Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2020:2160

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
22-04-2020
Datum publicatie
10-07-2020
Zaaknummer
C/16/500054 / FA RK 20-2154
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Beschikking
Inhoudsindicatie

Verzoek tot zorgmachtiging

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Familierecht

Locatie Utrecht

Zaaknummer: C/16/500054 / FA RK 20-2154

Betrokkenenummer: [betrokkenenummer]

Machtiging tot verlenen van verplichte zorg

Beschikking van 22 april 2020, naar aanleiding van het door de officier van justitie ingediende verzoek tot het verlenen van een zorgmachtiging als bedoeld in artikel 6:4 van de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg (Wvggz), ten aanzien van:

[betrokkene] ,

geboren op [geboortedatum] 1981 te [geboorteplaats] (Polen),

wonende te [woonplaats] ,

hierna te noemen: de betrokkene,

advocaat mr. A.E.M.C. Koudijs.

1 Procesverloop

1.1.

Bij verzoekschrift, ingekomen ter griffie op 1 april 2020, heeft de officier van justitie verzocht om een zorgmachtiging. Het procesverloop blijkt uit het verzoekschrift.

Bij het verzoekschrift zijn de volgende bijlagen gevoegd:

  • -

    de medische verklaring d.d. 27 maart 2020;

  • -

    de zorgkaart inclusief bijlagen;

  • -

    het zorgplan inclusief bijlagen;

  • -

    de bevindingen van de geneesheer-directeur.

1.2.

De mondelinge behandeling van het verzoek heeft plaatsgevonden op 22 april 2020. In verband met de maatregelen van overheidswege genomen om de verspreiding van het coronavirus te stoppen door zo min mogelijk naar buiten te gaan heeft de mondelinge behandeling telefonisch plaatsgevonden.

1.3.

Bij die gelegenheid zijn conform de Algemene Regeling Zaaksbehandeling Rechtspraak telefonisch gehoord:

  • -

    de betrokkene, bijgestaan door mr. A.E.M.C. Koudijs,

  • -

    mevrouw [A] , psychiater,

  • -

    de heer [B] , AIOS.

Een ieder bevond zich in een afzonderlijke ruimte. De rechter en de griffier bevonden zich in het gerechtsgebouw van de rechtbank Midden-Nederland te Utrecht.

1.4.

De officier van justitie heeft van tevoren laten weten dat hij niet voornemens is de

mondelinge behandeling bij te wonen.

1.5.

De rechtbank heeft na de mondelinge behandeling direct uitspraak gedaan en per e-mail een kennisgeving mondelinge uitspraak aan de advocaat van betrokkene en aan de vertegenwoordiger van de zorgaanbieder verstrekt.

2 Beoordeling

2.1.

In het verzoekschrift is, op grond van het zorgplan en het advies van de geneesheer-directeur, verzocht om aan betrokkene de volgende vormen van verplichte zorg als bedoeld in artikel 3:2 Wvggz te mogen verlenen. Het gaat om:

a. toedienen van vocht, voeding en medicatie, alsmede het verrichten van medische controles of andere medische handelingen en therapeutische maatregelen, ter behandeling van een psychische stoornis, dan wel vanwege die stoornis, ter behandeling van een somatische aandoening;

Behandeling met antipsychotica, sedativa en eventueel later met een stemmingsstabilisator. Zowel klinisch als ambulant.

beperken van de bewegingsvrijheid;

Tijdens klinische opname in gesloten setting.

uitoefenen van toezicht op betrokkene;

Zowel klinisch als ambulant.

aanbrengen van beperkingen in de vrijheid het eigen leven in te richten, die tot gevolg hebben dat betrokkene iets moet doen of nalaten, waaronder het gebruik van communicatiemiddelen;

Tijdens klinische opname in gesloten setting, indien noodzakelijk (bijvoorbeeld wanneer patiënte veelvuldig de alarmdiensten wil inschakelen). Zowel klinisch als ambulant.

opnemen in een accommodatie.

Zie medische verklaring.

