Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2020:2230

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
17-06-2020
Datum publicatie
30-06-2020
Zaaknummer
8020789 UC EXPL 19-9604
Rechtsgebieden
Goederenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Eigendom stuk grond verkregen door bevrijdende verjaring. Vordering tot schadevergoeding o.g.v. 6:162 BW (HR 24 februari 2017 ECLI:NL:HR:2017:309) afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RVR 2020/79
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Civiel recht

kantonrechter

locatie Utrecht

zaaknummer: 8020789 UC EXPL 19-9604 RvdH/1037

Vonnis van 17 juni 2020

inzake

[eiser] ,

wonende in [woonplaats] ,

verder ook te noemen [eiser] ,

eisende partij,

gemachtigde: mr. P.J.H. Siemons,

tegen:

[gedaagde] ,

wonende in [woonplaats] ,

verder ook te noemen [gedaagde] ,

gedaagde partij,

gemachtigde: mr. J.H. van Vliet.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding met producties 1 tot en met 19;

- de conclusie van antwoord in conventie, tevens een voorwaardelijke conclusie van eis in reconventie en incidentele conclusie tot onbevoegdheid, met producties 1 tot en met 3;

- de conclusie van antwoord in het incident;

- het vonnis van 18 december 2019 in het incident;

- de conclusie van antwoord in voorwaardelijke reconventie

1.2.

De kantonrechter heeft een zitting bepaald. Op 19 mei 2020 vond die zitting plaats. Verschenen zijn:

  • -

    de heer [A] , namens de heer [eiser] ;

  • -

    mr. P.J.H. Siemons en mr. P. van Rutten, de advocaten van [eiser] ;

  • -

    de heer [gedaagde] , voornoemd, samen met zijn echtgenote;

  • -

    mr. J.H. van Vliet, de advocaat van [gedaagde] .

1.3.

De kantonrechter heeft besloten dat de uitspraak vandaag is.

2 De feiten

2.1.

[eiser] en [gedaagde] zijn buren en wonen aan de [straatnaam] in [woonplaats] .

2.2.

In 1986 heeft [eiser] zijn woning op nummer [nummeraanduiding 1] gekocht van de Nederlandse Spoorwegen N.V. (hierna: de NS). De woning lag direct naast een spoorlijn. Aan de andere kant van de spoorlijn lag grasland. De NS was eigenaar van de grond onder het spoor en het grasland aan de andere zijde van het spoor.

2.3.

De NS heeft in 1986 besloten de spoorlijn op te heffen. Het spoor is verwijderd en de grond naast de woning van [eiser] lag vervolgens braak. Sinds 1987 gebruikt [eiser] de grond onder het oude spoor en het grasland aan de andere kant van het spoor (totaal 1.038,72 m²), als oprit (grindpad), voortuin, houtopslag, weide voor kleinvee en moestuin. Op de afbeelding hieronder is de situatie uitgetekend. Deze grond wordt in het vervolg aangeduid als: de Grond.

2.4.

Sinds 1994 woont [gedaagde] op nummer [nummeraanduiding 2] . [gedaagde] had daar sinds 1983 al een melkveehouderijbedrijf.

2.5.

Rond 2000, toen [eiser] geen schapen had lopen, heeft [gedaagde] aan [eiser] gevraagd of zijn schapen op het grasland, onderdeel van de Grond, mochten grazen. Hier heeft [eiser] toestemming voor gegeven.

2.6.

In 2014 heeft de NS de Grond, als deel van een groter grondpakket, verkocht aan een vastgoedhandelaar. Die vastgoedhandelaar heeft het grondpakket vervolgens verkocht aan [bedrijfsnaam] B.V.

2.7.

Op 23 december 2016 heeft [gedaagde] uit het grotere grondpakket van [bedrijfsnaam] B.V. een hoeveelheid van 30.325 m² grond in de nabije omgeving van zijn bedrijf gekocht. Die grond staat kadastraal bekend als ‘gemeente [naam gemeente] , sectie [sectie-aanduiding] , nummer [nummeraanduiding 3] ’. De Grond was daar onderdeel van.

3 Het geschil

in conventie

3.1.

Volgens [eiser] is hij door bevrijdende verjaring sinds 2007 eigenaar van de Grond. Maar [gedaagde] heeft de Grond, als deel van een groter grondpakket, gekocht van [bedrijfsnaam] B.V. en wil er aanspraak op maken. [eiser] vordert daarom in deze procedure een verklaring voor recht dat hij door bevrijdende verjaring eigenaar is van de Grond en dat de kantonrechter [gedaagde] verbiedt om de Grond te betreden, op straffe van een dwangsom. [eiser] heeft ook gevorderd dat [gedaagde] zijn proceskosten betaalt.

3.2.

[gedaagde] voert verweer. Er was – kort gezegd – geen sprake van niet-dubbelzinnig bezit van de Grond door [eiser] . Daarom heeft [eiser] de Grond niet door bevrijdende verjaring in eigendom gekregen, aldus [gedaagde] .

in reconventie

3.3.

Als de kantonrechter van oordeel is dat [eiser] eigenaar is van de Grond, vordert [gedaagde] in reconventie een schadevergoeding van [eiser] . Die vordering baseert [gedaagde] op onrechtmatige daad (artikel 6:162 van het Burgerlijke Wetboek (BW)) en de gevolgen van het arrest van de Hoge Raad van 24 februari 2017 (ECLI:NL:HR:2017:309). Primair vordert [gedaagde] dat [eiser] de Grond in eigendom overdraagt aan [gedaagde] , ter vergoeding van de door hem geleden schade, op straffe van een dwangsom. Subsidiair vordert [gedaagde] een schadevergoeding in geld.

3.4.

[eiser] voert verweer. In het voornoemde arrest van de Hoge Raad is bepaald dat een vordering op grond van onrechtmatige daad alleen kan toekomen aan de oorspronkelijke eigenaar, aldus [eiser] . In dit geval was dat de NS. De vordering van [gedaagde] moet daarom worden afgewezen.

3.5.

Op de stellingen van partijen in conventie en reconventie wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

in conventie

Het beoordelingskader

4.1.

In artikel 3:105 BW is bepaald dat degene die een goed bezit op het moment waarop de verjaring van de rechtsvordering tot beëindiging van het bezit wordt voltooid, dat goed verkrijgt. Ook als zijn bezit niet te goeder trouw was. Er is dan sprake van ‘bevrijdende verjaring’. Volgens artikel 3:314 lid 2 BW begint de verjaringstermijn van een rechtsvordering, die strekt tot beëindiging van het bezit van een niet-rechthebbende, op de dag nadat een ander dan de rechthebbende bezitter is geworden. De verjaringstermijn voor zo’n vordering is volgens artikel 3:306 BW twintig jaar.

4.2.

De vraag of op het moment van voltooiing van de verjaring sprake is van bezit, moet worden beantwoord aan de hand van artikel 3:107 BW en volgende. Of er sprake is van bezit wordt beoordeeld naar de verkeersopvattingen (met inachtneming van de wet) en naar de uiterlijke feiten. Dit is bepaald in artikel 3:108 BW.

4.3.

Voor de beantwoording van de vraag of iemand een zaak in bezit heeft genomen, is bepalend of hij de feitelijke macht over die zaak is gaan uitoefenen, zo volgt uit artikel 3:113 lid 1 BW. Volgens lid 2 van dat artikel zijn enkele op zichzelf staande machtuitoefeningen voor inbezitneming onvoldoende. De inbezitneming moet zodanig zijn, dat die naar verkeersopvattingen het bezit van de oorspronkelijke bezitter dan wel eigenaar teniet doet. Dit is steeds een kwestie van feitelijke aard. De rol van de verkeersopvattingen brengt mee dat de aard en de bestemming van het betrokken goed in aanmerking moeten worden genomen. Vereist is dat er sprake is van ‘niet-dubbelzinnig bezit’ dat inhoudt dat de bezitter zich zo gedraagt, dat de eigenaar tegen wie de verjaring loopt niet anders kan afleiden, dan dat de bezitter pretendeert eigenaar te zijn. Dat moet worden beoordeeld naar objectieve maatstaven.1

4.4.

De partijen zijn het er niet over eens of is voldaan aan het bezitsvereiste.

4.5.

De partijen zijn het er wel over eens dat de verjaringstermijn van twintig jaar is verstreken en dat die begon toen [eiser] in 1987 gebruik ging maken van de Grond. Op dat moment was de NS eigenaar van de grond. Bij de beoordeling wordt daarom steeds uitgegaan van de NS als (voormalig) rechthebbende van de Grond. Dat leidt ertoe dat alleen de feiten en omstandigheden waarvan de NS tot het einde van de verjaringstermijn in 2007 kennis kon nemen, worden betrokken in de beoordeling. Bij de beoordeling van de vraag of er sprake is van niet-dubbelzinnig bezit, moet immers worden gekeken naar de wijze waarop de eigenaar tegen wie de verjaring liep (de NS), de gedragingen van de bezitter kon interpreteren. Het komt de kantonrechter niet juist voor recente omstandigheden, waaronder die sinds het moment waarop [gedaagde] de Grond kocht, te betrekken in de beoordeling, omdat de NS toen al uit beeld was.

Heeft [eiser] bezitsdaden ex artikel 3:113 BW verricht?

4.6.

Nadat de Grond braak kwam te liggen, heeft [eiser] de oprit naar zijn woning verbreed, tot een breed grindpad, op de plek waar het spoor vroeger lag. Op hetzelfde stuk heeft [eiser] een voortuin met beplanting aangelegd. De tuin, gelegen aan weerszijden van het grindpad, is altijd door [eiser] onderhouden. Er staat een hek aan de rand van de tuin, grenzend aan het grasland. De oprit en de tuin vormen samen een geheel met het erf van [eiser] . De oprit is altijd uitsluitend gebruikt als toegang tot en uitweg van het erf en de woning van [eiser] . Naast en achter de oprit heeft [eiser] een hek geplaatst om een deel van de Grond. Op dit deel heeft [eiser] schapen laten grazen en heeft hij een houtopslag gemaakt. Het stuk is zo afgeschermd dat derden het stuk niet zonder medewerking van [eiser] kunnen betreden. Dit blijkt ook uit het feit dat [gedaagde] zijn schapen pas op het grasland liet grazen nadat hij daarvoor toestemming had gevraagd en gekregen van [eiser] . Deze handelingen van [eiser] en de wijze waarop de Grond is ingericht, zijn door [gedaagde] niet betwist. De kantonrechter stelt op basis van de foto’s en verklaringen ter zitting vast dat de Grond optisch en gebruiksmatig één geheel vormt met de woning en de rest van het perceel van [eiser] .

4.7.

[gedaagde] heeft aangevoerd dat [eiser] de handelingen ook als pachter, bruiklener of huurder had kunnen verrichten. Volgens [gedaagde] heeft de NS namelijk aan [eiser] voorgesteld om de Grond aan hem te verhuren. [eiser] heeft dit

betwist en die betwisting is niet weersproken: het voorstel van de NS om een stuk grond te huren zag op een ander stuk grond en [eiser] heeft dat niet geaccepteerd. Evenmin heeft hij dat andere stuk grond in bezit genomen.

4.8.

Naar het oordeel van de kantonrechter is er geen objectieve aanwijzing om de machtsuitoefening door [eiser] over de Grond aan te merken als die van een pachter, bruiklener of huurder. Van een pacht-, -bruikleen- of huurovereenkomst is niet gebleken. De theoretische mogelijkheid dat [eiser] ook in een van die hoedanigheden de feitelijke macht over de Grond kon uitoefenen, is onvoldoende om vast te stellen dat [eiser] de Grond niet in bezit heeft genomen, mede in het licht van de wijze waarop [eiser] invulling heeft gegeven aan het gebruik en de inrichting van de Grond.2

4.9.

Daar komt bij dat [eiser] zich met het gebruik en de inrichting van de Grond zodanig heeft gedragen, dat het voor de NS kenbaar was dat hij de Grond in bezit had genomen. De Grond ligt aan een openbare weg en is grotendeels zichtbaar voor voorbijgangers, zo blijkt uit de plattegrond en de foto’s. Door de afbakening van de Grond en het gebruik als oprit, tuin, houtopslag en grasland voor o.a. schapen, heeft [eiser] de NS voldoende belet om haar eigen recht van bezit uit te oefenen. De NS had tegen de handelingen van [eiser] op kunnen komen. Niet is gesteld of gebleken dat de NS dat heeft gedaan. De kantonrechter stelt daarom vast dat de daden van [eiser] ook voldoende openbaar en niet-dubbelzinnig waren om te kunnen gelden als bezitsdaden.

Het overige verweer van [gedaagde]

4.10.

heeft ook omstandigheden aangevoerd, die zien op gedragingen van [eiser] richting hem en plaatsvonden in de tijd nadat de verjaringstermijn in 2007 was verlopen. Zoals onder 4.5. is overwogen, is in de beoordeling steeds de verhouding tussen [eiser] en de NS van 1987 tot 2007 van belang. Dat [eiser] volgens [gedaagde] in december 2016 om toestemming zou hebben gevraagd voor het blijven stallen van zijn brandhout op de Grond, is daarom, nog daargelaten dat het betwist is, niet relevant.

4.11.

Dat geldt ook voor het slootwerk, waarvan [gedaagde] stelt dat [eiser] dat niet zelf deed. Volgens [gedaagde] werd het slootwerk uitbesteed en dat heeft hij vernomen van de heer [B] , de bestuurder van [bedrijfsnaam] B.V). [eiser] heeft dit betwist; hij deed het slootwerk in de sloot grenzend aan de Grond zelf, met een baggerbeugel.

De heer [B] raakte echter pas in of na 2014 betrokken, nadat de NS de grond had verkocht aan een vastgoedhandelaar, die het vervolgens aan [bedrijfsnaam] B.V. verkocht. Zodoende is het verweer van [gedaagde] , wat ziet op het slootwerk, voor de relevante periode - tot 2007 - onvoldoende onderbouwd. Echter ook als dat anders zou zijn, beschouwt de kantonrechter het slootwerk niet als zozeer doorslaggevend dat dit tot een ander oordeel moet leiden dan hiervoor gegeven ten aanzien van de inbezitname van de Grond door [eiser] .

4.12.

[gedaagde] heeft ook nog aangevoerd dat [eiser] geen bezwaar heeft gemaakt tegen de werkzaamheden van de heer [B] op de Grond. De heer [B] zou na de aankoop door [bedrijfsnaam] B.V. bomen hebben gekapt. [gedaagde] heeft deze stelling niet onderbouwd. De kantonrechter stelt voorop dat ook deze handelingen ruim na 2007 plaatsvonden. De NS was niet meer betrokken. [eiser] heeft de stelling bovendien voldoende gemotiveerd betwist. De werkzaamheden van de heer [B] zagen op een ander stuk van de spoordijk, aldus [eiser] . Voordat hij de Grond in bezit nam, was het namelijk braakliggend en stonden er grote bomen en bramenstuiken. [eiser] heeft de Grond geëgaliseerd toen hij het in bezit nam. [gedaagde] heeft dit niet weersproken.

Tussenconclusie

4.13.

Al het voorgaande leidt ertoe dat de kantonrechter van oordeel is dat de handelingen door [eiser] zodanig zijn, dat hij de Grond met uitsluiting van anderen aan zich dienstbaar heeft gemaakt. [eiser] is sinds 1987 de feitelijke macht over de Grond gaat uitoefenen: hij heeft de Grond toen niet-dubbelzinnig in bezit genomen. De Grond is vervolgens twintig jaar onafgebroken in zijn bezit gebleven, waardoor [eiser] sinds 2007 door bevrijdende verjaring eigenaar is geworden van de Grond.

De overdracht van de Grond door [bedrijfsnaam] B.V. aan [gedaagde]

4.14.

Nu [eiser] sinds 2007 eigenaar is van de Grond, was de NS in 2014 niet bevoegd om de Grond te verkopen aan een vastgoedhandelaar. De vastgoedhandelaar was vervolgens niet bevoegd om de grond te verkopen aan [bedrijfsnaam] B.V. Dit betekent ook dat [bedrijfsnaam] B.V. de Grond niet mocht verkopen aan [gedaagde] . [gedaagde] heeft de Grond dus gekocht van een onbevoegde verkoper. Om die reden is [gedaagde] nooit juridisch eigenaar geworden van de Grond.

Conclusie in conventie

4.15.

De door [eiser] gevorderde verklaring voor recht zal worden gegeven. Deze verklaring wordt niet uitvoerbaar bij voorraad verklaard, omdat de aard van de verklaring zich daar niet voor leent. De gevorderde dwangsom komt de kantonrechter niet redelijk voor, daarom wordt die op een lager bedrag vastgesteld.

Proceskostenveroordeling in conventie

4.16.

[gedaagde] heeft ongelijk gekregen, daarom moet hij de proceskosten van [eiser] betalen. De proceskosten van [eiser] worden begroot op totaal € 326,06 zijnde:

  • -

    dagvaarding € 101,06

  • -

    griffierecht € 81,--

  • -

    salaris gemachtigde € 144,-- (2 punten x tarief € 72,--)

[eiser] heeft ook de nakosten gevorderd. Dat zijn de kosten die ontstaan na dit vonnis. De kantonrechter wijst die toe.

in reconventie

Vordering tot schadevergoeding

4.17.

Nu de kantonrechter heeft vastgesteld dat [eiser] eigenaar is van de Grond, komt de voorwaardelijke vordering in reconventie voor behandeling in aanmerking. Die vordering is gebaseerd op artikel 6:162 BW en het arrest van de Hoge Raad van 24 februari 2017 (ECLI:NL:HR:2017:309). In dat arrest heeft de Hoge Raad overwogen dat een bezitter die door bevrijdende verjaring eigenaar is geworden, onder omstandigheden bloot kan staan aan een vordering uit onrechtmatige daad van de (voormalige) rechthebbende die zijn eigendom aan die partij heeft verloren door de werking van artikel 3:105 BW. De Hoge Raad heeft in dat arrest overwogen dat een persoon die een zaak in bezit neemt en houdt, wetende dat een ander daarvan eigenaar is, tegenover die eigenaar onrechtmatig handelt.

Dat brengt mee dat die laatste, als aan de overige voorwaarden ook is voldaan, kan vorderen dat hem door de bezitter de schade wordt vergoed die hij als gevolg van dat onrechtmatig handelen lijdt.

4.18.

In deze zaak gaat de uitspraak van de Hoge Raad naar het oordeel van de kantonrechter niet op.3 [gedaagde] was immers geen eigenaar van de Grond, het was de NS die haar eigendom aan [eiser] is verloren. [gedaagde] is nooit eigenaar geworden van de Grond. Hoewel [gedaagde] pleit voor een ruimere lezing van de uitspraak van de Hoge Raad, ziet de kantonrechter niet in op welke wijze op grond van deze uitspraak een vorderingsrecht aan [gedaagde] kan toekomen; [eiser] heeft geen onrechtmatige daad jegens [gedaagde] gepleegd. Juridisch is daarmee de kous af tussen partijen. Dat [eiser] nog geprobeerd heeft een oplossing in der minne te bereiken door aan te bieden de door [gedaagde] aan [bedrijfsnaam] B.V. voor de Grond betaalde vierkante meterprijs te vergoeden (welk aanbod is afgewezen en inmiddels komen te vervallen), was dus onverplicht.

Conclusie in reconventie

4.19.

De vordering in reconventie wordt afgewezen.

Proceskostenveroordeling in reconventie

4.20.

[gedaagde] heeft ongelijk gekregen, daarom moet hij de proceskosten van [eiser] betalen. De proceskosten van [eiser] worden begroot op totaal € 36,-- zijnde 0,5 punt van het toepasselijke liquidatietarief voor het salaris van de gemachtigde. [eiser] heeft ook betaling van de nakosten gevorderd. Die zijn in conventie al toegewezen. Dat deel van de vordering wijst de kantonrechter daarom af.

5 De beslissing

De kantonrechter:

in conventie

5.1.

verklaart voor recht dat [eiser] door bevrijdende verjaring in 2007 eigenaar is geworden van de Grond;

5.2.

verbiedt [gedaagde] de Grond te betreden en activiteiten daarop te ontplooien, op straffe van een dwangsom van € 1.000,-- per overtreding, met een maximum van € 50.000,--;

5.3.

veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de proceskosten aan de zijde van [eiser] tot de uitspraak van dit vonnis begroot op € 326,06, waarin begrepen € 144,-- aan salaris gemachtigde, te voldoen binnen 14 dagen na de datum van dit vonnis, bij gebreke waarvan voormeld bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente met ingang van de vijftiende dag na de datum van dit vonnis tot de dag van volledige betaling;

5.4.

veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de kosten die zijn ontstaan na dit vonnis, begroot op € 36,-- aan salaris gemachtigde, als niet binnen 14 dagen na aanschrijving van dit vonnis is voldaan, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW met ingang van de vijftiende dag na die aanschrijving tot de dag van betaling, en de explootkosten van betekening van dit vonnis, als er vervolgens betekening heeft plaatsgevonden, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW met ingang van de vijftiende dag na betekening tot de dag van betaling;

5.5.

verklaart 5.2. tot en met 5.4. uitvoerbaar bij voorraad;

5.6.

wijst het meer of anders verzochte af;

in reconventie

5.7.

wijst de vorderingen van [gedaagde] af;

5.8.

veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de proceskosten aan de zijde van [eiser] tot de uitspraak van dit vonnis begroot op € 36,-- aan salaris gemachtigde, te voldoen binnen 14 dagen na de datum van dit vonnis, bij gebreke waarvan voormeld bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente met ingang van de vijftiende dag na de datum van dit vonnis tot de dag van volledige betaling;

5.9.

verklaart 5.8. uitvoerbaar bij voorraad;

5.10.

wijst het meer of anders verzochte af.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.R. Creutzberg, kantonrechter, en is in aanwezigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 17 juni 2020.

1 O.a. Hoge Raad 24 februari 2017 ECLI:NL:HR:2017:309 en Hof Arnhem 13 november 2018 ECLI:NL:GHARL:2018:9846.

2 Hoge Raad 18 september 2015 ECLI:NL:HR:2015:2743.

3 Zie o.a. ook: Rechtbank Oost-Brabant 27 maart 2019 ECLI:NL:RBOBR:2019:2001, Rechtbank Den Haag 2 januari 2019 ECLI:NL:RBDHA:2019:286 en Rechtbank Noord-Holland 29 augustus 2018 ECLI:NL:RBNHO:2018:7555.