Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2020:2095

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
02-06-2020
Datum publicatie
11-06-2020
Zaaknummer
AWB - 20 _ 253
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

bijzondere bijstand, hoortoestelling, zvw voorliggende voorziening, beroep ongegrond

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummer: UTR 20/253

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 2 juni 2020 in de zaak tussen

[eiser] ,te [woonplaats] , eiser,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Veenendaal, verweerder

(gemachtigde: R.W. Beker).

Procesverloop

Eiser heeft beroep ingesteld tegen een besluit op bezwaar van verweerder van 23 december 2019 (bestreden besluit).

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Eiser heeft bij brief van 25 april 2020 een nadere schriftelijke reactie gestuurd.

Nadat geen van de partijen binnen de hiervoor gestelde termijn heeft verklaard dat zij gebruik wil maken van het recht ter zitting te worden gehoord, heeft de rechtbank met toepassing van artikel 8:57, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bepaald dat een zitting achterwege blijft en met toepassing van artikel 8:57, derde lid, van de Awb het onderzoek op 27 mei 2020 gesloten.

Overwegingen

1. De rechtbank gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Door middel van een op 28 augustus 2019 ondertekende aanvraagformulier heeft eiser bijzondere bijstand aangevraagd voor i) de eigen bijdrage van € 230,- in de aanschafkosten van twee hoortoestellen en ii) de daarmee samenhangende bijkomende kosten bestaande uit: a) de kosten van een onderhoudspakket (Best Stereo pakket/batterijen) van deze twee hoortoestellen van € 495,- en b) de kosten van een verzekering van deze hoortoestellen van € 35,- gedurende de periode waarin eiser deze twee hoortoestellen in bruikleen/op proef had.

1.2.

Bij besluit van 12 september 2019 (primair besluit) heeft verweerder deze aanvraag van eiser afgewezen. Aan dat besluit heeft verweerder ten grondslag gelegd, onder verwijzing naar artikel 15 van de Participatiewet (Pw), dat de Zorgverzekeringswet (Zvw) voor de onderhavige kosten moet worden beschouwd als een toereikende en passende voorliggende voorziening, zodat voor bijzondere bijstand voor deze kosten geen plaats is. Verweerder heeft geen zeer dringende redenen als bedoeld in artikel 16, eerste lid, van de Pw gezien om van artikel 15 van de Pw af te wijken.

1.3.

Bij het bestreden besluit heeft verweerder met verwijzing naar het advies van de bezwaarschriftencommissie sociale zekerheid van de gemeente Veenendaal van 23 december 2019 het bezwaar tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.

2. De rechtbank stelt voorop dat zij in deze beroepsprocedure alleen bevoegd is om een oordeel te geven over de door eiser in deze beroepsprocedure aangevoerde gronden tegen het bestreden besluit. Daarom laat de rechtbank onbesproken wat eiser in deze beroepsprocedure heeft aangevoerd i) over een eerder besluit op bezwaar van verweerder en de daartegen aangevoerde beroepsgronden en ii) over mogelijke toekomstige aanvragen en daarop te nemen besluiten.

3. Ook laat de rechtbank onbesproken het door eiser bij brief van 25 april 2020 aan verweerder gedane schikkingsvoorstel, omdat een schikkingsvoorstel geen beroepsgrond tegen het bestreden besluit is.

4. De rechtbank verwerpt de stelling van eiser dat verweerder door het vooraf invullen van het aanvraagformulier de aanvraag van eiser om bijzondere bijstand heeft geaccepteerd (de rechtbank begrijpt: ingewilligd). Dat verweerder uit klantvriendelijkheid en op grond van eerder van eiser verkregen informatie een aanvraagformulier deels heeft ingevuld, wil niet zeggen dat verweerder de aanvraag van eiser om bijzondere bijstand heeft ingewilligd. Eerst na ontvangst van een volledig ingevuld aanvraagformulier en de door verweerder gevraagde bewijsstukken beoordeelt verweerder of een aanvraag om bijzondere bijstand al dan niet voor inwilliging in aanmerking komt. Eiser heeft aan het enkele feit dat verweerder het aan hem toegestuurd aanvraagformulier deels heeft ingevuld dan ook niet het gerechtvaardigd vertrouwen kunnen ontlenen dat zijn aanvraag was ingewilligd.

5. De rechtbank is van oordeel dat eiser terecht heeft aangevoerd dat de commissie in zijn advies ten onrechte als feit heeft vermeld dat eiser bijzondere bijstand voor een eigen bijdrage voor de verzekeringskosten van € 35,- heeft aangevraagd. Dit kan echter niet tot vernietiging van het bestreden besluit leiden, omdat verweerder in het primaire besluit in samenhang bezien met het rapport algemeen van 6 september 2019 wel heeft onderkend dat eiser bijzondere bijstand voor onder meer deze verzekeringskosten van € 35,- heeft aangevraagd en in het bestreden besluit niet van dit feit is teruggekomen.

6. Eiser heeft in beroep aangevoerd dat de hoortoestellen en de daaruit voortvloeiende kosten van batterijen noodzakelijk zijn, zoals de audicien en de hoorspecialist hebben uitgemaakt. Ook de KNO-arts heeft de noodzaak van de hoortoestellen vastgesteld.

Verder heeft eiser aangevoerd dat verweerder bij de afwijzing heeft gesteld dat eisers’ ziektekostenverzekeraar, Menzis, de kosten van de hoortoestellen en de bijkomende kosten zou vergoeden. Echter, in de periode tot het bestreden besluit was nog niet duidelijk welke vergoeding Menzis hem zou geven voor de kosten van de hoortoestellen en de bijkomende kosten. Daarom heeft hij verweerder in de periode tot het bestreden besluiten ook geen informatie hierover kunnen verschaffen.

7. De rechtbank is van oordeel dat het voormelde niet tot vernietiging van het bestreden besluit kan leiden. Daartoe overweegt de rechtbank het volgende.
Niet in geschil is dat de hoortoestellen inclusief batterijen voor eiser medisch noodzakelijk zijn.Anders dan waarvan eiser lijkt uit te gaan, heeft verweerder zijn aanvraag niet afgewezen omdat Menzis de kosten waarvoor eiser bijzondere bijstand heeft aangevraagd zou vergoeden. Verweerder heeft de aanvraag afgewezen omdat hij gezien artikel 15 van de Pw niet bevoegd is om bijzondere bijstand voor deze kosten te verlenen, ook niet als Menzis tot de conclusie komt dat de kosten van (para)medische zorg die eiser nodig heeft op grond van de Zorgverzekeringswet en de daarop gebaseerde regelgeving niet of niet geheel voor vergoeding in aanmerking komen. Op grond van de Zorgverzekeringswet en de daarop gebaseerde regelgeving zal eiser de niet vergoede kosten van (para)medische zorg zelf moeten dragen en staat artikel 15 van de Pw in de weg aan de vergoeding daarvan door verlening van bijstand. Gelet op het voorgaande was het voor verweerder in het kader van zijn besluitvorming dan ook niet nodig om duidelijk te krijgen welk deel van de kosten van (para)medische zorg Menzis wel of niet zal vergoeden.

8. Op grond van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat het beroep ongegrond is.

9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Ramsaroep, rechter, in aanwezigheid van
mr. C. ten Klooster, griffier. De beslissing is gedaan op 2 juni 2020.

Als gevolg van maatregelen rondom het Coronavirus is deze uitspraak niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Zodra het openbaar uitspreken weer mogelijk is, wordt deze uitspraak, voor zover nodig, alsnog in het openbaar uitgesproken.

De griffier is verhinderd om deze rechter

uitspraak te ondertekenen.

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.