Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2020:2200

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
15-06-2020
Datum publicatie
26-06-2020
Zaaknummer
UTR 19/4711
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

WOZ waarde appartementswoning met parkeerplaats en berging. Verweerder bepleit in beroep een lagere waarde. Beroep gegrond. Verweerder heeft aannemelijk gemaakt dat de in beroep verdedigde waarde niet te hoog is.. De rechtbank stelt de waarde vast.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 29-06-2020
V-N Vandaag 2020/1708
FutD 2020-2083
V-N 2020/40.16.20
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummer: UTR 19/4711

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 15 juni 2020 in de zaak tussen

[eiser] uit [woonplaats] , eiser

en

de heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking gemeenten & hoogheemraadschap [gemeente], verweerder.

Procesverloop

In de beschikking van 31 augustus 2019 heeft verweerder op grond van de Wet waardering onroerende zaken (Wet WOZ) de waarde van de onroerende zaak aan de [adres] te [woonplaats] (de woning) voor het belastingjaar 2019 vastgesteld op € 366.000,- naar de waardepeildatum 1 januari 2018. Verweerder heeft bij deze beschikking aan eiser als eigenaar van de woning ook een aanslag onroerendezaakbelastingen en watersysteemheffing opgelegd, waarbij deze waarde als heffingsmaatstaf is gehanteerd.

In de uitspraak op bezwaar van 18 oktober 2019 heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift en een taxatiematrix ingediend.

In verband met de uitbraak van het coronavirus heeft de Rechtspraak besloten vanaf dinsdag 17 maart 2020 de rechtbanken, gerechtshoven en bijzondere colleges te sluiten en alleen zittingen voor urgente zaken door te laten gaan. Partijen hebben schriftelijk ingestemd om de zaak zonder zitting af te doen. De rechtbank heeft bepaald dat een zitting achterwege blijft en sluit heden het onderzoek.

Overwegingen

1.De woning is een in 2018 gebouwde appartementswoning met parkeerplaats en berging.

2.De WOZ-waarde van de woning is de waarde in het economisch verkeer. Dat is de prijs die bij verkoop op de voor die woning meest geschikte wijze en na de beste voorbereiding door de meest biedende gegadigde voor die woning zou zijn betaald.

3.Eiser bepleit een lagere waarde. Verweerder handhaaft de vastgestelde waarde niet en bepleit in beroep een waarde van € 330.000,-.

4. Nu verweerder een lagere waarde bepleit dan de waarde uit de uitspraak op bezwaar is het beroep gegrond. De uitspraak op bezwaar wordt vernietigd. Omdat de uitspraak op bezwaar alleen al om deze reden wordt vernietigd, is er geen aanleiding meer om in te gaan op wat eiser heeft aangevoerd over de motivering van de uitspraak op bezwaar.

5.De rechtbank zal vervolgens toetsen of verweerder de door hem in beroep bepleite waarde niet te hoog is. Verweerder heeft de bewijslast om dat aannemelijk te maken. Bij de beoordeling of dit het geval is, zal de rechtbank wat eiser ter betwisting van de vastgestelde waarde heeft aangevoerd meewegen.

6.Verweerder heeft de waarde afgeleid uit de eigen aankoopprijs van de woning. De woning is op 27 maart 2018 voor € 335.000,- aangekocht. Rekening houdend met de waardeontwikkeling tussen de aankoopdatum en de waardepeildatum heeft verweerder de waarde vastgesteld op € 330.000,-. De rechtbank is van oordeel dat verweerder uit kon gaan van de eigen aankoopprijs. Die is immers dicht bij de waardepeildatum gelegen en vormt de beste basis voor de waardebepaling. De door verweerder toegepaste indexering naar de waardepeildatum komt de rechtbank aannemelijk voor. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder aannemelijk gemaakt dat hij de in beroep verdedigde waarde niet te hoog heeft vastgesteld.

7. Wat eiser in beroep verder aanvoert, brengt de rechtbank niet tot een ander oordeel.

8.In reactie op het verweerschrift vraagt eiser zich af of de in de uitspraak op bezwaar genoemde referentiewoningen nog steeds standhouden. Ter toelichting aan eiser merkt de rechtbank het volgende op. De zogeheten vergelijkingsmethode, waarbij gebruik wordt gemaakt van de verkoopprijzen van referentiewoningen, is een hulpmiddel om de waarde van de woning te bepalen. Wanneer, zoals in dit geval, er een eigen aankoopprijs van de woning is die rond de waardepeildatum is gerealiseerd, is dat hulpmiddel niet nodig. De eigen aankoopprijs is immers de beste weergave van de waarde in het economisch verkeer. Bij de waardebepaling van de woning spelen dus in dit geval referentiewoningen geen rol meer. In dit geval heeft verweerder dat pas ingezien nadat het beroep was ingesteld.

9.Gezien het vorenstaande zal de rechtbank de waarde van de woning op de waardepeildatum vaststellen op € 330.000,- en bepalen dat verweerder de aanslag onroerendezaakbelastingen en watersysteemheffing dienovereenkomstig vermindert.

10.Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht vergoedt.

11.Eiser verzoekt om verweerder te veroordelen in de proceskosten in bezwaar en beroep. Eiser heeft dit verzoek niet nader onderbouwd en geen kosten gespecificeerd. De rechtbank is niet gebleken van kosten die op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor vergoeding in aanmerking komen en wijst het verzoek om een proceskostenvergoeding af.

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt de uitspraak op bezwaar;

  • -

    stelt de waarde van de woning vast op € 330.00,- naar de waardepeildatum 1 januari 2018 en bepaalt dat de aanslag onroerendezaakbelastingen en de aanslag watersysteemheffing dienovereenkomstig worden verlaagd;

  • -

    bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde uitspraak op bezwaar;

  • -

    draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 47,- aan eiser te vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. K. de Meulder, rechter, in aanwezigheid van
mr. P.M.J.H. Muijlaert, griffier. Deze uitspraak is gedaan op 15 juni 2020. Als gevolg van maatregelen rondom het coronavirus is deze uitspraak niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Zodra het openbaar uitspreken weer mogelijk is, wordt deze uitspraak, voor zover nodig, alsnog in het openbaar uitgesproken.

De griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak kunt u binnen zes weken na de dag waarop de uitspraak is verzonden hoger beroep instellen bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. Deze uitspraak is verzonden op de stempeldatum die hierboven staat