Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2020:2226

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
29-05-2020
Datum publicatie
19-06-2020
Zaaknummer
AWB - 19 _ 1687
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Tussenuitspraak. Het is onvoldoende aannemelijk dat de wijze van rectificatie in overeenstemming is met het recht op rectificatie van artikel 16 van de AVG.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JBP 2020/91
Module Privacy & AVG 2021/4224
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummer: UTR 19/1687-T

tussenuitspraak van de meervoudige kamer van 29 mei 2020 in de zaak tussen

[eiseres] , te [woonplaats] , eiseres

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, verweerder

(gemachtigde: mr M.E. Butter).

Procesverloop

Bij besluit van 14 april 2014 (het primaire besluit) heeft verweerder de verzoeken van eiseres op grond van artikel 36, eerste lid, van de Wet bescherming persoonsgegevens (hierna: Wbp) gedeeltelijk afgewezen.

Bij besluit van 13 mei 2016 heeft verweerder het door eiseres daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 6 maart 2017 heeft de rechtbank het door eiseres daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.1

Bij uitspraak van 25 juli 2018 heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) het door eiseres daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard en het besluit van 13 mei 2016 deels vernietigd.2

Bij besluit van 15 maart 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder opnieuw beslist op het bezwaar van eiseres en dat bezwaar gegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 januari 2020. Eiseres is verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

Het juridische kader is opgenomen in een bijlage die onderdeel uitmaakt van deze uitspraak.

Waar gaat deze procedure over?

1. In het kader van de toekenning van een WIA-uitkering (een uitkering als bedoeld in de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen) hebben er onderzoeken plaatsgevonden naar de medische situatie van eiseres en mogelijkheden tot het verrichten van arbeid. Hiervan zijn rapportages en verslagen opgesteld. In een aantal stukken is sprake van vermelding van feitelijke onjuistheden. Om die reden heeft eiseres op 9 september 2013 en op 14 oktober 2013 verzocht om correctie, aanvulling en verwijdering van gegevens in een medische rapportage van 9 februari 2012 en in een medische rapportage van 22 augustus 2013. Verweerder heeft de verzoeken gedeeltelijk afgewezen. Zoals uit het procesverloop volgt heeft uiteindelijk de ABRvS op 25 juli 2018 geoordeeld dat verweerder opnieuw op het bezwaar moet beslissen, waarna verweerder het nu voorliggende bestreden besluit heeft genomen. Eiseres stelt zich kort samengevat op het standpunt dat ook in dat besluit verweerder haar rechten op informatie, inzage, verzet en correctie, niet juist heeft toegepast.

Wat heeft de ABRvS in haar uitspraak geoordeeld?

2. De ABRvS concludeert dat het recht op correctie uit artikel 36 van de Wbp van toepassing is op de vermelding van “reumatoïde artritis” en “pijn in de handen”, ook waar dit in latere rapporten herhaald wordt. Verweerder en de rechtbank hadden dit voor wat betreft de “pijn in de handen” niet onderkend. Verder oordeelt de ABRvS dat verweerder niet gehouden is deze vermeldingen uit het rapport van verzekeringsarts [A] ( [A] ) van 9 februari 2012 (en daarop volgende rapporten) te verwijderen, omdat verweerder aannemelijk heeft gemaakt dat de persoonsgegevens zijn vastgelegd op een gegevensdrager waarin geen wijzigingen kunnen worden aangebracht. Maar dat verweerder niet kon volstaan met hoe zij gerectificeerd heeft, door het toevoegen van het rapport van verzekeringsarts W. Ebbelaar (Ebbelaar) van 11 april 2016, waarin staat dat "reumatoïde artritis" een feitelijke onjuistheid is, zonder overeenkomstig artikel 36, vierde lid, van de Wbp te onderzoeken of er met een kleine technische inspanning een voorziening kan worden getroffen waarmee degene die het rapport van [A] en latere rapporten waarin de "reumatoïde artritis" en "pijn in de handen" zijn overgenomen raadpleegt, erop wordt gewezen dat deze gegevens onjuist zijn. Ook heeft verweerder niet onderzocht of het mogelijk is de bestandsnaam van het PDF/A document van het rapport van [A] en latere rapporten met herhalingen van dezelfde onjuistheid te wijzigen in die zin dat daaraan bijvoorbeeld wordt toegevoegd: "(let op onjuistheid - zie rapport d.d. 11-4-16)".

