Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2020:2316

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
19-06-2020
Datum publicatie
22-06-2020
Zaaknummer
503052 / HA RK 20-134
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Wraking
Inhoudsindicatie

Wrakingsverzoek is ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

WRAKINGSKAMER

Locatie: Lelystad

Zaaknummer/rekestnummer: 503052 / HA RK 20-134

Beslissing van de meervoudige kamer voor de behandeling van wrakingszaken van

19 juni 2020

op het verzoek in de zin van artikel 36 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (verder: Rv) van:

[verzoekers] ,

(verder te noemen: verzoekers),

advocaat: mr. M.P. Harten, advocaat te Rotterdam.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het wrakingsverzoek van 27 mei 2020

- de reactie van mr. K. Rutten van 27 mei 2020 op het wrakingsverzoek namens belanghebbende Yarden Uitvaartverzekeringen N.V.

- de reactie van de rechter van 28 mei 2020 op het wrakingsverzoek

- de spreekaantekeningen voor de zitting van de wrakingskamer van mr. Harten.

1.2.

Het wrakingsverzoek is op 5 juni 2020 in het openbaar behandeld door de meervoudige kamer voor de behandeling van wrakingszaken (verder: de wrakingskamer).

Bij de mondelinge behandeling is mr. Harten namens verzoekers verschenen. De gewraakte rechter is met bericht van verhindering niet verschenen. Namens de belanghebbende is niemand verschenen.

1.3.

De uitspraak is bepaald op heden.

2 Het wrakingsverzoek

2.1.

Het verzoek tot wraking is gericht tegen mr. R.M. Berendsen als behandelend rechter (hierna te noemen: de rechter), in de zaak met zaaknummer 8468109 MV 20-49. Het betreft een kort-gedingprocedure voor de kantonrechter. In de zaak is een vordering in behandeling die verzoekers tegen Yarden Uitvaartverzekeringen N.V. hebben ingediend.

2.2.

Verzoekers hebben het volgende ten grondslag gelegd aan hun wrakingsverzoek.

De rechter heeft op verzoek van Yarden Uitvaartverzekeringen op 28 mei 2020 een mondelinge behandeling in de zaak gepland. Op 26 mei 2020 om 16.00 uur diende de advocaat van Yarden Uitvaartverzekeringen plotseling een conclusie van antwoord van 55 pagina’s in met honderden pagina’s producties. Door de lijvigheid van de stukken en het moment van indienen kon mr. Harten deze niet voor de mondelinge behandeling met verzoekers bespreken. Verzoekers hebben de rechter twee weken uitstel van de zitting gevraagd, zodat zij de stukken konden lezen en met hun advocaat konden bespreken en de advocaat naar behoren op de lijvige conclusie van antwoord zou kunnen repliceren. De rechter heeft dat verzoek afgewezen met de mededeling:

“De behandelend kantonrechter is op dit moment niet in de gelegenheid om de conclusie van antwoord met de bijbehorende producties inhoudelijk te beoordelen. Vooralsnog zal de mondelinge behandeling van donderdag 28 mei 2020 dan ook doorgaan. Op de mondelinge behandeling zal besproken worden hoe om te gaan met de ingediende conclusie met bijbehorende producties.”

De rechter weigert aldus, zonder de conclusie van antwoord en producties inhoudelijk te beoordelen en het verzoek tegen de essentiële rechtsbeginselen van equality of arms en due process af te wegen, verzoekers voldoende gelegenheid te bieden om van de processtukken kennis te nemen en te bespreken met hun advocaat. De summiere afwijzing van het verzoek heeft bij verzoekers de indruk gewekt dat de rechter vooringenomen is. Deze vrees is objectief gerechtvaardigd, omdat de rechter de mondelinge behandeling wilde laten doorgaan zonder verzoekers de mogelijkheid te geven van de conclusie en producties kennis te nemen. Verzoekers worden door de beslissing van de rechter aan het wezenlijke risico blootgesteld dat de integrale conclusie van antwoord met producties tijdens de mondelinge behandeling vluchtig of uitgebreid wordt behandeld en veel stellingen en verweren daarna als onvoldoende gemotiveerd, gesteld of betwist, of te ingewikkeld worden weggeschreven.

2.3.

De rechter heeft niet berust in de wraking. In zijn schriftelijke reactie stelt hij dat hij ten tijde van het verzoek om uitstel van de mondelinge behandeling door werkzaamheden elders de stukken van Yarden Uitvaartverzekeringen nog niet had gezien. De griffie heeft op zijn verzoek mr. Harten geïnformeerd in die zin dat de mondelinge behandeling dient door te gaan en dat ter zitting zal worden besproken hoe om te gaan met de ingediende conclusie van antwoord met bijbehorende stukken. Voor zover het verwijt van verzoekers ziet op de aanname dat mr. Harten niet schriftelijk mag reageren op die conclusie is het wrakingsverzoek voorbarig. Uit het bericht van de griffie volgt dat de bezwaren van

