Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2020:2123

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
10-06-2020
Datum publicatie
10-06-2020
Zaaknummer
16-018595-20 (P)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte bekent dat hij op 28 mei 2019 samen met een ander goederen uit een woning heeft weggenomen. Bij de bepaling van de straf houdt de rechtbank rekening met de goede weg die verdachte is ingeslagen. Oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van 180 dagen, waarvan 93 dagen voorwaardelijk, met aftrek van het voorarrest. Daarnaast een taakstraf voor de duur van 60 uur.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Strafrecht

Zittingsplaats Utrecht

Parketnummer: 16-018595-20 (P)

Vonnis van de meervoudige kamer van 10 juni 2020

in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren op [1966] te [geboorteplaats] ,

wonende aan de [adres] , [woonplaats] .

1 ONDERZOEK TER TERECHTZITTING

Het onderzoek ter terechtzitting heeft plaatsgevonden op 27 mei 2020. De verdachte is in persoon verschenen en heeft zich ter terechtzitting laten bijstaan door mr. K.R. Koopman, advocaat te Zeist.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. C. Booij, de vordering van de benadeelde partij en van wat verdachte en zijn raadsvrouw naar voren hebben gebracht.

2 TENLASTELEGGING

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht. De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

- op 28 mei 2019 te [woonplaats] samen met een ander goederen uit een woning aan de [adres] heeft weggenomen, waarbij zij onbevoegd gebruik hebben gemaakt van de voordeursleutel van die woning.

3 VOORVRAGEN

De dagvaarding is geldig, de rechtbank is bevoegd tot kennisneming van het ten laste gelegde, de officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging van verdachte en er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 WAARDERING VAN HET BEWIJS

4.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht het ten laste gelegde wettig en overtuigend te bewijzen.

4.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft op dit punt geen verweer gevoerd.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

Verdachte heeft het ten laste gelegde feit bekend. De raadsvrouw heeft geen vrijspraak bepleit. Onder deze omstandigheden volstaat de rechtbank met een opgave van de bewijsmiddelen, als genoemd in artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering.

De rechtbank bezigt de volgende bewijsmiddelen1:

  • -

    de bekennende verklaring van verdachte ter terechtzitting van 27 mei 2020;

  • -

    een proces-verbaal van aangifte van [aangever]2.

5 BEWEZENVERKLARING

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte:

- op 28 mei 2019 te [woonplaats] , tezamen en in vereniging met een ander, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening uit een woning (gelegen aan de [adres] ) heeft weggenomen een televisie en een sonos playbar, toebehorende aan [aangever] , terwijl verdachte en zijn mededader zich de toegang tot de plaats van het misdrijf hebben verschaft en die weg te nemen goederen onder hun bereik hebben gebracht door middel van een valse sleutel door gebruik te maken van de voordeursleutels van die woning zonder daartoe gerechtigd te zijn;

Voor zover in het bewezen verklaarde deel van de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. Verdachte wordt hiervan vrijgesproken.

6 STRAFBAARHEID VAN HET FEIT

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is. Het bewezen verklaarde levert volgens de wet het volgende strafbare feit op:

- diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van valse sleutels.

7 STRAFBAARHEID VAN VERDACHTE

Er is geen omstandigheid gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8 OPLEGGING VAN STRAF

8.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd verdachte ter zake van het door de officier van justitie bewezen geachte te veroordelen tot:

- een gevangenisstraf van 180 dagen, met aftrek van het voorarrest, waarvan een gedeelte van 93 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren, met als (bijzondere) voorwaarde: een contactverbod met medeverdachte [medeverdachte] ,

- een taakstraf van 60 uren, met aftrek van het voorarrest, indien niet of niet naar behoren verricht te vervangen door 30 dagen hechtenis.

De officier van justitie heeft ter zitting kenbaar gemaakt dat hij bij de formulering van zijn

strafeis er van is uitgegaan dat verdachte 87 dagen in voorlopige hechtenis heeft

doorgebracht, en dat het uitdrukkelijk niet zijn bedoeling is dat verdachte terugkeert naar de

Penitentiaire Inrichting. Mocht de rechtbank tot een andere berekening komen, dan is het verzoek om het voorwaardelijk strafdeel hierop aan te passen.

8.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw verzoekt de rechtbank, voor het geval de rechtbank van oordeel is dat niet kan worden volstaan met oplegging van een gevangenisstraf gelijk aan de duur van het voorarrest, om daarnaast ofwel een taakstraf ofwel een voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen.

De raadsvrouw verzoekt om het contactverbod niet op te leggen. Verdachte en medeverdachte [medeverdachte] kennen elkaar al van kinds af aan. Oplegging van een contactverbod zou een grote impact hebben op de persoonlijke levenssfeer van verdachte, die op basis van deze zaak niet gerechtvaardigd is.

8.3

Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van het bewezen verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals ter terechtzitting is gebleken.

Ernst van het feit

Verdachte heeft zich samen met een ander schuldig gemaakt aan een woninginbraak. Verdachte en zijn mededader hebben daarbij misbruik gemaakt van de situatie dat de bewoner de sleutels van zijn voordeur was verloren bij zijn woning. Vervolgens hebben zij een tv en een geluidsbar uit de woning meegenomen.

Woninginbraken zijn nare feiten, die niet alleen financiële schade met zich brengen, maar ook gevoelens van angst en onveiligheid bij zowel het slachtoffer als in de maatschappij.

Persoon van de verdachte

De rechtbank heeft acht geslagen op het verdachte betreffende uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 9 maart 2020. Hieruit blijkt dat hij veelvuldig voor vermogensdelicten is veroordeeld.

De rechtbank heeft verder kennisgenomen van het over verdachte uitgebrachte reclasseringsadvies van 14 mei 2020. Daarin staat dat verdachte heeft aangegeven dat hij het gevangenisleven ‘zat’ is en dat hij zijn leven wil verbeteren. De Reclassering ziet als risico verhogende factoren de financiële situatie van verdachte en zijn pro-criminele houding. Als positieve factor wordt benoemd dat verdachte op dit moment werk heeft en daarmee een inkomen genereert. Geadviseerd wordt om in geval van een veroordeling een straf zonder bijzondere voorwaarden op te leggen. De Reclassering acht toezicht of interventies niet nodig. Bij oplegging van een gevangenisstraf bestaat de mogelijkheid dat verdachte zijn (tijdelijke) baan verliest, wat voor zijn toekomst en delictgedrag niet bevorderlijk is. Ten aanzien van een taakstraf worden geen contra-indicaties gezien, waarbij volgens de leidinggevende/werkgever van verdachte een werkstraf te combineren zou zijn met het werk dat verdachte verricht.

Ter zitting heeft verdachte herhaald dat hij klaar is met het leven dat hij heeft geleid en dat hij op dit moment werk heeft waar hij voldoening uit haalt. De rechtbank acht het in het belang van verdachte, maar ook in het belang van de maatschappij dat verdachte zijn onlangs verworven baan kan behouden en daarmee kan vasthouden aan de goede weg die hij is ingeslagen. De rechtbank zal daarom geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf opleggen van langere duur dan de termijn die verdachte reeds in voorarrest heeft doorgebracht. De ernst van het feit en het strafblad van verdachte maken dat daarmee niet kan worden volstaan en dat de rechtbank daarnaast zowel een voorwaardelijke gevangenisstraf als stok achter de deur, als een taakstraf passend vindt. In zoverre volgt de rechtbank de verdediging niet in het standpunt dat een keuze tussen beide zou moeten worden gemaakt.

De rechtbank legt aan verdachte een gevangenisstraf op van 180 dagen, waarvan 93 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren. De rechtbank is daarbij uitgegaan van het aantal van 87 dagen dat verdachte in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht. Dat betekent dat verdachte niet hoeft terug te keren naar de Penitentiaire Inrichting. De rechtbank ziet geen aanleiding om een contactverbod met medeverdachte [medeverdachte] als bijzondere voorwaarde op te leggen, reeds omdat de medeverdachte is vrijgesproken. Tevens legt de rechtbank aan verdachte een taakstraf op voor de duur van 60 uur.

De rechtbank zal het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis opheffen.

9 BENADEELDE PARTIJ

[aangever] heeft zich als benadeelde partij in het geding gevoegd en vordert een bedrag van € 1.660,99 aan materiële schade, ten gevolge van het aan verdachte ten laste gelegde feit.

9.1

Het standpunt van de officier van justitie


De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte hoofdelijk wordt veroordeeld tot vergoeding van de gevorderde schadevergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

9.2

Het standpunt van de verdediging


De raadsvrouw stelt dat de vordering niet met bewijsstukken is onderbouwd. Een verwijzing naar het proces-verbaal van aangifte is onvoldoende. De vordering dient daarom te worden afgewezen dan wel de benadeelde partij moet niet ontvankelijk worden verklaard. Subsidiair dient de hoogte van de vordering tot vergoeding van de tv en de soundbar gematigd te worden, nu vergoeding wordt gevraagd van de nieuwwaarde. De vordering tot vergoeding van het ophangsysteem dient te worden afgewezen, nu dit goed ontbreekt in het proces-verbaal van aangifte.

9.3

Het oordeel van de rechtbank

De benadeelde partij vordert een bedrag van € 899,00 als vergoeding voor een Philips televisie, een bedrag van € 670,00 als vergoeding voor een Sonos playbar en een bedrag van € 64,99 als vergoeding voor een ophangsysteem.

Het staat vast dat aan de benadeelde partij door het bewezen verklaarde strafbare feit rechtstreeks materiële schade is toegebracht. Het gaat dan om de weggenomen goederen: de televisie en de Sonos playbar. De vergoeding voor een ophangsysteem is niet nader onderbouwd en vindt geen ondersteuning in het dossier. De rechtbank zal het deel van de vordering dat ziet op een ophangsysteem om die reden niet-ontvankelijk verklaren.

De benadeelde partij heeft nagelaten de gevorderde bedragen voor de televisie en de Sonos playbar met stukken te onderbouwen. De bedragen lijken uit te gaan van de nieuwwaarde van de goederen, zoals ook is aangevoerd door de raadsvrouw. De rechtbank zal daarom overgaan tot matiging van de gevorderde schadevergoeding. De rechtbank zal de waarde van de televisie en de Sonos playbar matigen naar € 300,00 respectievelijk € 450,00. Voor wat betreft de Sonos playbar wordt aansluiting gezocht bij de marktwaarde, nu uit het dossier blijkt dat de weggenomen playbar voor dit bedrag is doorverkocht.

De vordering zal daarom worden toegewezen tot een bedrag van € 750,00 ter zake van materiële schadevergoeding, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 28 mei 2019.

De rechtbank zal de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk verklaren in de vordering. De behandeling van de vordering levert voor dit deel een onevenredige belasting van het strafgeding op, omdat de vordering onvoldoende is onderbouwd en het toelaten van nadere bewijslevering zou betekenen dat de behandeling van de strafzaak moet worden aangehouden. De benadeelde partij kan het resterende deel van zijn vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Verdachte is voor de schade, voor zover toegewezen, naar burgerlijk recht met zijn mededader hoofdelijk aansprakelijk. Dit betekent dat verdachte tegenover de benadeelde partij voor dat hele bedrag aansprakelijk is.

Tevens wordt oplegging van de hierna te noemen schadevergoedingsmaatregel als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht passend en geboden geacht.

Nu de vordering van de benadeelde partij zal worden toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil.

10 TOEPASSELIJKE WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN

De beslissing berust op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 36f, 63 en 311 van het Wetboek van Strafrecht, zoals de artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

11 BESLISSING

De rechtbank:

bewezenverklaring

  • -

    verklaart het ten laste gelegde feit bewezen zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld;

  • -

    verklaart het meer of anders ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij;

strafbaarheid

  • -

    verklaart het bewezen verklaarde feit strafbaar en kwalificeert dit zoals hiervoor in rubriek 6 is vermeld;

  • -

    verklaart verdachte strafbaar;

oplegging straf

  • -

    veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 180 dagen;

  • -

    beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden;

  • -

    beveelt dat een gedeelte, groot 93 dagen, van deze gevangenisstraf niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij later anders wordt gelast;

  • -

    stelt daarbij een proeftijd van 2 (twee) jaren vast;

  • -

    de tenuitvoerlegging kan worden gelast indien veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit schuldig maakt;

- veroordeelt verdachte tot een taakstraf, bestaande uit het verrichten van onbetaalde arbeid, van 60 uren, met bevel, voor het geval dat de verdachte de taakstraf niet naar behoren heeft verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast van 30 dagen;

benadeelde partij

  • -

    wijst de vordering van [aangever] toe tot een bedrag van € 750,00 aan materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 28 mei 2019 tot aan de dag van algehele voldoening;

  • -

    veroordeelt verdachte hoofdelijk tot betaling van het toegewezen bedrag aan [aangever] voornoemd, veroordeelt verdachte voorts hoofdelijk in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil;

  • -

    bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering is en bepaalt dat dit gedeelte kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;

  • -

    legt verdachte de hoofdelijke verplichting op ten behoeve van [aangever] , € 750,00 aan de Staat te betalen, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 15 dagen gijzeling. De toepassing van die gijzeling heft de hiervoor opgelegde verplichting niet op. Te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 28 mei 2019 tot aan de dag van algehele voldoening

  • -

    bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van de genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.

- heft op het - geschorste - bevel tot voorlopige hechtenis.

Dit vonnis is gewezen door mr. C.A.M. van Straalen, voorzitter, mrs. M.E. Falkmann en C.W.A.M. Nij Bijvank, rechters, in tegenwoordigheid van mr. J. Troostheide, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van 10 juni 2020.

Mrs. Van Straalen en Nij Bijvank zijn buiten staat mede te ondertekenen.

Bijlage: de tenlastelegging

Aan verdachte wordt ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 28 mei 2019 te [woonplaats] , tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit een woning (gelegen aan de [adres] ) heeft weggenomen een televisie en/of een sonos

playbar, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [aangever] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan hem, verdachte, en/of zijn mededader(s), terwijl verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft/hebben verschaft en/of dat/die weg te nemen goed/goederen onder zijn/haar/hun bereikt heeft/hebben gebracht door middel van een valse sleutel door gebruik te maken van de voordeursleutel(s) van die woning zonder daartoe gerechtigd te zijn;

( art 310 Wetboek van Strafrecht, art 311 lid 1 ahf/sub 3 Wetboek van Strafrecht )

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar paginanummers betreft dit pagina’s van op ambtseed of ambtsbelofte opgemaakte processen-verbaal. Deze processen-verbaal zijn als bijlagen opgenomen bij het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van 22 januari 2020, genummerd PL0900-2019155728, opgemaakt door de politie, Eenheid Midden-Nederland, District Oost-Utrecht, doorgenummerd 1 tot en met 92. Tenzij anders vermeld, zijn dit processen-verbaal in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren.

2 proces-verbaal aangifte van 31 mei 2019, pagina 42 t/m 44.