat de rechter vooringenomen is. Het gezichtspunt van de procespartij is hier van belang maar speelt geen doorslaggevende rol. Beslissend is of de vrees voor partijdigheid objectief gerechtvaardigd is. Komt vooringenomenheid of een gerechtvaardigd vermoeden daarvan vast te staan, dan lijdt de rechterlijke onpartijdigheid schade. De wrakingskamer zal het wrakingsverzoek aan de hand van de hiervoor genoemde maatstaven beoordelen.

3.3.

Persoonlijke vooringenomenheid bij de rechter tegenover verzoekster is niet gesteld of gebleken. Onderzocht moet daarom worden of uit het optreden van de rechter blijkt dat zij vooringenomen is of dat zij die schijn heeft gewekt. Naar het oordeel van de wrakingskamer is dat niet het geval.

3.4.

De rechter werd op de zitting geconfronteerd met het feit dat de GI geen tolk had opgeroepen en dat verzoekster niet gehoord kon worden omdat zij de Nederlandse taal niet machtig is. De rechter hechtte belang aan het horen van verzoekster en heeft daarom voorgesteld om de zaak aan te houden tot de zitting van 24 juni 2020 en de machtiging tot uithuisplaatsing ook tot die datum te verlengen. Verzoekster was het niet eens met dit voorstel omdat de machtiging in dat geval zou worden verlengd zonder dat zij daarover zou zijn gehoord. Zij heeft toen uitdrukkelijk gevraagd of de rechter bij haar voorstel bleef. Uit het proces-verbaal van de zitting blijkt dat de rechter haar voorstel heeft gehandhaafd. Weliswaar heeft de rechter daarmee ook aangegeven dat zij een beslissing tot verlenging van de uithuisplaatsing tot 24 juni 2020 zou nemen en daarmee gezegd wat de inhoud van de door haar te nemen beslissing zou zijn, maar de wrakingskamer zal de mededeling dat zij bij haar voorstel bleef bij de beoordeling van het wrakingsverzoek als een procesbeslissing beschouwen. In de eerste plaats had de rechter op het moment van het indienen van het verzoek tot wraking de beslissing tot verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing nog niet genomen. Daarnaast meent verzoekster dat de vooringenomenheid van de rechter af te leiden is niet zozeer uit de inhoud van de beslissing als wel uit het feit dat zij niet gehoord is voordat de beslissing genomen werd. Dat laatste ziet op de gang van zaken op de zitting van 2 juni 2020.

3.5.

Een als negatief ervaren procesbeslissing is in het algemeen geen grond voor toewijzing van een verzoek tot wraking van de rechter die deze beslissing heeft genomen. Alleen als een beslissing of de motivering daarvan zo onbegrijpelijk is dat deze een zwaarwegende aanwijzing oplevert dat de rechter jegens een partij een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij die partij bestaande vrees voor partijdigheid van de rechter objectief gerechtvaardigd is, kan dit tot een ander oordeel leiden. Daar is bij de beslissing van de rechter om bij haar voorstel te blijven geen sprake van. Het voorstel van de rechter hield immers in dat zij verzoekster op korte termijn alsnog zou horen over het verzoek van de GI om de machtiging tot uithuisplaatsing te verlengen. Naar het oordeel van de wrakingskamer doet de omstandigheid dat de rechter zonder verzoekster voorafgaand te horen een beschikking zou nemen waarbij zij de machtiging tot uithuisplaatsing voor dezelfde termijn verlengt, daaraan niet af. Die verlenging zou, juist omdat de rechter verzoekster alsnog wilde horen, slechts voor korte termijn zijn. Ook het feit dat verzoekster bij de eerste machtiging tot uithuisplaatsing niet is gehoord in verband met de maatregelen om verspreiding van het coronavirus tegen te gaan maakt dit niet anders. Dat feit kan de wenselijkheid van het horen van verzoekster wel onderstrepen, maar houdt geen verband met de omstandigheden die zich op de zitting van 2 juni 2020 voordoen naar aanleiding waarvan de rechter haar hiervoor genoemde voorstel gedaan heeft.

3.6.

De wrakingskamer laat de eventuele strijdigheid van de beslissing van de rechter met artikel 800 Rv en het wrakingsprotocol van deze rechtbank buiten beschouwing, omdat deze grond in strijd met artikel 37, derde lid, Rv pas naar voren gebracht is bij de behandeling van het wrakingsverzoek.

3.7.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen zal de wrakingskamer het verzoek tot wraking ongegrond verklaren.

3.8.

Mr. Weldam heeft op de wrakingszitting gevraagd om vernietiging van de beschikking van 2 juni 2020. De wrakingskamer kan de beschikking van de rechter niet vernietigen, dat zou alleen het gerechtshof kunnen. Deze beschikking moet overigens worden aangemerkt als een noodzakelijke voorziening die geen uitstel duldde omdat de termijn van de machtiging bijna zou aflopen. De gewraakte rechter was daarom gerechtigd deze beslissing te nemen. Verder is het niet aan de wrakingskamer om te beoordelen of in de beschikking de juiste termijn is opgenomen. Verzoekster heeft de mogelijkheid om hoger beroep in te stellen en dit door een appelrechter te laten beoordelen.

4 De beslissing

De wrakingskamer:

4.1.

verklaart het verzoek tot wraking ongegrond;

4.2.

draagt de griffier van de wrakingskamer op deze beslissing toe te zenden aan verzoekster, de gewraakte rechter, andere betrokken partijen, alsmede aan de voorzitter van het team familierecht, waarin de rechter werkzaam is en de president van deze rechtbank;

4.3.

bepaalt dat de procedure van verzoeker met het zaaknummer C/16/491586 / JE RK 19-2342 dient te worden voortgezet in de stand waarin deze zich bevond op het moment van de schorsing vanwege het wrakingsverzoek.

Deze beslissing is gegeven door mr. C.A. de Beaufort, voorzitter, en mrs. D.J. van Maanen en G.A. Bos als leden van de wrakingskamer, bijgestaan door mr. F.G.T. Russcher-Jansen, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 19 juni 2020.

de griffier de voorzitter

Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.