Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2020:2075

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
05-06-2020
Datum publicatie
09-06-2020
Zaaknummer
AWB - 19 _ 2406
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Intrekken nabestaandenuitkering. Terugvorderen onverschuldigd betaalde uitkering.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummer: UTR 19/2406

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 5 juni 2020 in de zaak tussen

[eiseres] , te [woonplaats] , eiseres

(gemachtigde: mr. F.J.V.H. Stoffels),

en

de Raad van bestuur van de Sociale Verzekeringsbank, verweerder

(gemachtigde: mr. N. Zuidersma-Hovers).

Procesverloop

Bij besluiten van 9 november 2018 (de primaire besluiten) heeft verweerder de aan eiseres toegekende nabestaandenuitkering ingetrokken met ingang van 1 juni 2009 en de vanaf die datum onverschuldigd betaalde uitkering van € 50.889,13 teruggevorderd.

Bij besluit van 10 mei 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres tegen de primaire besluiten ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is behandeld op 29 mei 2020 door middel van een Skype-beeldverbinding. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Verder is verschenen [A] ( [A] ), als informant.

Overwegingen

Inleiding

  1. Eiseres ontving vanaf 1 juni 2002 een nabestaandenuitkering op grond van de Algemene Nabestaandenwet (Anw). Eiseres staat sinds 3 augustus 2000 ingeschreven in de Basisregistratie Personen (Brp) op het adres [adres] in [woonplaats] (het adres van eiseres).

  2. [A] stond vanaf 2002 op verschillende adressen ingeschreven in [woonplaats] en [woonplaats] . In de periode van 9 september 2016 tot en met 23 november 2016 stond hij ingeschreven op het adres van eiseres.

3. Verweerder heeft een onderzoek verricht naar de rechtmatigheid van de uitkering van eiseres. Daarbij is dossieronderzoek gedaan, zijn waarnemingen verricht, is informatie over water- en energieverbruik opgevraagd, zijn bankafschriften onderzocht, zijn politiegegevens opgevraagd, is een buurtonderzoek verricht en zijn verschillende registers geraadpleegd. Verder heeft een toezichtgesprek met eiseres plaatsgevonden. De bevindingen van het onderzoek zijn neergelegd in een rapport van 15 oktober 2018. Dit onderzoek heeft geleid tot de besluitvorming zoals onder procesverloop vermeld.
Geschil

4. Het bestreden besluit gaat over de intrekking en terugvordering van de nabestaandenuitkering van eiseres over de periode van 1 juni 2009 tot en met september 2018 (de te beoordelen periode). Verweerder heeft aan dit besluit ten grondslag gelegd dat eiseres tijdens de te beoordelen periode een gezamenlijke huishouding heeft gevoerd met [A] .

5. Eiseres is het met het bestreden besluit niet eens. Zij betwist dat zij in de te beoordelen periode een gezamenlijke huishouding heeft gevoerd met [A] .

Juridisch kader

6. Op grond van artikel 16, eerste lid, aanhef en onder b, van de Anw eindigt het recht op een nabestaandenuitkering, indien de nabestaande in het huwelijk treedt of een gezamenlijke huishouding gaat voeren anders dan ten behoeve van de verzorging van een hulpbehoevende.

7. Ingevolge artikel 3, derde lid, van de Anw is sprake van een gezamenlijke huishouding indien twee personen hun hoofdverblijf in dezelfde woning hebben en zij blijk geven zorg te dragen voor elkaar door middel van het leveren van een bijdrage in de kosten van de huishouding dan wel anderszins. De vraag of in een bepaald geval sprake is van een gezamenlijke huishouding dient te worden beantwoord aan de hand van objectieve criteria. Daarbij zijn omstandigheden die tot het voeren van een gezamenlijke huishouding hebben geleid, de motieven van de betrokkenen en de aard van hun onderlinge relatie niet van belang.
Bewijslast

8. Een besluit tot intrekking van nabestaandenuitkering is een voor de betrokkene belastend besluit waarbij het aan verweerder is om de nodige kennis of de relevante feiten te verzamelen. Dit betekent dat de last om aannemelijk te maken dat aan de voorwaarden voor intrekking is voldaan in beginsel op verweerder rust.


Hoofdverblijf

9. Allereerst zal worden beoordeeld of in de te beoordelen periode is voldaan aan het criterium van gezamenlijk hoofdverblijf in dezelfde woning.

