Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2020:2126

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
29-05-2020
Datum publicatie
12-06-2020
Zaaknummer
AWB - 19 _ 4580
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Wabo.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummer: UTR 19/4580

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 29 mei 2020 in de zaak tussen

[eiser] , te [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: E.I.A. de Cock),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Zeist, verweerder

Inleiding

1.1

Op 2 juli 2018 heeft vergunninghouder een omgevingsvergunning aangevraagd voor het

tijdelijk plaatsen van noodlokalen op het perceel [adres] in [woonplaats] (het perceel).

1.2

Op het perceel is het bestemmingsplan ‘Zeist Centrum’ van toepassing. Het perceel heeft

daarin de bestemming ‘Maatschappelijk’. Vergunninghouder wil bouwen buiten het in de verbeelding opgenomen bouwvlak.

1.3

Verweerder heeft met het besluit van 2 november 2018 (het primaire besluit) de gevraagde

omgevingsvergunning voor de duur van vijf jaar verleend voor de activiteiten ‘bouwen’ en ‘gebruik in strijd met het bestemmingsplan’.

1.4

Met het besluit van 17 september 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder het

bezwaar van eiser tegen het primaire besluit gegrond verklaard. Verweerder heeft het primaire besluit nader gemotiveerd en voor het overige in stand gelaten.

1.5

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Eiser heeft op 2 april 2020 nog nadere stukken ingediend.

1.6

Met toestemming van partijen heeft de rechtbank besloten dat een zitting achterwege kan blijven. Het onderzoek is gesloten op 29 april 2020.

Overwegingen

Standpunt verweerder

2. Verweerder heeft aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd dat het bouwplan weliswaar in strijd is met het bestemmingsplan, omdat buiten het bouwvlak wordt gebouwd, maar dat de omgevingsvergunning met toepassing van artikel 4, onderdeel 11, van bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht (Bor) kan worden verleend. De noodzaak van de noodlokalen is voldoende gemotiveerd. Het belang bij realisering van de noodlokalen weegt, mede gelet op de tijdelijkheid van de lokalen, zwaarder dan de belangen van eiser. Volgens verweerder is geen sprake van strijd met een goede ruimtelijke ordening.

Beoordeling van de beroepsgronden

3. Eiser voert allereerst aan dat het bestreden besluit onduidelijkheden en onjuistheden bevat over de ingangsdatum en de looptijd van de omgevingsvergunning en over aan de omgevingsvergunning verbonden voorwaarden ten aanzien van herstel in oude staat en de groene omranding.

4.1

De rechtbank stelt vast dat het bestreden besluit geen andere ingangsdatum dan die van het primaire besluit noemt. Dit betekent dat de ingangsdatum onverminderd 3 november 2018 is. De rechtbank ziet hierin geen onduidelijkheid. Dat de ingangsdatum 1 juni 2018 of oktober 2020 zou moeten zijn, zoals eiser stelt, volgt de rechtbank niet. Verweerder heeft op 2 november 2018 een besluit genomen op de aanvraag voor een omgevingsvergunning voor vijf jaar. Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State1 start de termijn als bedoeld in artikel 4, onderdeel 11, van bijlage II bij het Bor bij de vergunningverlening. In dit geval heeft verweerder dus terecht de ingangsdatum van de omgevingsvergunning op 3 november 2018 bepaald.

4.2

Wat betreft de aan de omgevingsvergunning verleende voorwaarden overweegt de rechtbank het volgende. In het bestreden besluit staat duidelijk dat het perceel moet worden hersteld in de oude staat. Dat daarvoor, zoals eiser stelt, een maximale termijn moet worden gegeven, klopt niet. Een termijn is op grond van artikel 5.16, lid 1, van het Bor niet vereist. Verder staat in het bestreden besluit dat de groene omranding alsnog als een verbindende voorwaarde aan de omgevingsvergunning wordt verbonden. De rechtbank begrijpt dit zo, dat de groene omranding als voorwaarde als bedoeld in artikel 2.22, lid 2, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) aan de omgevingsvergunning wordt verbonden. De rechtbank vindt deze voorwaarden voldoende duidelijk.

5. Eiser voert verder aan dat de groengordel te transparant is en dat hij daardoor zicht heeft op het bouwplan. Verder ondervindt hij lichtoverlast, omdat de lokalen sinds kort dag en nacht zijn verlicht en de beplanting weinig licht tegenhoudt. Daarom moet verweerder aanvullend groenblijvende beplanting voorschrijven en voorschriften aan de vergunning verbinden ter beperking van de verlichting buiten de gebruikstijden. Verder zou vergunninghouder verplicht moeten worden de gebouwen groen te schilderen. Dat pas beter in een goede ruimtelijke ordening.

6. De rechtbank stelt vast dat verweerder de invloed op eisers woongenot in de belangenafweging heeft betrokken en het algemeen belang bij realisering van de noodlokalen zwaarder heeft laten wegen. Dat algemeen belang bestaat eruit dat de lokalen en de gymzaal en de indeling van de school worden verbeterd zodat de school aantrekkelijk blijft voor kinderen uit de omgeving. Daarbij heeft verweerder betrokken dat de noodlokalen tijdelijk aanwezig zullen zijn. De rechtbank is van oordeel dat verweerder in redelijkheid deze belangenafweging heeft kunnen maken. Verder is de rechtbank van oordeel dat de kleur van de gebouwen geen aspect van een goede ruimtelijke ordening is, zodat dit niet in de weg kan staan aan de vergunningverlening.

7. Eiser voert ook aan dat de gevolgen van het bouwplan voor de parkeerdruk moeten worden betrokken in de besluitvorming. Doordat twee omgevingsvergunningen zijn verleend, zijn er namelijk uitbreidingsmogelijkheden.

8. De rechtbank is van oordeel dat duidelijk is dat de vergunninghouder de eerste omgevingsvergunning niet meer wil/gaat gebruiken. Hij heeft namelijk in de aanvraag van 2 juli 2018 aangegeven dat bij verlening van deze vergunning de eerdere vergunning voor de noodlokalen die geplaatst zouden zijn op de parkeerplaats vervalt. Verweerder heeft verder tegenover de adviescommissie bezwaarschriften verklaard dat de eerste vergunning al is ingetrokken of anders wordt ingetrokken. In het kader van de belangenafweging is daarmee voldoende gewaarborgd dat er geen toename van de parkeerdruk is.

9. Eiser voert ook aan dat er een goed alternatief is voor het bouwplan, dat € 30.000,- kost. Dat is, gelet op de totale bouwsom van 7 miljoen, niet zo veel. Verder moeten de kosten van een alternatief ook afgezet worden tegen de financiële belangen van omwonenden. Met het waardeverlies van hun woningen is ten onrechte geen rekening gehouden.

10. De rechtbank stelt voorop dat verweerder in beginsel moet uitgaan van de aanvraag die voorligt. Verweerder hoeft pas een alternatief in zijn besluitvorming te betrekken, wanneer op voorhand aannemelijk is dat sprake is van een gelijkwaardig resultaat met aanzienlijk minder bezwaren. Daarvan is hier geen sprake. In elk geval is het alternatief al duurder.

Overigens heeft eiser een waardedaling van zijn woning niet onderbouwd. Ook hierom al hoefde verweerder in het kader van de belangenafweging hieraan geen aandacht te besteden.

11. Eiser voert verder nog aan dat er zekerheid nodig is dat de omgevingsvergunning na vijf jaar niet nog eens verlengd kan worden.

12. De rechtbank overweegt dat deze vergunning is verleend voor vijf jaar. Voor zover verweerder de aanwezigheid van de noodlokalen daarna nog wil toestaan, moet vergunninghouder daarvoor een nieuwe aanvraag voor een omgevingsvergunning doen, waarop verweerder een nieuw besluit moet nemen. In het kader van die besluitvorming kan pas aan de orde komen of en in hoeverre eisers belangen zich hiertegen verzetten.

13. Eiser voert tot slot aan dat hij overleg had gewild. Na overleg was dit beroep misschien overbodig geweest. Eiser is nog steeds bereid tot overleg.

14. De rechtbank merkt hierover op dat verweerder en vergunninghouder niet verplicht zijn tot overleg. De rechtbank kan verweerder en vergunninghouder daar ook niet toe verplichten.

15. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan op 29 mei 2020 door mr. R.C. Stijnen, rechter, in aanwezigheid van mr. A. Belhadi, griffier. Als gevolg van maatregelen rondom het Corona virus is deze uitspraak niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Zodra het openbaar uitspreken weer mogelijk is, wordt deze uitspraak zo nodig alsnog in het openbaar uitgesproken.

de rechter is verhinderd om

de uitspraak te ondertekenen

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

1 Bijvoorbeeld de uitspraak van 16 augustus 2017, ECLI:NL:RVS:2017:2212