Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2020:2150

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
11-06-2020
Datum publicatie
17-06-2020
Zaaknummer
UTR 19/2194
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Einduitspraak. Gebreken hersteld met nieuw besluit: herziening en terugvordering aangepast. Verweerder heeft hiervan ten onrechte geen consequenties verbonden aan het primaire besluit tot beëindiging van de uitkering. Beroep tegen nieuwe besluit gegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummer: UTR 19/2194

uitspraak van de meervoudige kamer van 11 juni 2020 in de zaak tussen

[eiseres] , te [woonplaats] , eiseres

(gemachtigde: mr. M.H.R. de Boer),

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, verweerder

(gemachtigde: mr. E. de Roy van Zuydewijn).

Procesverloop

Bij besluit van 13 juli 2018 (het primaire besluit 1) heeft verweerder de uitkering die eiseres heeft ontvangen op grond van de Werkloosheidswet (WW) in de periode van 5 november 2012 tot en met 30 juni 2018 herzien en over die periode een bedrag van € 72.730,49 bruto aan volgens verweerder onverschuldigd betaalde WW-uitkering van haar teruggevorderd.

Bij besluit van 31 juli 2018 (het primaire besluit 2) heeft verweerder de WW-uitkering van eiseres beëindigd per 5 november 2012.

Bij besluit van 23 april 2019, aangevuld met het besluit van 24 april 2019, (samen het bestreden besluit 1) heeft verweerder de bezwaren van eiseres (tegen het primaire besluit 1) gegrond verklaard, in die zin dat de terugvordering is verlaagd naar een bedrag van
€ 67.083,60 bruto.

Eiseres heeft vervolgens beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek op de zitting heeft plaatsgevonden op 13 februari 2020. Eiseres was samen met haar gemachtigde op de zitting. Daarnaast was de partner van eiseres aanwezig. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Bij tussenuitspraak van 20 maart 2020 (de tussenuitspraak) heeft de rechtbank verweerder in de gelegenheid gesteld om binnen vier weken na verzending van de tussenuitspraak, met inachtneming van wat in de tussenuitspraak is overwogen, de geconstateerde gebreken in het bestreden besluit te herstellen (ECLI:NL:RBMNE:2020:1336).

Verweerder heeft in reactie op de tussenuitspraak op 8 april 2020 een nieuw besluit genomen (het bestreden besluit 2). Daarbij heeft hij het bezwaar van eiseres tegen het primaire besluit 1 opnieuw gegrond verklaard, in die zin dat de terugvordering is verlaagd naar een bedrag van € 55.068,03 bruto.

Eiseres heeft hierop een schriftelijke zienswijze (de zienswijze) gegeven.

De rechtbank heeft op 25 mei 2020 bepaald dat een nadere zitting achterwege blijft en het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. De rechtbank moet in deze einduitspraak beoordelen of verweerder erin is geslaagd om de bij tussenuitspraak geconstateerde gebreken te herstellen. Voor de rechtbank geldt bij deze beoordeling als uitgangspunt wat zij al in die tussenuitspraak heeft overwogen.

Feiten

2. De rechtbank verwijst voor de feiten naar de tussenuitspraak. Voor de leesbaarheid van deze einduitspraak benoemt de rechtbank hierna enkele feiten.

3. Verweerder heeft aan eiseres een WW-uitkering toegekend per 1 juni 2012. Eiseres heeft afwisselende perioden WW-uitkering ontvangen of gewerkt. Verweerder is na een anonieme tip een onderzoek gestart. Op basis van dit onderzoek heeft verweerder geconcludeerd dat eiseres zich niet aan de in artikel 25 van de WW neergelegde inlichtingenplicht heeft gehouden. Vervolgens heeft verweerder de WW-uitkering van eiseres herzien/beëindigd en teruggevorderd.

De tussenuitspraak

4. De rechtbank heeft in haar tussenuitspraak aangesloten bij de door verweerder in het bestreden besluit gemaakte verdeling van de terugvorderingsperiode (5 november 2012 tot en met 30 juni 2018) in drie afzonderlijke periodes. De rechtbank heeft in haar tussenuitspraak geoordeeld dat verweerder over periode 1 (5 november 2012 tot en met de aanvraag faillissementsuitkering, eind 2013) de WW-uitkering ten onrechte heeft herzien en teruggevorderd. Over periode 3 (14 april 2017 tot en met 30 juni 2018) heeft de rechtbank geoordeeld dat verweerder voor de vraag of het recht op een WW-uitkering kan worden vastgesteld, had moeten uitgaan van het door eiseres in bezwaar verstrekte overzicht van 25 maart 2019. De rechtbank heeft over periode 2 (9 december 2013 tot en met 19 juli 2016) geoordeeld dat eiseres de inlichtingenplicht heeft geschonden, waardoor het recht op uitkering niet kan worden vastgesteld en dat verweerder terecht de toekenningsbesluiten heeft ingetrokken. De rechtbank heeft verweerder in de gelegenheid gesteld om het gebrekkige bestreden besluit te herstellen door een nieuw besluit te nemen, waarbij de herziening over de periode 1 buiten beschouwing worden gelaten en de herziening over periode 3 geheel wordt gebaseerd op het in bezwaar verstrekte overzicht van 25 maart 2019. Verder dient verweerder de terugvordering opnieuw te berekenen.

Het bestreden besluit 2

5.1

Ter uitvoering van de tussenuitspraak heeft verweerder het bestreden besluit 1 op 8 april 2020 als volgt gewijzigd. Het bezwaar van eiseres tegen het primaire besluit 1 is (opnieuw) gegrond geacht. De WW-uitkering wordt over periode 1 niet herzien. De betaalde WW-uitkering in die periode wordt daarom niet teruggevorderd. De terugvordering wordt hierdoor met een bedrag van € 10.057,74 bruto verlaagd. Verweerder heeft daarnaast besloten om de WW-uitkering over de hele periode 3 niet te herzien. Het in die periode betaalde bedrag aan WW-uitkering wordt niet teruggevorderd. De terugvordering wordt hierdoor met een bedrag van € 1.957,83 bruto verlaagd. Na deze wijzigingen resteert een terugvordering van een bedrag van € 55.068,03 bruto.

5.2

De rechtbank leest het bestreden besluit 2 zo dat verweerder met het besluit van 8 april 2020 het oorspronkelijke bestreden besluit van 23 april 2019, aangevuld met het besluit van 24 april 2019, wat de periode van herziening en hoogte van terugvordering betreft, heeft gewijzigd. Het bestreden besluit 2 is daarom op grond van artikel 6:19 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) van rechtswege mede onderwerp van geschil.

Het beroep tegen het bestreden besluit 1

6. Omdat verweerder het oorspronkelijke bestreden besluit 1 wat de periode van de herziening en de hoogte van terugvordering betreft niet langer handhaaft, heeft eiseres geen belang meer bij een verdere inhoudelijke beoordeling van het bestreden besluit 1. De rechtbank zal het beroep voor zover gericht tegen het bestreden besluit 1 daarom niet-ontvankelijk verklaren. Er bestaat aanleiding om verweerder te veroordelen in de kosten die eiseres redelijkerwijs in verband met de behandeling van het beroep gericht tegen het bestreden besluit 1 bij de rechtbank heeft moeten maken. De rechtbank zal dit doen in overweging 12.
Hierna zal de rechtbank ingaan op de door eiseres naar voren gebrachte zienswijze over het bestreden besluit 2.

De zienswijze over het bestreden besluit 2
7. Eiseres is het niet eens met het bestreden besluit 2. Zij voert in deze zienswijze geen gronden aan tegen de wijze waarop verweerder de geconstateerde gebreken in het bestreden besluit 2 heeft hersteld. Eiseres voert wel aan dat verweerder het bestreden besluit 1 ten onrechte niet heeft gewijzigd ten aanzien van haar bezwaar tegen het primaire besluit 2. Verweerder heeft met het primaire besluit 2 de WW-uitkering beëindigd per 5 november 2012. Deze beëindiging kan volgens eiseres niet in stand blijven.

