Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2020:2026

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
04-06-2020
Datum publicatie
10-06-2020
Zaaknummer
UTR 19/5424
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

aanvraag bijzondere bijstand woonkostentoeslag, beroep ongegrond

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummer: UTR 19/5424

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 4 juni 2020 in de zaak tussen

[eiser] , te [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: mr. S. Karkache),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Utrecht, verweerder

(gemachtigde: mr. E. Chahid).

Procesverloop

Bij besluit van 2 september 2019 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser om bijzondere bijstand voor zijn woonlasten (woonkostentoeslag) afgewezen.

Bij besluit van 14 november 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

De rechtbank heeft partijen gevraagd of zij toestemming geven een onderzoek ter zitting achterwege te laten. Eiser heeft deze toestemming gegeven. Verweerder heeft niet gereageerd. Daarna is het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. De rechtbank neemt de volgende, door partijen niet betwiste, feiten als vaststaand aan. Eiser ontvangt een uitkering op grond van de Participatiewet (Pw) ter hoogte van 70% van de gehuwdennorm. Hij woont samen met zijn ex-echtgenote en twee kinderen in een huurwoning aan het adres [adres] in [woonplaats] . De ex-echtgenote is door verweerder aangemerkt als niet-rechthebbende partner. Over de maanden november 2018, december 2018 en maart 2019 heeft eiser (en de ex-echtgenote) geen huur betaald. Bij verstekvonnis van 17 juli 2019 heeft de kantonrechter onder meer de ontruiming van de woning gelast en de ex-echtgenote veroordeeld tot betaling van achterstallige huur. Vervolgens heeft eiser op 22 juli 2019 bijzondere bijstand in de vorm van een woonkostentoeslag aangevraagd.

2. In het bestreden besluit heeft verweerder het primaire besluit gehandhaafd. Eiser komt volgens verweerder niet in aanmerking voor de woonkostentoeslag, omdat er sprake is van een schuld. Artikel 13, eerste lid, onder g, van de Pw staat in dat geval in de weg aan het verstrekken van bijzondere bijstand. Verder bestaat er geen aanleiding om daarop op grond van artikel 49, aanhef en onder a en b, van de Pw een uitzondering te maken.

3. Eiser is het niet eens met het bestreden besluit en heeft daartoe, samengevat, aangevoerd dat de onderhavige aanvraag niet is ingediend om een schuld af te lossen, maar tot doel had om een woningontruiming te voorkomen. Er is geprobeerd om zelf te voorzien in de kosten van de huurachterstand, maar dat is niet gelukt. Omdat hij geen andere middelen had om de achterstallige huur te betalen en daarmee de ontruiming te voorkomen, was eiser genoodzaakt om bijstand aan te vragen. Eiser meent dat wel wordt voldaan aan de voorwaarden uit artikel 49, aanhef en onder a en b, van de Pw.

4.1.

Op grond van artikel 13, eerste lid, onder g, van de Pw bestaat er geen recht op bijstand voor degene die bijstand vraagt ter gedeeltelijke of volledige aflossing van een schuldenlast en die overigens bij het ontstaan van de schuldenlast, dan wel nadien, beschikte of beschikt over de middelen om in de noodzakelijke kosten van het bestaan te voorzien.

4.2.

In artikel 49 van de Pw is het volgende bepaald:

In afwijking van artikel 13, eerste lid, onderdeel g, kan het college bijzondere bijstand verlenen:

a. in de vorm van borgtocht, indien het verzoek van de belanghebbende tot verlening van een saneringskrediet is afgewezen vanwege diens beperkte mogelijkheden tot terugbetaling en de borgtocht noodzakelijk is om de krediettransactie alsnog doorgang te doen vinden door een:

1°. gemeentelijke kredietbank als bedoeld in de Wet op het financieel toezicht;

2°. een financiële onderneming die ingevolge de Wet op het financieel toezicht in Nederland het bedrijf van bank mag uitoefenen, indien de gemeente niet is aangesloten bij een gemeentelijke kredietbank dan wel daarmee geen relatie onderhoudt;

b. indien daartoe zeer dringende redenen bestaan en de in onderdeel a genoemde mogelijkheid geen uitkomst biedt.

5. In de eerste plaats is aan de orde de vraag of de aanvraag om bijzondere bijstand bedoeld is ter aflossing van een schuld. Verweerder heeft deze vraag terecht bevestigend beantwoord. Toen eiser de aanvraag om bijzondere bijstand indiende, was er sprake van een betalingsachterstand van de huur. De kantonrechter heeft de ex-echtgenote bij vonnis van 17 juli 2019 veroordeeld tot betaling van deze achterstallige huur. In zijn aanvraag om bijzondere bijstand heeft eiser verweerder gewezen op deze schuld en een mogelijke ontruiming bij niet-betaling daarvan. Ook heeft eiser een brief van een deurwaarderskantoor van 18 juli 2019 ingebracht waarin de ex-echtgenote wordt gesommeerd om over te gaan tot betaling van de achterstallige huur vermeerderd met bijkomende kosten. Op grond van deze gegevens heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat de aanvraag ziet op het aflossen van een schuld.

6.1.

Nu is geoordeeld dat sprake is van een schuld, resteert de vraag of verlening van bijzondere bijstand op grond van artikel 49 van de Pw mogelijk is. Verweerder heeft zich hierover terecht op het standpunt gesteld dat toepassing van artikel 49 van de Pw niet aan de orde is.

6.2.

In de eerste plaats is er geen sprake van een situatie als bedoeld onder a van artikel 49 van de Pw. Er is namelijk geen sprake van een afgewezen verzoek tot verlening van een saneringskrediet. Het e-mailbericht van de Kredietbank Nederland van 15 oktober 2019 kan niet als zodanig worden aangemerkt. In dat e-mailbericht wordt eiser geadviseerd contact op te nemen met de gemeente en is eiser meegedeeld dat de gemeente Utrecht geen opdrachtgever is van Kredietbank Nederland. Uit de stukken blijkt vervolgens niet dat eiser contact heeft opgenomen met de gemeentelijke kredietbank om een saneringskrediet aan te vragen.

6.3.

In de tweede plaats is er geen sprake van een situatie als bedoeld onder b van artikel 49 van de Pw. Volgens vaste rechtspraak (uitspraak van 22 januari 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:121) doen zich zeer dringende redenen slechts voor indien vaststaat dat sprake is van een acute noodsituatie en de behoeftige omstandigheden waarin de belanghebbende verkeert op geen enkele andere wijze zijn te verhelpen, zodat het verlenen van bijstand onvermijdelijk is. Een acute noodzaak is aan de orde als de situatie levensbedreigend is of blijvend ernstig psychisch of lichamelijk letsel of invaliditeit tot gevolg kan hebben. Van een dergelijke situatie is niet gebleken. Een dreigende huisuitzetting als gevolg van een huurschuld is niet als zodanig te kwalificeren. De stelling van eiser dat verlening van bijstand onvermijdelijk was, wordt niet gevolgd. Het lag op de weg van eiser om hulp in te schakelen voor zijn schulden door bijvoorbeeld contact op te nemen met (het buurtteam van) de gemeente. Dat heeft eiser onvoldoende gedaan. Weliswaar heeft er na het verstrekvonnis van 17 juli 2019 op initiatief van het buurtteam een gesprek met eiser plaatsgevonden om te bekijken wat de mogelijkheden zijn om een huisuitzetting te voorkomen. Eiser heeft echter in dat gesprek het hulpaanbod van het buurtteam geweigerd en gezegd dat zijn advocaat het verdere traject zal oppakken. Eiser heeft zich daarna niet meer gemeld bij het buurtteam om alsnog in te gaan op het hulpaanbod, terwijl er geen omstandigheden zijn aangevoerd waarom hij daarvan heeft afgezien. Eiser heeft niet onderbouwd waarom van hem niet mag worden verlangd om zich via het buurtteam te laten aanmelden bij het crisisteam van de gemeente. Van onnodig formalisme van de zijde van verweerder, zoals eiser heeft gesteld, is naar het oordeel van de rechtbank geen sprake.

7. Uit het voorgaande volgt dat verweerder de aanvraag van eiser heeft mogen afwijzen. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan op 4 juni 2020 door mr. A. Bouteibi, rechter, in aanwezigheid van mr. K.S. Smits, griffier. Als gevolg van maatregelen rondom het Corona virus is deze uitspraak niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Zodra het openbaar uitspreken weer mogelijk is, wordt deze uitspraak alsnog in het openbaar uitgesproken.

De rechter is verhinderd de uitspraak te ondertekenen

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.