Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2020:2074

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
05-06-2020
Datum publicatie
09-06-2020
Zaaknummer
AWB - 19 _ 3923
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Oplegging maatregel. Bijstand voor één maand met 100% verlaagd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummer: UTR 19/3923

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 5 juni 2020 in de zaak tussen

[eiser] , te [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: mr. A.K.S.R. Manniesing),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Almere, verweerder

(gemachtigde: J.D. Klasen).

Procesverloop

Bij besluit van 5 juni 2019 (het primaire besluit) heeft verweerder de bijstand van eiser met 100% verlaagd voor de duur van één maand (mei 2019).

Bij besluit van 27 augustus 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser gegrond verklaard, de grondslag van de maatregel gewijzigd en de bijstand met ingang van 1 mei 2019 verlaagd met 100% voor de duur van één maand, gespreid toegepast over de maanden mei tot en met juli 2019.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is behandeld op 29 mei 2020 door middel van een Skype-beeldverbinding. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

  1. In de bijlage bij deze uitspraak staan de wetsartikelen die op deze zaak van toepassing zijn.

  2. Eiser ontving sinds 17 februari 2011 bijstand naar de norm van een alleenstaande.

2.1.

Om eiser te begeleiden naar werk, heeft verweerder eiser bij brief van 27 maart 2019 meegedeeld dat zijn re-integratietraject Baangericht-intensief start op 10 april 2019 en loopt tot
10 oktober 2019. Verweerder heeft eiser er in die brief op gewezen wat zijn re-integratieverplichtingen zijn. Eiser heeft daartegen geen bezwaar gemaakt.

2.2.

Op 10 april 2019 heeft eiser een intakegesprek gehad met een medewerker van “Baangericht-intensief”. Verweerder vond dat eiser zich tijdens dat gesprek zeer ernstig misdroeg en in onvoldoende mate meewerkte. Daarom heeft verweerder in het primaire besluit aan eiser een maatregel opgelegd. De maatregel hield in dat de bijstand van eiser voor één maand met 100% zou worden verlaagd. Eiser heeft daartegen bezwaar gemaakt.

2.3.

Vervolgens heeft verweerder het bestreden besluit genomen. Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van eiser gegrond verklaard, in die zin dat de grondslag van de maatregel is gewijzigd. Verweerder vindt dat eiser de volgende verplichting niet is nagekomen: het gebruik maken van door het college aangeboden voorzieningen, waaronder begrepen sociale activering, gericht op arbeidsinschakeling en mee te werken aan onderzoek naar zijn of haar mogelijkheden tot arbeidsinschakeling.1 Daarom heeft verweerder aan eiser een maatregel opgelegd. De maatregel houdt in dat de bijstand van eiser voor één maand met 100 % wordt verlaagd. De maatregel wordt verrekend over een periode van drie maanden.

3. Het besluit tot het opleggen van een maatregel is een voor de betrokkene belastend besluit, waarbij het aan het bijstandverlenend orgaan is om de nodige kennis over de relevante feiten te vergaren. Dat betekent dat de last om aannemelijk te maken dat aan de voorwaarden voor het opleggen van een maatregel is voldaan in beginsel op het bijstandverlenend orgaan rust. Meer concreet betekent dit dat verweerder aannemelijk moet maken dat de verplichting als bedoeld in artikel 18, vierde lid, aanhef en onder h, van de Pw niet is nagekomen.

4. Eiser vindt dat het bestreden besluit onvoldoende is gemotiveerd. Volgens eiser is geen sprake van maatregelwaardig gedrag. Verweerder heeft onvoldoende aannemelijk gemaakt dat voldaan is aan de voorwaarden voor het opleggen van de maatregel. Vaststaat dat eiser volledige medewerking heeft verleend aan alle voorzieningen en overige activiteiten van verweerder. Eiser is het niet eens met de aantijgingen: hij heeft niet gespuugd of geïntimideerd. Hij voelt zich ernstig gediscrimineerd. Bovendien zijn er bij brief van 27 maart 2019 verplichtingen opgelegd aan eiser die nooit met hem besproken zijn.

Als al sprake zou van maatregelwaardig gedrag, dan is artikel 18, tweede lid, van de Pw van toepassing. Uit de Verordening volgt dat dan de bijstand met maximaal 50 % mag worden verlaagd.

5. De rechtbank stelt vast dat verweerder in het bestreden besluit, anders dan in het primaire besluit, niet aan eiser heeft tegengeworpen dat hij zich ernstig heeft misdragen. Gelet hierop en nu eiser ter zitting heeft toegelicht dat wat hij hierover heeft aangevoerd als achtergrondinformatie dient, behoeft dat verder geen bespreking.

5.1.

Over de stelling van eiser dat bij brief van 27 maart 2019 verplichtingen aan hem zijn opgelegd die nooit met hem zijn besproken, oordeelt de rechtbank dat die enkele omstandigheid het bestreden besluit niet onrechtmatig maakt. De rechtbank merkt nog op dat in het besluit van 27 maart 2019 wel staat dat eiser heeft gesproken met zijn klantadviseur over het re-integratietraject. Eiser heeft tegen die beschikking overigens ook geen bezwaar gemaakt.

5.2.

Verder stelt de rechtbank vast dat verweerder in het bestreden besluit heeft gemotiveerd waarom artikel 18, vierde lid, onder h, van de Pw van toepassing is. Zo wilde eiser tijdens het gesprek op 10 april 2019 geen antwoord geven op de vraag hoeveel uur hij gemiddeld per week werkt en op welke tijdstippen. Hij verklaarde geen medewerking te willen verlenen aan het traject Baangericht-intensief. Eiser is verder niet verschenen op het gesprek op
24 april 2019 over het voornemen tot het opleggen van een maatregel. Hij heeft zich niet conform het ziekte- en verzuimprotocol afgemeld. Aan eiser is per brief van 11 april 2019 gevraagd zijn sollicitaties vanaf 10 april tot en met 23 april aan te leveren. Eiser heeft dat nagelaten. Eiser heeft het voorgaande feitelijk niet betwist. De rechtbank kan eiser dan ook niet volgen in zijn stelling dat hij volledige medewerking heeft verleend. Verder kan de rechtbank eiser ook niet volgen in zijn stelling dat artikel 18, tweede lid, van de Pw in plaats van artikel 18, vierde lid, onder h, van de Pw van toepassing is. Wat eiser heeft aangevoerd geeft daarvoor geen aanleiding.

5.3.

Van een motiveringsgebrek is de rechtbank gelet op het voorgaande niet gebleken. Deze beroepsgrond slaagt niet.

6. Eiser voert verder aan dat de maatregel als punitief moet worden aangemerkt, terwijl dat niet het doel is van artikel 18, vierde lid, van de Pw. Eiser wijst er hierbij op dat verweerder hem, nadat deze zaak ontstond, maandenlang niet heeft geïnformeerd. De maatregel staat volgens eiser niet in verhouding met de gevolgen daarvan voor hem. Bovendien heeft verweerder geen rekening gehouden met eisers financiële situatie.

7. Met artikel 18, vierde lid, van de Pw, op grond waarvan verweerder bij niet nakoming van de verplichtingen gehouden is de bijstand te verlagen, heeft de wetgever beoogd aan de gemeenten een instrument te bieden om de doelstellingen van de wet te verwezenlijken. Deze bepaling is volgens de wetgever niet zozeer bedoeld om opzettelijk leed toe te brengen - wat een van de belangrijkste kenmerken is van een zogenaamde “punitieve sanctie” -, maar om de bijstandsgerechtigde “op het goede spoor te houden” .2 De verlaging van de bijstand is gericht op het bewerkstelligen van de legale situatie en dientengevolge te kwalificeren als een reparatoire maatregel. Daarbij komt dat uit vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) volgt dat het opleggen van een maatregel in de vorm van een verlaging van bijstand voor 100% gedurende één maand geen punitief, maar een reparatoir karakter heeft.3 De rechtbank kan eiser dan ook niet volgen in zijn stelling dat de maatregel die aan hem is opgelegd een punitief karakter heeft. Het is de rechtbank verder niet gebleken dat verweerder niet voortvarend genoeg heeft gehandeld. Over de stelling dat de maatregel niet in verhouding staat tot de gevolgen voor eiser en dat verweerder geen rekening heeft gehouden met zijn financiële situatie, overweegt de rechtbank dat eiser die stelling niet nader heeft onderbouwd. In wat eiser onder 6. heeft aangevoerd ziet de rechtbank gelet op het voorgaande ook geen aanleiding om het bestreden besluit onrechtmatig te achten. Deze beroepsgronden slagen ook niet.

8. De beroepsgronden slagen niet, eiser krijgt dus geen gelijk. Het beroep is ongegrond en de rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenvergoeding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan op 5 juni 2020 door mr. E.E.M. van Abbe, rechter, in aanwezigheid van mr. S.J. van Ravenhorst, griffier.

Als gevolg van maatregelen rondom het Coronavirus is deze uitspraak niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Zodra het openbaar uitspreken weer mogelijk is, wordt deze uitspraak, voor zover nodig, alsnog in het openbaar uitgesproken.

De rechter is verhinderd om deze uitspraak te ondertekenen

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Wat kunt u doen als u het niet eens bent met deze uitspraak?

Partijen kunnen hoger beroep instellen bij de Centrale Raad van Beroep. Dat kan binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak.

Wettelijk kader

Op grond van artikel 18, tweede lid, van de Pw verlaagt verweerder de bijstand overeenkomstig de verordening, bedoeld in artikel 8, eerste lid, onderdeel b, ter zake van het niet of onvoldoende nakomen door de belanghebbende van de verplichtingen voortvloeiende uit deze wet, met uitzondering van artikel 17, eerste lid, waaronder begrepen het zich jegens verweerder zeer ernstig misdragen, dan wel indien de belanghebbende naar het oordeel van verweerder tekortschietend besef van verantwoordelijkheid betoont voor de voorziening in het bestaan. Van een verlaging wordt afgezien, indien elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt.


Op grond van artikel 18, vierde lid, aanhef en onder h, van de Pw verlaagt verweerder in ieder geval de bijstand overeenkomstig het vijfde, zesde, zevende of achtste lid ter zake van het niet nakomen door de belanghebbende van de volgende verplichting: het gebruik maken van door het college aangeboden voorzieningen, waaronder begrepen sociale activering, gericht op arbeidsinschakeling en mee te werken aan onderzoek naar zijn of haar mogelijkheden tot arbeidsinschakeling.

Op grond van het vijfde lid verlaagt het college, in het geval van het niet nakomen van een verplichting bedoeld in het vierde lid, de bijstand met 100% voor een bij de verordening als bedoeld in artikel 8, eerste lid, aanhef en onder a, vastgestelde periode van ten minste een

maand en ten hoogste drie maanden. De verordening, bedoeld in artikel 8, eerste lid, onderdeel a, kan tevens bepalen dat het bedrag van de verlaging wordt verrekend over de maand van oplegging van de maatregel en ten hoogste de twee volgende maanden, waarbij over de eerste maand ten minste 1/3 van het bedrag van de verlaging wordt verrekend.

Op grond van het negende lid ziet het college af van het opleggen van een maatregel, indien elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt.

Op grond van het tiende lid stemt het college een op te leggen maatregel of een opgelegde maatregel af op de omstandigheden van de belanghebbende en diens mogelijkheden om middelen te verwerven, indien naar zijn oordeel, gelet op bijzondere omstandigheden, dringende redenen daartoe noodzaken.

Aan het vijfde van artikel 18 van de Pw is, ten tijde hier van belang, toepassing gegeven bij de Maatregelen- en handhavingsverordening Gemeente Almere 2016 (de Verordening).

Op grond van artikel 13 van de Verordening wordt het bedrag van de verlaging verrekend over de maand van oplegging van de maatregel en de daarop volgende twee maanden.

1 Artikel 18, vierde lid, aanhef en onder h, Pw

2 Kamerstukken II, 2013/14, 33 801, nr. 23, p. 11-13

3 zie bijvoorbeeld de uitspraak van de CRvB van 28 augustus 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:2710