Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2020:2073

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
05-06-2020
Datum publicatie
09-06-2020
Zaaknummer
AWB - 20 _ 815
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Pw. Intrekking recht op bijstand.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummer: UTR 20/815

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 5 juni 2020 in de zaak tussen

[eiser] , te [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: mr. A.K.S.R. Manniesing),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Almere, verweerder

(gemachtigde: J. de Feijter).

Procesverloop

Bij besluit van 22 augustus 2019 (het primaire besluit) heeft verweerder het recht op bijstand van eiser over de periode van 1 mei 2018 tot en met 30 april 2019 op grond van de Participatiewet (Pw) herzien. Verweerder heeft het recht op bijstand van eiser over de periode van 1 mei 2018 tot en met 30 juni 2018 en over de periode van 1 september 2018 tot en met 31 oktober 2018 ingetrokken.

Bij besluit van 13 januari 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

De zaak is behandeld op 29 mei 2020 door middel van een Skype-beeldverbinding. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser ontvangt sinds 17 februari 2011 bijstand op grond van de Pw. Eiser was in de periode in geding werkzaam als steward bij een voetbalclub. In die hoedanigheid heeft hij een aantal dagen in het buitenland verbleven.

2. Volgens verweerder is gebleken dat tijdens dat verblijf in het buitenland de kosten voor eten en drinken van eiser door de voetbalclub zijn betaald. Verweerder heeft daarom het recht op bijstand herzien. Eiser maakte volgens verweerder immers geen kosten voor voeding. Verweerder heeft de bijstand van eiser over de maanden augustus 2018, november 2018, maart 2019 en april 2019 afgestemd op grond van artikel 18, eerste lid, van de Pw. Die afstemming is gebaseerd op de door het NIBUD vastgestelde bedrag aan dagelijkse minimumkosten voor de voeding van een man tussen de 14 en 50 jaar oud. Dit is een bedrag van 7,42 per dag. Verweerder heeft het aantal dagen dat eiser in het buitenland verbleef met de voetbalclub in aanmerking genomen.

3. Aan het besluit van verweerder tot intrekking van het recht op bijstand van eiser over de periode van 1 mei 2018 tot en met 30 juni 2018 en over de periode van 1 september 2018 tot en met 31 oktober 2018, heeft verweerder het volgende ten grondslag gelegd. Volgens verweerder heeft eiser de op hem rustende inlichtingenverplichting geschonden door de stortingen, bijschrijvingen van derden en inkomsten van gokactiviteiten op zijn bankrekening niet bij verweerder te melden. Deze stortingen, bijschrijvingen en inkomsten uit gokactiviteiten moeten worden aangemerkt als in aanmerking te nemen middelen als bedoeld in artikel 31, eerste lid, van de Pw.

4. Eiser voert aan dat het bestreden besluit niet zorgvuldig tot stand is gekomen. Volgens eiser heeft verweerder niet voldoende rekening gehouden met zijn financiële toestand. De feiten en omstandigheden zijn onvoldoende betrokken bij het nemen van het besluit.
Verder stelt eiser dat het doel van het bestreden besluit niet in verhouding staat tot de gevolgen die het besluit voor eiser heeft. Hierbij wijst eiser erop dat verweerder hem, nadat deze zaak ontstond, maandenlang op geen enkele wijze heeft geïnformeerd.
Eiser stelt daarnaast dat het bestreden besluit onvoldoende is gemotiveerd.

5. De rechtbank stelt vast dat eiser eerst ter zitting het standpunt heeft ingenomen dat verweerder in het bestreden besluit onvoldoende is ingegaan op wat eiser tijdens de hoorzitting in bezwaar naar voren heeft gebracht. Eiser wijst met name op wat hij heeft verklaard over de opnames en stortingen. De rechtbank is van oordeel dat deze handelwijze in strijd is met de goede procesorde. Eiser heeft ter zitting desgevraagd niet verklaard waarom hij dit standpunt niet eerder naar voren heeft gebracht. Niet valt in te zien dat eiser dit standpunt niet eerder naar voren kon brengen, zodat verweerder en de rechtbank zich hierop hadden kunnen voorbereiden. Het voorgaande daargelaten, is de rechtbank met verweerder van oordeel dat in het bestreden besluit wel gemotiveerd is ingegaan op wat eiser in bezwaar heeft aangevoerd. Deze beroepsgrond slaagt dus niet.

6. Verder stelt de rechtbank vast dat eiser enkel heeft gesteld dat verweerder niet voldoende rekening heeft gehouden met zijn financiële toestand en dat de feiten en omstandigheden onvoldoende zijn betrokken. Eiser heeft die stelling niet nader toegelicht. Evenmin heeft eiser onderbouwd waarom het bestreden besluit niet in verhouding staat tot de gevolgen voor eiser. Dat verweerder eiser te laat of onvoldoende heeft geïnformeerd, is de rechtbank niet gebleken. In wat eiser heeft aangevoerd ziet de rechtbank gelet op het voorgaande geen aanleiding om het bestreden besluit onrechtmatig te achten.

7. De beroepsgronden slagen niet, eiser krijgt dus geen gelijk. Het beroep is ongegrond en de rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenvergoeding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan op 5 juni 2020 door mr. E.E.M. van Abbe, rechter, in aanwezigheid van mr. S.J. van Ravenhorst, griffier.

Als gevolg van maatregelen rondom het Coronavirus is deze uitspraak niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Zodra het openbaar uitspreken weer mogelijk is, wordt deze uitspraak, voor zover nodig, alsnog in het openbaar uitgesproken.

De rechter is verhinderd om deze uitspraak te ondertekenen

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Wat kunt u doen als u het niet eens bent met deze uitspraak?

Partijen kunnen hoger beroep instellen bij de Centrale Raad van Beroep. Dat kan binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak.