Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2020:2250

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
11-06-2020
Datum publicatie
22-06-2020
Zaaknummer
C/16/501777 / KL ZA 20-113
Rechtsgebieden
Burgerlijk procesrecht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Geen rechtmatig belang bij inzage ex art. 843a Rv

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Civiel recht

handelskamer

locatie Lelystad

zaaknummer / rolnummer: C/16/501777 / KL ZA 20-113

Vonnis in kort geding van 11 juni 2020

in de zaak van

1 [eiser sub 1] ,

wonende te [woonplaats] ,

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[eiseres sub 2] B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

eisers,

advocaat mr. J.T. Fuller te Zwolle,

tegen

1. de publiekrechtelijke rechtspersoon

DE PROVINCIE FLEVOLAND,

zetelend te Lelystad,

advocaat mr. M. Rus-van der Velde te Utrecht,

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

WINDPARK ZEEWOLDE B.V.,

gevestigd te Zeewolde,
advocaat mr. J.J.M. Hendrikx te Zeist,

gedaagden.

Eisers zullen hierna afzonderlijk worden aangeduid als [eiser sub 1] en [eiseres sub 2] .

Gedaagden zullen hierna afzonderlijk de Provincie en WPZ worden genoemd.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding met (negen) producties van eisers;

  • -

    de door de Provincie overgelegde (vijf) producties;

  • -

    de door WPZ overgelegde (twee) producties;

  • -

    de zitting op 28 mei 2020, waarvan de griffier aantekeningen heeft gemaakt;

  • -

    de ter zitting overgelegde pleitaantekeningen van eisers, de Provincie en WPZ.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

[eiser sub 1] is eigenaar van een perceel grond aan de [straatnaam] te [woonplaats] , thans kadastraal bekend als: [woonplaats] sectie [sectie-aanduiding] nummer [nummeraanduiding] (hierna: de onroerende zaak).

2.2.

[eiser sub 1] heeft bij akte van 20 december 2002 een recht van opstal op zijn onroerende zaak verleend aan (de rechtsvoorganger van) [eiseres sub 2] .

2.3. (

De rechtsvoorganger van) [eiseres sub 2] heeft bij akte van 21 juli 2003 een recht van onderopstal verleend aan [bedrijfsnaam 1] B.V op voormeld recht van opstal.

2.4.

[bedrijfsnaam 1] B.V. (de rechtsvoorganger van [bedrijfsnaam 2] B.V.,
thans geheten: [bedrijfsnaam 3] B.V.) heeft op haar beurt, bij akte van eveneens
21 juli 2003, een recht van onderonderopstal verleend aan [bedrijfsnaam 4] B.V.
(hierna: [bedrijfsnaam 4] ) op voormeld recht van onderopstal.

2.5.

In de hiervoor genoemde (onder/onderonder)opstalovereenkomsten is onder meer het volgende opgenomen:

VERGOEDING

[Voorzieningenrechter: afspraken over een vaste vergoeding (retributie) voor de verlening van het recht van (onder/onderonder)opstal en over een vergoeding per bepaald percentage van de opbrengst van de windturbine per kilowattuur.]


(…)


Inhoud [onder/onderonder]opstalrecht.
Artikel 2.
Het hiervoor verleende recht van [onder/onderonder]opstal houdt in dat de [onder/onderonder]opstaller bevoegd is tot het hebben en houden in eigendom en het exploiteren van een windturbine op de onroerende zaak. (…)
Duur en aard [onder/onderonder]opstalrecht.

Artikel 3.

a. Het recht van [onder/onderonder]opstal gaat vandaag in en is aangegaan voor bepaalde tijd en wel tot veertig jaar na de eerste ingebruikname van de op de grond te plaatsen windturbine.

(…)

Einde [onder/onderonder]opstalrecht.
Artikel 11

1. De [onder/onderonder]opstaller is te allen tijde bevoegd het recht van [onder/onderonder]opstal door opzegging te beëindigen. Opzegging dient te geschieden bij aangetekende brief of deurwaardersexploit met inachtneming van een opzeggingstermijn van ten minste één jaar.

(…)

4. De notariële kosten, de eventueel verschuldigde overdrachtsbelasting en het kadastrale tarief wegens beëindiging en/of verlenging van het [onder/onderonder]opstalrecht zijn voor rekening van de [onder/onderonder]opstaller.

5. Tenzij partijen anders overeenkomen is de [onder/onderonder]opstaller verplicht voor zijn rekening en risico de windturbine en alle daarbij behorende kunstwerken zoals funderingen te verwijderen conform alle daartoe gestelde eisen.”

2.6.

De windturbine op de grond van [eiser sub 1] (hierna: de windturbine) is eigendom van [bedrijfsnaam 4] , dat onderdeel is van [bedrijfsnaam 5] B.V. (voorheen: [handelsnaam] ).

2.7.

