Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2020:2061

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
02-06-2020
Datum publicatie
10-06-2020
Zaaknummer
16/156795-19, 16/088408-19, 16-106558-19, 16/114965-19, 16/146255-19, 16/224563-19, 16/048641-20
en 16/206946-19 (gev. ttz) (P)
Rechtsgebieden
Materieel strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Minderjarige (14 jaar). 21 bewezenverklaarde feiten + 6 ad info feiten. Onvoorwaardelijke PIJ-maatregel.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Strafrecht

Zittingsplaats Lelystad

Parketnummers: 16/156795-19, 16/088408-19, 16-106558-19, 16/114965-19, 16/146255-19, 16/224563-19, 16/048641-20 en 16/206946-19 (gev. ttz) (P)

Vonnis van de meervoudige kamer van 2 juni 2020

in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 2005 te [geboorteplaats] ,

thans gedetineerd in de [verblijfplaats] te [plaatsnaam 1] .

1 ONDERZOEK TER TERECHTZITTING

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van 26 november 2019, 10 maart 2020 en 19 mei 2020.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering en standpunten van officier van justitie mr. C. Zijlstra en van hetgeen verdachte en diens raadsvrouw mr. A.J. van der Velden, advocaat te Almere naar voren hebben gebracht. Verder heeft de rechtbank kennisgenomen van hetgeen door [A] , raadsonderzoeker bij de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad) en [B] jeugdreclasseringsmedewerker en jeugdhulpverlener bij [instelling 1] naar voren is gebracht. Tot slot heeft de rechtbank kennisgenomen van hetgeen [J] , de moeder van verdachte, naar voren heeft gebracht.

2 TENLASTELEGGING

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort samengevat, op neer dat verdachte:

parketnummer 16/156795-19

1:

op 30 juni 2019 te Almere met anderen of alleen een snorfiets van [slachtoffer 1] heeft gestolen door middel van braak/verbreking;

2 primair:

op 24 juni 2019 te Almere met anderen of alleen een bromfiets van het merk Sym, type Hu05W met het kenteken [kenteken 1] van [slachtoffer 2] heeft gestolen;

2 subsidiair:

op 24 juni 2019 te Almere met anderen of alleen een bromfiets van het merk Sym, type Hu05W met het kenteken [kenteken 1] heeft geheeld;

3:

op 24 juni 2019 te Almere met anderen of alleen een kentekenplaat van het kenteken

[kenteken 1] van [slachtoffer 2] heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt en/of weggemaakt;

4 primair:

op 24 juni 2019 te Almere-Buiten met anderen of alleen een bromfiets van het merk La Souris type Vespelini S met kenteken [kenteken 2] van [slachtoffer 3] heeft gestolen;

4 subsidiair:

op 24 juni 2019 te Almere met anderen of alleen een bromfiets van het merk La Souris type Vespelini S met het kenteken [kenteken 2] heeft geheeld;

5 primair:

op 23 juni 2019 te Almere met anderen of alleen een telefoon van het merk Huawei van

[slachtoffer 4] heeft gestolen en daarbij tegen [slachtoffer 4] geweld heeft gebruikt en/of bedreigd heeft met geweld;

5 subsidiair:

op 23 juni 2019 te Almere met anderen of alleen een telefoon van het merk Huawei heeft geheeld;

6:

op 23 juni 2019 te Almere een of meer ruiten van een bushokje van de Gemeente Almere heeft vernield;

7:

op 23 juni 2019 te Almere met anderen of alleen een telefoon van het merk iPhone (type 8 Plus) van [slachtoffer 5] heeft gestolen;

8:

op 24 juni 2019 te Almere met anderen of alleen een tas met inhoud van [slachtoffer 6] heeft gestolen;

9:

op 15 juli 2019 te Almere een scooter (snorfiets) met kenteken [kenteken 3] heeft geheeld;

parketnummer 16/088408-19 (hierna: feit 10):

op 12 april 2019 te Almere een snorfiets (AGM VX50, v.v.h.k. [kenteken 4] ) van [slachtoffer 7]

heeft gestolen door middel van braak en/of verbreking;

parketnummer 16-106558-19 (hierna: feit 11):

in de periode gelegen tussen 2 mei en 3 mei 2019 te Almere heeft geprobeerd om

[slachtoffer 8] op te lichten;

parketnummer 16/114965-19

1. hierna: feit 12):

op 11 mei 2019 in Almere met anderen of alleen heeft geprobeerd één of meerdere fietsen te stelen door middel van braak en/of verbreking;

2 ( hierna: feit 13):

op 11 mei 2019 in Almere een fiets heeft geheeld;

parketnummer 16/146255-19

1. primair (hierna: feit 14 primair):

op 17 juni 2019 te Almere met anderen of alleen een snorfiets (kenteken [kenteken 6] , kleur rood) van [slachtoffer 9] heeft gestolen;

1. subsidiair (hierna: feit 14 subsidiair):

op 17 juni 2019 te Almere een snorfiets (kenteken [kenteken 6] , kleur rood) heeft geheeld;

2 ( hierna: feit 15):

op 17 juni 2019 te Almere met anderen of alleen heeft geprobeerd een snorfiets (kenteken [kenteken 7] ) van [slachtoffer 10] te stelen;

3 ( hierna: feit 16):

op 17 juni 2019 te Almere zich heeft verzet tegen zijn aanhouding;

parketnummer 16/224563-19 (hierna: feit 17):

op 10 april 2019 te Almere een snorfiets ( [kenteken 8] ) van [slachtoffer 11] heeft gestolen door middel van braak en/of verbreking en/of een valse sleutel;

parketnummer 16/048641-20

1. hierna: feit 18):

op 20 februari 2020 te Amsterdam heeft verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad, een hoeveelheid van 9 pillen MDMA;

2 ( hierna: feit 19):

op 20 februari 2020 te Amsterdam [C] , [functie 1] van politie Eenheid Amsterdam en [D] , [functie 2] van politie Eenheid Amsterdam, heeft beledigd;

3 ( hierna: feit 20):

op 20 februari 2020 te Amsterdam zich heeft verzet tegen zijn aanhouding;

parketnummer 16/206946-19 (hierna: feit 21):

op 28 mei 2019 te Almere met anderen of alleen een telefoon van [slachtoffer 12] heeft gestolen en daarbij tegen [slachtoffer 12] geweld heeft gebruikt en/of bedreigd heeft met geweld.

De rechtbank nummert de bij de dagvaardingen met de parketnummers 16/088408-19,

16-106558-19, 16/114965-19, 16/146255-19, 16/224563-19, 16/048641-20 en 16/206946-19

ten laste gelegde feiten respectievelijk als hierboven vermeld.

3 VOORVRAGEN

De dagvaarding is geldig, de rechtbank is bevoegd tot kennisneming van het ten laste gelegde, de officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging van verdachte en er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 WAARDERING VAN HET BEWIJS

4.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht het onder 1, 2 primair, 3, 4 primair, 5 primair, 6, 7, 8, 9, 10, 11, 12, 13, 14 primair, 15, 16, 17, 18, 19, 20 en 21 ten laste gelegde wettig en overtuigend te bewijzen.

4.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft ten aanzien van de feiten 1, 2, 3, 4, 5, 6, 7, 8, 9, 10, 11, 13, 14, 15, 16, 17 en 21 geen opmerkingen gemaakt met betrekking tot het bewijs. De raadsvrouw heeft aangegeven dat alle feiten met verdachte zijn besproken en dat hij erkent dat deze feiten in de kern kloppen. Verdachte heeft op de zitting van 10 maart 2020 verklaard dat hij niet goed kan uitleggen wat de reden of aanleiding was om al deze feiten te plegen. Verdachte ontkent dat hij het onder 12 ten laste gelegde heeft begaan. Datzelfde geldt voor het onder 18 ten laste gelegde. Ook ontkent hij dat hij de woorden zoals die onder 19 ten laste zijn gelegd, zou hebben gebezigd. Verder ontkent hij dat hij bijtbewegingen heeft gemaakt zoals onder 20 ten laste is gelegd.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

Bewijsmiddelen

Indien hoger beroep wordt ingesteld zullen de bewijsmiddelen worden uitgewerkt en opgenomen in een bijlage die aan dit vonnis zal worden gehecht.

