Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2020:2146

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
12-06-2020
Datum publicatie
18-06-2020
Zaaknummer
AWB - 20 _ 970
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

vovo buiten zitting. geen spoedeisend belang, kennelijk ongegrond

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummer: UTR 20/970

uitspraak van de voorzieningenrechter van 12 juni 2020 in de zaak tussen

[verzoeker] en [verzoekster], te [woonplaats] , verzoekers

(gemachtigde: mr. R. Küçükünal),

en

het dagelijks bestuur van de Regionale Dienst Werk en Inkomen, verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 27 januari 2020 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van verzoekers om een bijstandsuitkering niet in behandeling genomen.

Verzoekers hebben tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt. Verzoekers hebben de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

Verweerder heeft bij besluit van 24 april 2020 (het bestreden besluit) het bezwaar van verzoekers ongegrond verklaard met wijziging van de grondslag van het primaire besluit. Verweerder heeft de aanvraag inhoudelijk beoordeeld en zich op het standpunt gesteld dat het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld, omdat verzoekers de op hen rustende inlichtingen- en medewerkingsplicht hebben geschonden door niet hun Kimlik-nummers aan verweerder kenbaar te maken.

Verzoekers hebben tegen het bestreden besluit beroep ingesteld, zodat het verzoek om een voorlopige voorziening geldt als een verzoek gedaan hangende het beroep bij de rechtbank.

Overwegingen

1. Artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bepaalt dat indien tegen een besluit bij de bestuursrechter beroep is ingesteld dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de bestuursrechter, bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de bestuursrechter die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening kan treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

2. Op grond van artikel 8:83, derde lid, van de Awb kan de voorzieningenrechter uitspraak doen zonder partijen uit te nodigen om op een zitting te verschijnen indien de voorzieningenrechter kennelijk onbevoegd is of het verzoek kennelijk niet-ontvankelijk, kennelijk ongegrond of kennelijk gegrond is. Gelet op wat hierna is overwogen en geoordeeld ziet de voorzieningenrechter aanleiding om van deze bevoegdheid gebruik te maken.

3. Voordat toegekomen kan worden aan een voorlopig inhoudelijke rechtmatigheidsbeoordeling van de zaak moet de vraag worden beantwoord of verzoekers spoedeisend belang hebben bij het treffen van de gevraagde voorlopige voorziening.

4. Verzoekers hebben over hun spoedeisend belang aangevoerd dat zij zich geconfronteerd zien met een situatie waarbij ze geen bron van inkomsten hebben. Zij dienen wel te voorzien in de kosten voor huisvesting en andere primaire levensbehoeften.

5. Bij brieven van 5 maart 2020 en 19 mei 2020 heeft de griffier van de rechtbank verzoekers verzocht hun financiële situatie nader met stukken te onderbouwen.

6. In hun reactie van 11 maart 2020 hebben verzoekers aangevoerd dat zij facturen van hun zorgverzekeraar niet hebben kunnen voldoen. Zij hebben een betalingsregeling afgesproken, maar ook hieraan kunnen zij niet voldoen. Daarnaast moet verzoekster een ingreep ondergaan bij de tandarts omdat haar tanden zijn ontstoken. Deze behandeling kan niet worden uitgevoerd omdat verzoekster dit niet kan betalen. Ook hebben verzoekers aangevoerd dat sprake is van een dreigende ontruiming als gevolg van een huurachterstand. Zij verwijzen ter onderbouwing hiervan naar een e-mailwisseling tussen hun advocaat en [A] . Verder wijzen zij naar bankafschriften waaruit volgens hen blijkt dat het saldo ontoereikend is om de openstaande schulden jegens [naam organisatie] en de zorgverzekeraar te kunnen voldoen. In hun brief van 25 mei 2020 hebben zij hun situatie nader toegelicht. Zij voeren aan dat hun aanvullende zorgverzekering is stopgezet door de zorgverzekeraar omdat zij deze niet konden betalen. Uit de brief van hun zorgverzekeraar blijkt dat de aanvullende zorgverzekering per 1 juni 2020 is stopgezet.

7. De voorzieningenrechter is van oordeel dat uit de stukken die verzoekers in deze procedure hebben overgelegd niet blijkt dat sprake is van een zodanige financiële noodsituatie dat een onomkeerbare situatie dreigt. In de e-mailwisseling tussen hun advocaat en [A] wordt weliswaar gesproken over een huurachterstand, maar verzoekers hebben geen aanmaningen van hun verhuurder/de woningcorporatie overgelegd waaruit bijvoorbeeld blijkt over welke maanden zijn geen huur zouden hebben betaald. Ook blijkt niet dat de woningcorporatie een ontruimingsprocedure is gestart dan wel heeft aangekondigd een dergelijke procedure op korte termijn te zullen starten.
Dat verzoekers een achterstand hebben in de betalingen van de premie voor de zorgverzekering betekent evenmin dat een onomkeerbare medische noodsituatie dreigt. De aanvullende zorgverzekering is stopgezet, maar verzoekers houden hun basisverzekering en zij zijn dan ook verzekerd voor medisch noodzakelijke zorg.
Van andere betalingsachterstanden is niet gebleken. Uit de overgelegde bankafschriften blijkt dat er maandelijks bijschrijvingen plaatsvinden van de Belastingdienst. Voorts blijkt uit vorenbedoelde e-mailwisseling dat verzoekers een onderhandse lening met familie zijn aangegaan om in bepaalde kosten van levensonderhoud te voorzien.
Gelet op het voorgaande hebben verzoekers niet aannemelijk gemaakt dat nu een onomkeerbare (financiële dan wel medische) noodsituatie dreigt. De conclusie is dat verzoekers niet aannemelijk hebben gemaakt dat sprake is van een spoedeisend belang om de gevraagde voorziening te treffen.

8. De voorzieningenrechter is van oordeel dat op basis van de nu overgelegde stukken en ingenomen standpunten niet evident is dat het bestreden besluit onrechtmatig is en dus geen stand zal kunnen houden. Met evident onrechtmatig wordt bedoeld dat zonder diepgaand onderzoek naar de relevante feiten en/of het recht zeer ernstig moet worden betwijfeld of het door verweerder ingenomen standpunt juist is en of het primaire besluit in de bodemprocedure in stand zal blijven. Bij dit voorlopig rechtmatigheidsoordeel heeft de voorzieningenrechter in aanmerking genomen dat verweerder ter verificatie van de door of namens verzoekers gegeven antwoorden over het al dan niet hebben van onroerende goed in het buitenland hen heeft gevraagd om hun zogenoemde Kimlik-nummers te verstrekken. In hetgeen verzoekers in deze procedure hebben aangevoerd, ziet de voorzieningenrechter geen grond voor het oordeel dat verweerder niet daartoe bevoegd was.

9. Uit het voorgaande volgt dat geen sprake is van een spoedeisend belang en dat het bestreden besluit ook niet evident onrechtmatig is. Gelet hierop ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding de belangenafweging in het voordeel van verzoekers te laten uitvallen. Het verzoek is kennelijk ongegrond.

10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Ramsaroep, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. C. ten Klooster, griffier. De beslissing is gedaan op 12 juni 2020.
Als gevolg van maatregelen rondom het coronavirus is deze uitspraak niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Zodra het openbaar uitspreken weer mogelijk is, wordt deze uitspraak, voor zover nodig, alsnog in het openbaar uitgesproken.

De griffier is verhinderd om deze voorzieningenrechter

uitspraak mede te ondertekenen

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.