Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2020:2132

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
10-06-2020
Datum publicatie
18-06-2020
Zaaknummer
UTR 20 /1685
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

CBR, vovo, oplegging onderzoek, schorsing rijbewijs, vovo toegewezen voor zover schorsing rijbewijs, belang verzoeker weegt zwaarder

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummer: UTR 20/1685

uitspraak van de voorzieningenrechter van 10 juni 2020 op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen

[verzoeker] , te [woonplaats] , verzoeker

(gemachtigde: mr. Y. Bouchikhi),

en

de algemeen directeur van het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen, verweerder

(gemachtigde: mr. L. van Dijk-Jonkers).

Procesverloop

Bij besluit van 6 april 2020 (het primaire besluit) heeft verweerder besloten dat verzoeker een onderzoek moet doen naar zijn rijgeschiktheid. Daarbij heeft verweerder besloten dat verzoeker in elk geval niet meer mag rijden tot de uitslag van het onderzoek.

Verzoeker heeft tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt. Verzoeker heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

Vanwege de omstandigheden rond het coronavirus is er geen fysieke zitting gehouden bij de rechtbank. Verzoeker en de gemachtigden van verzoeker en verweerder zijn op 9 juni 2020 telefonisch gehoord door de voorzieningenrechter.

Overwegingen

Wat is het karakter van deze procedure?

1. Het gaat in deze zaak om een verzoek om voorlopige voorziening. Uitgangspunt van de wet is dat een bezwaar de werking van een besluit niet opschort (artikel 6:16 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)). Met andere woorden: het besluit blijft gelden ook als er bezwaar tegen is gemaakt. Die hoofdregel kan worden doorbroken door het treffen van een voorlopige voorziening. De mogelijkheid daartoe is geregeld in artikel 8:81 van de Awb. In dat artikel staat dat als tegen een besluit bezwaar is gemaakt, de voorzieningenrechter op verzoek een voorlopige voorziening kan treffen als onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. De verzoeker moet dus goede redenen hebben die maken dat hij het besluit op zijn bezwaar niet kan afwachten en een uitzondering op de hoofdregel dat het bezwaar de uitvoering van het besluit niet schorst, rechtvaardigen. Een voorlopige voorziening heeft – zoals de term al zegt – het karakter van een tussenmaatregel, in afwachting van het besluit op het bezwaar. De beoordeling die de voorzieningenrechter maakt, is dus voorlopig van aard en de rechtbank die op een later moment in een mogelijke bodemprocedure over de zaak beslist, is niet aan het oordeel van de voorzieningenrechter gebonden.

Heeft verzoeker een spoedeisend belang bij deze procedure?

2. Een voorwaarde voor het treffen van een voorlopige voorziening is dat degene die het verzoek doet een spoedeisend belang heeft bij zijn verzoek. Verzoeker is op 16 mei 2020 onderzocht door een psychiater en is op 2 juni 2020 gehoord door een hoorcommisie van het CBR over zijn bezwaren. Tot op heden heeft dit niet geleid tot een ander standpunt van verweerder. Verzoeker heeft naar het oordeel van de voorzieningenrechter voldoende onderbouwd dat hij een spoedeisend belang heeft. Verzoeker heeft twee minderjarige kinderen die beiden medische complicaties hebben. Zijn dochter zit op speciaal onderwijs en zijn zoon heeft in januari 2020 een zware hersenoperatie gehad. Hij heeft dit onderbouwd met medische stukken. Zijn kinderen zijn zeer kwetsbaar en mogen – gelet op Covid 19 – niet onder mensen komen in deze tijd, met het openbaar vervoer reizen of onnodig buiten komen. Het rijbewijs heeft hij nodig om zijn zoon, die moet revalideren, naar het ziekenhuis te brengen en zijn dochter naar speciaal onderwijs te brengen. De voorzieningenrechter zal het verzoek dan ook inhoudelijk bespreken en beoordelen of zijn bezwaar kans van slagen heeft.

Wat is de aanleiding voor deze uitspraak?

3. Verzoeker is op 22 april 2019 aangehouden in Duitsland als bestuurder van een motorvoertuig wegens het rijden onder invloed van verdovende middelen. Onderzoek heeft uitgewezen dat het MDMA-gehalte in het bloed een waarde had van 50 ng/ml. Op 9 december 2019 heeft de Fahrerlaubnisbehörde Landeshauptstadt Düsseldorf - de Duitse autoriteiten vergelijkbaar met het CBR - het rijbewijs van verzoeker ongeldig verklaard voor het gebruik daarvan in Duitsland.

4. De RDW is in december 2019 via het Europees meldingssysteem Eucaris hierover geïnformeerd. De RDW heeft vervolgens een melding gedaan aan verweerder, waarna de directeur van verweerder op 17 februari 2020 een mededeling heeft gedaan1 dat er een vermoeden bestaat dat verzoeker niet langer beschikt over de lichamelijke of geestelijke gesteldheid vereist voor het besturen van de categorieën B en T van de motorrijtuigen waarvoor zijn rijbewijs is afgegeven. Dit vermoeden is gebaseerd op de feiten en omstandigheden die bestaan uit de melding van de RDW over het MDMA-gehalte in verzoekers bloed.

Waarom heeft verweerder dit besluit genomen?

5. Verweerder heeft dit besluit genomen, omdat uit de informatie van Eucaris volgt dat verzoeker in Duitsland onder invloed van verdovende middelen (MDMA) heeft gereden. Volgens verweerder heeft verzoeker door deel te nemen aan het verkeer onder invloed van drugs de verkeersveiligheid in gevaar gebracht en moet hij een onderzoek ondergaan naar zijn drugsgebruik2. Tot de resultaten van dit onderzoek bekend zijn, is de geldigheid van verzoekers rijbewijs geschorst en mag hij niet autorijden3.

Waarom is verzoeker het niet eens met het besluit?

6. Verzoeker voert aan dat hij nooit (opzettelijk) MDMA of andere drugs heeft gebruikt, laat staan dat hij dit gebruikt heeft tijdens en/of voor het besturen van een voertuig. Verzoeker voldoet niet aan de criteria van artikel 131 van de WVW 1994. Zo was hij tijde van het besturen van de auto niet (bewust) onder invloed van drugs, is er geen sprake van een mededeling op grond van artikel 130, eerste lid, van de WVW 1994 en is hij geen recidivist. Verweerder heeft dus geen grond om te vermoeden dat verzoeker niet langer voldoet aan de eisen van geschiktheid. Daarnaast zijn de rechtstreeks bij besluit betrokken belangen van verzoeker niet meegenomen door verweerder. Na het feit van 22 april 2019 heeft zich niets voorgedaan op basis waarvan verweerder moet twijfelen aan zijn geschiktheid. Tijdens de zitting voert de gemachtigde van verzoeker aan dat hij op maandag 8 juni 2020 het verslag van de psychiater heeft ontvangen naar aanleiding van het onderzoek dat op 16 mei 2020 heeft plaatsgevonden. De voorlopige conclusie van de psychiater is dat er geen sprake is van de diagnose drugsmisbruik of drugsafhankelijkheid in ruime zin, ook niet ten tijde van de aanleiding op 22 april 2019.

Wat is het standpunt van verweerder?

7. Verweerder stelt zich op het standpunt dat verzoeker de verkregen informatie van de Duitse autoriteiten niet heeft betwist. Verweerder is bij de gemeten hoeveelheid drugs verplicht een onderzoek op te leggen en de geldigheid van het rijbewijs te schorsen. Volgens verweerder is hij daartoe, reeds bij het bestaan van een vermoeden van ongeschiktheid, op grond van de wet verplicht en heeft hij geen bevoegdheid om hiervan af te wijken van het opleggen van een onderzoek. Opzet bij het rijden onder invloed van drugs is niet vereist. Het feit dat verzoeker heeft gereden in een motorvoertuig en dat hij onder invloed was van drugs is voldoende voor het opleggen van een onderzoek. Dat verzoeker geen recidivist is, is ook niet vereist. Over de voorlopige conclusie van de psychiater stelt verweerder zich op het standpunt dat als dit inderdaad de eindconlusie is, verzoeker zijn rijbewijs terug krijgt, maar dat er op dit moment geen aanleiding bestaat om de schorsing van het rijbewijs ongedaan te maken.

Wat is het oordeel van de voorzieningenrechter?

8. De voorzieningenrechter is van oordeel dat verweerder op grond van de wet- en regelgeving verplicht was om verzoeker een medisch onderzoek op te leggen.

De voorzieningenrechter stelt vast, hoewel verzoeker heeft betwist dat hij opzettelijk drugs heeft gebruikt, laat staan dat hij bewust onder invloed heeft gereden, verzoeker dit op geen enkele wijze heeft onderbouwd. Verweerder mocht dan ook van de informatie van de Duitse autoriteiten uitgaan. Hieruit komt naar voren dat in het bloed van verzoeker MDMA is aangetroffen in een hoeveelheid die aannemelijk maakt dat verzoeker tijdens het besturen van zijn auto onder invloed was van deze stof. De geschetste uiterlijke kenmerken duiden daar ook op. De voorzieningenrechter is dan ook van oordeel de gronden die verzoeker in dit kader heeft aangevoerd niet slagen.

9. Gelet op de toepasselijke regelgeving (artikel 5a en 6 van de Regeling) was verweerder dan ook gehouden om verzoeker een onderzoek naar rijgeschiktheid op te leggen en om in afwachting daarvan de geldigheid van zijn rijbewijs te schorsen.

10. De toepasselijke wet- en regelgeving is dwingendrechtelijk van aard. Verweerder komt daarom niet toe aan een nadere afweging van omstandigheden zoals de gestelde probleemloze rijgeschiedenis en dat de aanhouding meer dan een jaar geleden heeft plaatsgevonden. Verweerder kan ook geen rekening houden met het door verzoeker geschetste belang bij het behoud van zijn rijbewijs. Voorts wordt opgemerkt dat voor oplegging van een onderzoek naar de geschiktheid en schorsing van de geldigheid van het rijbewijs een vermoeden van ongeschiktheid volstaat. Indien geen sprake is van ongeschiktheid kan dit juist blijken uit het opgelegde onderzoek. Het vorenstaande is ook herhaaldelijk bevestigd in de jurisprudentie.

11. Ook de overschrijding van de termijn zoals genoemd in artikel 131, eerste lid, sub c, van de WVW 1994 leidt er niet toe dat het besluit niet meer genomen kon worden. Reeds lang geleden is bepaald dat de termijn is opgenomen om besluitvorming te bespoedigen, maar niet om de bevoegdheid te ontnemen als de termijn wordt overschreden.

12. Naar voorlopig oordeel kan het besluit standhouden en biedt het bezwaar geen redelijke kans van slagen. Dit neemt niet weg dat de voorzieningenrechter desondanks een voorlopige voorziening kan treffen als verzoekers spoedeisend belang daartoe noopt. De voorzieningenrechter weegt de belangen van verzoeker die pleiten vóór het treffen van een voorlopige voorziening en de belangen van verweerder die pleiten tegen het treffen daarvan, als volgt. De belangen van verzoeker zijn al genoemd onder het kopje spoedeisend belang, waarbij met name de kwetsbare gezondheid van verzoekers zoon zwaar weegt. Uitgaande van de door de gemachtigde van verzoeker tijdens de zitting voorgelezen voorlopige conclusie van de psychiater, inhoudende dat geen sprake is van de diagnose drugsmisbruik of drugsafhankelijkheid in ruime zin, ook niet ten tijde van de aanleiding, staat de verkeersveiligheid minder dan voorheen op het spel. Ter zitting heeft verweerder gezegd dat als dit daadwerkelijk de conclusie van het onderzoek is, verzoeker zijn rijbewijs terugkrijgt nadat verweerder het rapport heeft getoetst. Gelet hierop en uitgaande van de door verzoekers gemachtigde voorgelezen rapportage, wegen in dit geval de belangen van verzoeker voor het treffen van een voorlopige voorziening zwaarder. De voorzieningenrechter schorst daarom de werking van het primaire besluit voor zover het de schorsing van de geldigheid van verzoekers rijbewijs betreft. Dit betekent dat verzoekers rijbewijs weer geldig is totdat verweerder heeft beslist op het bezwaar van verzoeker.

13. Omdat het verzoek om een voorlopige voorziening wordt toegewezen, bepaalt de voorzieningenrechter dat het CBR het door verzoeker betaalde griffierecht van € 178,– aan hem terug moet terugbetalen.

14. Ook veroordeelt de voorzieningenrechter het CBR in de door verzoeker gemaakte proceskosten. Die kosten stelt de voorzieningenrechter op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.050,– (1 punt voor het indienen van het verzoekschrift, 1 punt voor het bijwonen van de zitting met een waarde per punt van € 525,– en wegingsfactor 1).

Beslissing

De voorzieningenrechter:

  • -

    wijst het verzoek om voorlopige voorziening toe en schorst het primaire besluit voor zover het de schorsing van de geldigheid van verzoekers rijbewijs betreft, tot het CBR op het bezwaar heeft beslist;

  • -

    draagt het CBR op het betaalde griffierecht van € 178,– aan verzoeker terug te betalen;

  • -

    veroordeelt het CBR in de proceskosten van verzoeker van € 1.050,–, die moeten worden betaald aan verzoeker.

Deze uitspraak is gedaan door mr. P.J.M. Mol, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. M.M. van Luijk-Salomons, griffier. Als gevolg van maatregelen rondom het Coronavirus is deze uitspraak niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Zodra het openbaar uitspreken weer mogelijk is, wordt deze uitspraak, voor zover nodig, alsnog in het openbaar uitgesproken.

griffier voorzieningenrechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

1 als bedoeld in artikel 130, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994 (Wvw 1994)

2 artikel 23, derde lid, sub b, van de Regeling, bijlage 1 onder B, onderdeel I en II

3 artikel 5, sub a en artikel 6 van de Regeling