De beoordeling door de rechtbank

8.1

De rechtbank is van oordeel dat verweerder met het bestreden besluit 2 de in de tussenuitspraak geconstateerde gebreken heeft hersteld. Verweerder heeft besloten om niet te herzien voor periode 1 en periode 3 en heeft de terugvordering hierop aangepast.

8.2

De rechtbank is met eiseres van oordeel dat verweerder aan het aanpassen van de herziening en terugvordering ten onrechte in het bestreden besluit 2 geen consequenties heeft verbonden aan het bezwaar van eiseres tegen het primaire besluit 2, dat ziet op de beëindiging van de WW-uitkering van eiseres per 5 november 2012. Verweerder heeft aan het primaire besluit 2 ten grondslag gelegd dat als gevolg van het niet nakomen van de inlichtingenplicht in de periode van 5 november 2012 tot en met 30 juni 2018 het recht, de duur en de hoogte van de WW-uitkering van eiseres niet kan worden vastgesteld. Nu verweerder met het bestreden besluit 2 het recht voor de periodes 1 en 3 alsnog heeft vastgesteld, valt de grondslag voor beëindiging per 5 november 2012 weg. Verweerder had dit in zijn herstelpoging moeten betrekken. Het beroep tegen het bestreden besluit 2 zal wegens strijd met artikel 7:11, tweede lid, van de Awb gegrond worden verklaard en zal worden vernietigd voor zover dat betrekking heeft op het bezwaar tegen het primaire besluit 2. De rechtbank ziet aanleiding om uit oogpunt van finale geschilbeslechting op dit punt met toepassing van het bepaalde in artikel 8:72, derde lid, onder b, van de Awb zelf in de zaak te voorzien. Zij zal doen wat verweerder had behoren te doen, dus het bezwaar tegen het primaire besluit 2 gegrond verklaren en het primaire besluit 2 herroepen. De rechtbank heeft overwogen om zelf voorziend te bepalen dat de WW-uitkering van eiseres wordt beëindigd per 9 december 2013, dus met de start van periode 2. Gelet op het feit dat het Uwv op en na deze datum nog besluiten over de toekenning van de WW-uitkering heeft genomen, kan de rechtbank echter niet overzien of dit gevolgen heeft voor die besluiten. De rechtbank heeft daarom hiervan afgezien. De rechtbank zal bepalen dat deze uitspraak in de plaats treedt van dit vernietigde deel van het bestreden besluit 2.

Conclusie

9. Het beroep van eiseres, voor zover gericht tegen het bestreden besluit 1, is niet-ontvankelijk (zie overweging 6).

10. Het beroep van eiseres tegen het bestreden besluit 2 is gegrond. Het bestreden besluit 2 zal worden vernietigd, voor zover dat betrekking heeft op het bezwaar tegen het primaire besluit 2. De rechtbank voorziet zelf in de zaak op de wijze zoals staat vermeld in overweging 8.2.

11. Gelet op overweging 6 bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiseres het door haar betaalde griffierecht vergoedt.

12. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.312,50 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting en 0,5 punt voor het indienen van een schriftelijke zienswijze na een bestuurlijke lus met een waarde per punt van € 525,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep, voor zover gericht tegen het bestreden besluit 1, niet-ontvankelijk;

  • -

    verklaart het beroep, voor zover gericht tegen het bestreden besluit 2, gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit 2, voor zover dat betrekking heeft op het bezwaar van eiseres tegen het primaire besluit 2;

- verklaart het bezwaar van eiseres tegen het primaire besluit 2 gegrond, herroept het primaire besluit 2 en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van dat vernietigde gedeelte van het bestreden besluit 2;

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 47,- aan eiseres te vergoeden;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van

€ 1.312,50.

Deze uitspraak is op 11 juni 2020 gedaan door mr. N.M.H. van Ek, voorzitter, en

mr. Y. Sneevliet en mr. J.L.W. Broeksteeg, leden, in aanwezigheid van mr. M. van Dalen, griffier. Als gevolg van maatregelen rondom het Coronavirus is deze uitspraak niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Zodra het openbaar uitspreken weer mogelijk is, wordt deze uitspraak, voor zover nodig, alsnog in het openbaar uitgesproken

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak en de tussenuitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.