De ABRvS heeft verweerder opgedragen een nieuw besluit op bezwaar te nemen met inachtneming van haar uitspraak en de op 25 mei 2018 in werking getreden Algemene verordening gegevensbescherming (Avg) omdat de Wbp op die datum is komen te vervallen.

Wat is het voor deze zaak relevante wettelijk kader?

3. Ten tijde van de eerdere besluitvorming door verweerder en de beoordeling daarvan door de ABRvS golden de bepalingen uit de Wbp. Artikel 36, derde lid, van de Wbp luidde:

“De verantwoordelijke draagt zorg dat een beslissing tot verbetering, aanvulling, verwijdering of afscherming zo spoedig mogelijk wordt uitgevoerd."

Het vierde lid luidde:

"Indien de persoonsgegevens zijn vastgelegd op een gegevensdrager waarin geen wijzigingen kunnen worden aangebracht, dan treft hij de voorzieningen die nodig zijn om de gebruiker van de gegevens te informeren over de onmogelijkheid van verbetering, aanvulling, verwijdering of afscherming ondanks het feit dat er grond is voor aanpassing van de gegevens op grond van dit artikel."

4. Op 25 mei 2018 zijn de Verordening 2016/679 (Algemene Verordening Gegevensbescherming, hierna: AVG) en de Uitvoeringswet AVG van toepassing geworden en is de Wbp vervallen. Dit betekent dat verweerder, zoals ook de ABRvS heeft overwogen, het nieuw te nemen besluit op bezwaar diende te nemen met inachtneming van de AVG. De rechtbank zal in dit geding het bestreden besluit toetsen aan de AVG.

5. Het hier relevante artikel 16 van de AVG over het recht op rectificatie en wissing van gegevens luidt:

“De betrokkene heeft het recht om van de verwerkingsverantwoordelijke onverwijld rectificatie van hem betreffende onjuiste persoonsgegevens te verkrijgen. Met inachtneming van de doeleinden van de verwerking heeft de betrokkene het recht vervollediging van onvolledige persoonsgegevens te verkrijgen, onder meer door een aanvullende verklaring te verstrekken.”

De rechtbank acht verder relevant overweging 78 die vooraf gaat aan de bepalingen van de AVG, deze luidt:

“(78) Ter bescherming van de rechten en vrijheden van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens zijn passende technische en organisatorische maatregelen nodig om te waarborgen dat aan de voorschriften van deze verordening wordt voldaan. Om de naleving van deze verordening aan te kunnen tonen, moet de verwerkingsverantwoordelijke interne beleidsmaatregelen nemen en maatregelen toepassen die voldoen aan met name de beginselen van gegevensbescherming door ontwerp en gegevensbescherming door standaardinstellingen. Dergelijke maatregelen kunnen onder meer bestaan in het minimaliseren van de verwerking van persoonsgegevens, het zo spoedig mogelijk pseudonimiseren van persoonsgegevens, transparantie met betrekking tot de functies en de verwerking van persoonsgegevens, het in staat stellen van de betrokkene om controle uit te oefenen op de informatieverwerking en uit het in staat stellen van de verwerkingsverantwoordelijke om beveiligingskenmerken te creëren en te verbeteren. Bij de de ontwikkeling, de uitwerking, de keuze en het gebruik van toepassingen, diensten en producten die zijn gebaseerd op de verwerking van persoonsgegevens, of die persoonsgegevens verwerken bij de uitvoering van hun opdracht, dienen de producenten van de producten, diensten en toepassingen te worden gestimuleerd om bij de ontwikkeling en de uitwerking van dergelijke producten, diensten en toepassingen rekening te houden met het recht op bescherming van persoonsgegevens en, met inachtneming van de stand van de techniek, erop toe te zien dat de verwerkingsverantwoordelijken en de verwerkers in staat zijn te voldoen aan hun verplichtingen inzake gegevensbescherming. De beginselen van gegevensbescherming door ontwerp en gegevensbescherming door standaardinstellingen moeten ook bij openbare aanbestedingen in aanmerking worden genomen.”

6. De rechtbank overweegt dat in de AVG geen uitzondering is gemaakt voor persoonsgegevens die zijn vastgelegd op een gegevensdrager waarin geen wijzigingen kunnen worden aangebracht. Dit is dus anders dan het destijds geldende vierde lid van artikel 36 van de Wbp.

Verder maakt de rechtbank uit overweging 78 van de AVG op dat is beoogd dat verwerkingsverantwoordelijken passende technische en organisatorische maatregelen nemen die nodig zijn om te waarborgen dat aan de voorschriften van deze verordening wordt voldaan. Deze verantwoordelijkheid is neergelegd in artikel 24 van de AVG.

Hoe heeft verweerder de onjuistheden in het bestreden besluit gerectificeerd?

7. Verweerder heeft vervolgens in het bestreden besluit toegelicht dat de afdeling Document Informatie Voorziening (DIV) heeft onderzocht of er mogelijkheden zijn om de gebruiker van een rapportage met onjuistheden in het Elektronisch Archief (EA) en Elektronisch Dossier (ED) te attenderen op een correctie. De uitkomst van dit onderzoek is dat dat op korte termijn niet mogelijk is. Omdat verweerder het wenselijk vindt dat er wel een voorziening komt waarmee de gebruiker van het EA/ED wordt gewezen op correcties, wordt dit meegenomen in een lopend project van DIV. Verder kan de titel van een document niet gewijzigd worden in het EA/ED, omdat de titel het unieke identificatiekenmerk is van een document.

Verweerder acht daarom de wijze van correctie van de onjuistheid “reumatoïde artritis” door de aanvullende rapportage van 11 april 2016 van Ebbelaar voldoende om aan de wettelijke verplichtingen te voldoen. Verder heeft verweerder alsnog de “pijn in de handen” gecorrigeerd door toevoeging van een medische rapportage van 28 augustus 2018 van verzekeringsarts bezwaar en beroep W. Ebbelaar. In die rapportage is het volgende overwogen:

“(…) In het Rapport van [A] d.d. 9-2-2012 is derhalve onterecht melding gemaakt van ‘pijn in de handen’ op pg. 2 van 5 onder het kopje “Gegevens verkregen bij aanvullend medisch onderzoek door de bezwaarverzekeringsarts”. Door middel van deze rapportage wordt genoemde zinsnede gecorrigeerd. Bovengenoemde correctie geldt ook ten aanzien van de rapportages d.d. 10 april 2014 en 14 april 2014 opgesteld door L.L.J. Looij, verzekeringsarts. (…)”

Verweerder heeft het bezwaar gegrond verklaard.

Waarom vindt eiseres deze rectificaties onvoldoende?

8. Eiseres heeft aangevoerd dat verweerder niet kan volstaan met het invoeren van losse inlegbladen die slechts deels corrigeren. De onjuistheden blijven nog steeds staan in de betreffende rapportages en adviezen terwijl men daarbij niet wordt gewezen op de aanwezigheid daarvan. Verweerder holt hiermee het correctierecht uit. Verweerder heeft daarnaast niet aannemelijk gemaakt en niet onderbouwd dat het technisch niet mogelijk is om een adequate waarschuwing op het dossier te geven. Tot slot heeft eiseres aangevoerd dat verweerder het realiseren van de technische oplossing voorzien heeft van een open einde. Dit is niet in overeenstemming met de Avg. Verweerder moet kunnen bewijzen dat gegevens op een betrouwbare manier verwijderd en gecorrigeerd (kunnen) worden. De relevante verwerkingsprocedures moet verweerder aantoonbaar kunnen maken, aldus eiseres.

Hoe oordeelt de rechtbank over het bestreden besluit?

9. Dat de “reumatoïde artritis” en “pijn in de handen” eiseres betreffende onjuiste persoonsgegevens zijn, waarvan zij op grond van artikel 16 van de Avg recht heeft op onverwijlde rectificatie door verweerder, is niet in geschil. Wat wel in geschil is, is de wijze waarop die rectificatie door verweerder uitgevoerd moet worden en of het onderzoek van verweerder naar de door de ABRvS genoemde technische mogelijkheden in overeenstemming is met de opdracht van de ABRvS.

De rechtbank is van oordeel dat verweerder op deze twee geschilpunten onvoldoende zorgvuldig tot het bestreden besluit is gekomen. De rechtbank legt dat hieronder uit.

De wijze van rectificeren van de onjuiste diagnose “reumatoïde artritis”

10. De rechtbank is van oordeel dat de conclusie in het rapport van Ebbelaar niet de inhoud van het rapport kan dragen. Zoals in het bovenstaande is overwogen heeft verweerder de feitelijk onjuiste diagnose “reumatoïde artritis” gerectificeerd door het aanvullende rapport van Ebbelaar van 11 april 2016 aan het medisch dossier van eiseres toe te voegen. Hierin is onder “6. Heroverweging/beschouwing” vermeld dat de diagnose “reumatoïde artritis” in geen enkele medische rapportage of brief van een behandelaar voorkomt en feitelijk onjuist is. In de conclusie van het rapport komt die rectificatie echter niet kenbaar terug, zoals eiseres ook heeft aangevoerd. In de conclusie immers staat alleen dat er geen aanleiding is om tot correctie van medische rapportages te komen en dat de visie die eiseres op meerdere momenten in de loop der jaren heeft ingebracht en zich dus ook in het medisch dossier bevindt volstaat en een helder beeld verschaft over het medische feitencomplex.

11. Omdat de conclusie van het rapport van 11 april 2016 niet logischerwijs volgt uit de in het rapport opgenomen rectificatie van een medisch gegeven, is het bestreden besluit onzorgvuldig voorbereid. Ter zitting heeft verweerder hierover desgevraagd meegedeeld dat de conclusie nog gerectificeerd moet worden. Dat betekent dat verweerder al hierom niet voldaan heeft aan zijn plicht als gegevensverwerker om onverwijld te rectificeren als bedoeld in artikel 16 van de Avg. Verweerder had op grond van artikel 16 van de Avg in ieder geval de conclusie moeten (laten) aanpassen, zodat (ook) daaruit kenbaar volgt dat de diagnose “reumatoïde artritis” feitelijk onjuist is. Door deze onzorgvuldige voorbereiding is sprake van strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De rechtbank licht aan het einde van deze uitspraak toe wat hiervan het gevolg moet zijn.

De wijze van rectificatie van de onjuiste vermelding “pijn in de handen”

12. Wat betreft de onjuiste vermelding van “pijn in de handen” in het rapport van Van der Broeke van februari 2012 en herhaling in de daarop volgende rapporten, heeft verweerder in het bestreden besluit gewezen op het aanvullend rapport van Ebbelaar van 28 augustus 2018. In de kop van dit stuk staat vermeld: Medische rapportage in hoger beroepsprocedure. Verder staat onder het kopje “3. Heroverweging / beschouwing” het volgende:

In het rapport van [A] d.d. 9-2-2012 is derhalve onterecht melding gemaakt van ‘pijn in de handen’ op pg. 2 van 5 onder het kopje ‘Gegevens verkregen bij aanvullend medisch onderzoek door bezwaarverzekeringsarts’. Door middel van deze rapportage wordt genoemde zinssnede gecorrigeerd.

Bovengenoemde correctie geldt ook ten aanzien van de rapportages d.d. 10-4-2014 en 14-4-2014 opgesteld door L.L.J. Looij, verzekeringsarts.’

Ook ten aanzien van deze rectificatie stelt verweerder zich op het standpunt dat is voldaan aan de onderzoeksopdracht van de ABRvS en dat uit het onderzoek is gebleken dat er op korte termijn niet met een kleine technische inspanning een voorziening kan worden getroffen die personen die het medisch dossier raadplegen attent maken op feitelijke onjuistheden in eerdere rapporten.

13. De rechtbank is van oordeel dat de beoogde rectificatie in de aanvullende rapportage helder is. Duidelijk is wat onjuist is, in welke rapporten de onjuistheid is vermeld en wat de conclusie is; er is in de genoemde rapporten ten onrechte melding gemaakt van “pijn in de handen”. De rechtbank volgt evenwel eiseres in haar betoog dat hoewel de beoogde rectificatie helder is wanneer de aanvullende rapportage wordt geraadpleegd, het de vraag is of dit in overeenstemming is met het in artikel 16 van de AVG gewaarborgde recht op rectificatie. Immers, bij het inzien van het medisch dossier van eiseres bij verweerder is niet direct duidelijk dat er sprake is (geweest) van feitelijke onjuistheden in rapporten. De aanvullende rapportage waar dat uit kan blijken is als één van de stukken toegevoegd aan het dossier. Zo kan het dus gebeuren dat (geautoriseerde personen) kennis nemen van de rapporten waarin de feitelijke onjuistheden (nog) zijn vermeld, zonder op de hoogte te raken van een eventuele latere verbetering. Om te kunnen beoordelen of de wijze van rectificatie in overeenstemming is met artikel 16 van de AVG zal de rechtbank achtereenvolgens het door verweerder verrichtte onderzoek bespreken, de waarde van de uitkomsten van dat onderzoek en de betekenis daarvan in het licht van het recht op rectificatie van artikel 16 van de AVG.

De betekenis van het onderzoek naar de technische en organisatorische mogelijkheden

13.1

Verweerder heeft voorafgaand aan de zitting geen stukken overgelegd die zien op het onderzoek dat zij heeft gedaan naar de diverse mogelijkheden om het recht op rectificatie uit artikel 16 van de Avg toe te passen. Uit de ter zitting overgelegde presentatie over het recht op rectificatie3 (de presentatie) blijkt dat DIV naar aanleiding van de uitspraak van de ABRvS onderzoek heeft gedaan naar de vraag of het mogelijk is om op technisch relatief eenvoudige wijze een mogelijkheid te creëren in het digitale archief om aan te geven dat een in het EA opgenomen origineel is gecorrigeerd op grond van het recht op rectificatie van betrokkenen.

DIV stelt onderzoek te hebben gedaan naar het aanpassen van de documenttitel, toevoegen van een nieuwe status aan een document, het toekennen van een andere classificatie, het verwijderen van een autorisatie op een document, het toevoegen van een voorblad met de tekst ‘foutieve rapportage’ aan een bestaand document en het aanpassen van de documenttitel van een document in het EA. Al deze opties zijn volgens DIV technisch niet uitvoerbaar, met uitzondering van het toevoegen van een voorblad. Het toevoegen van een voorblad echter levert volgens DIV geschiedvervalsing op, zodat die mogelijkheid voor het corrigeren van een stuk door verweerder ook is uitgesloten. DIV ziet wel een oplossing op de lange termijn, door een dergelijke functionaliteit binnen het EA-domein te ontwikkelen.

13.2

Ter zitting heeft verweerder nog meegedeeld dat, anders dan in het bestreden besluit staat en de presentatie van DIV suggereert, die oplossing er ook op de lange termijn niet komt, omdat er te hoge uitvoeringskosten aan verbonden zijn. Uit het onderzoek volgt volgens verweerder dat rapporten van de verzekeringsartsen alleen gecorrigeerd kunnen worden door het toevoegen van een oplegvel/rapport aan het medisch dossier, niet aan het betreffende rapport met de onjuistheid. Dit is ook de wijze van rectificatie toegepast in de situatie van eiseres.

13.3

De rechtbank is van oordeel dat verweerder met het overleggen van de presentatie onvoldoende heeft onderbouwd welk onderzoek er is gedaan en waar dat onderzoek uit bestond. De presentatie is een korte samenvatting van de uitkomsten van het onderzoek, maar geeft geen weergave van of inzicht in het onderzoek zelf. Verweerder heeft het onderzoek naar technische mogelijkheden om toepassing te geven aan het recht op rectificatie onvoldoende inzichtelijk gemaakt en naar het oordeel van de rechtbank te beperkt uitgevoerd. Dit geldt ook voor haar stelling ter zitting dat een oplossing voor het door eiseres gesignaleerde probleem bij het corrigeren met een aanvullende rapportage er ook op de lange termijn niet komt omdat er te hoge uitvoeringskosten aan verbonden zijn.

13.4

Gelet op de beschikbare informatie kan de rechtbank zich indenken dat het ter uitvoering van artikel 16 van de AVG mogelijk moet zijn in het medisch dossier van eiseres een vaste ‘header’ aan die rapporten toe te voegen waarin onjuistheden staan. Met een ‘header’ bedoelt de rechtbank een koptekst op elke pagina van het betreffende rapport waarin de lezer wordt geattendeerd op een onjuistheid daarin.

Ook het toevoegen van een voorblad aan de rapportages waarin een feitelijke onjuistheid is vermeld, lijkt een technische eenvoudige en weinig kostbare optie te kunnen zijn. Met een voorblad bedoelt de rechtbank een blad dat bij het openen van een rapport als eerste in beeld verschijnt en waarop is genoteerd dat en op welke datum het rapport is gerectificeerd. Voor zover verweerder meent dat het toevoegen van een voorblad zou leiden tot geschiedvervalsing, had verweerder moeten uitleggen en moeten onderbouwen waarom het niet mogelijk is om die eventuele geschiedvervalsing inzichtelijk te maken zodat het niet het karakter van vervalsing heeft maar van de hier beoogde rectificatie.

13.5

De rechtbank acht hierbij van belang dat, zoals in rechtsoverweging 3 is overwogen, onder artikel 36, vierde lid, van de Wbp, een uitzondering was opgenomen voor de situatie dat persoonsgegevens waren vastgelegd op een gegevensdrager waarin geen wijzigingen konden worden aangebracht. Een dergelijke uitzondering is in artikel 16 van de Avg niet voorzien. Met andere woorden, er lijkt door het niet langer handhaven van de uitzondering voornoemd, een zwaardere inspanningsverplichting op verweerder te rusten om ervoor te zorgen dat er in dit geval technische mogelijkheden worden gecreëerd om aan de AVG te voldoen.

13.6

Hiernaast acht de rechtbank van belang eerder genoemde overweging 78 van de AVG, als uitgewerkt in artikel 24 van de AVG. Hieruit lijkt te volgen dat verweerder als verwerkingsverantwoordelijke of verwerker, van de producent als genoemd in overweging 78 van de AVG in zekere mate toepassingen mag verlangen om te kunnen voldoen aan haar verplichtingen inzake gegevensbescherming. En dat verweerder daarnaast beleid moet maken en maatregelen moet treffen om de naleving van de AVG aan te kunnen tonen. Hieruit volgt een inspanningsverplichting voor verweerder om ervoor zorg te dragen dat beleid en systemen zijn afgestemd op de eisen die de AVG stelt, naar het oordeel van de rechtbank inhoudende een inzichtelijke en duidelijk kenbare rectificatie van onjuistheden anders dan met enkel het toevoegen van een aanvullend stuk in een medisch dossier.

13.7

De rechtbank concludeert dat onvoldoende aannemelijk is dat de wijze van rectificatie in overeenstemming is met het recht op rectificatie van artikel 16 van de AVG gelet op de beoogde verantwoordelijkheid van verweerder als verwerkingsverantwoordelijke of verwerker. Verweerder heeft het onderzoek onvoldoende inzichtelijk gemaakt, onvoldoende onderbouwd en gelet op zijn verantwoordelijkheid mogelijk te beperkt uitgevoerd. Deze beroepsgrond van eiseres slaagt. De rechtbank licht aan het einde van deze uitspraak toe wat hiervan het gevolg moet zijn.

13.8

Voor de volledigheid merkt de rechtbank op dat los van wat in rechtsoverweging 10 en 11 is geoordeeld, bovenstaande over het onderzoek naar technische mogelijkheden ook geldt ten aanzien van de rectificatie van de feitelijk onjuiste diagnose reumatoïde artritis”.

14. Tot slot is de rechtbank van oordeel dat het bestreden besluit deels onjuist is, omdat verweerder daarin stelt dat er gewerkt gaat worden aan een systeem waarmee de gebruiker van het EA en ED gewezen wordt op rectificaties, terwijl verweerder ter zitting heeft gesteld dat daaraan niet gewerkt gaat worden, omdat het te duur is.

Wat betekent dit voor het bestreden besluit?

15. De rechtbank concludeert dat het bestreden besluit gebreken kent. Gelet op het voorgaande ziet de rechtbank aanleiding toepassing te geven aan artikel 8:51a, eerste lid, van de Awb, inhoudende dat verweerder in de gelegenheid wordt gesteld de hiervoor in r.o. 11 en 13 t/m 13.8 geconstateerde gebreken te herstellen. Dat herstellen kan uitsluitend met een nieuwe beslissing op bezwaar, na of tegelijkertijd met intrekking van het nu bestreden besluit.

Om het gebrek te herstellen, moet verweerder met inachtneming van deze uitspraak:

- onderzoek doen naar de mogelijkheden om toepassing te geven aan het recht op rectificatie zoals dat is omschreven in artikel 16 van de Avg;

- het onderzoek dat zij daarnaar doet, inzichtelijk maken;

- de uitkomst van het onderzoek toepassen op de geconstateerde gebreken.

Hierbij merkt de rechtbank voor de volledigheid op dat eiseres in haar beroepschrift naast de in deze uitspraak besproken punten nog heeft gewezen op andere feitelijke onjuistheden. Gelet op de uitspraak van de ABRvS op het hoger beroep tegen de eerdere beslissing op bezwaar is de rechtbank van oordeel dat die punten geen onderdeel meer zijn van deze procedure.

De rechtbank bepaalt dat de termijn waarbinnen verweerder het gebrek kan herstellen op zes weken na verzending van deze tussenuitspraak.

16. Verweerder moet op grond van artikel 8:51b, eerste lid, van de Awb en om nodeloze vertraging te voorkomen zo spoedig mogelijk, maar uiterlijk binnen twee weken, aan de rechtbank meedelen of zij gebruik maakt van de gelegenheid het gebrek te herstellen. Als verweerder gebruik maakt van die gelegenheid, zal de rechtbank eiseres in de gelegenheid stellen binnen zes weken te reageren op de herstelpoging van verweerder. In beginsel, ook in de situatie dat verweerder de hersteltermijn ongebruikt laat verstrijken, zal de rechtbank zonder tweede zitting uitspraak doen op het beroep.

17. Het geding zoals dat na deze tussenuitspraak wordt gevoerd, blijft in beginsel beperkt tot de beroepsgronden zoals die zijn besproken in deze tussenuitspraak, omdat het inbrengen van nieuwe geschilpunten over het algemeen in strijd met de goede procesorde wordt geacht. De rechtbank verwijst naar de uitspraak van de ABRvS van 12 juni 2013.4

18. De rechtbank houdt iedere verdere beslissing aan tot de einduitspraak op het beroep. Dat laatste betekent ook dat zij over de proceskosten en het griffierecht nu nog geen beslissing neemt.

Beslissing

De rechtbank:

- draagt verweerder op binnen twee weken aan de rechtbank mee te delen of hij gebruik maakt van de gelegenheid de gebreken te herstellen;

- stelt verweerder in de gelegenheid om binnen zes weken na verzending van deze tussenuitspraak de gebreken te herstellen met inachtneming van de overwegingen en aanwijzingen in deze tussenuitspraak;

- houdt iedere verdere beslissing aan.

Deze uitspraak is gedaan 29 mei 2020 door mr. V.E. van der Does, voorzitter, en mr. L.A. Banga en mr. J.L.W. Broeksteeg, leden, in aanwezigheid van mr. L.M. Janssens-Kleijn, griffier.

Als gevolg van maatregelen rondom het Coronavirus is deze uitspraak niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Zodra het openbaar uitspreken weer mogelijk is, wordt deze uitspraak, voor zover nodig, alsnog in het openbaar uitgesproken.

De voorzitter is verhinderd deze

tussenuitspraak te ondertekenen

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze tussenuitspraak staat nog geen hoger beroep open. Tegen deze tussenuitspraak kan hoger beroep worden ingesteld tegelijkertijd met hoger beroep tegen de (eventuele) einduitspraak in deze zaak.

Verordening (EU) 2016/679 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Richtlijn 95/46/EG (algemene verordening gegevensbescherming)

Artikel 4

Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder:

[…];

7) "verwerkingsverantwoordelijke": een natuurlijke persoon of rechtspersoon, een overheidsinstantie, een dienst of een ander orgaan die/dat, alleen of samen met anderen, het doel van en de middelen voor de verwerking van persoonsgegevens vaststelt; wanneer de doelstellingen van en de middelen voor deze verwerking in het Unierecht of het lidstatelijke recht worden vastgesteld, kan daarin worden bepaald wie de verwerkingsverantwoordelijke is of volgens welke criteria deze wordt aangewezen;

Artikel 16 Recht op rectificatie

De betrokkene heeft het recht om van de verwerkingsverantwoordelijke onverwijld rectificatie van hem betreffende onjuiste persoonsgegevens te verkrijgen. Met inachtneming van de doeleinden van de verwerking heeft de betrokkene het recht vervollediging van onvolledige persoonsgegevens te verkrijgen, onder meer door een aanvullende verklaring te verstrekken.

Artikel 19 Kennisgevingsplicht inzake rectificatie of wissing van persoonsgegevens of verwerkingsbeperking

De verwerkingsverantwoordelijke stelt iedere ontvanger aan wie persoonsgegevens zijn verstrekt, in kennis van elke rectificatie of wissing van persoonsgegevens of beperking van de verwerking overeenkomstig artikel 16, artikel 17, lid 1, en artikel 18, tenzij dit onmogelijk blijkt of onevenredig veel inspanning vergt. De verwerkingsverantwoordelijke verstrekt de betrokkene informatie over deze ontvangers indien de betrokkene hierom verzoekt.

Artikel 24 Verantwoordelijkheid van de verwerkingsverantwoordelijke

1. Rekening houdend met de aard, de omvang, de context en het doel van de verwerking, alsook met de qua waarschijnlijkheid en ernst uiteenlopende risico's voor de rechten en vrijheden van natuurlijke personen, treft de verwerkingsverantwoordelijke passende technische en organisatorische maatregelen om te waarborgen en te kunnen aantonen dat de verwerking in overeenstemming met deze verordening wordt uitgevoerd. Die maatregelen worden geëvalueerd en indien nodig geactualiseerd.

2. Wanneer zulks in verhouding staat tot de verwerkingsactiviteiten, omvatten de in lid 1 bedoelde maatregelen een passend gegevensbeschermingsbeleid dat door de verwerkingsverantwoordelijke wordt uitgevoerd.

3. Het aansluiten bij goedgekeurde gedragscodes als bedoeld in artikel 40 of goedgekeurde certificeringsmechanismen als bedoeld in artikel 42 kan worden gebruikt als element om aan te tonen dat de verplichtingen van de verwerkingsverantwoordelijke zijn nagekomen

Wet bescherming persoonsgegevens, geldig tot 25 mei 2018.

Artikel 36

1. Degene aan wie overeenkomstig artikel 35 kennis is gegeven van hem betreffende persoonsgegevens, kan de verantwoordelijke verzoeken deze te verbeteren, aan te vullen, te verwijderen, of af te schermen indien deze feitelijk onjuist zijn, voor het doel of de doeleinden van de verwerking onvolledig of niet ter zake dienend zijn dan wel anderszins in strijd met een wettelijk voorschrift worden verwerkt. Het verzoek bevat de aan te brengen wijzigingen.

2. De verantwoordelijke bericht de verzoeker binnen vier weken na ontvangst van het verzoek schriftelijk of dan wel in hoeverre hij daaraan voldoet. Een weigering is met redenen omkleed.

3. De verantwoordelijke draagt zorg dat een beslissing tot verbetering, aanvulling, verwijdering of afscherming zo spoedig mogelijk wordt uitgevoerd.

4. Indien de persoonsgegevens zijn vastgelegd op een gegevensdrager waarin geen wijzigingen kunnen worden aangebracht, dan treft hij de voorzieningen die nodig zijn om de gebruiker van de gegevens te informeren over de onmogelijkheid van verbetering, aanvulling, verwijdering of afscherming ondanks het feit dat er grond is voor aanpassing van de gegevens op grond van dit artikel.

5. Het bepaalde in het eerste tot en met vierde lid is niet van toepassing op bij de wet ingestelde openbare registers, indien in die wet een bijzondere procedure voor de verbetering, aanvulling, verwijdering of afscherming van gegevens is opgenomen.

1 Uitspraak van 6 maart 2017 (ECLI:NL:RBMNE:2017:1050)

2 Uitspraak van 25 juli 2018 (ECLI:NL:RVS:2018:2503)

3 Presentatie van een onderzoek van DIV van 18 december 2018

4 ECLI:NL:RVS:2013:CA2877