Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2020:2238

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
16-06-2020
Datum publicatie
24-06-2020
Zaaknummer
19/4756
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Pw, beroep ongegrond, eiser ontving pensioen uit Nieuw-Zeeland en PGB-pensioen, terecht teruggevorderd, geen dringende redenen om van terugvordering af te zien

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PJ 2020/123
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummer: UTR 19/4756

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 16 juni 2020 in de zaak tussen

[eiser] , te [woonplaats] , eiser

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Zeewolde, verweerder.

Inleiding

Bij besluit van 11 april 2019 (het primaire besluit) heeft verweerder de teveel betaalde bijstand over de periode 2 oktober 2018 tot en met 11 december 2018 van eiser teruggevorderd. Het terugvorderingsbedrag is vastgesteld op een bedrag van € 1.804,41 bruto. In dit besluit heeft verweerder het terugvorderingsbedrag verrekend met het voor eiser gereserveerde vakantiegeld van € 316,44. Verweerder heeft eiser gevraagd om een bedrag van (€ 1.804,41- € 316,44 =) € 1.487,97 terug te betalen.

Bij besluit van 20 mei 2019 heeft verweerder aan eiser een boete opgelegd van € 572,47.

Bij besluit van 26 september 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen de terugvordering ongegrond verklaard. Verweerder heeft het bezwaar tegen de boete gegrond verklaard en het besluit van 20 mei 2019 herroepen.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Hoewel verweerder daartoe in de gelegenheid is gesteld heeft hij geen verweerschrift aan de rechtbank doen toekomen.

Nadat geen van de partijen binnen de hiervoor gestelde termijn heeft verklaard dat zij gebruik wil maken van het recht ter zitting te worden gehoord, heeft de rechtbank met toepassing van artikel 8:57, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bepaald dat het onderzoek ter zitting achterwege blijft en met toepassing van artikel 8:57, derde lid, van de Awb het onderzoek op 4 juni 2020 gesloten.

Overwegingen

1. De rechtbank gaat uit van de volgende voor dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Eiser, geboren op [geboortedatum] 1952, ontving bijstand op grond van de Participatiewet (Pw) naar de norm voor een alleenstaande.

1.2.

Bij besluit van 7 maart 2019 heeft verweerder in de eerste plaats de bijstand van eiser ingetrokken vanaf 12 december 2018 omdat eiser sindsdien een AOW-uitkering ontvangt. Verweerder heeft in de tweede plaats de bijstand van eiser over de periode van 2 oktober 2018 tot en met 11 december 2018 herzien, omdat eiser aan deze periode toe te rekenen inkomsten heeft ontvangen van de New Zealand Superannuation en het pensioenfonds PGB en die inkomsten in mindering van eisers bijstand over deze periode moeten worden gebracht.

Eiser heeft geen rechtsmiddelen aangewend tegen het besluit van 7 maart 2019, zodat deze intrekking en deze herziening van de bijstand in rechte vaststaan.

2. Verweerder heeft aan het bestreden besluit het volgende ten grondslag gelegd. Eiser heeft de inlichtingenplicht geschonden. Eiser heeft niet bij verweerder gemeld dat hij met ingang van 2 oktober 2018 recht heeft op pensioen uit Nieuw-Zeeland, vergelijkbaar met de Nederlandse AOW. Hij heeft ook niet gemeld dat hij met ingang van 1 december 2018 recht heeft op PGB-pensioen.
Eiser was in ieder geval vóór het einde van de bijstand op de hoogte van het recht op beide pensioenen. Eiser heeft immers een brief van het Ministry of Social Development van Nieuw- Zeeland van 23 november 2018 ontvangen waarin hij over het in Nieuw Zeelandse pensioen en de ingangsdatum daarvan is geïnformeerd. In deze brief is vermeld dat het recht op pensioen voor eiser bestaat met ingang van 2 oktober 2018 en dat de eerste betaling op 11 december 2018 gedaan zal worden. De eerste betaling van € 1.121,99 is echter al op 6 december 2018 gedaan. Eiser is ook door het pensioenfonds PGB per brief van 29 november 2018 geïnformeerd over het recht op een PGB-pensioen met ingang van 1 december 2018. In deze brief staat dat het pensioen op de 19e van elke maand op eisers rekening zal worden overgemaakt.

Eiser had kunnen en moeten weten dat het recht op pensioen gevolgen zou kunnen hebben voor het recht op bijstand. Dat wat eiser over de periode van 2 oktober 2008 tot en met 11 oktober 2018 te veel aan bijstand heeft gehad, moet verweerder van eiser terugvorderen.

Boete

3. Eiser heeft beroepsgronden aangevoerd tegen de bij besluit van 20 mei 2019 opgelegde boete. Deze beroepsgronden kunnen niet tot vernietiging van het bestreden besluit leiden. Immers, verweerder heeft het boetebesluit van 20 mei 2019 herroepen. Dit betekent dat de boete “van de baan is”. Eiser hoeft dan ook geen boete te betalen.

Terugvordering

4. De door de rechtbank te beoordelen periode loopt van 2 oktober 2018 tot en met 11 december 2018.

5. De rechtbank stelt, gezien de gedingstukken, vast dat eiser niet betwist dat hij met ingang van 2 december 2018 recht heeft op het Nieuw-Zeelandse pensioen en met ingang van 1 december 2018 recht heeft op het PGB-pensioen.

6. Eiser heeft aangevoerd dat de datum waarop de pensioenen zijn betaald van belang is en niet de datum waarop het recht op deze pensioenen is ontstaan. Voorts is van belang dat ten tijde van de terugvordering eiser een “ex-cliënt” van verweerder was.

7. De rechtbank is van oordeel dat deze beroepsgronden niet slagen. Daartoe overweegt de rechtbank het volgende.
Verweerder is op grond van de Pw verplicht om het bedrag aan pensioenen waarop eiser over de periode van 2 oktober 2018 tot en met 11 december 2018 recht heeft, in mindering op eisers bijstand over déze periode te brengen en van eiser terug te vorderen1. Voor de terugvordering is niet van belang wanneer deze pensioenen daadwerkelijk zijn uitbetaald. Het gaat om de periode waarin het recht op deze pensioenen bestaat. Als die periode samenvalt met de periode waarin eiser in beginsel recht op bijstand heeft, moet verweerder tot terugvordering van te veel betaalde bijstand overgaan. Dat eiser op het moment van de terugvordering geen recht meer had op bijstand, staat niet in de weg aan verweerders bevoegdheid om te veel betaalde bijstand van eiser terug te vorderen.

8. Eiser heeft aangevoerd dat verweerder niets van hem mag terugvorderen omdat, zo begrijpt de rechtbank, zijn vermogen de voor hem geldende grens van het vrij te laten vermogen niet overschrijdt. Omdat er niets valt terug te vorderen, moet verweerder het voor eiser gereserveerde vakantiegeld aan hem betalen. Ook mag verweerder het vakantiegeld niet verrekenen.

9. De rechtbank is van oordeel dat deze beroepsgronden niet slagen. Daartoe overweegt de rechtbank het volgende.

Verweerder heeft niet eisers bijstand herzien en vervolgens teruggevorderd, omdat eisers vermogen groter is geworden. Verweerder heeft eisers bijstand over de periode van 2 oktober 2018 tot en met 11 december 2018 herzien en teruggevorderd, omdat eiser aan deze periode toe te rekenen inkomsten, namelijk het Nieuw-Zeelandse pensioen en het PGB-pensioen, heeft ontvangen. Die inkomsten moet verweerder in mindering op eisers bijstand over déze periode brengen en van eiser terugvorderen. Verweerder mag op grond van de Pw het voor eiser gereserveerde vakantiegeld verrekenen met wat hij van eiser moet terugvorderen2. Omdat er wel iets terug te vorderen is, mag verweerder het voor eiser gereserveerde vakantiegeld daarmee verrekenen.

10. Eiser heeft aangevoerd dat hij uit Nieuw-Zeeland een bedrag van € 1.121,99 heeft ontvangen en niet een bedrag van € 1.804,41. Verweerder kan daarom niet een bedrag van € 1.804,41 terugvorderen. Verweerder mag ook niet een bruto bedrag terugvorderen.

11. Deze beroepsgronden slagen niet. Daartoe overweegt de rechtbank het volgende.

Anders dan eiser betoogt, gaat verweerder er niet van uit dat eiser over de periode van 2 oktober 2018 tot en met 11 december 2018 recht had op een netto bedrag van € 1.804,46 aan het PGB-pensioen en het Nieuw-Zeelandse pensioen. Verweerder gaat er van uit dat eiser over deze periode recht had op in totaal een netto bedrag van € 1.144,93 aan het PGB-pensioen en het Nieuw-Zeelandse pensioen. Dit netto bedrag heeft verweerder bij de terugvordering van de bijstand betrokken.

In het kader van bijstand is een bruto bedrag aan eiser toegekend. Van dit bruto bedrag houdt verweerder volgens de wettelijke systematiek loonbelasting en premies volksverzekeringen in die eiser aan de overheid verschuldigd is. Deze loonbelasting en premies betaalt verweerder namens eiser aan de overheid. Na inhouding van deze loonbelasting en premies op de aan eiser toegekende bruto bijstand heeft verweerder een netto bedrag aan bijstand aan eiser uitgekeerd.

Als verweerder tot terugvordering van te veel betaalde bijstand overgaat mag hij

op grond van 58, vijfde lid, van de Pw een netto terugvorderingsbedrag bruteren. Hij moet immers terugbetaald krijgen wat hij aan eiser heeft uitgekeerd en wat hij namens eiser aan de overheid heeft uitgekeerd. Anders dan eiser heeft betoogd, vordert verweerder dus niet meer terug van eiser dan hij aan eiser heeft toegekend, namelijk een bruto bedrag aan bijstand.

12. Eiser heeft aandacht gevraagd voor zijn financiële situatie. Hij heeft toegelicht dat hij na betaling van zijn vaste lasten € 6,50 netto per dag overhoudt.

13. De rechtbank begrijpt dat eiser met het voormelde heeft willen aanvoeren dat sprake is van dringende redenen als bedoeld in artikel 58, achtste lid, van de Pw om van de terugvordering af te zien. De rechtbank is van oordeel dat deze beroepsgrond niet slaagt.

Uit wat eiser heeft gesteld en de stukken die hij heeft overgelegd blijkt immers niet dat de terugvordering onaanvaardbare sociale en/of financiële gevolgen voor eiser heeft.

14. Op grond van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat het beroep ongegrond is.

15. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Ramsaroep, rechter, in aanwezigheid van
mr. A.E. van Gestel, griffier. De beslissing is uitgesproken op 16 juni 2020.

Als gevolg van maatregelen rondom het coronavirus is deze uitspraak niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Zodra het openbaar uitspreken weer mogelijk is, wordt deze uitspraak, voor zover nodig, alsnog in het openbaar uitgesproken.

De griffier is verhinderd om deze rechter

uitspraak te ondertekenen.

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.

1 Zie artikel 58 van de Pw.

2 Zie artikel 60a, vierde lid, in verbinding met artikel 58, vierde lid, van de Pw.