Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2020:2248

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
17-06-2020
Datum publicatie
19-06-2020
Zaaknummer
UTR 20/1762
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Verzoek om voorlopige voorziening hangende bezwaar. Verweerder is voornemens de berging van verzoekster te sluiten voor twaalf maanden wegens het aantreffen van harddrugs. De enkele hoeveelheid is in dit geval voldoende om het lokaal te sluiten en er hoeft geen sprake te zijn van bijkomende omstandigheden. Verweerder heeft naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende gemotiveerd waarom een sluiting voor de maximale periode van twaalf maanden in dit geval noodzakelijk is gelet op het ontbreken van meerdere indicatoren. Dit is echter geen aanleiding om de voorlopige voorziening toe te wijzen. Verweerder kan immers in het kader van de volledige heroverweging in bezwaar nader motiveren waarom hij vindt dat een sluiting van twaalf maanden of minder in dit geval wel noodzakelijk en proportioneel is.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummer: UTR 20/1762

uitspraak van de voorzieningenrechter van 17 juni 2020 op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen

[verzoekster] , te [woonplaats] , verzoekster,

(gemachtigde: mr. J.S.W. Boorsma)

en

de burgemeester van de gemeente Woerden, verweerder

(gemachtigde: mr. A. Hogendoorn en mr. A. Arnold).

Procesverloop

Bij besluit van 1 mei 2020 (het primaire besluit) heeft verweerder op grond van artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet, onder aanzegging van bestuursdwang, gelast de berging van de woning van verzoekster, gelegen aan de [adres] , met ingang van 11 mei 2020 voor de duur van twaalf maanden te sluiten en afgesloten te houden.

Verzoekster heeft tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt. Verzoekster heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. Verweerder heeft het besluit opgeschort tot de rechtbank uitspraak doet.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 juni 2020 via Skype. Verzoekster is verschenen, bijgestaan door mr. E.G.S. Roethof, als waarnemer van haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden.

Overwegingen

1. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet. Bij de beoordeling van het verzoek om een voorlopige voorziening door de voorzieningenrechter is vooral van belang of het bezwaar tegen de sluiting van de woning een redelijke kans van slagen heeft. Daarbij weegt de voorzieningenrechter de belangen van verzoekster die pleiten vóór het treffen van een voorlopige voorziening en de belangen van verweerder die pleiten tegen het treffen daarvan.

2. Verzoekster is huurster van de woning gelegen aan het adres [adres] te [woonplaats] . Op dit adres staat ook de heer [A] ingeschreven. De politie Midden Nederland heeft de woning en bijbehorende berging doorzocht. In de berging is een hoeveelheid drugs aangetroffen, namelijk 1195 milliliter vloeibare MDMA, 780 milliliter GHB en 350 milliliter van een mix van vloeibare MDMA en GHB. Dit betreft harddrugs. Verweerder heeft vervolgens besloten om de berging voor twaalf maanden te sluiten.

Grondslag besluit

3. Verweerder vindt een sluiting van de berging voor twaalf maanden noodzakelijk en evenredig in verband met de volgende omstandigheden. Naar aanleiding van een melding over mogelijke drugshandel door de heer [A] , die ook ingeschreven staat op het adres, is een onderzoek naar hem gestart. Hij is op heterdaad aangehouden in een busje, waar een vuurwapen is aangetroffen. Daarna zijn de harddrugs aangetroffen in de berging van de woning. Deze drugs staan op lijst I, zoals bedoeld in artikel 13b van de Opiumwet. Een hoeveelheid van meer dan 0,5 gram wordt aangemerkt als een handelshoeveelheid. Op grond van de beleidsregels die gelden bij de sluiting van een lokaal kan in geval van verkoop, aflevering of verstrekking of het daartoe aanwezig hebben van harddrugs direct en zonder waarschuwing worden opgetreden bij een eerste overtreding en volgt een sluiting van zes tot twaalf maanden. Het is voor verweerder meer dan aannemelijk dat de berging bij de handel in drugs is betrokken. Op grond van de aangetroffen hoeveelheid drugs moet namelijk worden aangenomen dat deze voor verkoop was bestemd. Ook via de in het beleid genoemde indicatoren om in het geval van een woning te bepalen of sprake is van een ernstig geval dat directe sluiting rechtvaardigt, komt verweerder tot sluiting van de berging. De indicatoren aanwezigheid van harddrugs en aanwezigheid van een wapen in de auto van een van de bewoners zijn daartoe relevant. Ook acht verweerder het aannemelijk dat verzoekster weet had van de drugs en de handel daarin. Beiden zijn verwijtbaar en verantwoordelijk te houden.