10. Eiseres en [A] stonden in de te beoordelen periode grotendeels op verschillende adressen in de Brp ingeschreven. Dat gegeven staat er echter op zichzelf niet aan in de weg dat zij hun hoofdverblijf kunnen hebben in dezelfde woning. Aannemelijk zal moeten zijn dat het uitkeringsadres als hoofdverblijf van beiden fungeert. Het hoofdverblijf van een betrokkene ligt daar waar zich het zwaartepunt van het persoonlijk leven bevindt. Dit moet worden bepaald aan de hand van concrete feiten en omstandigheden.

11. Eiseres heeft aangevoerd dat zij niet samenwoont met [A] . Het kan zo zijn dat hij vaker op het adres van eiseres is gezien, want hij sliep daar ook af en toe. Dat betekent nog niet dat hij daar zijn hoofdverblijf had in de te beoordelen periode. De verklaringen van buurtbewoners bieden daarvoor geen bewijs, aangezien zij [A] nagenoeg nooit ’s avonds of ’s ochtends vroeg hebben gezien. Bovendien komen de verklaringen van de twee buren waarmee zij al langere tijd problemen heeft.
Over de politiemeldingen heeft eiseres aangevoerd dat die de periode van 2013 tot en met 2018 betreffen. In die periode zijn er zeven meldingen geweest waaruit de aanwezigheid van [A] op het adres van eiseres zou blijken. Dat is niet genoeg om te concluderen dat [A] zijn hoofdverblijf had op het adres van eiseres.
Bij het afsluiten van een verzekering bij Centraal Beheer heeft [A] het adres van eiseres als correspondentieadres doorgegeven, omdat hij in die periode op wisselende adressen woonde en stond ingeschreven. Ten tijde van het boeken van de gezamenlijke vakantie had [A] geen vast verblijfsadres. Daarom heeft eiseres bij het boeken van die vakantie haar adres ook als adres van [A] opgegeven.
Wat betreft het waterverbruik, heeft eiseres gesteld dat zij in de woning woonde met haar twee zonen en dat er regelmatig familie over de vloer kwam die ook bleef slapen en gebruikmaakte van toilet en badkamer. Dat verklaart het hoge waterverbruik.

12. Verweerder heeft in het bestreden besluit onder meer de volgende onderzoeksbevindingen betrokken:

12.1.

Buurtbewoner [getuige 1] , woonachtig op adres [adres] in [woonplaats] , heeft volgens het onderzoeksrapport op 11 juni 2018, voor zover hier van belang, het volgende verklaard:
“Ik woon hier sinds 2000 met mijn vrouw (woon hier sinds 2004) en 3 kinderen.[…]
[adres] , Daar wonen [A] en [eiseres] . Achternamen weet ik niet. Mevrouw woonde hier met haar man en zonen. Haar man is 15/16 jaar overleden. De heer [A] woont al minstens 11 jaar op het adres. De heer [A] gebruikt een camper en een BMW. (…) De heer [A] zie ik vaak, ik zie hem ook wel naar het werk gaan. De BMW wordt door meneer en mevrouw gebruikt. (…) De heer [A] woont daar echt volledig sinds 11 jaar. Wij zijn wel eens bij hen binnen geweest. Als ik iets geregeld moet hebben, regel ik dat met de heer [A] . (…)”

12.2.

Buurtbewoner [getuige 2] , woonachtig op adres [adres] in [woonplaats] , heeft op 11 juni 2018, voor zover hier van belang, het volgende verklaard:

“Mevrouw [eiseres] woont sinds 2001 op dit adres, ongeveer. Zij woonde eerst met een andere man, haar echtgenoot. Hij is in mei/juni 2002 overleden. Haar beide zonen hebben hier ook gewoond. (…) De heer [A] bemoeide zich wel met de opvoeding van de kinderen, zij doen zich voor als gezin. Doen samen boodschappen, gezamenlijk feestjes vieren. Dat doen zij al vanaf 2006. Er wonen nu drie mensen op het adres. Meneer heet [A] . Hij doet zich voor als haar man.
De heer [A] woont op dit adres vanaf zomer 2006. De heer [A] heeft in 2005 geholpen met de schutting schilderen. Ongeveer een jaar later, sinds 2006, woont hij op volledig op dit adres. Ik heb niet gezien dat de heer [A] is verhuisd met spullen. De heer [A] rijdt in een BMW station. Mevrouw gebruikt de BMW ook. De heer [A] heeft ook een camper. (…) Ik heb de camper meerdere jaren achtereen gezien, dan heb je het over 4 a 5 jaar. (…)
De heer [A] en mevrouw [eiseres] gaan ook wel samen weg. Ik krijg de indruk dat zij beiden de laatste half jaar geen werken hebben. De heer [A] ging daarvoor rond half 8/acht uur weg naar zijn werk met de camper. Ik zag hem ook weer thuis komen. (…) De heer [A] en mevroouw [eiseres] ontvangen samen bezoek, haar ouders uit [woonplaats] en haar zus. Sinds een aantal jaar komt er een jongeman bij hun helpen met klussen. De oudste zoon en deze jongeman hebben de schuur samen met de heer [A] gerepareerd. (…)
Ik heb niet de indruk dat de heer [A] in de camper slaapt. Ik zie de heer [A] in de woning en de tuin. Het laatste half jaar zie ik hem minder. (…) Ik heb hen in het verleden gezien met boodschappen. Er wordt gezamenlijk feest gevierd. De heer en mevrouw gaan met de camper op vakantie, meestal 1 keer per jaar naar Spanje. (…)
Vorig jaar april, het voor het laatst in augustus, heb ik nog overleg met de heer [A] gehad over een nieuwe schutting tussen onze tuinen. Wij hebben hier meerdere malen over gesproken, maar het is er niet van gekomen. (…)
De heer [A] heeft een jaar of vier geleden een open haard geplaatst, met een schoorsteen die te kort was. (…)
U heeft mij foto’s getoond. U toont mij een foto van 2 mensen. Die mensen op deze foto’s herken ik als de heer [A] en mevrouw [eiseres] die hiernaast wonen. U heeft mij ook een foto van de camper getoond. Ik herken de camper als de camper van de heer [A] . Samenvattend: De heer [A] en mevrouw [eiseres] leven als gezin samen.”

12.3.

Op 23 juli 2019 zijn twee anonieme getuigen gehoord die hebben verklaard dat op [adres] een Surinaams gezin woont bestaande uit een man, vrouw en een zoon van de vrouw. Haar huidige man is 2 a 3 jaar na het overlijden van haar eerste man komen wonen op het adres. Zij hebben verklaard dat de man sindsdien altijd op het adres is, dat hij daar woont. Verder hebben zij verklaard dat de man ’s morgens vroeg naar zijn werk gaat met de gezamenlijke auto, de BMW en dat hij ’s middags weer thuiskomt en met een eigen sleutel de woning in gaat. Bij het tonen van een foto verklaarden zij dat dat de buren van nummer [nummer] zijn. Volgens deze getuigen doen zij alles samen. Ze gaan samen weg met de auto, doen samen boodschappen. De man doet volgens deze getuigen ook klusjes, ook in de buurt.

12.4.

De toezichthouders hebben verder gesproken met de verhuurder van [adres] in [woonplaats] . Op dat adres stond [A] ingeschreven in de Brp van 14 oktober 2013 tot en met 11 mei 2015. Hij heeft, voor zover van belang, het volgende verklaard:
“Ik heb woonruimte verhuurd aan de heer [A] op het adres [adres] in [woonplaats] . (…)
Ik had al snel door dat de heer [A] verbleef nooit in de woning. Binnen een half jaar heb ik de heer [A] uit laten schrijven van het adres bij de gemeente. Waarschijnlijk heeft de gemeente de inschrijving van de heer [A] “in onderzoek” gezet.
(…)
Ik gebruik het adres bijna dagelijks als kantoorruimte van 9 tot 5 uur maar ik heb de heer [A] nooit gezien. Ik heb niet de indruk dat de heer [A] op dit adres heeft gewoond, ik zag geen vieze afwas, vochtige douche of afval in de woning. Op een gegeven moment heb ik het slot van de kamer opengebroken en de kamer maakte geen bewoonde indruk. Er lagen geen persoonlijke spullen of iets dergelijks van de heer [A] . (…)”

12.5.

Verder heeft verweerder betrokken dat in de bankafschriften van [A] over de periode van 2011 tot en met 2018 geen huurbetalingen voorkomen.

12.6.

Uit het proces-verbaal van bevindingen van de politie Eenheid Midden-Nederland van
28 augustus 2018 volgt dat er in de periode van 2013 tot 2018 zeven meldingen zijn geweest over het adres van eiseres. In de melding van 1 september 2017 wordt door de melder genoemd dat meneer [A] sinds 2008 op het adres van eiseres woont. Uit de melding van 1 januari 2018 blijkt dat de mannelijke bewoner van [adres] in [woonplaats] heeft verklaard dat hij ernstig bedreigd was door zijn buurman van nummer [nummer] en niet langer meer thuis op [adres] in [woonplaats] wilde slapen.

12.7.

Voorts heeft verweerder betrokken dat [A] sinds 22 december 2011 bij Centraal Beheer in Apeldoorn bekend is op het adres van eiseres. Verder staat een geboekte reis bij D-Reizen in 2015 op naam van [A] met vermelding van het adres van eiseres.

12.8.

Uit het onderzoek dat aan het bestreden besluit ten grondslag ligt volgt verder dat het jaarverbruik aan water op het adres van eiseres in de jaren 2007 tot en met 2017 maar twee keer minder was dan 169m3, zijnde het gemiddelde verbruik van een huishouden met vier personen.

12.9.

Verweerder heeft ook betrokken dat de camper van [A] in juni 2009 al te zien was op Google Street View op de parkeerplaats nabij het adres van eiseres.

13. De rechtbank is van oordeel dat de door verweerder betrokken onderzoeksbevindingen een toereikende feitelijke grondslag bieden voor de conclusie dat ook [A] in de te beoordelen periode zijn hoofdverblijf had op het adres van eiseres. Anders dan eiseres stelt, verklaart een aantal getuigen wel [A] ’s ochtends te zien (vertrekken naar zijn werk). Hierbij merkt de rechtbank op dat meerdere buurtbewoners van eiseres verklaringen hebben afgelegd. Niet alleen haar buren met wie zij, zoals zij ter zitting heeft verklaard, al langere tijd problemen heeft. Verder heeft eiseres geen aannemelijke verklaring gegeven voor het hoge waterverbruik. Het waterverbruik is dermate hoog dat niet aannemelijk is dat dit slechts komt door bezoek van familie. Alleen de zeven meldingen bij de politie zijn niet genoeg om te concluderen dat [A] zijn hoofdverblijf heeft op het adres van eiseres, maar in samenhang bezien met de andere bevindingen die hierboven zijn weergegeven, mag verweerder die informatie wel betrekken. Die bevindingen ondersteunen de conclusie van verweerder. Overigens betreft een van de meldingen een melding van [A] zelf. Gelet op het voorgaande ziet de rechtbank in wat eiseres heeft aangevoerd geen grond om te oordelen dat verweerder zich niet op het standpunt kon stellen dat [A] gedurende de te beoordelen periode zijn hoofdverblijf had op het adres van eiseres. De beroepsgrond slaagt niet.

Wederzijdse zorg

14. Het tweede criterium waaraan moet zijn voldaan, is dat van de wederzijdse zorg. Deze kan blijken uit een financiële verstrengeling tussen de betrokkenen die verder gaat dan het uitsluitend delen van de woonlasten en hiermee samenhangende lasten. Indien van een zodanige verstrengeling niet of slechts in geringe mate sprake is, kunnen ook andere feiten en omstandigheden voldoende zijn om aan te nemen dat de betrokkenen in zorg voor elkaar voorzien. Een afweging van alle ten aanzien van betrokkenen gebleken feiten en omstandigheden, die niet van subjectieve aard zijn, zal bepalend zijn voor het antwoord op de vraag of aan het zorgcriterium in een concreet geval is voldaan.

15. Eiseres heeft aangevoerd dat [A] en zij een afzonderlijke financiële huishouding hebben. Hij betaalt niet mee aan de woonkosten, verzekeringen, gemeentelijke belastingen en energiekosten van eiseres. Dat geldt ook voor de boodschappen, vervoer en vakanties. [A] heeft wel hypotheekbetalingen gedaan voor eiseres, maar dit was een verrekening in verband met een schuld van [A] aan eiseres. [A] heeft namelijk een auto van eiseres gekocht. [A] had een aanbetaling van € 2.000,- gedaan en het restant heeft hij betaald via aflossing van de hypotheek. Vanaf 2011 heeft eiseres regelmatig een bedrag van € 256,50 overgemaakt op de rekening van [A] , zodat hij niet in financiële problemen zou komen. [A] heeft dat later weer terugbetaald.

16. Verweerder heeft in het bestreden besluit betrokken dat uit de (hierboven genoemde) verklaringen van buurtbewoners volgt dat [A] vanaf het adres van eiseres naar zijn werk gaat en weer thuis komt, dat eiseres en [A] samen met de auto weggaan, samen op vakantie gaan, gezamenlijk feestjes vieren en dat zij allebei de BMW gebruiken die op de naam van [A] staat. Verder is door buurtbewoners verklaard dat [A] in 2005 heeft geholpen met het schilderen van de schutting en dat hij met één van de buren van eiseres een nieuwe schutting wilde plaatsen. Buurtbewoners hebben voorts verklaard dat eiseres en [A] alles samen doen. Voorts heeft verweerder betrokken dat eiseres en [A] een gezamenlijke rekening sinds 15 juli 2011 hebben en dat de verkeersverzekering bij Centraal Beheer van die rekening wordt betaald. Eiseres maakte verder maandelijks een bedrag van
€ 256,50 aan [A] over. [A] betaalde vanaf 20 maart 2014 de hypotheek van zijn rekening. Eiseres heeft in de periode van 31 oktober 2013 tot en met 10 juni 2015 maandelijks een bedrag van € 50,- overgemaakt naar de verhuurder van het adres [adres] in [woonplaats] ten behoeve van [A] . In de periode van 27 maart 2013 tot en met 19 april 2017 zijn regelmatig bedragen overgeschreven van de rekening van eiseres naar de rekening van [A] en andersom. Voorts heeft verweerder betrokken dat de voertuigen op naam van [A] staan, terwijl eiseres bekend staat bij de ANWB ten aanzien van die voertuigen.

16. De rechtbank is van oordeel dat de door verweerder betrokken onderzoeksbevindingen ook voldoende grondslag bieden voor de conclusie dat is voldaan aan het criterium van wederzijdse zorg. Wat eiseres heeft aangevoerd is onvoldoende voor een ander oordeel. De rechtbank merkt hierbij op dat wederzijdse zorg kan blijken uit financiële verstrengeling, maar ook andere feiten en omstandigheden kunnen voldoende zijn om aan te nemen dat eiseres en [A] in de zorg voor elkaar voorzien. Eiseres heeft in dit kader alleen betwist dat sprake is van financiële verstrengeling, overigens zonder nadere onderbouwing. Zij heeft niet betwist dat [A] en zij elkaar sinds 2009 in zorg voorzagen door van alles samen en voor elkaar te doen. Ook deze beroepsgrond slaagt dus niet.


Stilliggen onderzoek

18. Eiseres heeft erop gewezen dat het onderzoek van verweerder meer dan een jaar heeft stilgelegen. Niet inzichtelijk is gemaakt waarom dat is gebeurd. Door deze handelwijze van verweerder is het door eiseres terug te betalen bedrag aanzienlijk verhoogd. Ter zitting heeft eiseres toegelicht dat hierdoor sprake is van een dringende reden om gedeeltelijk af te zien van terugvordering.

19. Over de terugvordering moet voorop worden gesteld dat verweerder gehouden is tot terugvordering van onverschuldigd betaalde nabestaandenuitkering. Slechts in geval van dringende redenen is verweerder bevoegd geheel of gedeeltelijk af te zien van terugvordering. Dringende redenen als hiervoor bedoeld kunnen ingevolge vaste rechtspraak slechts zijn gelegen in de onaanvaardbaarheid van de – financiële en/of sociale – gevolgen die een terugvordering voor een verzekerde heeft. Gesteld noch gebleken is dat eiseres ten gevolge van de terugvordering in een noodsituatie als hiervoor bedoeld terecht is gekomen, zodat geen sprake is van dringende redenen op grond waarvan geheel of gedeeltelijk van terugvordering kan worden afgezien. Deze beroepsgrond slaagt evenmin.

Conclusie

20. Uit wat hiervoor is overwogen volgt dat gedurende de te beoordelen periode sprake was van hoofdverblijf in dezelfde woning als van wederzijdse zorg. Verweerder heeft zich dan ook terecht op het standpunt gesteld dat eiseres en [A] in deze periode een gezamenlijke huishouding voerden. Verweerder mocht dan ook de bijstand van eiseres intrekken met ingang van 1 juni 2009 en de vanaf die datum onverschuldigd betaalde uitkering van
€ 50.889,13 terugvorderen.

21. De beroepsgronden slagen niet, eiseres krijgt dus geen gelijk. Het beroep is ongegrond en de rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenvergoeding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan op 5 juni 2020 door mr. E.E.M. van Abbe, rechter, in aanwezigheid van mr. S.J. van Ravenhorst, griffier.

Als gevolg van maatregelen rondom het Coronavirus is deze uitspraak niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Zodra het openbaar uitspreken weer mogelijk is, wordt deze uitspraak, voor zover nodig, alsnog in het openbaar uitgesproken.

De rechter is verhinderd om deze uitspraak te ondertekenen

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Wat kunt u doen als u het niet eens bent met deze uitspraak?

Partijen kunnen hoger beroep instellen bij de Centrale Raad van Beroep. Dat kan binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak.