Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2020:2050

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
03-06-2020
Datum publicatie
10-11-2020
Zaaknummer
C/16/498322 / KL ZA 20-51
Rechtsgebieden
Intellectueel-eigendomsrecht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Auteursrecht afbeeldingen geschonden, schending erkend en gestaakt, schadevergoeding, onderzoek registeraccountant, dwangsom, publicatie rectificatie

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Civiel recht

handelskamer

locatie Lelystad

zaaknummer / rolnummer: C/16/498322 / KL ZA 20-51

Vonnis in kort geding van 3 juni 2020

in de zaak van

[eiser] ,

wonende te [woonplaats] ,

eiser,

advocaat mr. S.J.M. Meijer-Jansen te Bergen op Zoom,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[gedaagde] B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

gedaagde,

advocaat mr. F.J.G. Hulsbergen te Haarlem.

Partijen zullen hierna [eiser] en [gedaagde] genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

[eiser] heeft een kort geding aanvraag ingediend. Bij e-mail van 2 april 2020 is namens de voorzieningenrechter aan partijen meegedeeld dat de procedure vanwege het coronavirus op afstand zal worden gevoerd en dat de pro forma behandeling van de zaak zal plaatsvinden op 15 april 2020 om 10.00 uur en is de verdere procedure aan partijen uitgelegd.

1.2.

Het dossier bevat de volgende stukken:

  • -

    de dagvaarding

  • -

    de conclusie van antwoord in kort geding van [gedaagde]

  • -

    de conclusie van repliek van [eiser]

  • -

    de conclusie van dupliek in kort geding van [gedaagde]

1.3.

Nadat partijen de onder 1.2. vermelde processtukken hebben overgelegd en de voorzieningenrechter zich heeft beraden, is aan partijen meegedeeld dat de voorzieningenrechter aanleiding ziet voor het houden van een mondelinge behandeling via een Skype verbinding. De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 18 mei 2020.

1.4.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

[eiser] is fotograaf, editor en digitaal kunstenaar. Zijn werk wordt geëxploiteerd door de vennootschap onder firma [onderneming 1] .

2.2.

[gedaagde] houdt zich bezig met het printen en verkopen van afbeeldingen via haar website [website] en het maken van fototechnische producten, waaronder schoolfoto’s.

2.3.

Op 23 december 2019 heeft mr. Meijer-Jansen een brief verzonden aan [gedaagde] waarin onder andere is vermeld dat op de website van [gedaagde] afbeeldingen van werken (hierna ook: “prints”) worden aangeboden onder de naam “ [naam] ” die namaak danwel nabootsing zijn van de werken waarop [eiser] het auteursrecht heeft en dat sprake is van een schending van die auteursrechten. Voorts is [gedaagde] gesommeerd met onmiddellijke ingang het aanbieden, exposeren, verkopen en leveren van die werken te staken en gestaakt te houden en de afbeeldingen te verwijderen en verwijderd te houden van de website.

2.4.

Op 9 januari 2020 heeft de heer [A] (hierna: [A] ) namens [gedaagde] per brief als volgt gereageerd:

“(…)

De betreffende beelden hebben wij momenteel al een aantal jaren in ons bezit, deze zijn vervaardigd door een digitaal beeldvormer. Wij hebben het idee dat onze beelden al eerder op de markt waren dan nu recentelijk blijkt.

Wat u aankaart in het eerdere schrijven gaan wij bespreken met de digitaal beeldvormer. Wij zullen u dan op korte termijn informeren over de zaak en aangeven hoe deze beelden zijn gemaakt. (…)”

2.5.

Op 20 januari 2020 heeft mr. Meijer-Jansen [gedaagde] een brief en een e-mail verzonden waarin zij stelt nog geen inhoudelijke reactie te hebben ontvangen naar aanleiding van het schrijven van 9 januari 2020 van [A] . Voorts heeft mr. Meijer-Jansen de sommatie uit de brief van 23 december 2010 herhaald.

2.6.

Op 21 januari 2020 heeft [A] mr. Meijer-Jansen per e-mail verzocht om [gedaagde] tot 27 januari 2020 tijd te gunnen om de kwestie te kunnen onderzoeken en in een volgend e-mail op dezelfde dag heeft [A] bericht dat de beelden op de website tijdelijk on-hold zijn geplaatst.

2.7.

In reactie op een e-mail van 24 januari 2020 van mr. Meijer-Jansen, waarin nogmaals wordt verzocht om een inhoudelijke reactie, is op 29 januari 2020 door [A] het volgende per e-mail aangegeven:

“(…)

Na uw schrijven van afgelopen dagen wil ik u vragen om enig geduld te betrachten, u dreigende mails bevallen ons niet.

Ik ben adviseur van [gedaagde] en probeer er achter te komen wat hier nu speelt. (…)

Wat ik wel in de wandelgangen heb vernomen is dat de beelden waar u zich druk om maakt, al heel lang in ons bezit zijn. Ons vermoeden bestaat dat deze al eerder op de markt waren dan de beelden van de heer [eiser] .

Mocht u toch van mening zijn dat dit voor uw cliënt te lang duurt, dan denken wij dat u de zaak toch aan de rechter moet overlaten. En zien wij de dagvaarding wel tegemoet. (…)”

2.8.

Op 19 februari 2020 heeft de heer [B] , oprichter en directeur van [onderneming 2] BV, een kunstgalerie die het werk van [eiser] verkoopt, het volgende bericht verzonden aan [eiser] :

“(…)

Hebben jullie advocaat erop gezet? Deze copy cat gaat gewoon door..

We hebben nu al diverse offertes in nederland en belgie verloren door deze goedkopere [eiser] prints plexi… is zeer slecht voor ons en jouw imago (…)”

3 Het geschil

3.1.

[eiser] vordert samengevat – uitvoerbaar bij voorraad:

I. [gedaagde] te bevelen met onmiddellijke ingang na betekening van dit vonnis de inbreukmakende handelingen (lees: het aanbieden, exposeren, verkopen en leveren van de prints) te staken en gestaakt te houden en de inbreukmakende prints c.q. afbeeldingen daarvan te verwijderen en verwijderd te houden van haar website, brochure of andere reclame;

II. [gedaagde] te bevelen om binnen 2 dagen na betekening van dit vonnis op eigen kosten op de voorpagina van haar website een tekst te plaatsen dat [gedaagde] door de verhandeling en verkoop van de prints onder de naam “ [naam] ” inbreuk heeft gemaakt op de intellectuele eigendomsrechten althans onrechtmatig heeft gehandeld jegens [eiser] ;

III. [gedaagde] te bevelen om binnen 2 dagen na betekening van dit vonnis al hetgeen haar bekend is omtrent de herkomst van de beelden zoals verhandeld onder de naam “ [naam] ” aan de advocaat van [eiser] te verstrekken;

IV. [gedaagde] te bevelen om binnen 14 dagen na betekening van dit vonnis aan de advocaat van [eiser] een door een registeraccountant gecontroleerde en goedgekeurde opgave te overleggen van het totale aantal prints die door [gedaagde] zijn verhandeld, alsmede de inkoop/ en verkoopprijs ervan, bruto en netto winst en alle facturen, orders, afleverbonnen en transportdocumenten;

V. [gedaagde] te bevelen om aan de onder I tot en met IV gevorderde bevelen te voldoen op straffe van verbeurte van een dwangsom voor iedere overtreding dan wel niet-nakoming van het bevel van € 1.000,00 voor iedere dag, een gedeelte van een dag daarvan tot een gehele gerekend, dat de overtreding dan wel niet-nakoming voortduurt, waarbij de dwangsommen worden gemaximeerd op een bedrag van € 50.000,00, althans een dwangsom te bepalen dat de voorzieningenrechter in goede justitie vermeent te behoren, te rekenen vanaf het moment dat het vonnis aan [gedaagde] wordt betekend, met gelijktijdig bevel om aan de inhoud daarvan te voldoen;

VI. [gedaagde] te veroordelen tot vergoeding van een voorschot op de door [eiser] geleden schade ten bedrage van € 10.000,00 te voldoen binnen twee weken na betekening van dit vonnis, althans een door de voorzieningenrechter naar redelijkheid te bepalen bedrag;

VII. [gedaagde] te veroordelen tot betaling van de daadwerkelijke proceskosten van dit geding overeenkomstig het bepaalde in artikel 1019h Rv, conform specificatie tot de dagvaarding begroot op € 5.951,40 p.m., te vermeerderen met de aanvullende kostenspecificatie die voor de mondelinge behandeling is ingebracht, te vermeerderen met de nakosten, althans een proceskostenveroordeling ex artikel 1019h Rv door de voorzieningenrechter in goede justitie te bepalen en vastgesteld conform de indicatietarieven in IE-zaken dan wel conform het gebruikelijke liquidatietarief, een bedrag aan salaris voor de advocaat van [eiser] daaronder begrepen, te vermeerderen met nakosten à € 131,00 (zonder betekening) respectievelijk € 199,00 met betekening, vermeerderd met de wettelijke rente over de proces- en nakosten als [gedaagde] deze niet binnen 14 dagen na dagtekening van dit vonnis heeft betaald.

3.2.

Aan zijn vorderingen legt [eiser] het volgende ten grondslag. [gedaagde] heeft afbeeldingen van werken waarop [eiser] het auteursrecht bezit, zonder toestemming van [eiser] openbaar gemaakt, verveelvoudigd en te koop aangeboden en zodoende onrechtmatig jegens [eiser] gehandeld. Voorts heeft [gedaagde] inbreuk gemaakt op de persoonlijkheidsrechten van [eiser] door de betreffende werken onder een andere naam dan [eiser] openbaar te maken. Door de handelwijze van [gedaagde] heeft [eiser] schade geleden in de vorm van gederfde winst, reputatieschade en vermogensschade.

3.3.

[gedaagde] voert verweer. [gedaagde] erkent weliswaar (onbedoeld) inbreuk gemaakt te hebben op de auteursrechten van [eiser] , verstrekt de gevorderde herkomstgegevens, maar betwist de hoogte van de gevorderde (schade)bedragen en de inhoud van de overige vorderingen van [eiser] .

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

inbreuk op auteursrechten

4.1.

Op grond van artikel 1 Auteurswet heeft de auteursrechthebbende het uitsluitend recht om het auteursrechtelijk beschermde werk openbaar te maken en te verveelvoudigen. Anderen mogen dit in beginsel alleen met voorafgaande toestemming van de rechthebbende, tenzij zij zich op een beperking van de Auteurswet kunnen beroepen. Dat laatste is in dit geval niet gesteld of gebleken. Verder komt aan de maker op grond van artikel 25 lid 1 Auteurswet in beginsel het recht toe zich te verzetten tegen openbaarmaking zonder zijn naam of onder een andere naam en tegen wijziging van het werk.

4.2.

[gedaagde] heeft erkend dat zij door het plaatsen van de afbeeldingen de auteursrechten van [eiser] heeft geschonden. Die schending van de auteursrechten van [eiser] is onrechtmatig en [gedaagde] is daarvoor als websitehouder in beginsel aansprakelijk, ondanks haar verweer dat zij ten tijde van plaatsing op de website niet op de hoogte was van de auteursrechten van [eiser] . De voorzieningenrechter zal hiervan bij de beoordeling van de vorderingen uitgaan.

spoedeisend belang

4.3.

Niet in geschil is dus dat inbreukmakende werken op de website van [gedaagde] zijn aangeboden zonder toestemming en onder een andere naam dan [eiser] . [gedaagde] betwist echter het spoedeisend belang aan de zijde van [eiser] . Zij voert daartoe aan dat zij de inbreukmakende afbeeldingen inmiddels verwijderd heeft van haar website en op

7 april 2020 [eiser] hiervan op de hoogte heeft gebracht.

4.4.

Bovengenoemd betoog van [gedaagde] slaagt niet, omdat dit kort geding op 7 april 2020 reeds aanhangig was. Ook het tijdens de mondelinge behandeling ingenomen standpunt van [gedaagde] , dat deze procedure voorkomen had kunnen worden indien [eiser] rechtstreeks contact had opgenomen met [gedaagde] , biedt haar geen soelaas. Uit de correspondentie tussen partijen blijkt immers dat [gedaagde] , ook nadat zij was gewezen op haar inbreukmakend handelen, de inbreuk op de rechten van [eiser] heeft voortgezet. De reeds gepleegde inbreuk en de voortzetting daarvan ondanks melding hiervan door [eiser] , wettigt in dit geval het opstarten van deze procedure. Onder deze omstandigheden heeft [eiser] weliswaar geen belang meer bij zijn vordering tot het staken van het gebruik van zijn werk op de website van [gedaagde] , maar [eiser] heeft wel een spoedeisend belang bij de inhoudelijke behandeling van zijn overige vorderingen. De voorzieningenrechter gaat dan ook over tot inhoudelijke beoordeling van de zaak.

inbreuk staken en gestaakt houden (vordering I)

4.5.

Tussen partijen staat niet ter discussie dat de in het geding zijnde afbeeldingen inmiddels van de website van [gedaagde] zijn gehaald. Bovendien heeft [gedaagde] tijdens de mondelinge behandeling uitdrukkelijk verklaard het gebruik van de prints gestaakt te houden. De vordering tot het opleggen van een stakings- en verwijderingsbevel nu en in de toekomst zal daarom bij gebrek aan belang worden afgewezen.

gebod tot rectificatie (vordering II)

4.6.

Partijen hebben tijdens de mondelinge behandeling verklaard overeenstemming te hebben bereikt over de door [gedaagde] te plaatsen tekst van rectificatie op de hoofdpagina van haar website en dat deze gedurende zeven dagen na plaatsing getoond zal worden. [gedaagde] zal conform overeenstemming tussen partijen worden veroordeeld om gedurende zeven dagen op de hoofdpagina van haar website de volgende rectificatie te plaatsen:

Rectificatie

Met onmiddellijke ingang hebben wij de werken die aangeboden en verkocht werden onder de naam “ [naam] ” moeten staken. Deze prints betreffen een nabootsing van de werken van [eiser] en maken daarmee inbreuk op zijn (auteurs)rechten. De voorzieningenrechter te Lelystad heeft ons op straffe van verbeurte van een dwangsom verplicht deze rectificatie te plaatsen”.

herkomst (vordering III)

4.7.

De vordering van [eiser] om [gedaagde] te veroordelen binnen twee dagen na betekening van dit vonnis al hetgeen haar bekend is omtrent de herkomst van de beelden zoals verhandeld onder naam “ [naam] ” aan de advocaat van [eiser] zal verstrekken, zal worden afgewezen. [gedaagde] heeft reeds aan deze vordering voldaan door in deze procedure een onderbouwde toelichting te geven omtrent de herkomst van de beelden, hetgeen op de mondelinge behandeling ook door [gedaagde] is erkend.

opgave registeraccountant (vordering IV)

4.8.

[eiser] heeft verder gevorderd dat [gedaagde] een door een registeraccountant gecontroleerde en goedgekeurde opgave overlegt van het totale aantal prints die door [gedaagde] zijn verhandeld, almede de inkoop- en verkoopprijs ervan, bruto en netto winst en alle facturen, orders, afleverbonnen en transportdocumenten. [gedaagde] heeft hier tegenovergesteld dat zij reeds inzage heeft gegeven in haar administratie, dat zij slechts

€ 500,00 heeft verdiend met de verkoop van één exemplaar van de betreffende werken en dat inschakeling van een registeraccountant hierom buitensporig zou zijn.

4.9.

[gedaagde] heeft enkele facturen uit haar administratie overgelegd en aangevoerd dat dit haar gehele administratie is. Op één van die facturen is de naam “ [naam] ” vermeld. Of [gedaagde] met de overgelegde facturen inzage in haar gehele administratie heeft gegeven en of zij met de inbreukmakende werken inderdaad slechts € 500,00 heeft verdiend kan aan de hand van de door haar in het geding gebrachte stukken niet sluitend worden vastgesteld. [eiser] heeft belang bij deze vordering nu niet uitgesloten kan worden dat [gedaagde] over meer gegevens beschikt dan zij thans openbaar heeft gemaakt. Eveneens kan niet uitgesloten worden dat de omvang van de inbreuk daadwerkelijk groter is dan [gedaagde] tot nu toe heeft verklaard. [gedaagde] heeft haar verweer derhalve onvoldoende onderbouwd. Het vorenstaande leidt ertoe dat de vordering tot het afleggen van rekening en verantwoording door het doen van opgave, gecontroleerd en goedgekeurd door een registeraccountant, toewijsbaar is. De aanwezigheid van en controle door een registeraccountant wordt in dit verband zinvol geacht, ook omdat deze het zou kunnen bevestigen indien het geven van meer openheid dan [gedaagde] tot nu toe heeft gedaan daadwerkelijk niet mogelijk zou blijken, zoals door [gedaagde] betoogd.

4.10.

De vordering onder IV zal dus worden toegewezen, met dien verstande dat, indien de accountant door zijn gedragsregels weerhouden wordt van het verbinden van conclusies aan de opgave, hij met een andere verklaring kan volstaan, zoals een rapport van feitelijke bevindingen. Ter voorkoming van executiegeschillen zal aan [gedaagde] een langere termijn worden gegund.

4.11.

Gezien de gemoeide kosten bij een controle door een registeraccountant, de verklaring van [eiser] tijdens de mondelinge behandeling, dat hij het voldoende acht indien een door hem aan te wijzen derde de toegang verkrijgt tot de administratie van [gedaagde] en de verklaring van [gedaagde] dat zij bereid is deze toegang en inzage toe te staan, geeft de voorzieningenrechter partijen in overweging om deze kwestie op de tijdens de mondelinge behandeling voorgestelde manier tot een oplossing te brengen.

dwangsom (vordering V)

4.12.

[eiser] heeft voldoende belang bij zijn vordering om aan de hierboven toegewezen vorderingen een dwangsom te verbinden. Overigens heeft [gedaagde] geen bezwaar gemaakt tegen het opleggen van een dwangsom, maar bezwaar gemaakt tegen de gevorderde hoogte. De voorzieningenrechter gaat voorbij aan dit bezwaar, omdat zij het gevorderde redelijk acht en [gedaagde] niets te vrezen heeft indien zij zich aan de veroordelingen in dit vonnis houdt.

schadevergoeding (vordering VI)

4.13.

[eiser] vordert veroordeling van [gedaagde] tot betaling van een voorschot van

€ 10.000,00 op de door [eiser] geleden schade. [gedaagde] erkent een schadebedrag van

€ 500,00 aan [eiser] verschuldigd te zijn, bestaande uit winst die [gedaagde] heeft gemaakt bij de verkoop van een van de inbreukmakende werken. Het meerdere wordt door [gedaagde] betwist.

4.14.

Bij een voorlopige voorziening die strekt tot betaling van een geldsom past terughoudendheid. Toewijzing is alleen op zijn plaats als het bestaan en de omvang van de vordering in hoge mate aannemelijk zijn, er vanwege onverwijlde spoed een onmiddellijke voorziening vereist is en het risico van onmogelijkheid van terugbetaling - bij afweging van de belangen van partijen - niet aan toewijzing in de weg staat.

4.15.

Aan die vereisten is niet voldaan. De omvang van de vordering tot schadevergoeding staat nog onvoldoende vast. De door [eiser] in het geding gebrachte

e-mail correspondentie van de kunstgalerie is onvoldoende concreet om het schadebedrag vast te stellen. [eiser] heeft onvoldoende gesteld om aan te kunnen nemen dat hij als gevolg van de geconstateerde inbreuken schade heeft geleden die in redelijkheid kan worden begroot op € 10.000,00. Ook heeft hij geen feiten en omstandigheden gesteld die de conclusie rechtvaardigen dat van hem niet kan worden gevergd dat hij de uitkomst van een bodemprocedure hierover afwacht. De voorzieningenrechter zal aan schadevergoeding daarom het door [gedaagde] erkende deel van € 500,00 toewijzen en het meerdere gevorderde afwijzen.

proceskostenveroordeling (vordering VII)

4.16.

[eiser] heeft ten slotte gevorderd dat [gedaagde] op de voet van artikel 1019h Rv wordt veroordeeld in de door [eiser] daadwerkelijk gemaakte en nog te maken proceskosten, die hij bij dagvaarding begrootte op € 5.951,40 tot aan de datum van dagvaarding. Bij repliek heeft [eiser] de gevorderde kosten begroot op € 10.294,32.

4.17.

Voorop staat dat [gedaagde] , als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij, zal worden veroordeeld in de redelijke en evenredige gerechtskosten en andere kosten die [eiser] heeft gemaakt. De vordering is gebaseerd op een auteursrechtinbreuk, zodat de regeling van artikel 1019h Rv van toepassing is. [eiser] kon in redelijkheid tot dagvaarden overgaan, nadat een regeling buiten de rechter om niet mogelijk bleek. Bij de vaststelling van de redelijke en evenredige kosten ex artikel 1019h Rv gaat de voorzieningenrechter uit van de Indicatietarieven in IE-zaken, versie 1 april 2017. Het gaat hier in de kern om een eenvoudige inbreukzaak met een beperkt feitencomplex en een beperkt financieel belang, waarvoor in beginsel het liquidatietarief geldt. De voorzieningenrechter acht de opgevoerde kosten in redelijkheid toewijsbaar tot het maximale tarief voor een eenvoudig IE-kort geding. Dit komt neer op € 6.000,00.

4.18.

De door [gedaagde] aan [eiser] te betalen proceskosten komen daarmee op:

- dagvaarding € 87,99

- griffierecht € 304,00

- salaris advocaat € 6.000,00

Totaal € 6.391,99

De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten zal worden toegewezen zoals is vermeld in de beslissing. De nakosten, waarvan [eiser] betaling vordert, zullen worden toegewezen zoals is gevorderd.

5 De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1.

beveelt [gedaagde] om binnen twee dagen na betekening van dit vonnis op de hoofdpagina van haar website de volgende rectificatie te plaatsen en na plaatsing gedurende zeven dagen te handhaven:

Rectificatie

Met onmiddellijke ingang hebben wij de werken die aangeboden en verkocht werden onder de naam “ [naam] ” moeten staken. Deze prints betreffen een nabootsing van de werken van [eiser] en maken daarmee inbreuk op zijn (auteurs)rechten. De voorzieningenrechter te Lelystad heeft ons op straffe van verbeurte van een dwangsom verplicht deze rectificatie te plaatsen”,

5.2.

veroordeelt [gedaagde] om binnen dertig dagen na betekening van dit vonnis een door een registeraccountant - op basis van zelfstandig door deze registeraccountant verricht onderzoek - gecertificeerde schriftelijke verklaring aan de advocaat van [eiser] te doen toekomen, dan wel, indien de registeraccountant door zijn gedragsregels weerhouden wordt van het verbinden van conclusies aan de opgave, een andere verklaring, zoals een rapport van feitelijke bevindingen, een en ander vergezeld van goed leesbare kopieën van voor de inhoud van de verklaring relevante documenten (zoals inkooporders, rekeningen, administratieve bescheiden etc.) omtrent:

a. het totale aantal prints die door [gedaagde] zijn verhandeld,

b. de in- en verkoopprijs van de door [gedaagde] verhandelde prints,

c. bruto en netto winst,

d. alle facturen, orders, afleverbonnen en transportdocumenten,

5.3.

veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] een dwangsom te betalen van € 1.000,00 voor iedere dag of gedeelte daarvan dat zij niet aan de in 5.1 en 5.2 uitgesproken veroordelingen voldoet, tot een maximum van € 50.000,00 is bereikt,

5.4.

veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] een schadevergoeding te betalen van

€ 500,00, te voldoen binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis,

5.5.

veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] € 6.391,99 aan proceskosten te betalen, te voldoen binnen veertien dagen na de datum van dit vonnis, bij gebreke waarvan dit bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de vijftiende dag na de datum van dit vonnis tot de dag van volledige betaling,

5.6.

veroordeelt [gedaagde] in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 131,00 aan salaris advocaat te vermeerderen, onder de voorwaarde dat [gedaagde] niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 68,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de nakosten met ingang van veertien dagen na de betekening van dit vonnis tot aan de voldoening en de explootkosten van betekening van de uitspraak,

5.7.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

5.8.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.M.J. Schoenaker en in het openbaar uitgesproken door mr. S.C. Hagedoorn op 3 juni 2020.1

1 type: coll: