Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2020:2135

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
11-06-2020
Datum publicatie
14-07-2020
Zaaknummer
C/16/500852 / KG ZA 20-171
Formele relaties
Herstelde uitspraak: ECLI:NL:RBMNE:2020:1987
Rechtsgebieden
Burgerlijk procesrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

herstelvonnis

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Civiel recht

handelskamer

locatie Utrecht

zaaknummer / rolnummer: C/16/500852 / KG ZA 20-171

Vonnis van 11 juni 2020

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[eiseres] B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats 3] ,

eiseres,

advocaten mr. H.J.A. van der Meer en mr. C.C.M. van Gisbergen te Amsterdam,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[gedaagde] B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats 1] ,

gedaagde,

advocaat mr. J.B. Kloosterman te Rotterdam.

Partijen zullen hierna [eiseres] en [gedaagde] genoemd worden.

1 De verzoeken tot verbetering

Het verzoek van [eiseres]

1.1.

Mr. Van Gisbergen heeft de rechtbank in een mail van 29 mei 2020 namens [eiseres] verzocht om verbetering, althans aanvulling van het op 27 mei 2020 in deze zaak gewezen vonnis.

In 2.4 van het vonnis van 27 mei 2020 staat dat [eiseres] opheffing heeft gevorderd van de door [gedaagde] gelegde beslagen onder: de Stichting beheer derdengelden [.] [....] [..] , [C] en [.] [....] N.V. Deze beslagen heeft de rechtbank opgeheven.

[eiseres] vorderde echter ook opheffing van het beslag onder de Coöperatieve Rabobank U.A. In het vonnis is daar niet op ingegaan en dat beslag is dus niet opgeheven, terwijl uit het vonnis niet blijkt dat er redenen zijn om dat beslag in stand te laten. Volgens [eiseres] is sprake van een kennelijke omissie en zij verzoekt om aanvulling van het vonnis.

1.2.

Mr. Kloosterman heeft op 8 juni 2020 aan de voorzieningenrechter gemaild dat [gedaagde] bezwaar heeft tegen inwilliging van dat verzoek. Artikel 31 Wetboek van burgerlijke rechtsvordering biedt hiervoor geen grondslag. Het betreft immers een ander beslag. [gedaagde] heeft ook het nodige gesteld over de rol van de Rabobank als oprichter van [eiseres] . Daarop had een afzonderlijke beslissing genomen moeten worden. Volgens Kloosterman zou [gedaagde] door de aanvulling onevenredig worden benadeeld.

1.3.

In het vonnis van 27 mei 2020 is inderdaad verzuimd te beslissen op de vordering tot opheffing van het beslag onder de Coöperatieve Rabobank U.A. Per abuis is deze vordering niet overgenomen in 2.4., de beschrijving van het gevorderde, en evenmin genoemd in de beslissing onder 3.1.

Op grond van artikel 32 Wetboek van burgerlijke rechtsvordering kan een vonnis worden aangevuld. Ook dit deel van de vordering zal worden toegewezen; dit beslag wordt opgeheven. In 2.28 heeft de voorzieningenrechter geconcludeerd dat summierlijk blijkt van de ondeugdelijkheid van het door [gedaagde] ingeroepen recht en dat de belangenafweging in het voordeel van [eiseres] uitvalt. Dáárom heft de voorzieningenrechter het beslag op. Een dergelijke beslissing strekt zich uit over alle gelegde beslagen waarvan opheffing wordt gevorderd, dus ook over het beslag onder de Rabobank. [gedaagde] laat na uit te leggen waaruit de ‘onevenredige benadeling’ door deze aanvulling bestaat. Die stelling leidt niet tot een ander oordeel.

Het verzoek van [eiseres]

1.4.

Mr. Kloosterman heeft in zijn email van 8 juni 2020 op zijn beurt ook verzocht om een verbetering van het op 27 mei 2020 in deze zaak gewezen vonnis. Volgens mr. Kloosterman staat in 2.10 een kennelijke fout waar geoordeeld wordt dat geen sprake is van een cessie. Mr. Kloosterman noemt een brief van 4 februari 2020 (productie 18) waarin de cessie wordt bevestigd. Ook in 2.19 ziet mr. Kloosterman een kennelijke fout, omdat bij het oordeel over de “en/of” bepaling niet wordt ingegaan op de verklaring van de notaris, die uitdrukkelijk stelt dat er aan de beide genoemde partijen had moeten worden aangeboden.

1.5.

De voorzieningenrechter heeft [eiseres] in de gelegenheid gesteld zich over dit verzoek uit te laten. Mr. Van Gisbergen heeft per mail van 10 juni 2020 aan de voorzieningenrechter bericht dat [eiseres] tegen inwilliging van dat verzoek bezwaar heeft. Wat betreft de brief over de cessie, wijst mr. Van Gisbergen erop dat de voorzieningenrechter in 2.16 e.v. heeft geoordeeld dat ook als er wel een geldige cessie zou hebben plaatsgevonden, er summierlijk is gebleken van de ondeugdelijkheid van het door [gedaagde] ingeroepen recht en dat ook de belangenafweging in het voordeel van [eiseres] uitvalt. Wat betreft het niet ingaan op de verklaring van de notaris, is in 2.19 overwogen dat aan de standpunten van [gedaagde] en [eiseres] over wat de bedoeling is geweest van de bij de koopovereenkomst betrokken partijen maar beperkte betekenis kan worden toegekend, waaronder volgens mr. Van Gisbergen ook de verklaring van de notaris is begrepen.

1.6.

De voorzieningenrechter is van oordeel dat in het vonnis van 27 mei 2020 geen sprake is van kennelijke fouten, die zich voor eenvoudig herstel lenen. De inhoudelijke bezwaren die [gedaagde] naar voren brengt, kan zij eventueel in hoger beroep naar voren brengen.

In 2.10 staat het toetsingskader voor een geldige cessie beschreven, niet een oordeel daarover. [gedaagde] heeft in dit geschil geen brief van 4 februari 2020 genoemd of daarover stellingen ingenomen. Naar de voorzieningenrechter begrijpt uit de reactie van mr. Van Gisbergen, is deze overgelegd in de bodemprocedure.

In 2.19 is overwogen dat geen van partijen nu in dit geschil partij was bij de overeenkomst, waardoor aan hun standpunten over de bedoelingen ervan beperkt betekenis wordt toegekend.

1.7.

De voorzieningenrechter zal de verzoeken van [gedaagde] dan ook afwijzen.

2 De beslissing

De voorzieningenrechter

2.1.

bepaalt dat aan het eind van 2.4. van het op 27 mei 2020 tussen [eiseres] en [gedaagde] gewezen vonnis dient te worden toegevoegd

“Ook onder de Coöperatieve Rabobank U.A. is conservatoir beslag gelegd, waarvan [eiseres] opheffing vordert.”

2.2.

bepaalt dat aan het eind van 3.1. van het op 27 mei 2020 tussen [eiseres] en [gedaagde] gewezen vonnis dient te worden toegevoegd

“heft op het op 14 februari 2020 ten laste van [eiseres] onder de Coöperatieve Rabobank U.A. gelegde beslag,”

2.3.

bepaalt dat deze aanvullingen onder de vermelding van de datum 11 juni 2020 wordt vermeld op de minuut van het vonnis van 27 mei 2020,

2.4.

gelast elk van partijen, voor zover zij dit niet reeds hebben gedaan, de ontvangen grosse dan wel het ontvangen afschrift van het vonnis van 27 mei 2020 na ontvangst van deze aanvullende beslissing aan de griffie van de rechtbank te retourneren.

2.5.

het meer of anders gevorderde wordt afgewezen.

Dit vonnis is gewezen door mr. E.A. Messer en in het openbaar uitgesproken op 11 juni 2020.1

1 FvG (4197)