Op 14 augustus 2017 is het Rijksinpassingsplan Windpark Zeewolde vastgesteld.
Het Rijksinpassingsplan voorziet in de bouw van 91 nieuwe windturbines en in de sanering van 221 bestaande windturbines in Flevoland. WPZ is aangewezen om het Windpark Zeewolde te realiseren en te exploiteren en om de bestaande windturbines te saneren.

2.8.

De windturbine van [bedrijfsnaam 4] op de grond van [eiser sub 1] moet uiterlijk op 31 december 2026 worden verwijderd. Op de grond van [eiser sub 1] komt geen nieuwe windturbine. WPZ heeft met [bedrijfsnaam 4] (en o.a. andere vennootschappen die zijn gelieerd aan de destijds nog geheten [handelsnaam] ) een overeenkomst gesloten, waarin onder meer afspraken zijn gemaakt over een saneringsvergoeding en een opstalvergoeding
(hierna: de Overeenkomst).

2.9.

Eisers hebben – ondanks verzoeken daartoe – geen inzage in de volledige Overeenkomst gekregen van gedaagden, noch van [bedrijfsnaam 4] . Naar aanleiding van een
Wob-verzoek (een verzoek om informatie in het kader van de Wet openbaarheid van bestuur) van eisers is door de Provincie aan eisers een concept van de Overeenkomst
(met zwartgelakte delen en exclusief de bijlagen) ter beschikking gesteld.

3 Het geschil

3.1.

Eisers vorderen (na eisvermindering) dat de voorzieningenrechter bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

I. gedaagden veroordeelt om, binnen 48 uur na betekening van dit vonnis, afschrift te verstrekken van de Overeenkomst, met bijbehorende bijlagen en overige stukken,
op straffe van een dwangsom van € 25.000,00 per dag of dagdeel met een maximum van € 1.000.000,00;

II. gedaagden veroordeelt tot betaling van de proceskosten, te vermeerderen met nasalaris en wettelijke rente.

3.2.

Eisers stellen dat gedaagden weigeren openheid van zaken te geven over de in de Overeenkomst gemaakt afspraken met betrekking tot de windturbine op de grond van [eiser sub 1] . Eisers willen daarom inzage in de volledige Overeenkomst op grond van artikel 843a Rv. De Provincie heeft gezegd dat de belangen van eisers zijn geborgd in die Overeenkomst. Eisers vrezen echter dat er bij de gemaakte afspraken geen rekening is gehouden met hun positie. Als dat zo is, dan handelen gedaagden onrechtmatig.
Alvorens die conclusie kan worden getrokken en een procedure tegen gedaagden wordt gestart, moet de volledige Overeenkomst (inclusief de financiële paragraaf en bijlagen) worden ingezien, aldus eisers.

3.3.

De Provincie en WPZ voeren afzonderlijk verweer en concluderen tot afwijzing van het gevorderde met veroordeling van eisers in de proceskosten.

3.4.

Gedaagden voeren daartoe, kort samengevat, aan dat er geen sprake is van een onrechtmatige daad en dat er niet is voldaan aan de voorwaarden van artikel 843a Rv.

3.5.

Op de (verdere) stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

Spoedeisend belang

4.1.

Een vordering tot afschrift van bepaalde bescheiden op grond van artikel 843a Rv is in kort geding slechts toewijsbaar, als eisers daarbij een spoedeisend belang hebben.

4.2.

De voorzieningenrechter is van oordeel dat eisers voldoende hebben gemotiveerd dat zij belang hebben bij het verkrijgen van duidelijkheid op korte termijn over (de afspraken die zouden zijn gemaakt over) hun rechtsposities. WPZ is immers reeds bezig met het realiseren van het nieuwe windpark en de (onder)onderopstalovereenkomst wordt binnenkort opgezegd. Dit blijkt ook uit de overgelegde verklaring van [bedrijfsnaam 4] , waarin staat dat zij voornemens is om op korte termijn over te gaan tot opzegging van de opstalovereenkomst met [eiseres sub 2] . De voorzieningenrechter acht het spoedeisend belang bij de vordering van eisers daarom voldoende aanwezig.

Rechtmatig belang?

4.3.

De vordering van eisers is gegrond op artikel 843a Rv. Voor toewijzing van een vordering ex artikel 843a Rv is onder meer vereist dat sprake is van een rechtmatig belang bij de gevorderde stukken. Dit betekent dat het moet gaan om stukken waarbij eisers direct en concreet belang hebben, bijvoorbeeld stukken die relevant zijn voor het gerezen geschil dan wel het (mogelijk) te verwachten geschil. Het is aan eisers om dat belang aan de hand van concrete feiten en omstandigheden voldoende aannemelijk te maken.

4.4.

In deze zaak draait het om vraag of eisers inzage mogen hebben in de volledige Overeenkomst. Naar de voorzieningenrechter begrijpt stellen eisers dat zij hierbij een rechtmatig belang hebben teneinde hun vordering uit hoofde van onrechtmatige daad te onderbouwen in de aangekondigde procedure tegen gedaagden.

