Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2020:2312

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
22-06-2020
Datum publicatie
26-06-2020
Zaaknummer
AWB - 19 _ 811
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Uitspraak na bestuurlijke lus. Kale vernietiging bestreden besluit. Motiveringsgebrek niet hersteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummer: UTR 19/811

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 8 juni 2020 in de zaak tussen

[eiseres] , te [woonplaats] , eiseres

(gemachtigde: A. Caglar),

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, verweerder

(gemachtigde: M. Tieman).

Procesverloop

Bij besluit van 18 april 2018 (het primaire besluit) heeft verweerder aan eiseres meegedeeld dat zij per 26 maart 2018 meer arbeidsgeschikt is en heeft verweerder de arbeidsongeschiktheid van eiseres vastgesteld op 52,02%.

Bij besluit van 23 januari 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres in zoverre gegrond verklaard dat eiseres per 26 maart 2018 voor 52,76% arbeidsongeschikt is verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 oktober 2019. Eiseres is, zonder bericht van verhindering, niet verschenen en heeft zich ook niet laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Bij tussenuitspraak van 6 december 2019 (de tussenuitspraak) heeft de rechtbank verweerder in de gelegenheid gesteld om binnen 8 weken na verzending van de tussenuitspraak het geconstateerde gebrek in het bestreden besluit te herstellen, met inachtneming van wat in de tussenuitspraak is overwogen.

Verweerder heeft in reactie op de tussenuitspraak een aanvullende motivering ingediend.

De rechtbank heeft eiseres in de gelegenheid gesteld om hierop een schriftelijke zienswijze te geven. Dit heeft zij niet gedaan.

De rechtbank heeft bepaald dat een nadere zitting achterwege blijft.

Overwegingen

1. Deze uitspraak bouwt voort op de tussenuitspraak. De rechtbank blijft bij wat zij in de tussenuitspraak heeft overwogen en beslist, tenzij hierna uitdrukkelijk anders wordt overwogen.

Tussenuitspraak

2. In haar tussenuitspraak heeft de rechtbank, kort gezegd, overwogen dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep het standpunt om in de functionele mogelijkhedenlijst van

29 november 2018 geen beperking aan te nemen op het aspect beroepsmatig autorijden (item 2.10) onvoldoende heeft gemotiveerd in de rapportage van 23 november 2018, gelet op wat eiseres hierover heeft verklaard.

3. De rechtbank heeft verweerder daarom opgedragen om nader te motiveren waarop de conclusie van de verzekeringsarts bezwaar en beroep is gebaseerd dat de PTSS-klachten van eiseres grotendeels in remissie zijn. Verder heeft de rechtbank verweerder als opdracht gegeven om nader te motiveren waarop de verwachting is gebaseerd dat deze klachten door het weer zelf gaan autorijden door eiseres in volledige remissie zullen komen.

Herstelpoging

4. Verweerder heeft met een brief van 9 januari 2020 een aanvullende rapportage van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 8 januari 2020 ingediend om het geconstateerde gebrek te herstellen. De verzekeringsarts bezwaar en beroep ziet geen aanleiding om een beperking aan te nemen op het item beroepsmatig autorijden. Zij schrijft daarover het volgende:

Ik onderken dat belanghebbende nog resterende PTSS-klachten in de zin van herbelevingen en verhoogde alertheid, heeft, maar uit de anamnestische gegevens ten tijde van de hoorzitting is niet gebleken dat er bij belanghebbende sprake was van dermate ernstige dan wel invaliderende PTSS-klachten waardoor ze ernstig in haar dagelijkse leven en functioneren wordt belemmerd - waardoor ze bv. niet eens meer in een auto durft te stappen - noch dat ze voor deze klachten (weer) onder behandeling was. Daarbij komt dat als er sprake geweest zou zijn van dermate ernstige dan wel invaliderende PTSS-klachten er van uit mocht/mag worden gegaan dat belanghebbende door haar huisarts - door wie ze onder meer pijnstillers voorgeschreven kreeg - ook (weer) verwezen zou zijn voor behandeling voor deze klachten.

De resterende PTSS-klachten van belanghebbende heb ik dan ook niet als ernstig noch invaliderend maar licht ingeschat en ben derhalve tot de conclusie gekomen dat de

PTSS-klachten van belanghebbende grotendeels in remissie zijn.