mr. Harten ten aanzien van de ingediende stukken ter zitting zullen worden besproken. De rechter mag in een civiele procedure slechts beslissen aan de hand van stukken tot kennisneming waarvan en uitlating waarover aan partijen voldoende gelegenheid is gegeven. Deze fundamentele regel van hoor en wederhoor heeft ook betrekking op het kennis kunnen nemen van en adequaat kunnen reageren op bescheiden die (kort) vóór of bij gelegenheid van de zitting worden overgelegd. Of sprake is van stukken waarvan binnen de beschikbare tijd kennis kan worden genomen en waarop adequaat kan worden gereageerd dan wel stukken waarvan behoorlijke kennisgeving en deugdelijke voorbereiding van verweer hebben ontbroken, ligt in de onderhavige zaak nog ter bespreking voor. Van een afwijzing om nog nader (zo nodig schriftelijk) op de stukken te mogen reageren is vooralsnog geen sprake. De afwijzing van het verzoek om uitstel van de zitting is in het licht van de mededeling dat ter zitting zal moeten worden besproken hoe om te gaan met de door gedaagde ingediende stukken gerechtvaardigd. De beslissing in deze van de rechter is een zuivere procesbeslissing. Van enige naar objectieve maatstaven gemeten vooringenomenheid of partijdigheid is geen sprake.

2.4.

Mr. Rutten heeft in een e-mail van 27 mei 2020 namens Yarden Uitvaartverzekeringen aangegeven dat verzoekers het wrakingsverzoek doen enkel met als doel te bewerkstelligen dat zij een conclusie van repliek kunnen nemen in de kort geding procedure en dat dat geen grond voor wraking van de rechter kan zijn.

3. De beoordeling

3.1.

Artikel 36 Rv bepaalt dat elk van de rechters die een zaak behandelen op verzoek van een partij kan worden gewraakt op grond van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen leiden.

3.2.

De wrakingskamer onderzoekt in een wrakingsprocedure of de onpartijdigheid van de rechter schade lijdt. Een rechter wordt geacht onpartijdig te zijn tot het tegendeel vaststaat. Van dat laatste kan sprake zijn indien uit zijn of haar overtuiging of gedrag persoonlijke vooringenomenheid tegenover een procespartij blijkt. Daarnaast kan een procespartij de indruk krijgen dat de rechter vooringenomen is. Het gezichtspunt van de procespartij is hier van belang maar speelt geen doorslaggevende rol. Beslissend is of de vrees voor partijdigheid objectief gerechtvaardigd is. Komt vooringenomenheid of een gerechtvaardigd vermoeden daarvan vast te staan, dan lijdt de rechterlijke onpartijdigheid schade. De wrakingskamer zal het wrakingsverzoek aan de hand van de hiervoor genoemde maatstaven beoordelen.

3.3.

De wrakingskamer is van oordeel dat de beslissing van de rechter om het verzoek tot uitstel van de mondelinge behandeling af te wijzen, moet worden aangemerkt als een procesbeslissing. Volgens de jurisprudentie van de Hoge Raad komt de wrakingskamer over de juistheid van zo’n procesbeslissing geen oordeel toe. Wanneer een wrakingsverzoek is gericht tegen de motivering van een procesbeslissing geldt als uitgangspunt dat het gesloten stelsel van rechtsmiddelen zich evenzeer ertegen verzet dat de motivering grond kan vormen voor wraking, ook indien het gaat om een door de rechter onjuist, onbegrijpelijk, gebrekkig of te summier geachte motivering of het ontbreken van een motivering. De Hoge Raad heeft wel één uitzondering geformuleerd. Als de motivering van de (tussen)beslissing in het licht van alle omstandigheden van het geval en naar objectieve maatstaven gemeten - bijvoorbeeld door de in de motivering gebezigde bewoordingen - niet anders kan worden verstaan dan als blijk van vooringenomenheid van de rechter die haar heeft gegeven, zou daarin een grond voor wraking kunnen liggen. Naar het oordeel van de wrakingskamer is daar in deze zaak geen sprake van. De rechter heeft laten meedelen dat bij gelegenheid van de mondelinge behandeling zal worden besproken hoe om te gaan met de stukken. Uit die mededeling volgt niet dat verzoekers, zoals zij vrezen, bij voorbaat de mogelijkheid wordt ontnomen om deugdelijk kennis te nemen van de conclusie van antwoord met producties en zij daar al dan niet schriftelijk niet meer op zullen mogen reageren. Die beslissingen zijn door de rechter (nog) niet genomen. De door de rechter gegeven beslissing en de bewoordingen die de rechter heeft gebruikt geven geen blijk van vooringenomenheid en kunnen aldus geen grond voor wraking opleveren.

3.4.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen zal de wrakingskamer het verzoek tot wraking ongegrond verklaren.

4 De beslissing

De wrakingskamer:

4.1.

verklaart het verzoek tot wraking ongegrond;

4.2.

draagt de griffier van de wrakingskamer op deze beslissing toe te zenden aan verzoekers, de gewraakte rechter, andere betrokken partijen, alsmede aan de betrokken teamvoorzitter en de president van deze rechtbank;

4.3.

bepaalt dat de procedure van verzoeker met zaaknummer 8468109 MV 20-49 dient te worden voortgezet in de stand waarin deze zich bevond op het moment van de schorsing vanwege het wrakingsverzoek.

Deze beslissing is gegeven door mr. G.L.M. Urbanus, voorzitter, en mr. N.E.M. Kranenbroek en mr. C.S.K. Fung Fen Chung als leden van de wrakingskamer, bijgestaan door mr. K.F. van Dam griffier, en in het openbaar uitgesproken op 19 juni 2020.

de griffier de voorzitter

de griffier is buiten staat deze

beslissing te ondertekenen.

Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.