4.5.

De enkele omstandigheid dat eisers (indirect) een opstalrecht hebben verleend aan [bedrijfsnaam 4] , is onvoldoende om een rechtmatig belang aan te nemen bij inzage in de volledige Overeenkomst tussen WPZ en de eigenaren van de windturbines (onder wie [bedrijfsnaam 4] ).
Ter zitting heeft WPZ gemotiveerd toegelicht dat de Overeenkomst geen bepalingen bevat op grond waarvan eisers aanspraak kunnen maken op schadevergoeding of een andere vorm van compensatie. WPZ heeft gemotiveerd onderbouwd dat er voor grondeigenaren en (onder)opstalverleners (zoals [eiser sub 1] en [eiseres sub 2] ) geen compensatieregeling bestaat, omdat zij geen windturbine-eigenaar zijn. Voor windturbine-eigenaren (zoals [bedrijfsnaam 4] ) is er
– vanwege de sanering van hun windturbine – wél een compensatieregeling. In dat kader is de Overeenkomst gesloten met [bedrijfsnaam 4] en ook andere windturbine-eigenaren, die niet door eisers als partij in deze procedure zijn betrokken. Verder heeft WPZ onweersproken aangevoerd dat in de Overeenkomst vertrouwelijke en bedrijfsgevoelige financiële afspraken tussen de betrokken partijen zijn opgenomen, die eisers niet aangaan en waaraan zij ook geen rechten kunnen ontlenen. Bovendien beschikken eisers reeds over een concept van de Overeenkomt met zwartgelakte delen. Dat eisers direct en concreet belang hebben bij inzage in de volledige Overeenkomst is, gelet op het voorgaande, onvoldoende gebleken.

4.6.

Ook de omstandigheid dat de Provincie zou hebben gezegd dat de belangen van eisers worden geborgd in de Overeenkomst, maakt dit niet anders. De Provincie heeft ter zitting verklaard dat zij niet meer weet of zij heeft gerefereerd naar de Overeenkomst en dat zij wel heeft gezegd dat er netjes met de belangen van eisers moet worden omgesprongen en dat de onderopstalovereenkomst netjes moet worden afgehandeld. Ten aanzien van de onderopstalovereenkomst geldt dat die opzegbaar is met inachtneming van een opzegtermijn van één jaar. Evident is dat eisers – vanwege de aanstaande verwijdering van de windturbine en de aangekondigde opzegging – (retributie)inkomsten zullen mislopen, doch dit is inherent aan de opzegging van de onderopstalovereenkomst. Dat de opzegmogelijkheid in de onderopstalovereenkomst niet is beperkt of uitgesloten of dat daarbij geen voorwaarden zijn afgesproken, bijvoorbeeld over een opzegvergoeding, is aan de betrokken partijen.
De Provincie en WPZ staan hier buiten.

4.7.

Ten slotte geldt dat niet aannemelijk is geworden dat inzage in de volledige Overeenkomst relevant is voor de door eisers aangekondigde procedure vanwege gesteld onrechtmatig handelen van gedaagden. Het is (eisers) immers duidelijk geworden dat de Overeenkomst geen schadevergoeding of andere vorm van compensatie biedt aan eisers.

Dit wordt ook bevestigd door (de bestuurder van) [eiseres sub 2] die ter zitting heeft verklaard dat – indien eisers hadden geweten dat hun belangen niet zijn geborgd in de Overeenkomst –
zij de aangekondigde procedure gelijk hadden kunnen starten.

4.8.

Het voorgaande brengt de voorzieningenrechter tot de conclusie dat eisers onvoldoende aannemelijk hebben gemaakt dat zij een rechtmatig belang hebben bij inzage in de volledige Overeenkomst. De vorderingen van eisers zullen dan ook worden afgewezen.

Proceskosten

4.9.

Eisers zullen als de in het ongelijk gestelde partijen in de proceskosten worden veroordeeld. Aangezien alleen WPZ om een hoofdelijke veroordeling heeft gevraagd, zal alleen ten aanzien van WPZ de hoofdelijke veroordeling worden uitgesproken.
De kosten aan de zijde van gedaagden worden als volgt begroot:

de Provincie:

WPZ:

- griffierecht

€ 656,00

€ 656,00

- salaris advocaat

€ 980,00 +

€ 980,00 +

Totaal

€ 1.636,00

€ 1.636,00

5 De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1.

wijst de vorderingen af;

5.2.

veroordeelt eisers in de proceskosten, aan de zijde van de Provincie tot op heden begroot op € 1.636,00;

5.3.

veroordeelt eisers hoofdelijk in de proceskosten, aan de zijde van WPZ tot op heden begroot op € 1.636,00.

Dit vonnis is gewezen door mr. R.M. Berendsen, voorzieningenrechter, en in aanwezigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 11 juni 2020.