Spoedeisendheid

4. Verzoekster heeft aangevoerd dat zij een spoedeisend belang heeft bij het verzoek omdat zij afhankelijk is van de berging. Zij slaat de goederen voor haar webshop daar op en heeft gezondheidsproblemen, als gevolg waarvan zij geen opslag in haar woning kan hebben. Verder heeft zij aangevoerd dat zij bang is dat ze uit huis wordt gezet als de berging wordt gesloten, omdat haar vader eigenaar van haar woning is en haar verantwoordelijk houdt in geval van een sluiting. Verweerder heeft ter zitting aangevoerd dat hij twijfelt aan dit spoedeisende belang, omdat er voldoende ruimte aanwezig lijkt in de ruimte die verzoekster voor haar eenmanszaak gebruikt. Verder heeft verweerder aangevoerd dat hij de eigenaar van een pand nooit informeert over een sluiting.

5. De voorzieningenrechter acht het belang van verzoekster bij het treffen van een voorlopige voorziening onder de gegeven omstandigheden voldoende spoedeisend.

Standpunt verzoekster

6. Verzoekster heeft aangevoerd dat het besluit in strijd is met het zorgvuldigheidsbeginsel, het evenredigheidsbeginsel en het motiveringsbeginsel. Er heeft volgens verzoekster geen goede belangenafweging plaatsgevonden. De berging is ten onrechte voor de duur van twaalf maanden gesloten. Verzoekster stelt dat haar geen verwijt kan worden gemaakt omdat zij niets afwist van de aangetroffen drugs. Zij voelt de sanctie als straf. Het wapen is haar evenmin toe te rekenen, daar heeft zij niets mee te maken. Ze probeert de heer [A] , inmiddels haar ex-vriend, al heel lang uit te schrijven van het adres. Zij handelt niet in drugs en de berging is ook niet betrokken bij de handel in drugs. Buren kunnen bevestigen dat er nooit sprake is geweest van overlast of klachten. Om van een ernstig geval te kunnen spreken moet sprake zijn van substantiële bijkomende omstandigheden. De enkele aanwezigheid van harddrugs is onvoldoende. De sluiting van de berging is disproportioneel, er kon worden volstaan met een waarschuwing of kortere sluiting. Daarnaast treft de sluiting verzoekster hard. Zij gebruikt de berging voor opslag voor haar webshop. Verweerder heeft onevenredig gehandeld.

Wettelijk kader

7. In artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet is bepaald dat de burgemeester bevoegd is tot oplegging van een last onder bestuursdwang indien in woningen of lokalen dan wel in of op een bij daarbij behorend erf een middel als in de bij de Opiumwet behorende lijst I of lijst II wordt verkocht, afgeleverd, verstrekt dan wel daartoe aanwezig is.

8. Voor het uitoefenen van de bevoegdheid van artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet heeft verweerder beleidsregels vastgesteld (Damoclesbeleid gemeente Woerden). In de beleidsregels is een handhavingsmatrix opgenomen. Bij de te nemen maatregelen wordt door verweerder een onderscheid gemaakt naar woningen en lokalen alsook in harddrugs (lijst I) en softdrugs (lijst II). In geval van aanwezigheid van harddrugs in lokalen en bijbehorende erven volgt bij een eerste overtreding een sanctie van zes tot twaalf maanden sluiting.

Oordeel voorzieningenrechter

9. In het beleid is de discretionaire bevoegdheid van verweerder vastgelegd. De voorzieningenrechter toetst dit terughoudend. De voorzieningenrechter stelt vast dat verweerder het beleid in beginsel in redelijkheid zo mocht toepassen, namelijk het beleid dat geldt voor lokalen in het geval van het aantreffen van harddrugs. De berging op de begane grond van, in dit geval, een woning in een appartementencomplex is immers onafhankelijk van de woning. Dat volgens verzoekster in dit geval eerst een waarschuwing had moeten worden gegeven volgt niet uit het beleid. Dat moet enkel in geval van een eerste overtreding bij de aanwezigheid van een handelshoeveelheid aangetroffen softdrugs in een woning. In de uitspraak van de rechtbank Rotterdam1 waar verzoekster naar verwijst is geen sprake van een vergelijkbare situatie, omdat de waarschuwing onder de daar geldende omstandigheden wél tot de mogelijkheden in het beleid behoorde. Nu in de berging van verzoekster een handelshoeveelheid harddrugs is aangetroffen heeft verweerder in redelijkheid over kunnen gaan tot sluiting van de berging.

10. Verzoekster heeft aangevoerd dat de periode van sluiting te lang is, omdat de heer [A] niet meer in de woning verblijft, daar ook niet zal terugkeren en verzoekster geen verwijt valt te maken van de aanwezigheid van de drugs. Verweerder heeft aangevoerd en zo volgt ook uit het beleid, dat er een indicatorenlijst wordt gehanteerd om de ernst van een situatie te bepalen. Deze indicatorenlijst heeft een alternatief en geen cumulatief karakter. Dit betekent dat als aan één van de voorwaarden wordt voldaan in principe sprake is van een ernstig geval.

11. Deze indicatoren zijn:

- de hoeveelheid aangetroffen middelen als bedoeld in lijst I en/of lijst II van de Opiumwet;

  • -

    de mate waarin het lokaal betrokken is bij de drugshandel in georganiseerd verband;

  • -

    strafbare feiten, geweldsdelicten, wapenbezit als bedoeld in de wet Wapens en Munitie of andere openbare orde-delicten gerelateerd aan de woning of het lokaal.

  • -

    vermoedens van verwijtbaar gedrag van bewoners/betrokkenen of betrokkenheid bij personen met antecedenten.

  • -

    de mate van gevaar of risico voor het woon- en leefklimaat in de omgeving en/of omwonenden.

12. Uit vaste rechtspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State, hierna de ABRvS (bijvoorbeeld de uitspraak van 14 maart 2018: ECLI:NL:RVS:2018:835) volgt dat de enkele aanwezigheid van een handelshoeveelheid drugs in een woning verweerder de bevoegdheid geeft om op grond van artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet, bestuursdwang toe te passen. Bij de enkele aanwezigheid van een handelshoeveelheid harddrugs wordt de aangetroffen hoeveelheid in beginsel (mede) bestemd geacht voor de verkoop, aflevering of verstrekking. Dit betekent dat hier alleen al de hoeveelheid voldoende is om het lokaal te sluiten en geen sprake hoeft te zijn van bijkomende omstandigheden. De voorzieningenrechter vindt echter voor de beoordeling van de vraag of de berging voor zes of twaalf maanden wordt gesloten wel relevant of en aan welke indicatoren wordt voldaan.