Onder verwijzing naar de medische literatuur blijkt dat de meest effectieve behandelvormen voor het significant doen verminderen van PTSS-klachten exposure (Exposure therapie of Directieve therapie) en cognitieve herstructurering zijn. EMDR-therapie, die belanghebbende reeds heeft ondergaan, is een cognitieve herstructureringstechniek waarbij negatieve gedachten en gevoelens die samenhangen met trauma worden bijgestuurd.

Hoewel belanghebbende geen Exposure therapie, welke nog altijd beschouwd wordt als gouden standaard voor de behandeling van PTSS, heeft gevolgd - althans dat blijkt niet uit alle beschikbare medische gegevens -, vermijdt belanghebbende autorijden, zij het niet als autobestuurder, niet meer. Daarmee kan gesteld worden dat belanghebbende op eigen kracht reeds, zij het tot op zeker hoogte, exposure in vivo uitvoert.

Gelet op het voorgaande en met inachtneming van de medische literatuur waarbij stagnatie of mislukken van exposure therapie toegeschreven worden aan het feit dat de behandeling niet adequaat en consequent wordt uitgevoerd, was en ben ik nog steeds van mening, dat het door belanghebbende op eigen kracht bereikte resultaat niet teniet gedaan moest worden door het vermijden van autorijden en het juist goed was dat ze weer zelf ging/gaat autorijden c.q. in therapeutische zin dat juist positief zou zijn/is voor belanghebbende. Kortom, alles wat ik voorgaand heb aangegeven in ogenschouw te hebben genomen, heeft er toe geleid dat ik belanghebbende niet beperkt heb t.a.v. beroepsmatig autorijden.

Beoordeling

5. De rechtbank is van oordeel dat verweerder het gebrek niet heeft hersteld en overweegt daartoe als volgt. De rechtbank heeft in de tussenuitspraak benoemd wat verweerder moest doen om het gebrek te herstellen. De rechtbank stelt vast dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep niet inzichtelijk heeft gemotiveerd waarop de conclusie dat de PTSS-klachten grotendeels in remissie zijn, is gebaseerd. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft ook niet voldoende gemotiveerd waarop, bezien naar de datum in geding, te weten 26 maart 2028,de verwachting is gebaseerd dat deze klachten van eiseres door het weer zelf te gaan autorijden in volledige remissie zullen komen. De enkele verwijzing naar medische literatuur over de meest effectieve behandelvormen acht de rechtbank daartoe onvoldoende, zeker nu de verzekeringsarts bezwaar en beroep zelf aangeeft dat van het met succes volgen en afronden van Exposure therapie ten tijde van de datum in geding geen sprake was.

Conclusie en vervolgopdracht

6. Gelet op het in de tussenuitspraak geconstateerde gebrek, is het beroep gegrond. Verweerder heeft dit gebrek niet hersteld. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit wegens strijd met artikel 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht. De rechtbank ziet geen aanleiding zelf in de zaak te voorzien, omdat daarvoor een medische beoordeling vereist is. Verweerder moet daarom een nieuw besluit nemen met inachtneming van deze uitspraak en de tussenuitspraak. De rechtbank benoemt daarbij nogmaals dat verweerder inzichtelijk moet maken waarop de conclusie van de verzekeringsarts bezwaar en beroep is gebaseerd dat de PTSS-klachten van eiseres grotendeels in remissie zijn én waarop de verwachting is gebaseerd dat deze klachten door het weer zelf gaan autorijden door eiseres in volledige remissie zullen komen. De rechtbank stelt hiervoor een termijn van acht weken na de dag van verzending van deze uitspraak.

Griffierecht en proceskosten

7. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, draagt de rechtbank verweerder op aan eiseres het door haar betaalde griffierecht te vergoeden.

8. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten. De rechtbank stelt deze kosten op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand (de werkzaamheden van mr. J.G. Keizer) vast op € 525,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift).

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit;

  • -

    draagt verweerder op binnen acht weken na de dag van verzending van deze uitspraak en de tussenuitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;

  • -

    draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 47,- aan eiseres te vergoeden;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 525,-.

Deze uitspraak is op 8 juni 2020 gedaan door mr. E.M. van der Linde, rechter, in

aanwezigheid van mr. J.M.T. Bouwman-Everhardus, griffier. Als gevolg van maatregelen rondom het corona virus is deze uitspraak niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Zodra het openbaar uitspreken weer mogelijk is, wordt deze uitspraak, voor zover nodig, alsnog in het openbaar uitgesproken.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak en de tussenuitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.