De officier verzoekt deze vormen van verplichte zorg voor de duur van zes maanden. In het verzoek is vermeld dat verplichte zorg onder a, d en h ook ambulant worden toegepast; de overige vormen van verplichte zorg zullen alleen klinisch worden toegepast.

De vertegenwoordiger van de zorgaanbieder heeft verklaard dat het toedienen van vocht en voeding, genoemd onder a, niet meer nodig is.

2.2.

Betrokkene heeft verklaard dat het beter met haar gaat. Zij had eerder last van lichamelijke klachten en last van bijwerkingen van de medicatie die zij kreeg voor haar allergieën. Namens de betrokkene heeft de advocaat primair geconcludeerd tot afwijzing van het verzoek omdat betrokkene de noodzaak van een zorgmachtiging niet ziet. Subsidiair verzoekt de advocaat om de zorgmachtiging in duur te beperken en te verlenen voor de duur van drie maanden.

2.3.

De AIOS heeft gepleit voor een zorgmachtiging. De bedoeling is dat betrokkene ambulant wordt behandeld waarbij zij zich dient te houden aan medicatievoorschriften, nakomen van afspraken (op dit moment inbellen met de poli) en medewerking verlenen aan bloedonderzoek. Betrokkene is nog herstellende van de opname en het is van belang dat zij de medicatie blijft innemen om stabiel te blijven. Met name de eerste maanden na herstel is het van belang dat de medicatie wordt gemonitord omdat het beloop van tevoren niet voorspelbaar is. De zorgmachtiging is vooral bedoeld om bij decompensatie direct in te kunnen grijpen.

2.4.

In aanvulling op de verklaring van de AIOS heeft de psychiater verder verklaard dat het minstens drie tot zes maanden kost om de medicatie goed te kunnen monitoren, waarbij een onderscheid wordt gemaakt tussen de acute fase, voortgezette fase en de onderhoudsfase. In de situatie van betrokkene zijn de symptomen nog maar net voorbij zodat voldoende toezicht nodig blijft.

2.5.

Uit de overgelegde stukken en het behandelde ter zitting is gebleken dat betrokkene lijdt aan een psychische stoornis, in de vorm van bipolaire-stemmingsstoornissen.

2.6.

Deze stoornis leidt bij betrokkene tot ernstig nadeel, met name gelegen in het bestaan van of het aanzienlijk risico op levensgevaar. Om ernstig nadeel af te wenden of de geestelijke gezondheid van betrokkene te stabiliseren of te herstellen dat hij zijn autonomie zoveel mogelijk herwint, heeft betrokkene zorg nodig.

2.7.

Ter toelichting op het voorgaande overweegt de rechtbank als volgt. Betrokkene is in vrijwillige zorg bij de afdeling bipolair en in het verleden meerdere malen opgenomen geweest voor manische episodes. De betrokkene is ambivalent in haar houding ten opzichte van behandeling. Zij kan het ene moment wel, maar het andere moment niet inzien dat zij klachten heeft die passen bij een psychiatrisch toestandsbeeld waarvoor behandeling noodzakelijk is. Gelet hierop is het reëel om aan te nemen dat betrokkene zich zonder juridisch kader zal onttrekken aan zorg. Om die reden is verplichte zorg nodig.

2.8.

De rechtbank constateert in deze zaak dat het de bedoeling is dat een zorgmachtiging wordt verleend die gelijkenis vertoont met de voorwaardelijke machtiging onder de wet Bopz. Het is de rechtbank ambtshalve bekend dat de voorwaardelijke machtiging met voorwaarden en opname als stok achter de deur zeer effectief was en in een grote behoefte voorzag. De Wvggz kent een dergelijke machtiging niet. Uitgangspunt in de Wvggz is echter wel dat de verplichte zorg zo veel mogelijk ambulant wordt toegepast. De rechtbank is dan ook van oordeel dat aan de behoefte in de praktijk tegemoet gekomen kan worden door bij de vormen van verplichte zorg in de zorgmachtiging onderscheid te maken tussen enerzijds vormen van verplichte zorg die ambulant worden toegepast en anderzijds vormen van verplichte zorg die bestaan uit en horen bij opname. Deze laatste vormen van verplichte zorg dienen pas te worden toegepast op het moment dat het ernstig nadeel niet meer met de ambulant verplichte zorg kan worden afgewend.

2.9.

Gelet op het bovenstaande ziet de rechtbank aanleiding om in de onderhavige zaak de verzochte vormen van verplichte zorg toe te wijzen, waarbij de vormen onder a, met uitzondering van vocht en voeding, en h eerst moeten worden toegepast. Pas als op die manier het ernstig nadeel niet meer kan worden afgewend, dan kunnen de vormen b, d en j worden toegepast. De ambulant verplichte vormen van zorg die de rechtbank zal toewijzen, mogen dan ook in de kliniek worden toegepast. Deze verplichte zorg kan naar het oordeel van de rechtbank het ernstig nadeel voldoende wegnemen.

De rechtbank merkt verder op dat de vorm van verplichte zorg onder d, uitoefenen van toezicht op betrokkene, uitsluitend in een klinische setting kan worden toegepast en dus niet in een ambulante setting. Hiermee wordt namelijk bedoeld cameratoezicht die nodig is bij het insluiten van betrokkene in een klinische setting.

2.10.

Er zijn in dit geval geen minder bezwarende alternatieven die hetzelfde beoogde effect hebben.

2.11.

De verzochte verplichte zorg is evenredig en naar verwachting effectief. Uit de stukken blijkt verder dat bij het bepalen van de juiste zorg rekening is gehouden met de voorwaarden die noodzakelijk zijn om deelname van betrokkene aan het maatschappelijk leven te bevorderen. De rechtbank wijst er op dat artikel 2:2 van het Besluit vggz eisen stelt aan de veiligheid bij de toepassing van een zorgmachtiging met ambulant verplichte zorg.

2.12.

Gelet op het voorgaande is naar het oordeel van de rechtbank voldaan aan de criteria voor en de doelen van verplichte zorg als bedoeld in de Wvggz. De rechtbank ziet, gelet op de verklaring van de AIOS en de psychiater tijdens de mondelinge behandeling, geen aanleiding om de zorgmachtiging in duur te beperken. De zorgmachtiging met de gevraagde vormen van verplichte zorg zal worden verleend voor de (verzochte) duur van zes maanden.

3 Beslissing

De rechtbank:

verleent een zorgmachtiging ten aanzien van [betrokkene], geboren op

[geboortedatum] 1981 te [geboorteplaats] (Polen), voor de volgende vormen van verplichte zorg, zoals verzocht onder 2.1:

a. toedienen medicatie, alsmede het verrichten van medische controles of andere medische handelingen en therapeutische maatregelen, ter behandeling van een psychische stoornis, dan wel vanwege die stoornis, ter behandeling van een somatische aandoening;

h. aanbrengen van beperkingen in de vrijheid het eigen leven in te richten, die

tot gevolg hebben dat betrokkene iets moet doen of nalaten, waaronder het gebruik van communicatiemiddelen;

b. beperken van de bewegingsvrijheid;

d. uitoefenen van toezicht op betrokkene;

j. opnemen in een accommodatie;

en

bepaalt dat gestart zal worden met ambulante verplichte zorg als bedoeld onder a en h;

bepaalt dat op het moment dat de ambulant verplichte zorg niet meer voldoende is om het ernstig nadeel af te wenden, ook de andere verleende vormen van verplichte zorg kunnen worden toegepast;

bepaalt dat deze machtiging geldt tot en met 22 oktober 2020;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is op 22 april 2020 mondeling gegeven door mr. A.C. Schroten, rechter en in het openbaar uitgesproken bijgestaan door N.L.J. Hitijahubessij als griffier, en schriftelijk uitgewerkt en ondertekend op 6 mei 2020.

Tegen deze beschikking staat het rechtsmiddel van cassatie open.