13. Ten aanzien van de verwijtbaarheid overweegt de voorzieningenrechter dat een op artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet gebaseerd sluitingsbevel in beginsel geen bestraffing is en niet gebaseerd op een ‘criminal charge’. De maatregel die verweerder oplegt ziet op het pand en kan niet als straf voor verzoekster persoonlijk worden aangemerkt. Daarbij wijst de voorzieningenrechter ook op de rechtspraak2waaruit blijkt dat in bepaalde gevallen degene die de overtreding niet zelf feitelijk begaat, maar aan wie de handeling is toe te rekenen, voor de overtreding verantwoordelijk kan worden gehouden en als overtreder kan worden aangemerkt. Van de bewoner van een pand mag tot op zekere hoogte verwacht worden dat hij zich op de hoogte stelt van wat er in het pand, en in dit geval het lokaal, gebeurt en deze is verantwoordelijk3. Of verzoekster al dan niet weet had van de aanwezigheid van de drugs is in dat kader dus niet relevant.

14. Verweerder heeft benadrukt dat hij van belang heeft geacht voor het besluit dat een vuurwapen is aangetroffen bij de heer [A] . Dat verzoekster op de een of andere manier bij dit wapenbezit betrokken was, dan wel bij andere strafbare feiten of geweldsdelicten, is echter op geen enkele manier gebleken dan wel aannemelijk geworden. De rechtbank is van oordeel dat verweerder hier niet die waarde aan mocht geven als dat hij heeft gedaan. Nu evenmin gebleken is dat er sprake is van gevaar of risico voor het woon- en leefklimaat in de omgeving en ook niet aannemelijk is geworden dat de woning bekend staat als pand waar drugs aanwezig is, is de rechtbank van oordeel dat vanwege het ontbreken van deze indicatoren een sluiting voor een periode van twaalf maanden disproportioneel is. Een sluiting van zes maanden zou een meer passende maatregel zijn.

15. Verweerder heeft naar het oordeel van de rechtbank daarom onvoldoende gemotiveerd waarom een sluiting voor de maximale periode van twaalf maanden in dit geval noodzakelijk is. De voorzieningenrechter acht deze motivering in ieder geval te summier om de beslissing te kunnen dragen, gelet op het ontbreken van meerdere indicatoren. Hierin wordt echter geen aanleiding gezien om de voorlopige voorziening toe te wijzen. Verweerder kan immers in het kader van de volledige heroverweging in bezwaar nader motiveren waarom hij vindt dat een sluiting van twaalf maanden of minder in dit geval wel noodzakelijk en proportioneel is. Als verweerder de termijn van twaalf maanden in de beslissing op bezwaar wil handhaven, behoeft dit punt dus wel nadere aandacht.

16. De voorzieningenrechter komt tot slot tot een afweging van het belang van verzoekster om haar berging te kunnen blijven gebruiken ten opzichte van het belang van handhaving van de openbare orde en veiligheid. De voorzieningenrechter vindt in dit geval onvoldoende onderbouwd dat verzoekster door haar vader uit de woning zal worden gezet. Evenmin is onvoldoende aannemelijk geworden dat haar spullen niet elders zouden kunnen worden gestald. Bovendien volgt uit wat de voorzieningenrechter hiervoor heeft overwogen dat het voorlopig rechtmatigheidsoordeel niet positief voor verzoekster uitpakt. Onder deze omstandigheden is de kans zeer klein dat verzoekster in de bodemprocedure succes zal behalen en dat de sluiting geheel van tafel zal gaan. Daarom is er op dit moment weinig ruimte voor het meewegen van haar persoonlijke belangen. De belangenafweging leidt daarom niet tot het schorsen van het besluit tot sluiting van de berging. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening dan ook af.

17. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan op 17 juni 2020 door mr. M. Eversteijn, voorzieningenrechter, en mr. R.G. Kamphof, griffier. Als gevolg van maatregelen rondom het Corona virus is deze uitspraak niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Zodra het openbaar uitspreken weer mogelijk is, wordt deze uitspraak, voor zover nodig, alsnog in het openbaar uitgesproken.

griffier voorzieningenrechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

1 ECLI:NL:RBROT:2014:1089

2 AbRvS 8 juni 2016, ECLI:NL:RVS:2016:1601

3 AbRvS 17 juli 2019, ECLI:NL:RVS:2019:2462