5 BEWEZENVERKLARING

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte:

1:

op 30 juni 2019 te Almere tezamen en in vereniging met een ander een snorfiets, die toebehoorde aan [slachtoffer 1] , heeft weggenomen met het oogmerk om zich die snorfiets wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte en zijn mededader die weg te nemen snorfiets onder hun bereik hebben gebracht door middel van verbreking;

2 primair:

op 24 juni 2019 te Almere tezamen en in vereniging met een ander een bromfiets van het merk Sym, type Hu05W met het kenteken [kenteken 1] , die toebehoorde aan [slachtoffer 2] , heeft weggenomen met het oogmerk om zich die bromfiets wederrechtelijk toe te eigenen;

3:

op 24 juni 2019 te Almere, tezamen en in vereniging met een ander opzettelijk en wederrechtelijk een kentekenplaat [kenteken 1] , die aan [slachtoffer 2] toebehoorde, heeft weggemaakt;

4 primair:

op 24 juni 2019 te Almere-Buiten tezamen en in vereniging met een ander een bromfiets van het merk La Souris type Vespelini S met het kenteken [kenteken 2] , die toebehoorde aan

[slachtoffer 3] , heeft weggenomen met het oogmerk om zich die bromfiets wederrechtelijk toe te eigenen;

5 primair:

op 23 juni 2019 te Almere-Stad tezamen en in vereniging met een ander een telefoon (merk Huawei) die toebehoorde aan [slachtoffer 4] , heeft weggenomen met het oogmerk om zich die telefoon wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl deze diefstal werd vergezeld van geweld tegen [slachtoffer 4] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken, door tegen het lichaam van voornoemde [slachtoffer 4] te duwen, waardoor zij met haar fiets ten val kwam en vervolgens de telefoon uit de hand van die [slachtoffer 4] te trekken;

6:

op 23 juni 2019 te Almere opzettelijk en wederrechtelijk ruiten van een bushokje ( [.] ) die aan de Gemeente Almere toebehoorden, heeft vernield;

7:

op 23 juni 2019 te Almere tezamen en in vereniging met een ander een telefoon van het merk iPhone (type 8 Plus) die toebehoorde aan [slachtoffer 5] , heeft weggenomen met het oogmerk om zich die telefoon wederrechtelijk toe te eigenen;

8:

op 24 juni 2019 te Almere tezamen en in vereniging met een ander een tas met inhoud, die toebehoorde aan [slachtoffer 6] , heeft weggenomen met het oogmerk om zich die tas met inhoud wederrechtelijk toe te eigenen;

9:

op 15 juli 2019 te Almere een goed, te weten een scooter (snorfiets) met kenteken [kenteken 3] , voorhanden heeft gehad, terwijl hij ten tijde van het voorhanden krijgen van dit goed wist dat het een door misdrijf verkregen goed betrof;

10:

hij op 12 april 2019 te Almere een snorfiets (AGM VX50, v.v.h.k. [kenteken 4] ) die toebehoorde aan [slachtoffer 7] , heeft weggenomen met het oogmerk om zich die snorfiets wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte dat weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van verbreking;

11:

in de periode gelegen tussen 2 mei en 3 mei 2019 te Almere ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse hoedanigheid en door een samenweefsel van verdichtsels, [slachtoffer 8] te bewegen tot de afgifte van een geldbedrag (170 euro),

- zich heeft voorgedaan als de bonafide aanbieder en verkoper van goederen op de internetsite www.marktplaats.nl en

- via die Marktplaatsaccount een (kapotte) mobiele telefoon (merk: apple) te koop heeft aangeboden en

- via die Marktplaatsaccounts contact heeft onderhouden met voornoemde [slachtoffer 8] en

- daarbij de indruk heeft gewekt dat hij dat aangeboden goed in bezit had en

- voornoemde [slachtoffer 8] voorgehouden dat dit aangeboden goed een kapotte mobiele telefoon (merk: apple) was,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

12:

op 11 mei 2019 te Almere tezamen en in vereniging met een ander ter uitvoering van het door verdachte en zijn mededader voorgenomen misdrijf om meerdere fietsen, die toebehoorden aan één of meerdere onbekend gebleven personen, weg te nemen met het oogmerk om zich deze fietsen wederrechtelijk toe te eigenen en die weg te nemen goederen onder hun bereik te brengen door middel van verbreking, meerdere malen met een schaar in de sleutelgaten van die sloten van die fietsen heeft gewrikt of gedraaid terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

13:

op 11 mei 2019 te Almere een goed te weten een fiets voorhanden heeft gehad terwijl hij ten tijde van het voorhanden krijgen van dit goed wist dat het een door misdrijf verkregen goed betrof;

14 primair:

op 17 juni 2019 te Almere tezamen en in vereniging met een ander een snorfiets (kenteken [kenteken 6] , kleur rood) die toebehoorde aan [slachtoffer 9] , heeft weggenomen met het oogmerk om zich die snorfiets wederrechtelijk toe te eigenen;

15:

op 17 juni 2019 te Almere tezamen en in vereniging met een ander ter uitvoering van het door verdachte en zijn mededader voorgenomen misdrijf om een snorfiets (kenteken [kenteken 7] ), die toebehoorde aan [slachtoffer 10] , weg te nemen met het oogmerk om zich die snorfiets wederrechtelijk toe te eigenen, heeft hij, verdachte, een schroef in het contactslot van voornoemde snorfiets gedraaid, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

16:

op 17 juni 2019 te Almere zich met geweld heeft verzet tegen twee ambtenaren, [E] , [functie 2] bij eenheid Midden Nederland, en [F] , [functie 3] bij politie eenheid Midden-Nederland, werkzaam in de rechtmatige oefening van hun bediening, te weten de aanhouding van verdachte, door zich meermalen los te rukken uit de greep van voornoemde ambtenaren of te trekken en te bewegen in de richting tegengesteld aan die waarin die ambtenaren verdachte trachtten te geleiden;

17:

op 10 april 2019 te Almere een snorfiets ( [kenteken 8] ) die toebehoorde aan [slachtoffer 11] , heeft weggenomen met het oogmerk om zich die snorfiets wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte dat weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van verbreking , door een voorwerp in het contactslot van voornoemde bromfiets te steken;

18:

op 20 februari 2020 te Amsterdam opzettelijk heeft vervoerd een hoeveelheid van 9 pillen MDMA, zijnde MDMA een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;

19:

op 20 februari 2020 te Amsterdam opzettelijk ambtenaren, te weten [C] , [functie 1] van politie Eenheid Amsterdam en [D] , [functie 2] van politie Eenheid Amsterdam, gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van hun bediening, in hun tegenwoordigheid, mondeling heeft beledigd, door hen de woorden toe te voegen: "vieze kankerflikkers, jullie zijn echt zwarte honden, kanker sukkel, je vieze kankermoeder, Wie denk je wel niet wie je bent vieze kankermongool";

20:

op 20 februari 2020 te Amsterdam, zich met geweld en bedreiging met geweld heeft verzet tegen ambtenaren, te weten [C] , [functie 1] van politie Eenheid Amsterdam en

[D] , [functie 2] van politie Eenheid Amsterdam, werkzaam in de rechtmatige uitoefening van hun bediening, te weten ter aanhouding van verdachte op heterdaad, door met zijn armen op en neer te bewegen, zich los te rukken en een bijtbeweging te maken in de richting van voornoemde [D] ;

21:

op 28 mei 2019 te Almere tezamen met een ander een telefoon die toebehoorde aan

[slachtoffer 12] , heeft weggenomen met het oogmerk om zich die telefoon wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl deze diefstal werd voorafgegaan, vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen [slachtoffer 12] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken, door

- die [slachtoffer 12] , welke was gezeten op een fiets, te dwingen te stoppen met fietsen en

- door de capuchon van die [slachtoffer 12] over diens hoofd te trekken en

- door die [slachtoffer 12] meermalen in het gezicht en de borst te slaan.

Voor zover in het bewezen verklaarde deel van de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.

Hetgeen onder 1, 2 primair, 3, 4 primair, 5 primair, 6, 7, 8, 9, 10, 11, 12, 13, 14 primair, 15, 16, 17, 18, 19, 20 en 21 meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. Verdachte wordt hiervan vrijgesproken.

6 STRAFBAARHEID VAN DE FEITEN

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezen verklaarde levert volgens de wet de volgende strafbare feiten op:

feit 1:

diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van verbreking;

feit 2 primair, 4 primair, 7, 8, 14 primair:

telkens: diefstal door twee of meer verenigde personen;

feit 3:

medeplegen van opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, wegmaken;

feit 5 primair:

diefstal, vergezeld van geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen;

feit 6:

opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen;

feit 9, 13:

telkens: opzetheling;

feit 10, 17:

telkens: diefstal, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van verbreking;

feit 11:

poging tot oplichting;

feit 12, 15:

telkens: poging tot diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van verbreking;

feit 16 en 20:

telkens: wederspannigheid;

feit 18:

opzettelijk handelen in strijd met een artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod;

feit 19:

eenvoudige belediging, terwijl de belediging wordt aangedaan aan een ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, meermalen gepleegd;

feit 21:

diefstal, vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen.

7 STRAFBAARHEID VAN VERDACHTE

Over verdachte is een Pro Justitia rapport psychiatrisch onderzoek opgemaakt d.d.

12 mei 2020 door D. Matser (kinder- en jeugd)psychiater. De psychiater heeft bij verdachte ADHD, een normoverschrijdende gedragsstoornis met een gebrek aan berouw, een vocale tic-stoornis, PTSS, ouder-kind-relatieproblemen en een stoornis in het gebruik van cannabis gediagnosticeerd. Vanuit de aard van de stoornissen en het chronologisch verloop van zijn leven, kan worden verondersteld dat deze stoornissen aanwezig waren ten tijde van het ten laste gelegde. De stoornissen beïnvloedden de gedragskeuzes en gedragingen van verdachte, aldus de psychiater. Hij adviseert het ten laste gelegde in verminderde mate aan verdachte toe te rekenen.

Over verdachte is een Pro Justitia rapport psychologisch onderzoek opgemaakt

d.d. 22 november 2019, door drs. S.L. Ladan, GZ-psycholoog, aangevuld op

11 mei 2020. De psycholoog heeft geconcludeerd dat bij verdachte sprake is van een gebrekkige ontwikkeling in de zin van een lage intelligentie, een aandachtsdeficientie-/hyperactiviteitsstoornis, een ernstige normoverschrijdende gedragsstoornis met gebrek aan berouw en een ouder-kind relatieprobleem. Ook is sprake van (vocale) tics, mogelijk geluxeerd door medicatie. Daarnaast heeft de psycholoog geconcludeerd dat sprake lijkt te zijn van diverse traumata uit de jeugd van verdachte. Ten tijde van het ten laste gelegde was sprake van voornoemde gebrekkige ontwikkeling. De gebrekkige ontwikkeling beïnvloedden de gedragskeuzes en gedragingen volgens de psycholoog. Zij adviseert het ten laste gelegde in verminderde mate aan verdachte toe te rekenen.

De rechtbank is gelet op de conclusies in de rapportages, die de rechtbank overneemt, van oordeel dat het hiervoor bewezen verklaarde in verminderde mate aan verdachte kan worden toegerekend. Dit geldt voor alle tenlastegelegde en ad informandum bewezen verklaarde feiten aangezien de stoornissen en gebrekkige ontwikkeling naar hun aard bij het plegen van alle feiten bestonden.

Er is geen omstandigheid gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8 OPLEGGING VAN STRAF OF MAATREGEL

8.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft ter zake van de door haar bewezen geachte feiten gevorderd dat aan verdachte een onvoorwaardelijke maatregel van plaatsing in een inrichting voor jeugdigen (hierna: PIJ-maatregel) wordt opgelegd.

8.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich primair op het standpunt gesteld dat gelet op de wettelijke vereisten geen PIJ-maatregel kan worden opgelegd. Subsidiair is verzocht een jeugddetentie conform voorarrest en een voorwaardelijke taakstraf met bijzondere voorwaarden, waaronder een plaatsing in de [instelling 2] , of een andere gesloten jeugdzorginstelling en een verplicht jeugdreclasseringscontact, op te leggen en meer subsidiair een voorwaardelijke PIJ-maatregel op te leggen.

8.3

Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de maatregel heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van het bewezen verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals ter terechtzitting is gebleken.

De aard en de ernst van de feiten

Verdachte heeft zich in een relatief korte periode schuldig gemaakt aan een veelvoud van vervelende en ernstige feiten. Hij heeft (regelmatig met een ander) goederen van anderen gestolen, geprobeerd te stelen of geheeld. Hiermee heeft hij schade en overlast veroorzaakt en er blijk van gegeven geen respect te hebben voor andermans goederen en eigendommen.

In het geval van de diefstal van twee telefoons is gebruik gemaakt van (bedreiging met) geweld. Beide slachtoffers waren nog jonger dan verdachte. Het moeten voor de slachtoffers hele nare ervaringen zijn geweest. Verdachte heeft ook goederen van anderen weggemaakt of vernield en daarmee wederom schade en overlast veroorzaakt. Tevens heeft verdachte getracht iemand op te lichten. Door op listige wijze te handelen heeft hij het vertrouwen van een koper via Marktplaats geschonden. Verdachte heeft zijn eigen financiële gewin vooropgesteld. Tot slot heeft verdachte, notabene toen zijn voorlopige hechtenis was geschorst, opnieuw delicten gepleegd. Hij bood - terwijl hij zich had onttrokken aan een civielrechtelijke plaatsing - drugs te koop aan in een tram, verzette zich (wederom) tegen een aanhouding en beledigde opsporingsambtenaren. De aard van de feiten, de hoeveelheid en de opbouw in zwaarte van de delicten, in combinatie met de jeugdige leeftijd van verdachte baren de rechtbank ernstige zorgen.

De persoon van verdachte

De rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel uit het Justitieel Documentatieregister van 30 april 2020 betreffende verdachte. Daaruit blijkt dat verdachte op 14 juni 2019 door de kinderrechter van de rechtbank Amsterdam is veroordeeld wegens opzetheling.

De rechtbank heeft verder kennisgenomen van het advies van de psychiater in het hiervoor onder punt 7 van dit vonnis genoemde rapport. De psychiater geeft aan dat het risico op recidive hoog is, wanneer er niet geïntervenieerd wordt. Er zijn weinig beschermende factoren aanwezig bij verdachte, mogelijk een ontluikende motivatie voor verandering.

Een langdurige plaatsing binnen een JJI lijkt niet gunstig te zijn voor zijn ontwikkeling

vanwege de kans op verharding, die mede door de beïnvloedbaarheid en het gebrek

aan eigen identiteit groot is, temeer daar er een leeftijdsverschil bestaat tussen verdachte

en de gemiddelde andere jongere binnen een jeugdinrichting. Een terugplaatsing naar

huis is niet haalbaar. Daarom pleit de psychiater voor een plaatsing binnen een jeugdzorginstelling. Eerdere plaatsingen binnen (gesloten) jeugdzorg zijn niet goed gelukt en

verdachte heeft zich vele keren onttrokken. Het is verdachte duidelijk dat een eventuele nieuwe plaatsing voor hem een ultieme en laatste kans biedt. Binnen die plaatsing zal er rust gecreëerd moeten worden zodat verdachte kan toekomen aan (een inhaalslag binnen) zijn ontwikkelingstaken. Deze taken zijn cognitief, sociaal, en moreel van aard, en daarmee gericht op het verminderen van de normoverschrijdende gedragsstoornis. Naast deze algemene, op ontwikkelingstaken gerichte, elementen dient er ook aandacht te zijn voor meer specifieke behandeling; vooral gericht op de symptomen passend bij ADHD (medicatie, psycho-educatie en planning- en organisatie vaardigheden), PTSS (psychotherapie, gericht op trauma) en de vocale tic-stoornis (veelal middels cognitieve gedragstherapie). Het gebruik van cannabis lijkt bij verdachte een functie te hebben ten behoeve van de kenmerken van ADHD en PTSS, maar kan ook een eigenstandig probleem worden. Dit kan door middel van verslavingszorg behandeld worden indien er enige mate van (intrinsieke of extrinsieke) motivatie aanwezig is. De psychiater adviseert een voorwaardelijke PIJ-maatregel op te leggen. Aangegeven wordt dat het echter allerminst zeker wordt geacht dat dit afdoende zal blijken te zijn én te blijven. Zijn voorkeur voor een voorwaardelijk kader bestaat deels omdat een stevig juridisch kader in voorwaardelijke zin niet eerder is geprobeerd, deels ook vanwege de leeftijd van verdachte, het leeftijdsverschil in vergelijking met een ‘gemiddelde PIJ-jongere’ en vanwege de plaatsing in een minder ‘delinquent milieu’.

De rechtbank heeft ook kennisgenomen van de adviezen van de psycholoog in de hiervoor onder punt 7 van dit vonnis genoemde rapportages. De psycholoog schat de kans op recidive van een vermogensdelict als hoog en de kans op gewelddadige recidive als laag in. Aanvankelijk adviseerde zij in haar rapport van 22 november 2019 een strak lik-op-stuk beleid waarbij zou worden toegewerkt naar een plaatsing bij de moeder van verdachte, maar zij heeft dit advies in haar rapport van 11 mei 2020 bijgesteld. Volgens de psycholoog ervaart verdachte dit perspectief als onvoldoende houvast. Hij lijkt niet te verdragen dat hij zich een langere periode moet inzetten en dan niet meteen beloond wordt. De psycholoog concludeert dat verdachte in behandeling zal moeten werken aan een betere impulsregulatie, meer zelfredzaamheid en een verbeterde persoonlijke hygiëne. Gekeken zal moeten worden of er betreffende de aandachtsregulatie beter passende medicatie gevonden kan worden. Daarnaast lijkt het zinvol om een behandeling voort te zetten op de traumata van verdachte. Verder zal behandeling zich moeten richten op het meer sociaal weerbaar maken van verdachte en het zich meer gaan aanpassen aan geldende normen, waarden en eisen. Een en ander wordt geadviseerd binnen een PIJ-maatregel. Daaraan wordt ten grondslag gelegd dat er wat betreft de psychopathologie en disfunctioneren van verdachte sprake is van het vastlopen op meerdere levensterreinen. De mate van disfunctioneren is ernstig. Er is forse inzet nodig om de gedragsstoornis te verminderen. Bij verdachte zijn ontwikkelings-mogelijkheden aanwezig, hoewel hiervoor langdurige behandeling noodzakelijk wordt geacht. Het sociaal netwerk van verdachte is onvoldoende in staat hem in zijn gedrag te reguleren. De vele pogingen tot behandeling in meer vrijwillig kader en een civielrechtelijk kader hebben onvoldoende effect gehad. Alternatieve trajecten worden als onvoldoende toereikend gezien. Volgens de psycholoog lijkt een voorwaardelijk kader verdachte de mogelijkheid te bieden een laatste kans aan te grijpen, wat hem meer zal motiveren de behandeling af te ronden, maar aan de andere kant lijkt de gebrekkige ontwikkeling van verdachte van invloed op de mogelijkheden om de behandeling vol te houden en zal hij snel geneigd zijn te recidiveren. Daarbij moet in ogenschouw worden genomen dat verdachte zelf geen reden voor behandeling ziet. Hoewel sprake is van twijfel, gezien de leeftijd van verdachte en het willen bieden van een laatste kans, adviseert de psycholoog een onvoorwaardelijke PIJ-maatregel op te leggen.

De rechtbank heeft verder kennisgenomen van het rapport van de Raad d.d. 17 mei 2020. De Raad schrijft dat verdachte een zeer belast verleden heeft, waarbij hij weinig voorspelbaarheid en stabiliteit heeft gekend. Hij heeft afwisselend in Nederland en Marokko gewoond en heeft mogelijk daardoor niet goed geleerd om sociale contacten (op school/in de buurt) te onderhouden en te behouden, omdat hij steeds afscheid moest nemen. In de thuissituatie is er sprake van huiselijk geweld geweest, waar verdachte getuige van is geweest en er is nog steeds sprake van echtscheidingsproblematiek. Verdachte voelt zich onveilig bij- en gemanipuleerd door zijn vader. Zijn vader zoekt toenadering en wijst verdachte vervolgens af. De moeder van verdachte heeft geen grip op verdachte. Hij trekt zijn eigen plan, pleegt delicten, laat zich niet corrigeren of begrenzen en heeft geen ontzag voor autoriteiten. Dit heeft er uiteindelijk toe geleid dat verdachte in de gesloten jeugdzorg is geplaatst. Ondanks zijn jonge leeftijd lijkt ook het hele voorarrest en het strafproces weinig indruk op hem te maken. Door de onvoorspelbaarheid die verdachte jarenlang heeft gekend lijkt hij zich wellicht veilig te voelen bij de structuur die iedere keer werd geboden tijdens zijn detentie. Ook tijdens zijn verblijf in de [verblijfplaats] doet hij het goed en laat hij zich aansturen. Het strakke regime in een JJI lijkt goed bij verdachte aan te sluiten en hij lijkt er in te gedijen. De Raad schrijft dat verdachte ongeveer een half jaar in geslotenheid is geweest en kans op kans heeft gehad. Hij liep weg, maar werd iedere keer teruggeplaatst. De Raad heeft er weinig vertrouwen in dat verdachte zich nu wel aan de afspraken kan houden en vraagt zich af of hij zich voldoende behandelbaar zal opstellen. Ondanks dat een voorwaardelijke PIJ een stevige stok achter de deur is om verdachte ervan te weerhouden om de fout in te gaan, twijfelt de Raad of verdachte voldoende doordrongen is van de consequenties. De Raad adviseert daarom een onvoorwaardelijke PIJ-Maatregel op te leggen omdat hij in een gesloten setting met een streng regime zich goed aan de regels en afspraken weet te houden en goed in de pas kan lopen. Ook is de kans op weglopen dan zeer klein. De Raad geeft aan dat er rekening gehouden dient te worden met de kwetsbaarheden van verdachte en zijn jonge leeftijd. Wanneer verdachte op een groep terecht komt waar veel oudere jongeren verblijven die zware delicten hebben gepleegd, is de kans op verharding en beïnvloeding aanwezig. Hij dient op een groep te verblijven met een sterk pedagogisch karakter waarbij er ook aandacht is voor de 'zachte kant' van verdachte. De Raad heeft ter terechtzitting het advies uit het rapport bevestigd.

Tot slot heeft de rechtbank kennisgenomen van het rapport van [B] , van de [instelling 1] , d.d. 18 mei 2020. Zij schrijft dat verdachte vele kansen heeft gehad, maar dat behandeling niet van de grond is gekomen gezien zijn vele onttrekkingen. Tijdens een onttrekking gaat hij in de overlevingsmodus en pleegt delicten en verblijft op straat of in appartementen van oudere vrienden die ook deel uit maken van het criminele circuit. Gezien de beperkte gewetensontwikkeling van verdachte, de hoeveelheid plaatsingen binnen het civiele kader binnen de gesloten jeugdzorg die hij in het verleden heeft gehad, is een intensieve behandeling binnen een PIJ-maatregel volgens haar de enige optie. Ter terechtzitting heeft [B] laten weten dat zij zich aansluit bij het advies van de Raad en een onvoorwaardelijke PIJ-maatregel adviseert.

De maatregel

Alles overziend is de rechtbank van oordeel dat een onvoorwaardelijke PIJ-maatregel moet worden opgelegd, zoals gevorderd door de officier van justitie.

De rechtbank realiseert zich dat de beslissing die zij neemt heel ingrijpend is voor een jonge verdachte zoals [voornaam van verdachte] . De rechtbank zal daarom hierna zo duidelijk mogelijk uitleggen (motiveren) hoe en waarom zij tot deze beslissing komt zodat ook [voornaam van verdachte] dit goed kan begrijpen. De rechtbank heeft er daarom ook voor gekozen om [voornaam van verdachte] in dit stuk van het vonnis bij zijn voornnaam te noemen, zodat nog duidelijker is dat vooral dit stuk van het vonnis belangrijk voor hem is.

Uit alle rapporten die over [voornaam van verdachte] zijn geschreven, blijkt dat hij vanaf april 2019 vaak door de politie wordt opgepakt omdat hij een strafbaar feit heeft gepleegd. Eerst gaat het vooral om het stelen van scooters en fietsen of het vernielen van spullen, maar later gaat het ook om feiten waar (licht) geweld bij wordt gebruikt. Omdat [voornaam van verdachte] nog zo jong is, wordt er de eerste paar keer dat hij is opgepakt vooral gekeken naar hoe hij hulp zou moeten krijgen. Dit helpt [voornaam van verdachte] niet om te stoppen met het plegen van strafbare feiten. Hij wordt steeds weer opnieuw opgepakt door de politie, zit al eens een paar dagen in een politiecel en wordt uiteindelijk op 1 juli 2019 voorgeleid bij de rechter-commissaris. De rechter-commissaris schorst [voornaam van verdachte] met voorwaarden, waaronder een (terug)plaatsing bij [instelling 3] en geeft hem een kans om te laten zien dat hij zich daar aan kan houden. Op 16 juli 2019 wordt [voornaam van verdachte] al weer aangehouden voor het rijden op een gestolen scooter en omdat hij zich niet aan de regels van [instelling 3] houdt. Op 2 augustus 2019 wordt de voorlopige ondertoezichtstelling met machtiging uithuisplaatsing afgegeven. Omdat [voornaam van verdachte] zich niet aan de voorwaarden van de rechter-commissaris heeft gehouden zit hij een tijdje vast in een Justitiële Jeugdinrichting, totdat hij op 9 september 2019 weer wordt geschorst met de voorwaarden dat hij in [instelling 4] in [plaatsnaam 4] verblijft tot er plek voor hem is bij [instelling 5] . Op

11 september 2019 wordt [voornaam van verdachte] al weer door de politie opgepakt voor het stelen van een scooter. Op 12 september 2019 komt [voornaam van verdachte] daarom weer bij de rechtbank, die hem opnieuw een kans geeft om in een gesloten plaatsing bij [instelling 3] in [plaatsnaam 2] te laten zien dat hij aan zijn toekomst wil werken. Vanuit [plaatsnaam 2] loopt [voornaam van verdachte] een paar keer weg. Het blijkt dat [voornaam van verdachte] het moeilijk vindt dat hij zo ver bij zijn moeder vandaan is. Daarom wordt er door de jeugdhulpverlener een plek voor [voornaam van verdachte] geregeld bij de [instelling 2] in [plaatsnaam 3] . Iedereen hoopt dat [voornaam van verdachte] , omdat hij dan dichter bij zijn moeder is, niet meer weg zal lopen en mee zal gaan werken aan zijn behandeling. Als [voornaam van verdachte] begin februari 2020 hoort dat de kinderrechter zijn gesloten plaatsing met zes maanden heeft verlengd, loopt hij weg bij de [instelling 2] . Op 20 februari 2020 wordt hij in de tram in Amsterdam aangehouden met xtc-pillen op zak, die hij te koop aanbiedt. Sinds die dag zit [voornaam van verdachte] weer vast in een Justitiële Jeugdinstelling.

De rechtbank somt dit allemaal op omdat hierdoor duidelijk wordt hoe groot de zorgen zijn over hoe [voornaam van verdachte] zich ontwikkelt. [voornaam van verdachte] is een jongen van nog maar 14 jaar oud. Hij heeft veel meegemaakt in zijn jonge leven en daarom heeft hij intensieve behandeling en de juiste hulp nodig. Het afgelopen jaar is er door vele betrokkenen in het civiele en het straf-rechtelijke kader geprobeerd om [voornaam van verdachte] op een plek te krijgen waar hij behandeld kan worden en zich kan ontwikkelen zoals dat hoort bij een jongen van zijn leeftijd. Tot nu toe heeft dat allemaal niet gewerkt. [voornaam van verdachte] zegt zelf dat het bij de [instelling 2] goed ging, maar de Raad heeft op zitting nog eens benadrukt dat [voornaam van verdachte] ook daar nog maar net een paar weken was voordat hij wegliep en dat de behandeling die hij nodig heeft nog niet was begonnen.

De rechtbank vindt het noodzakelijk dat [voornaam van verdachte] een behandeling gaat krijgen. Zonder behandeling is de kans dat [voornaam van verdachte] opnieuw strafbare feiten gaat plegen heel erg groot. Er is door de raadsvrouw gewezen op het feit dat de deskundigen zeggen dat de kans op een agressiedelict niet als hoog wordt ingeschat. Daarom is het opleggen van een PIJ-maatregel, nu enkel de recidive op vermogensdelicten als hoog wordt ingeschat, volgens haar een te zware maatregel voor [voornaam van verdachte] . De rechtbank is het met de raadsvrouw eens dat [voornaam van verdachte] nog niet veel geweldsdelicten heeft gepleegd, maar ziet in de laatste paar delicten wel een opbouw in ernst. Bij zijn aanhouding in februari 2020 verzet [voornaam van verdachte] zich ook met geweld. Bovendien is het zorgelijk dat een jongen van 14 jaar met xtc-pillen rondloopt en vertelt dat hij, nadat hij was weggelopen bij de [instelling 2] , in een “studiootje” in Almere heeft verbleven. Dit zijn voor de rechtbank signalen dat [voornaam van verdachte] dieper in het criminele circuit lijkt te komen. Voor een jongen van 14 jaar met het karakter van [voornaam van verdachte] vindt de rechtbank dat een hele zorgelijke ontwikkeling.

[voornaam van verdachte] heeft de rechtbank om een laatste kans gevraagd om te laten zien dat hij, zonder PIJ-maatregel, mee gaat werken aan de hulpverlening die hij nodig heeft. [voornaam van verdachte] wil graag weer terug naar de [instelling 2] . Zijn raadsvrouw heeft de rechtbank er bovendien op gewezen dat het strafblad van [voornaam van verdachte] nog bijna blanco is en dat een PIJ maatregel daarom een veel te zware maatregel is. Er zou nog een kans voor [voornaam van verdachte] moeten komen om in een strak voorwaardelijk kader te laten zien dat hij kan meewerken aan de hulpverlening.

De rechtbank realiseert zich dat de zaak van [voornaam van verdachte] een uitzonderlijke zaak is. [voornaam van verdachte] is nog maar 14 jaar en hij is ook nog maar een keer eerder voor een vermogensdelict door een kinderrechter veroordeeld. De zaak is ook uitzonderlijk omdat [voornaam van verdachte] in het afgelopen jaar meer dan twintig strafbare feiten heeft gepleegd en van de rechtbank in het kader van de voorlopige hechtenis kans op kans heeft gehad om te laten zien dat hij niet opnieuw met de politie in aanraking zou komen. Ook de civiele kinderrechter heeft [voornaam van verdachte] meerdere kansen gegeven om te laten zien dat hij zou gaan meewerken aan de hulpverlening. [voornaam van verdachte] heeft al die kansen niet kunnen pakken. Dat komt door hoe hij op dit moment leeft en in elkaar zit. Om er voor te zorgen dat hij in de toekomst zijn kansen wel kan pakken is de rechtbank van oordeel dat alleen een heel strak en duidelijk kader [voornaam van verdachte] kan helpen om aan zijn ontwikkeling te gaan werken. [voornaam van verdachte] moet weten waar hij aan toe is. Voor [voornaam van verdachte] moet het duidelijk zijn dat hij niet op korte termijn kan bepalen wat er gaat gebeuren of waar hij gaat wonen. Alleen zo kan [voornaam van verdachte] aan het aanvaarden van de nodige hulp toekomen. De rechtbank komt daarom tot de conclusie dat voor [voornaam van verdachte] alleen de maatregel Plaatsing in een inrichting voor jeugdigen een passende afdoening is. Het afgelopen jaar is gebleken dat alle andere mogelijkheden die het straf- en civiele recht bieden niet hebben gewerkt voor [voornaam van verdachte] . Met het opleggen van de maatregel geeft de rechtbank [voornaam van verdachte] een laatste kans om hulp te accepteren. [voornaam van verdachte] is nog heel jong. Als op dit moment met de juiste behandeling en hulpverlening gestart kan worden binnen de PIJ-maatregel biedt dat, naar het oordeel van de rechtbank, de meeste kans voor [voornaam van verdachte] om zich verder te kunnen ontwikkelen. Eerst zal hij een inhaalslag moeten maken in zijn ontwikkeling als kind en, als dat goed verloopt, kan [voornaam van verdachte] zich vervolgens goed ontwikkelen naar volwassenheid.

De rechtbank stelt vast dat, wat betreft de bewezenverklaarde feiten aan de wettelijke vereisten voor oplegging van een PIJ-maatregel, zoals deze staan weergegeven in artikel 77s, eerste lid van het Wetboek van Strafrecht, is voldaan. Het merendeel van de bewezenverklaarde feiten het is een misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van vier jaren of meer is gesteld. Ten tijde van het plegen van deze misdrijven leed verdachte aan een ziekelijke stoornis en een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens. Vanwege de veelheid aan feiten, de hoge recidivekans als het gaat om vermogensdelicten en de zichtbare opbouw in ernst van de feiten en daarmee de kans op recidive op een geweldsdelict, is de rechtbank van oordeel dat de veiligheid van anderen en de algemene veiligheid van goederen en personen het opleggen van een PIJ-maatregel eist. Ondanks het ontbreken van een significante justitiële documentatie, volgt uit de veelheid van feiten en het verloop van de geboden hulpverlening in het afgelopen jaar, dat een ander (lichter) kader waarbinnen behandeling geboden kan worden, niet afdoende is. Behandeling en begeleiding van verdachte is, zoals hiervoor is overwogen, noodzakelijk voor een zo gunstig mogelijke verdere ontwikkeling van verdachte.

De maatregel geldt voor een termijn van drie jaren. Na twee jaar eindigt de maatregel van rechtswege voorwaardelijk, tenzij de maatregel wordt verlengd op de wijze zoals bedoeld in artikel 77t van het Wetboek van Strafrecht. De rechtbank stelt vast dat de maatregel opgelegd is ter zake van misdrijven die gericht zijn tegen en gevaar veroorzaken voor de onaantastbaarheid van één of meer personen. Derhalve kan de maatregel verlengd worden, telkens met ten hoogste twee jaren en tot een maximum van zeven jaren, zoals bedoeld in artikel 77t, derde lid van het Wetboek van Strafrecht.

Met betrekking tot de plaats waar de PIJ-maatregel ten uitvoer zal worden gelegd, overweegt de rechtbank dat zij het van groot belang acht dat er bij de plaatsing goed wordt gekeken naar een instelling waar het pedagogisch klimaat zoveel mogelijk past bij de jonge leeftijd van verdachte.

De rechtbank heeft bij het opleggen van de maatregel rekening gehouden met de volgende, door verdachte bekende, strafbare feiten die ad informandum op de twee verschillende dagvaardingen zijn vermeld en die behelzen:

  • -

    parketnummer 16/048641-20, 4: 11 september 2019 te Almere, diefstal dmv braak, verbreking, inklimming, valse sleutels, etc;

  • -

    parketnummer 16/224563-19, 2: 15 juli 2019 te Almere, opzetheling van een laptop;

  • -

    parketnummer 16/224563-19, 3: 11 september 2019 te Almere, diefstal met braak/verbreking/valse sleutel bromfiets van [slachtoffer 13] ;

  • -

    parketnummer 16/224563-19, 4: 22 september 2019 te Almere, diefstal dmv braak/verbreking/inklimming in vereniging van [slachtoffer 14] ;

  • -

    parketnummer 16/224563-19, 5: 28 juni 2018 te Amsterdam, schuldheling van snorfiets kenteken [kenteken 9] ;

  • -

    parketnummer 16/224563-19, 6: 9 juli 2018 te Amsterdam, schuldheling van snorfiets kenteken [kenteken 10] .

9 BENADEELDE PARTIJEN

[slachtoffer 2] heeft zich in de zaak met parketnummer 16/156795-19 als benadeelde partij in het geding gevoegd en vordert een bedrag van € 1.209,89, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het ontstaan van de schade. Voorts is verzocht de schadevergoedingsmaatregel op te leggen. Het bedrag van € 1.209,89 bestaat uit een vergoeding voor materiële schade, ten gevolge van het aan verdachte onder 2 primair ten laste gelegde feit.

Gemeente Almere heeft zich eveneens in de zaak met parketnummer 16/156795-19 als benadeelde partij in het geding gevoegd en vordert een bedrag van € 1.316,76, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het ontstaan van de schade. Voorts is verzocht de schadevergoedingsmaatregel op te leggen. Het bedrag van € 1.209,89 bestaat uit een vergoeding voor materiële schade, ten gevolge van het aan verdachte onder 6 ten laste gelegde feit.

[slachtoffer 7] heeft zich in de zaak met parketnummer 16/088408-19 als benadeelde partij in het geding gevoegd en vordert een bedrag van € 750,00, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het ontstaan van de schade. Voorts is verzocht de schadevergoedingsmaatregel op te leggen. Het bedrag van € 750,00 bestaat uit een vergoeding voor materiële schade, ten gevolge van het aan verdachte onder 10 ten laste gelegde feit.

[slachtoffer 10] heeft zich in de zaak met parketnummer 16/146255-19 als benadeelde partij in het geding gevoegd en vordert een bedrag van € 2.500,00, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het ontstaan van de schade. Voorts is verzocht de schadevergoedingsmaatregel op te leggen. Het bedrag van € 2.500,00 bestaat uit een vergoeding voor materiële schade, ten gevolge van het aan verdachte onder 15 ten laste gelegde feit.


[I] heeft zich in de zaak met parketnummer 16/224563-19 als benadeelde partij in het geding gevoegd en vordert een bedrag van € 570,70, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het ontstaan van de schade. Voorts is verzocht de schadevergoedingsmaatregel op te leggen. Het bedrag van € 570,70 bestaat uit een vergoeding voor materiële schade, ten gevolge van het aan verdachte in die zaak onder 2 ad informandum op die dagvaarding vermelde feit.

[slachtoffer 12] heeft zich (vertegenwoordigd door [G] , ouder van [slachtoffer 12] ) in de zaak met parketnummer 16/206946-19 als benadeelde partij in het geding gevoegd en vordert een bedrag van € 141,00, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het ontstaan van de schade. Voorts is verzocht de schadevergoedingsmaatregel op te leggen. Het bedrag van € 141,00 bestaat uit een vergoeding voor materiële schade, ten gevolge van het aan verdachte onder 21 ten laste gelegde feit.

9.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vorderingen van [slachtoffer 2] , gemeente Almere en [slachtoffer 12] . Volgens de officier van justitie moeten de bedragen worden toegewezen ten laste van de moeder van verdachte omdat zij risico-aansprakelijk is vanwege de leeftijd van verdachte ten tijde van het veroorzaken van de schade. De officier van justitie heeft geconcludeerd tot afwijzing van de vordering van [slachtoffer 10] omdat de gevorderde vergoeding voor een drumcomputer niet valt te herleiden tot het onder 15 ten laste gelegde. Tot slot heeft zij zich op het standpunt gesteld dat [slachtoffer 7] niet-ontvankelijk moet worden verklaard in zijn vordering vanwege een gebrekkige onderbouwing en in het geval van [I] niet-ontvankelijkheid dient te volgen omdat het ten laste gelegde ziet op heling en niet op diefstal van de laptop.

9.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft primair geconcludeerd tot afwijzing van de vordering van [slachtoffer 2] , subsidiair is bepleit dat zij niet-ontvankelijk moet worden verklaard. Daartoe is aangevoerd dat het om een scooter van tien jaar oud ging en dat slechts een taxatie van de reparatiekosten is overgelegd. Verder is geconcludeerd tot afwijzing van de vordering van [slachtoffer 10] alsmede van die van [slachtoffer 12] voor zover die ziet op de abonnementskosten, zijnde € 114,00. Tot slot is betoogd dat [slachtoffer 7] , [I] en de gemeente Almere niet-ontvankelijk moeten worden verklaard in hun vorderingen.

9.3

Het oordeel van de rechtbank

Vooraf

De verdachte heeft onrechtmatige daden gepleegd toen hij 13 jaar oud was. Verdachte is daarvoor zelf niet civielrechtelijk aansprakelijk, aangezien gedragingen van een kind jonger dan veertien jaar, aan dat kind niet als een onrechtmatige daad kunnen worden toegerekend (artikel 6:164 Burgerlijk Wetboek). De ouders zijn (risico)aansprakelijk voor de als doen te beschouwen gedraging van hun minderjarige kinderen jonger dan veertien jaar (artikel 6:169 lid 1 Burgerlijk Wetboek. In zo'n geval wordt de vordering van de benadeelde partij geacht te zijn gericht tegen de ouders (of voogd) van het kind (artikel 51g lid 4 Wetboek van Strafvordering) en maakt de beslissing op de vordering deel uit van het strafvonnis tegen de minderjarige (artikel 335 Wetboek van Strafvordering). In het onderhavige geval betekent het voorgaande dat de ingestelde vorderingen zich richten tegen de moeder van verdachte nu zij de ouder is die met het gezag is belast.

Vordering van [slachtoffer 2]

Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende aannemelijk geworden dat [slachtoffer 2] schade heeft geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het onder 2 primair bewezen verklaarde. De rechtbank ziet in de onderbouwing – meer bijzonder de ouderdom van de bromfiets en de thans reële dagwaarde aanleiding om een lager bedrag aan schadevergoeding toe te wijzen. De rechtbank acht toewijzing van de vordering tot een bedrag van € 300,00 billijk, te vermeerderen met de wettelijke rente. Het overig gevorderde wordt afgewezen. De schadevergoedingsmaatregel kan niet aan de moeder van verdachte worden opgelegd.

De moeder van verdachte zal worden veroordeeld in de kosten die [slachtoffer 2] heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken. Deze kosten worden tot op dit moment begroot op nihil.

Vordering van de gemeente Almere

De rechtbank overweegt dat de vordering tot schadevergoeding is ingediend door een vertegenwoordiger van de gemeente Almere, genaamd [H] . Welke functie [H] vervult blijkt niet uit de stukken en bij de vordering ontbreekt ook een volmacht dat [H] door de gemeente gemachtigd is om in rechte namens de gemeente op te treden. De gemeente Almere kan daarom thans niet in haar vordering worden ontvangen en kan haar vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

De gemeente Almere zal worden veroordeeld in de door de moeder van verdachte gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Vordering van [slachtoffer 7]

Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende aannemelijk geworden dat [slachtoffer 7] schade heeft geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het onder 10 bewezen verklaarde. Het gevorderde bedrag is echter onvoldoende onderbouwd. Ook zijn er onvoldoende gegevens beschikbaar om de schade te kunnen schatten. De conclusie is dat de behandeling van de vordering van [slachtoffer 7] een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. De rechtbank zal [slachtoffer 7] daarom niet-ontvankelijk verklaren en bepalen dat de vordering bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.

De kosten worden gecompenseerd, in die zin dat [slachtoffer 7] en de moeder van verdachte hun eigen kosten dragen.

Vordering van [slachtoffer 10]

Ingevolge artikel 361 lid 1 van het Wetboek van Strafvordering kan een benadeelde partij in het strafproces enkel vergoeding vorderen van de schade die zij door een strafbaar feit heeft geleden wanneer voldoende verband bestaat tussen het bewezen verklaarde handelen van de verdachte en de schade; dat is het vereiste van de rechtstreekse schade.

Uit de onderbouwing blijkt dat de gevorderde vergoeding ziet op een heel ander feit dan waar de tenlastelegging en de bewezenverklaring op zien. De gevorderde materiële schade laat zich dan ook niet kwalificeren als rechtstreekse schade. De rechtbank zal [slachtoffer 10] daarom niet-ontvankelijk verklaren en bepalen dat de vordering bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.

[slachtoffer 10] zal worden veroordeeld in de door de moeder van verdachte gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Vordering van [I]

Op grond van artikel 361 lid 2 onder b Wetboek van Strafvordering kan een benadeelde partij in haar vordering worden ontvangen indien de schade rechtstreeks is toegebracht door een strafbaar feit waarvan in de dagvaarding is medegedeeld dat het door verdachte is erkend en ter kennis van de rechtbank is gebracht en waarmee door de rechtbank bij de strafoplegging rekening is gehouden. De rechtbank constateert dat verdachte het in de zaak met parketnummer 16/224563-19 onder 2 ad informandum vermelde feit, opzetheling van een laptop op 15 juli 2019, heeft erkend. Met dit feit is rekening gehouden bij het opleggen van de maatregel.

De rechtbank is echter van oordeel dat onvoldoende is gebleken van een direct verband tussen de gestelde schade en het door verdachte gepleegde strafbare feit. Een bedrag van

€ 390,00 is op geen enkele wijze te herleiden tot de laptop, maar heeft betrekking op een telefoon, oortjes, reiskosten en een oplader. De borgkosten voor de betreffende laptop alsmede die voor een nieuwe laptop (totaal € 109,00) en de abonnementskosten voor de huur van de laptop (van € 71,70) staan in te ver verwijderd verband ten aanzien van het handelen van verdachte. De rechtbank zal [I] daarom niet-ontvankelijk verklaren in de vordering. [I] kan de vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

[I] zal worden veroordeeld in de door de moeder van verdachte gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Vordering van [slachtoffer 12]

Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende aannemelijk geworden dat [slachtoffer 12] schade heeft geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het onder 21 bewezen verklaarde. Het gevorderde bedrag is voldoende onderbouwd en zal derhalve worden toegewezen, tezamen met de gevorderde rente. De schadevergoedingsmaatregel kan niet aan de moeder van verdachte worden opgelegd.

De moeder van verdachte zal worden veroordeeld in de kosten die [slachtoffer 12] heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken. Deze kosten worden tot op dit moment begroot op nihil.

10 TOEPASSELIJKE WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN

De beslissing berust op de artikelen

  • -

    45, 47, 63, 77a, 77g, 77s, 77gg, 141, 266, 267, 311, 312, 326, 350, 416 van het Wetboek van Strafrecht en

  • -

    2 en 10 van de Opiumwet

zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

11 BESLISSING

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het onder 1, 2 primair, 3, 4 primair, 5 primair, 6, 7, 8, 9, 10, 11, 12, 13, 14 primair, 15, 16, 17, 18, 19, 20 en 21 ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld;

- verklaart het onder 1, 2 primair, 3, 4 primair, 5 primair, 6, 7, 8, 9, 10, 11, 12, 13, 14 primair, 15, 16, 17, 18, 19, 20 en 21 meer of anders ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij;

Strafbaarheid

- verklaart het in rubriek 5 bewezen verklaarde strafbaar en kwalificeert dit zoals hiervoor in rubriek 6 is vermeld;

- verklaart verdachte strafbaar;

Oplegging straf of maatregel

- legt op aan verdachte de maatregel van plaatsing in een inrichting voor jeugdigen;

Benadeelde partijen

[slachtoffer 2]

- wijst de vordering van [slachtoffer 2] toe tot een bedrag van € 300,00 , zijnde een vergoeding voor materiële schade;

- veroordeelt de moeder van verdachte, [J] , tot betaling aan [slachtoffer 2] van het toegewezen bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 24 juni 2019 tot de dag van volledige betaling;

- wijst het overig gevorderde af;

- veroordeelt de moeder van verdachte ook in de kosten door [slachtoffer 2] gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil;

De gemeente Almere

- verklaart de gemeente Almere niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de vordering kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;

- veroordeelt de gemeente Almere in de kosten door de moeder van verdachte gemaakt, tot op heden begroot op nihil;

[slachtoffer 7]

- verklaart [slachtoffer 7] niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de vordering kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;

- compenseert de proceskosten van [slachtoffer 7] en de moeder van verdachte, in die zin dat ieder haar eigen kosten draagt;

[slachtoffer 10]

- verklaart [slachtoffer 10] niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de vordering kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;

- veroordeelt [slachtoffer 10] in de kosten door de moeder van verdachte gemaakt, tot op heden begroot op nihil;

[I]

- verklaart [I] niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de vordering kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;

- veroordeelt [I] in de kosten door de moeder van verdachte gemaakt, tot op heden begroot op nihil;

[slachtoffer 12]

- wijst de vordering van [slachtoffer 12] van € 141,00 toe, zijnde een vergoeding voor materiële schade;

- veroordeelt de moeder van verdachte, [J] , tot betaling aan [slachtoffer 12] van het toegewezen bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 28 mei 2019 tot de dag van volledige betaling;

- veroordeelt de moeder van verdachte ook in de kosten door [slachtoffer 12] gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Dit vonnis is gewezen door mr. R.B. Eigeman, voorzitter tevens kinderrechter,

mr. D.S. Terporten-Hop, kinderrechter en mr. A. Leschot, rechter, in tegenwoordigheid van

mr. J. Campmans, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van 2 juni 2020.

De voorzitter en de griffier zijn buiten staat dit vonnis te ondertekenen.

Bijlage: de tenlastelegging

Aan verdachte wordt ten laste gelegd dat:

parketnummer 16/156795-19:

1:

hij op of omstreeks 30 juni 2019 te Almere tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een snorfiets, in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een

ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde, te weten aan [slachtoffer 1] , heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft/hebben verschaft en/of die weg te nemen snorfiets onder zijn/haar/hun bereik heeft/hebben gebracht door

middel van braak/verbreking;

2 primair:

hij op of omstreeks 24 juni 2019 te Almere, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een bromfiets van het merk Sym, type Hu05W met het kenteken [kenteken 1] , in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde, te weten aan [slachtoffer 2] , heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;

2 subsidiair:

hij op of omstreeks 24 juni 2019 te Almere, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een goed, te weten een bromfiets van het merk Sym, type Hu05W met het kenteken [kenteken 1] heeft verworven, voorhanden gehad en/of overgedragen,

terwijl hij en zijn mededader(s) ten tijde van de verwerving of het voorhanden krijgen van dit goed wist(en), althans redelijkerwijs hadden moeten vermoeden dat het een door misdrijf verkregen goed betrof;

3:

hij op of omstreeks 24 juni 2019 te Almere, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen opzettelijk en wederrechtelijk een kentekenplaat [kenteken 1] , in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), te weten aan [slachtoffer 2] toebehoorde, heeft vernield, beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt en/of weggemaakt;

4 primair:

hij op of omstreeks 24 juni 2019 te Almere-Buiten, gemeente Almere tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een bromfiets van het merk La Souris type Vespelini S met het kenteken [kenteken 2] , in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde, te weten aan [slachtoffer 3] , heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;

4 subsidiair:

hij op of omstreeks 24 juni 2019 te Almere, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een goed, te weten een bromfiets van het merk La Souris type Vespelini S met het kenteken [kenteken 2] heeft verworven, voorhanden gehad en/of

overgedragen, terwijl hij en zijn mededader(s) ten tijde van de verwerving of het

voorhanden krijgen van dit goed wist(en), althans redelijkerwijs hadden

moeten vermoeden dat het een door misdrijf verkregen goed betrof;

5 primair:

hij op of omstreeks 23 juni 2019 te Almere-Stad tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een telefoon (merk Huawei) , in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde, te weten aan [slachtoffer 4] , heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen,

terwijl deze diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen [slachtoffer 4] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken, of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door tegen het lichaam van vernoemde [slachtoffer 4] te duwen, waardoor zij met haar fiets ten val kwam, en vervolgens de telefoon uit de hand(en) van die [slachtoffer 4] te trekken;

5 subsidiair:

hij op of omstreeks 23 juni 2019 te Almere, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een goed, te weten een telefoon van het merk Huawei heeft verworven, voorhanden gehad en/of overgedragen, terwijl hij en zijn mededader(s) ten tijde van de verwerving of het voorhanden krijgen van dit goed wist(en), althans redelijkerwijs hadden moeten vermoeden dat het een door misdrijf verkregen goed betrof;

6:

hij op of omstreeks 23 juni 2019 te Almere, opzettelijk en wederrechtelijk een of meer ruiten van een bushokje ( [.] ) , in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander dan aan verdachte, te weten aan de Gemeente Almere toebehoorde, heeft vernield, beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt en/of weggemaakt;

7:

hij op of omstreeks 23 juni 2019 te Almere, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een telefoon van het merk iPhone (type 8 Plus), in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s)

toebehoorde, te weten aan [slachtoffer 5] , heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;

8:

hij op of omstreeks 24 juni 2019 te Almere, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een tas met inhoud , in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde, te weten aan [slachtoffer 6] , heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;

9:

hij op of omstreeks 15 juli 2019 te Almere, een goed, te weten een scooter (snorfiets) met kenteken [kenteken 3] , heeft verworven, voorhanden gehad, en/of overgedragen, terwijl hij ten tijde van de verwerving of het voorhanden krijgen van dit goed wist, althans redelijkerwijs had moeten vermoeden dat het een door misdrijf verkregen goed betrof;

parketnummer 16/088408-19:

hij op of omstreeks 12 april 2019 te Almere een snorfiets (AGM VX50, v.v.h.k. [kenteken 4] ), in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander toebehoorde, te weten aan [slachtoffer 7]

, heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen,

terwijl verdachte dat weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak en/of verbreking;

parketnummer 16-106558-19:

hij in of omstreeks de periode gelegen tussen 2 mei en 3 mei 2019 te Almere, althans in Nederland ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en/of een valse hoedanigheid en/of door listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels, [slachtoffer 8] te bewegen tot de afgifte van een geldbedrag (170 euro),

- zich heeft voorgedaan als de bonafide aanbieder en verkoper van goederen op de internetsite www.marktplaats.nl en/of

- op/via die Marktplaatsaccount een (kapotte) mobiele telefoon (merk: apple) te koop heeft aangeboden en/of

- via die Marktplaatsaccounts contact heeft onderhouden met voornoemde [slachtoffer 8] en/of

- daarbij de indruk heeft gewekt dat hij dat aangeboden goed in bezit had en/of

- voornoemde [slachtoffer 8] voorgehouden dat dit aangeboden goed een kapotte mobiele telefoon (merk: apple) was, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

parketnummer 16/114965-19:

1:

hij op of omstreeks 11 mei 2019 te Almere tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(s)

voorgenomen misdrijf om één of meerdere fietsen, in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde, te weten aan één of meerdere onbekend gebleven personen, weg te nemen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen en zich de toegang tot de plaats van het misdrijf te verschaffen en/of dat/die weg te nemen goed/goederen onder zijn/haar/hun bereik te brengen door middel van braak en/of verbreking, één of meerdere malen met een schaar, althans een scherp voorwerp, in de sleutelgaten van die sloten van die fietsen heeft gewrikt en/of gedraaid

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2:

hij op of omstreeks 11 mei 2019 te Almere, een goed te weten een fiets heeft verworven, voorhanden gehad, en/of overgedragen, terwijl hij ten tijde van de verwerving of het voorhanden krijgen van dit goed wist dat het een door misdrijf verkregen goed betrof;

parketnummer 16/146255-19:

1. primair:

hij op of omstreeks 17 juni 2019 te Almere tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een snorfiets (kenteken [kenteken 6] , kleur rood), in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde, te weten aan [slachtoffer 9] , heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;

1. subsidiair:

hij op of omstreeks 17 juni 2019 te Almere, een goed te weten een snorfiets (kenteken

[kenteken 6] , kleur rood) heeft verworven, voorhanden gehad, en/of overgedragen, terwijl hij ten tijde van de verwerving of het voorhanden krijgen van dit goed wist, althans redelijkerwijs had moeten vermoeden, dat het een door misdrijf verkregen goed betrof;

2:

hij op of omstreeks 17 juni 2019 te Almere tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(s)

voorgenomen misdrijf om een snorfiets (kenteken [kenteken 7] ), in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde, te weten aan [slachtoffer 10] , weg te nemen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te

eigenen, heeft/hebben hij, verdachte, en/of zijn mededader, een schroef in het contactslot van voornoemde snorfiets gedraaid, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

3:

hij op of omstreeks 17 juni 2019 te Almere, zich met geweld en/of bedreiging met geweld, heeft verzet tegen twee ambtenaren, [E] , [functie 2] bij eenheid Midden Nederland, en/of [F] , [functie 3] bij politie eenheid Midden-Nederland, werkzaam in de rechtmatige oefening van zijn/haar/hun bediening, te weten de aanhouding van

verdachte, door zich meermalen, althans eenmaal, los te rukken uit de greep van voornoemde ambtenaren en/of te trekken en/of bewegen in de richting tegengesteld aan die waarin die ambtenaren verdachte trachtten te geleiden;

parketnummer 16/224563-19:

hij op of omstreeks 10 april 2019 te Almere een snorfiets, in elk geval enig snorfiets ( [kenteken 8] ), dat geheel of ten dele aan een ander toebehoorde, te weten aan [slachtoffer 11] , heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en/of dat weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak en/of verbrekingen en/of een valse sleutel, door een voorwerp in/naast het contactslot van voornoemde bromfiets te steken;

parketnummer 16/048641-20:

1:

hij op of omstreeks 20 februari 2020 te Amsterdam opzettelijk heeft verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad, een hoeveelheid van 9 pillen MDMA, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende MDMA, zijnde MDMA een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

2:

hij op of omstreeks 20 februari 2020 te Amsterdam opzettelijk een of meer ambtena(a)r(en),te weten [C] , [functie 1] van politie Eenheid Amsterdam en/of [D] , [functie 2] van politie Eenheid Amsterdam, gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn/hun bediening, in zijn/hun tegenwoordigheid, mondeling heeft beledigd, door hem/hen de woorden toe te voegen: "vieze kankerflikkers, jullie

zijn echt zwarte honden, kanker sukkel, je vieze kankermoeder, Wie denk je wel niet wie je bent vieze kankermongool", althans woorden van gelijke beledigende aard en/of strekking;

3:

hij op of omstreeks 20 februari 2020 te Amsterdam, zich met geweld en/of bedreiging met geweld, heeft verzet tegen een of meer ambtena(a)r(en),te weten [C] , [functie 1] van politie Eenheid Amsterdam en/of [D] , [functie 2] van politie Eenheid Amsterdam, werkzaam in de rechtmatige uitoefening van zijn/hun bediening, te weten ter aanhouding van verdachte op heterdaad, door met zijn armen op en neer te bewegen en/of zich los te rukken en/of een bijtbeweging te maken in de richting van voornoemde

[D] ;

parketnummer 16/206946-19:

hij op of omstreeks 28 mei 2019 te Almere tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een telefoon, in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde, te weten aan [slachtoffer 12] ,

heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl deze diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen [slachtoffer 12] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken, of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers

aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door

- die [slachtoffer 12] , welke was gezeten op een fiets, te dwingen te stoppen met fietsen en/of

- door de capuchon van die [slachtoffer 12] over diens hoofd te trekken en/of

- door die [slachtoffer 12] één of meermalen in het gezicht en/of op/tegen het hoofd en/of de borst te stompen/slaan.