Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2020:1987

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
27-05-2020
Datum publicatie
17-06-2020
Zaaknummer
C/16/500852 / KG ZA 20-171
Formele relaties
Hersteluitspraak: ECLI:NL:RBMNE:2020:2135
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Opheffing beslag gevraagd en toegewezen. Ondeugdelijk recht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Civiel recht

handelskamer

locatie Utrecht

zaaknummer / rolnummer: C/16/500852 / KG ZA 20-171

Vonnis in kort geding van 27 mei 2020

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[eiseres] B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats 1] ,

eiseres,

advocaat mr. H.J.A. van der Meer en mr. C.C.M. van Gisbergen te Amsterdam,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[gedaagde] B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats 1] ,

gedaagde,

advocaat mr. J.B. Kloosterman te Rotterdam.

Partijen zullen hierna [eiseres] en [gedaagde] genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Vanwege het coronavirus geldt een afwijkende procedure:

  • -

    de dagvaarding van [eiseres]

  • -

    de conclusie van antwoord van [gedaagde]

  • -

    de conclusie van repliek van [eiseres]

  • -

    de conclusie van dupliek van [gedaagde] .

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 Het geschil en de beoordeling daarvan

De kernvraag en het antwoord van de voorzieningenrechter

2.1.

De kernvraag is of het door [gedaagde] ten laste van [eiseres] gelegde beslag moet worden opgeheven. Het antwoord is ja.

Waar gaat het over?

2.2.

In feite draait het in dit geschil om 35 appartementsrechten aan de [straatnaam 1] [nummeraanduiding 1] - [nummeraanduiding 2] in [plaatsnaam] (hierna: de appartementsrechten). Op 2 augustus 2000 werden de appartementsrechten door [A] van [onderneming 1] B.V. verkocht aan [onderneming 2] B.V. Door een aandelenoverdracht is [eiseres] later de eigenaar geworden van de appartementsrechten.

In de koopovereenkomst uit 2000, en ook in de leveringsakte, is een voorkeursrecht opgenomen voor “de heer [B] en/of de naar het recht van [vestigingsplaats 2] opgerichte rechtspersoon [onderneming 3] , of aan een rechtspersoon, die door (een van) beiden zal worden aangewezen en voor wier nakoming zij zich sterk zullen maken”. Op 15 maart 2011 is de naam van [onderneming 3] (hierna: [onderneming 3] ) gewijzigd in [onderneming 4] (hierna: [onderneming 4] ). Het voorkeursrecht is een recht van eerste koop, ook wel aangeduid als right of first refusal.

Vanwege dit voorkeursrecht heeft [eiseres] de appartementsrechten in november 2016 aan de heer [B] (hierna: [B] ) te koop aangeboden, voor een bedrag van € 11 miljoen. [B] kocht de appartementsrechten, maar kwam de koopovereenkomst niet na. Op 3 januari 2017 ontbond [eiseres] de koopovereenkomst met [B] .

[eiseres] verkocht de appartementsrechten op 23 december 2016 aan [onderneming 5] U.A. (hierna: [onderneming 5] ) voor € 11 miljoen en deze werden in november 2017 aan [onderneming 5] geleverd.

De appartementsrechten zijn nooit te koop aangeboden aan [onderneming 3] / [onderneming 4] of [gedaagde] .

2.3.

Vervolgens zijn de appartementsrechten door [onderneming 5] doorverkocht voor € 13,8 miljoen. In december 2019 werden de appartementsrechten opnieuw verkocht, voor € 25.177.000,00. De sterke prijsstijging van de appartementsrechten maakt dat [gedaagde] meent recht te hebben op schadevergoeding, omdat deze niet eerst voor € 11 miljoen aan [onderneming 4] of [gedaagde] te koop zijn aangeboden. [gedaagde] heeft onder derden beslag laten leggen ten laste van [eiseres] , waarmee zij beoogt verhaal voor haar schade veilig te stellen.

De vordering en het toetsingskader

2.4.

[eiseres] vordert opheffing van het op 14 februari 2020 gelegde conservatoir beslag. Het beslag is gelegd onder de Stiching beheer derdengelden [.] [....] [..] , [C] en [.] [....] N.V.

2.5.

Volgens art. 705 lid 2 Rv moet het beslag worden opgeheven indien summierlijk blijkt van de ondeugdelijkheid van het door de beslaglegger ingeroepen recht. Daarom ligt het in de eerste plaats op de weg van degene die de opheffing vordert ( [eiseres] ) om, met inachtneming van de beperkingen van de voorzieningenprocedure, aannemelijk te maken dat de door de beslaglegger ( [gedaagde] ) gepretendeerde vordering ondeugdelijk of onnodig is (HR 14 juni 1996, NJ 1997/481). Er moet beslist worden aan de hand van wat door beide partijen naar voren is gebracht en summierlijk met bewijsmateriaal is onderbouwd.

Bij die beoordeling hoort ook een afweging van de wederzijdse belangen.

Is het gestelde recht aan [gedaagde] overgedragen?

2.6.

Nog voordat de voorzieningenrechter toekomt aan een beoordeling of summierlijk blijkt van de ondeugdelijkheid van het ingeroepen voorkeursrecht, is de vraag of [gedaagde] wel rechthebbende is van dit gestelde voorkeursrecht of een daarmee samenhangend recht op schadevergoeding. [gedaagde] is immers niet de partij aan wie het voorkeursrecht is verleend in de koopovereenkomst en leveringsakte uit 2000.

2.7.

[gedaagde] stelt dat op 23 augustus 2017 een cessie plaatsvond, waarmee zij het voorkeursrecht op de appartementsrechten overnam van [onderneming 4] . Dat staat in een brief van diezelfde datum. Volgens [gedaagde] is daarmee ook het recht op schadevergoeding op haar overgedragen.

2.8.

[eiseres] betwist dat met die brief een overdacht van rechten aan haar is meegedeeld, zodat geen sprake is van een (voltooide) cessie aan [gedaagde] .

2.9.

In de brief van 23 augustus 2017 van [gedaagde] staat onder meer:

“Coöperatieve Rabobank U.A.

t.a.v. de heer [D]

[adres]

[postcode] [vestigingsplaats 3]

Tevens per e-mailbericht: (…)

[e-mailadres van E] .nl , [e-mailadres van onderneming 7] .nl

(…)

betreft: [.........] Plc. [onderneming 6] B.V.

(…)

Geachte heer [D] ,

(…)

De vennootschap [gedaagde] B.V. (“ [gedaagde] ”) heeft mij benaderd om haar belangen te behartigen als haar advocaat, met als doel met Rabobank schadeloosstellingen te bespreken en te komen tot vergoeding van schades die zijn opgetreden als gevolg van een serie onrechtmatigheden (…) door de Nederlandse holdingvennootschap [onderneming 6] B.V. en haar diverse dochter en kleindochtervennootschappen, van welke onrechtmatigheden Rabobank (…) op onoirbare wijze hebben geprofiteerd. (…)

[onderneming 6] B.V. zal in deze brief samen met haar diverse (klein)dochtermaatschappijen ook worden aangeduid als “ [onderneming 6] ”.

De reden waarom [gedaagde] u als bestuursvoorzitter aanschrijft, is omdat [gedaagde] er bekend mee is dat er inmiddels een intern onderzoek vanuit Rabobank is opgestart en de heer (…) de fouten in dit schandaal heeft erkend (…).

[gedaagde] is eerder dit jaar door middel van cessie eigenaresse geworden van alle aanspraken jegens [onderneming 6] welke oorspronkelijk toekwamen aan [onderneming 3] te [vestigingsplaats 2] , een beleggingsgroep die rond 2000 heeft geïnvesteerd in een aantal voorkeursrechten op vastgoedobjecten te [plaatsnaam] , waaronder op [naam vastgoedobject] . Door deze brief geef ik Rabobank en [onderneming 6] (middels haar directeur Mw. [E] ) kennis van deze cessie.”

2.10.

Een overdracht van rechten, de cessie, is pas voltooid als deze is vastgelegd in een akte én als de overdacht is meegedeeld aan de debiteur, in dit geval [eiseres] . De mededeling brengt de levering van het recht tot stand en heeft dus een belangrijke functie. In de parlementaire geschiedenis van artikel 3: 94 BW is te lezen dat de mededeling “niet kan worden vervangen door erkenning of aanvaarding door de schuldenaar. Deze mag het niet in zijn macht hebben om de overgang te bewerkstelligen.” De mededeling is dus steeds bepalend voor de overgang van het recht, óók als de debiteur inmiddels uit anderen hoofde van de cessie op de hoogte is geraakt. Bovendien geldt dat een mededeling/verklaring gericht aan een bepaalde (rechts-)persoon die persoon moet hebben bereikt voordat de verklaring haar werking heeft.

2.11.

De voorzieningenrechter is van oordeel dat er met de brief van 23 augustus 2017 geen mededeling aan [eiseres] heeft plaatsgevonden. Van een rechtsgeldige cessie is daarom geen sprake.

2.12.

De meest in het oog springende en zwaarwegende reden, is dat de brief niet is gericht aan [eiseres] . De geadresseerde van de brief, de heer [D] van de Rabobank, was volgens [gedaagde] bestuurder van [eiseres] . [eiseres] betwist dat, Rabobank is pas later haar bestuurder geworden. [gedaagde] legt een overzicht over van deelnemingen van de Rabobank. Dat overzicht vermeldt deelnemingen per 31 december 2017; dus ná de datum van de brief van 23 augustus 2017. Ook uit het uittreksel uit het handelsregister dat [gedaagde] overlegt als productie 4 bij conclusie van antwoord blijkt niet dat Rabobank op het moment van de brief bestuurder van [eiseres] was.

In de brief staan ook twee e-mailadressen genoemd. Aan die (rechts-)personen zou de brief ook zijn gestuurd. Als onbetwist staat vast dat deze [E] en [onderneming 7] B.V. wel bestuurders van [eiseres] waren. [eiseres] betwist echter dat ook daadwerkelijk e-mails zijn verstuurd naar die adressen. Een verzendbewijs of aan andere indicatie van verzending (en ontvangst) is er niet. Dat de e-mails zijn verstuurd en dat de mededelingen in die brief die personen hebben bereikt, staat dus allerminst vast.

2.13.

[gedaagde] stelt ook dat het [eiseres] volgens het Handelsregister sinds 17 juni 2009 gevestigd is op dat adres: [adres] . [eiseres] stelt daar tegenover dat zij in 2017 nog aan de [straatnaam 2] in [vestigingsplaats 4] was gevestigd, evenals haar bestuurder.

De voorzieningenrechter constateert dat het uittreksel uit het Handelsregister dateert van 30 april 2020. Daarin staat dat het vestigingsadres van [eiseres] sinds 28 januari 2010 het adres in [vestigingsplaats 4] was. Wanneer dat adres is veranderd, wordt niet vermeld. Dat laat de mogelijkheid open dat [eiseres] op het moment van de brief inderdaad nog niet aan de [adres] was gevestigd. Overigens is niet op voorhand duidelijk dat als [eiseres] toen wel al aan de [adres] zou zijn gevestigd, waarom dan van haar verwacht kan worden dat zij post opent die niet aan haar geadresseerd is, zoals [gedaagde] kennelijk bedoelt. In tegendeel.

2.14.

En ook als de brief wel is ontvangen, bijvoorbeeld met de gestelde e-mails, is niet aannemelijk dat de inhoud ervan een voldoende duidelijke mededeling is aan [eiseres] van de cessie. De cessie staat niet vermeld als onderwerp van de brief. In de inleiding van de brief wordt die ook niet genoemd. Er staat juist uitdrukkelijk in dat de bestuursvoorzitter van Rabobank wordt aangeschreven vanwege een gesteld schandaal aldaar. Onder die omstandigheden is de brief onvoldoende duidelijk waar staat dat hiermee aan [onderneming 6] (“middels haar directeur Mw. [E] ”) kennis wordt gegeven van de cessie, waarbij aan het begin van de brief is gedefinieerd dat daarmee ook alle (klein)dochtervennootschappen worden bedoeld. Waaronder dus [eiseres] . Bij dit oordeel speelt een rol dat deze brief het enige is waaruit aan [eiseres] zou moeten blijken dat cessie heeft plaatsgevonden. Andere communicatie is hierover niet geweest.

2.15.

[gedaagde] stelt tot slot dat [eiseres] in ieder geval “thans” op de hoogte is gesteld van de cessie. Dat mag zo zijn, maar dan heeft de cessie dus pas plaatsgevonden op het moment van het nemen van de conclusie van antwoord, of bij ontvangst van de dagvaarding in de bodemprocedure. Op het moment van beslaglegging was van een cessie dus nog geen sprake. Dat doet afbreuk aan de aannemelijkheid van de deugdelijkheid van het door [gedaagde] gestelde recht.

En kan [gedaagde] dan aanspraak maken op het voorkeursrecht of schadevergoeding?

2.16.

Maar stel nu dat er toch een geldige, volledige cessie plaatsvond van het voorkeursrecht van [onderneming 4] en een daaruit voortvloeiend recht op schadevergoeding voor [gedaagde] . Dan moet vervolgens nog worden beoordeeld of summierlijk blijkt van de ondeugdelijkheid van dit recht. Die beoordeling volgt nu.

Het standpunt van [eiseres] : het voorkeursrecht is nagekomen en uitgewerkt.

2.17.

[eiseres] stelt het volgende.

Overeengekomen is dat het voorkeursrecht moet worden aangeboden aan [B] en/of [onderneming 3] ; in de leveringsakte staat “and/or”. Het voorkeursrecht is in november 2016 aangeboden aan [B] . Daarmee is voldaan aan de verplichting uit de koopovereenkomst en leveringsakte. Het voorkeursrecht is dan uitgewerkt.

De overeenkomst verplicht niet tot aanbieding aan beide partijen. Het is ter keuze aan [eiseres] , de formulering “en/of” duidt daarop. Op het moment dat het voorkeursrecht werd overeengekomen was [B] (via [onderneming 9] ) trustbestuurder van [onderneming 3] . Het doel van het voorkeursrecht was dat de appartementsrechten bij [B] in privé of zakelijk terecht zouden komen.

[eiseres] kón het voorkeursrecht eind 2016 bovendien ook niet aan [onderneming 3] / [onderneming 4] aanbieden, omdat sinds 17 juli 2015 sprake was van “Löschung”: ontbinding van die vennootschap. De latere heropening van de vereffening op 30 januari 2017 verandert daar niets aan. Het voorkeursrecht kon in 2016 alleen aan [B] worden aangeboden.

[B] heeft gebruik gemaakt van zijn voorkeursrecht. Met [B] werd op 29 november 2016 een koopovereenkomst gesloten. Toen [B] deze niet nakwam heeft [eiseres] de overeenkomst buitengerechtelijk ontbonden en [B] de overeengekomen boete opgelegd voor het niet nakomen, van € 1,1 miljoen. Die ontbinding en de verschuldigdheid van de boete staan in rechte vast. Ook is een verklaring voor recht gegeven dat het voorkeursrecht van [B] is komen te vervallen en dat hij daar geen rechten meer aan kan ontlenen. Het aan [eiseres] toekomende boetebedrag is op een escrowrekening gestort. Op dit boetebedrag heeft [gedaagde] nu beslag gelegd.

Het standpunt van [gedaagde] : het voorkeursrecht is geschonden.

2.18.

[gedaagde] is van mening dat het “en/of” voor het aanbieden van het voorkeursrecht, moet worden gelezen als ‘en/en’. [B] was als rechthebbende van het voorkeursrecht opgenomen, omdat hij niet alleen van [onderneming 3] / [onderneming 4] trustbestuurder was, maar via [onderneming 9] ook van andere vastgoed vennootschappen. Uiteindelijk zou het voorkeursrecht terecht komen bij de belanghebbende partij, die een van de vele vastgoed vennootschappen kon zijn. Voor het geval dat [B] zou defungeren, als gevolg van overlijden of anders, was het woord “of” opgenomen in de koopovereenkomst in 2000. Het voorkeursrecht was nooit bedoeld voor [B] in privé, uitsluitend voor [B] in zijn hoedanigheid als trustbestuurder.

Eind 2016 was [B] geen trustbestuurder meer van [onderneming 4] . Het voorkeursrecht had eind 2016 daarom ook aangeboden moeten worden aan [onderneming 4] , maar zij kreeg geen aanbod.

De beoordeling

2.19.

Twistpunt is hoe het in de koopovereenkomst en leveringsakte in 2000 vastgelegde voorkeursrecht moet worden begrepen. Geen van partijen nu in dit geschil was partij bij die overeenkomst. Aan de standpunten van [eiseres] en [gedaagde] over welke bedoelingen er waren bij het sluiten van de overeenkomst, kan dus maar beperkt betekenis worden toegekend. Duidelijk is dat overeenkomst is gesloten door professionele partijen die een commerciële transactie sloten. De tekst van de overeenkomst krijgt daardoor een zwaarder gewicht. En er staat “en/of”.

De stelling van [gedaagde] dat eigenlijk ‘en/en’ bedoeld is, overtuigt de voorzieningenrechter niet. Volgens [gedaagde] had [B] uitsluitend qualitate qua, als trustbestuurder, een voorkeursrecht. In de overeenkomst staat dat niet, een dergelijke beperking is er niet in opgenomen. Dat [B] volgens [gedaagde] verder nooit in privé voorkeursrechten uitoefende en dat ook niet de bedoeling was, neemt niet weg dat [B] op 29 november 2016 wél in privé de appartementsrechten kocht met uitoefening van zijn voorkeursrecht.

Gelet op het voorgaande is aannemelijk dat [eiseres] met het aanbieden van het voorkeursrecht aan [B] in november 2016 aan haar verplichtingen heeft voldaan. En met de beslissing het voorkeursrecht wel of niet uit te oefenen is het voorkeursrecht komen te vervallen.

Bovendien was [onderneming 4] in die periode ontbonden en er waren bij haar geen bekende baten. [gedaagde] stelt dat [eiseres] [onderneming 4] ook van het aanbod tot het kopen van de appartementsrechten voor € 11 miljoen op de hoogte had moeten stellen, via het in het handelsregister terug te vinden adres van [onderneming 9] . Maar zelfs als [eiseres] verplicht was tot aanbieden van het voorkeursrecht en [onderneming 4] via [onderneming 9] had aangeschreven, heeft [gedaagde] niet uiteengezet hoe een aanbod aan een ontbonden vennootschap tot een koopovereenkomst van de appartementsrechten had kunnen leiden.

2.20.

Voor dit voorlopig oordeel dat het voorkeursrecht is vervallen, ziet de voorzieningenrechter steun in het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 11 oktober 2017, bekrachtigd in het arrest van het Hof Amsterdam van 19 november 2019, ondanks dat [gedaagde] hierbij geen partij was.

In die procedure was [B] de eiser en waren [eiseres] en haar aandeelhouder [onderneming 6] B.V. de gedaagden. Voor recht is verklaard dat de koopovereenkomst tussen [eiseres] en [B] is ontbonden per 3 januari 2017 en [B] is veroordeeld tot betaling van de overeengekomen boete van € 1,1 miljoen.

[eiseres] vorderde ook een verklaring voor recht dat het voorkeursrecht is komen te vervallen en dat de voorkeursgerechtigden daaraan geen rechten meer kan ontlenen. De rechtbank heeft voor recht verklaard dat het voorkeursrecht van [B] is komen te vervallen en dat [B] daar geen rechten meer aan kan ontlenen. Verder staat in het vonnis:

“Voor zover het petitum in reconventie zo moet worden gelezen dat tevens een verklaring voor recht wordt gevraagd dat ook [onderneming 3] geen rechten meer aan het voorkeursrecht kan ontlenen, stuit deze vordering af op het bepaalde in artikel 3:302 BW.”

De voorzieningenrechter maakt daaruit op dat de reden voor die afwijzing van die gevraagde verklaring voor recht was dat [onderneming 3] in die procedure geen partij was. Het is dus geen ‘inhoudelijke’ toetsing en afwijzing van die verklaring voor recht. Het is daarom geen aanwijzing dat [onderneming 4] of [gedaagde] nog wel een ‘werkend’ voorkeursrecht heeft, zoals [gedaagde] betoogt.

2.21.

Volgens [gedaagde] heeft zij niets van doen met deze procedures of met de door [eiseres] genoemde procedure van de van de kinderen [F] tegen [onderneming 8] , [eiseres] en [onderneming 6] (vonnis van de rechtbank Amsterdam 5 februari 2020). Daarom zijn ze volgens [gedaagde] niet relevant.

2.22.

[eiseres] maakt echter voldoende duidelijk waarom die procedures wel relevant zijn.

Steeds staat het voorkeursrecht op de appartementsrechten centraal. De enige en zelfstandig bestuurder van [gedaagde] , [H] , was aanwezig bij de comparitie in het hoger beroep in de procedure tussen [B] tegen [eiseres] . [gedaagde] zegt ook zelf dat [H] van de heer [F] vernam over de schending van het voorkeursrecht, waarna [gedaagde] de vordering instelde. [F] was de gemachtigde van [B] tijdens de procedures bij de rechtbank en het hof tussen [B] en [eiseres] en [onderneming 6] . Later zijn [B] en [F] met elkaar in onmin geraakt.

Vlak na de opheffing van het beslag onder [C] en de derdenrekening van [....] (op 5 februari 2020), gelegd door de kinderen [F] , werd het in deze procedure aan de orde zijnde beslag gelegd, onder dezelfde derden die zijn gelieerd aan het in escrow gestorte bedrag van € 1,1 miljoen.

2.23.

Ook de uit de onderstaande passages uit 4.8 en 4.10 van het vonnis van 5 februari 2020 van de rechtbank Amsterdam blijkt de verwevenheid van de procedures en achtergronden.

“(…) de storting gebaseerd op de Escrow Overeenkomst en was deze bedoeld om tenuitvoerlegging van het vonnis van de rechtbank tegen [achternaam van B] sr. te voorkomen. Een en ander past binnen de door zowel [achternaam van F] sr. als [I] geuite wens om [achternaam van B] sr. te behoeden voor aansprakelijkheid jegens [eiseres] en [onderneming 6] als gevolg van een onterecht beroep op een opschortingsrecht in verband met schending van het Voorkeursrecht met betrekking tot de [straatnaam 1] . Het Voorkeursrecht was immers volgens de kinderen [achternaam van F] mede in het belang van [achternaam van F] sr. (althans een aan hem gelieerde vennootschap) overeengekomen; [achternaam van B] sr. beheerde slechts de voorkeursrechten als 'goede zakenvriend van' [achternaam van F] sr. Het economisch belang van het Voorkeursrecht berustte uiteindelijk (indirect) bij [achternaam van F] sr., afgezien van een vergoeding van CHF 20.000 voor [achternaam van B] sr. Zulks komt ook tot uiting in de aandelenverhouding binnen de vennootschap ( [gedaagde] B.V.) (…)”

“ [eiseres] en [onderneming 6] hebben bij uitvoerbaar bij voorraad verklaarde (en in hoger beroep bekrachtigde) beslissing jegens [achternaam van B] sr. aanspraak verkregen op betaling van € 1,1 miljoen in hoofdsom. Dat die betalingsverplichting - althans de zekerheid daarvoor - ten laste komt van het vermogen van [onderneming 8] is uiteindelijk terug te voeren op de omstandigheid dat [achternaam van F] sr. zijn toezegging niet is nagekomen om [achternaam van B] sr. te behoeden voor aanspraken van [eiseres] en [onderneming 6] .”

De belangenafweging

2.24.

Beoordeeld moet worden of het belang van [gedaagde] bij handhaving van het beslag op grond van de door haar naar voren gebrachte omstandigheden zwaarder moet wegen dan het belang van [eiseres] bij opheffing ervan.

2.25.

[eiseres] wil kunnen beschikken over haar tegoeden: de al in aan haar onherroepelijk toegewezen boete van € 1,1 miljoen. Zij heeft sinds december 2016 al recht op dit bedrag. Volgens [eiseres] hebben de (uiteindelijk) in opdracht van [F] aanhangig gemaakte procedures als enige doel te voorkomen dat dit in escrow gestorte bedrag aan [eiseres] wordt uitgekeerd, terwijl ( [B] , de kinderen [F] en [gedaagde] , allen in opdracht van) [F] hierbij steeds in het ongelijk wordt gesteld.

Het kunnen beschikken over haar tegoeden is voor [eiseres] ook van belang, vanwege het voornemen van aandeelhouders van [onderneming 6] om [onderneming 6] en [eiseres] te liquideren omdat deze beleggingsfondsen in registergoederen inmiddels al hun vastgoed hebben verkocht.

2.26.

Het belang van [gedaagde] ligt erin dat zij haar verhaalsmogelijkheden veilig wil stellen voor het moment dat de bijbehorende hoofdzaak in de bodemprocedure wordt toegewezen.

2.27.

Het belang van [eiseres] bij opheffing van het beslag weegt zwaarder dan het belang van [gedaagde] . De onderbouwing van de vordering van [gedaagde] is gebrekkig. Ook is er de verwevenheid met andere procedures, waarbij onherroepelijk gelden aan [eiseres] zijn toegewezen waarover zij nu niet kan beschikken. Dat bij een mogelijke liquidatie van [eiseres] de verhaalsmogelijkheden voor [gedaagde] zullen verdwijnen, legt minder gewicht in de schaal.

De conclusie en kostenveroordeling

2.28.

Omdat summierlijk blijkt van de ondeugdelijkheid van het door [gedaagde] ingeroepen recht en de belangenafweging in het voordeel van [eiseres] uitvalt, heft de voorzieningenrechter het beslag op.

2.29.

[gedaagde] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. Er wordt hetzelfde tarief voor salaris advocaat toegekend als wanneer het kort geding op de gebruikelijke manier zou zijn behandeld. Reden hiervoor is dat de wisseling van de schriftelijke stukken vergelijkbaar is met wat partijen normaal op de mondelinge behandeling in eerste en tweede termijn zou hebben kunnen aanvoeren. De kosten aan de zijde van [eiseres] worden begroot op:

- betekening oproeping € 83,38

- griffierecht 656,00

- salaris advocaat 980,00

Totaal € 1.719,38

2.30.

De gevorderde veroordeling in de nakosten is in het kader van deze procedure slechts toewijsbaar voor zover deze kosten op dit moment reeds kunnen worden begroot. De nakosten zullen dan ook worden toegewezen op de wijze zoals in de beslissing vermeld.

2.31.

De over de proceskosten en nakosten gevorderde rente is slechts toewijsbaar ter hoogte van de wettelijke rente. Die kosten vloeien niet voort uit een handelsovereenkomst, zodat artikel 6:119a BW niet van toepassing is.

3 De beslissing

De voorzieningenrechter

3.1.

heft op de op 14 februari 2020 ten laste van [eiseres] onder de Stiching beheer derdengelden [.] [....] [..] , [C] en [.] [....] N.V. gelegde beslagen,

3.2.

veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, aan de zijde van [eiseres] tot op heden begroot op € 1.719,38, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6: 119 BW over dit bedrag met ingang van 14 dagen na dit vonnis tot de dag van volledige betaling,

3.3.

veroordeelt [gedaagde] in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 157,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat niet binnen 14 dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 82,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak, en te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6: 119 BW over de nakosten met ingang van veertien dagen na de betekening van dit vonnis tot aan de voldoening,

3.4.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

3.5.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. E.A. Messer en in het openbaar uitgesproken op 27 mei 2020.1

1 FvG (4197)