Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2020:1962

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
27-05-2020
Datum publicatie
27-05-2020
Zaaknummer
UTR 19/1821 en UTR 19/1840
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De omgevingsvergunning voor het realiseren van een tijdelijk zonnepark in de gemeente Zeewolde blijft in stand. De rechtbank verklaart de beroepen van eigenaren van nabijgelegen recreatiewoningen niet-ontvankelijk, omdat zij gelet op de afstand tot het toekomstige zonnepark niet als belanghebbende kunnen worden aangemerkt. De exploitant van het recreatiepark is wel belanghebbend, omdat haar percelen aan het zonnepark grenzen. Het inhoudelijke beroep van de exploitant slaagt echter niet. De vergunning mocht op basis van een algemeen besluit van de gemeenteraad worden verleend, zonder verklaring van geen bedenkingen. Verder beoordeelt de rechtbank de beroepsgronden over onder meer de natuurtoets, de landschappelijke inpassing, licht- en geluidhinder en de gevolgen voor het recreatiepark. De conclusie is dat het zonnepark niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummers: UTR 19/1821 en UTR 19/1840

uitspraak van de meervoudige kamer van 27 mei 2020 in de zaak tussen

1. [eiser sub 1 e.a.] , te [woonplaats] , en anderen,

(gemachtigde: mr. T.E.P.A. Lam),

2. PWZ exploitatiemaatschappij B.V.te Barneveld,

(gemachtigde: mr. S. Haak)

eisers

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Zeewolde, verweerder

(gemachtigde: C.Th. Vos)

Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen: Handelscompagnie Cammingha B.V., te Zeewolde, (gemachtigden: mr. J. Molenaar en mr. M. Vermeulen).

Procesverloop

Bij besluit van 18 maart 2019 heeft verweerder aan derde-partij een omgevingsvergunning verleend voor het realiseren van een tijdelijk zonnepark met bijbehorende bouwwerken op de locatie [adres] in [woonplaats] .

Eisers 1 en 2 hebben tegen het besluit van 18 maart 2019 beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Bij besluit van 3 september 2019 heeft verweerder de omgevingsvergunning opnieuw verleend en daarbij een gedetailleerde inrichtingstekening als voorschrift aan de omgevingsvergunning verbonden. Verder heeft verweerder besloten dat geen milieueffectrapportage voor het zonnepark is vereist.

Het onderzoek ter zitting stond gepland op 9 april 2020. Vanwege de overheidsmaatregelen om verspreiding van het coronavirus te beperken gaan alleen zittingen in urgente zaken door. Bij brief van 28 maart 2020 heeft vergunninghouder verzocht om deze zaak als urgente zaak aan te merken en de zitting door te laten gaan .

In reactie op het verzoek van de rechtbank om de urgentie nader te motiveren, heeft vergunninghouder een nader stuk ingebracht en verzocht om geheimhouding.

Bij beslissing van 6 april 2020 is het verzoek om geheimhouding afgewezen.

Vervolgens heeft vergunninghouder op 7 april 2020 haar verzoek om de zitting door te laten gaan nader onderbouwd. Hierin heeft de rechtbank aanleiding gezien om de beroepen op korte termijn op een fysieke zitting te behandelen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 april 2020, waarbij een van de rechters via een Skype-beeldverbinding bij de zitting aanwezig was. Eisers 1, eiseres 2 en verweerder hebben zich laten vertegenwoordigen door bovenvermelde gemachtigden.

Derde-partij heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J. Molenaar.

De rechtbank heeft ter zitting beslist de beroepen van eisers 1 en 2 gevoegd te behandelen.

Overwegingen

Waar gaat deze zaak over?

1. Verweerder heeft een omgevingsvergunning verleend voor het realiseren van een tijdelijk zonnepark met bijbehorende bouwwerken op de locatie [adres] in [woonplaats] . Deze locatie wordt op dit moment gebruikt als 27-holesgolfbaan. Een 9-holesgolfbaan blijft behouden en op de resterende 18-holes wordt het zonnepark gerealiseerd. De locatie ligt tussen twee natuurgebieden Harderwold en Harderbroek, de provinciale weg N302 en de [adres] . Ten noordoosten van de locatie ligt het recreatiepark Harderwold, waar eisers 1 allen een recreatiewoning bezitten. Eiseres 2 is exploitant van dit recreatiepark en eigenaar van de openbare ruimten op dit park. Zij zijn het om verschillende redenen niet eens met de verleende omgevingsvergunning van 18 maart 2019 en hebben daarom beroep ingesteld.

Nieuw besluit tijdens de beroepsprocedure

2. Tijdens de beroepsprocedure heeft verweerder een nieuw besluit genomen. Dit besluit bestaat uit twee onderdelen. Ten eerste heeft verweerder op basis van de door derde-partij opgestelde aanmeldnotitie voor een zogenoemde vormvrije milieueffectbeoordeling (vormvrije m.e.r.-beoordeling) besloten dat geen milieueffectrapportage voor het zonnepark is vereist. Ten tweede is opnieuw de omgevingsvergunning verleend voor het realiseren van tijdelijke zonnepark. Het verschil met de eerder verleende omgevingsvergunning is dat het voorschrift met betrekking tot de landschappelijke inpassing is aangepast. Aan de voorwaarde dat de landschappelijke inpassing moet worden ingericht en in stand gehouden overeenkomstig het bij de ruimtelijke onderbouwing gevoegde landschapsplan ‘Zonnepark golfbaan Harderwold’ is een verwijzing toegevoegd naar een gedetailleerd beplantingsplan dat bij het landschapsplan hoort.

3. De rechtbank merkt het nieuwe besluit aan als een vervangingsbesluit in de zin van artikel 6:19 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De beroepen van eisers 1 en 2 hebben daarom van rechtswege mede betrekking op dit besluit, tenzij zij daarbij onvoldoende belang hebben. Op de zitting is gebleken dat met het vervangingsbesluit deels is tegemoetgekomen aan de bezwaren eiseres 1 en 2, maar aan het overgrote deel van de beroepsgronden niet, zodat sprake is van een belang in de zin van artikel 6:19, eerste lid, van de Awb.

4. Door de vervanging van het besluit hebben eisers geen procesbelang meer bij een beoordeling van hun beroepen tegen het oorspronkelijke besluit van 18 maart 2019. De rechtbank zal die beroepen niet-ontvankelijk verklaren.

Belanghebbendheid

5. De rechtbank gaat vervolgens eerst in op de vraag of eisers 1 en 2 als belanghebbende kunnen worden aangemerkt bij het besluit van 3 september 2019 (het bestreden besluit).

Eisers 1

6. Om als belanghebbende in de zin van de Awb te kunnen worden aangemerkt, moet een natuurlijk persoon een voldoende objectief, actueel, eigen en persoonlijk belang hebben. Dit belang moet hem in voldoende mate onderscheiden van anderen en het moet rechtstreeks worden geraakt door het bestreden besluit.

Uit vaste rechtspraak blijkt dat het uitgangspunt is dat degene die rechtstreeks feitelijke gevolgen ondervindt van de activiteit die het besluit toestaat, in beginsel belanghebbende is bij dat besluit. Het criterium ‘gevolgen van enige betekenis’ is een correctie op dat uitgangspunt. Gevolgen van enige betekenis ontbreken als de gevolgen wel zijn vast te stellen, maar de gevolgen voor de woon,- leef- of bedrijfssituatie van de betrokkene dermate gering zijn dat een persoonlijk belang bij het besluit ontbreekt. Daarbij wordt gekeken naar de factoren afstand tot, zicht op, planologische uitstraling van en milieugevolgen (onder meer geur, geluid, licht, trilling, emissie, risico) van de activiteit die het besluit toestaat. Ook aard, intensiteit en frequentie van de feitelijke gevolgen kunnen van belang zijn.

Bij besluiten over activiteiten in het omgevingsrecht is het de taak van het bestuursorgaan om de kring van belanghebbenden vast te stellen aan de hand van (onderzoek naar) de feitelijke gevolgen van het besluit. Uiteindelijk is het aan de bestuursrechter om te oordelen over de vraag wie belanghebbende bij een besluit zijn. De betrokken rechtzoekende hoeft daarom niet zelf aan te tonen dat hij belanghebbende bij een besluit is. Alleen als tijdens de procedure de vraag aan de orde is of ‘gevolgen van enige betekenis’ ontbreken en dus de vraag of er aanleiding is de correctie toe te passen, kan en mag van de betrokkene worden gevraagd uit te leggen welke feitelijke gevolgen hij van de activiteit ondervindt of vreest te zullen ondervinden.

7. Eisers 1 zijn allemaal eigenaar van een recreatiewoning op het recreatiepark ‘Harderwold’. De woningen zijn gelegen op een afstand van circa 120 meter tot meer dan 500 meter van het zonnepark. De eerste rij woningen betreft de perceelnummers [nummer] tot en met [nummer] , waarbij op perceel nummer [nummer] de woning van eiser [eiser sub 1 e.a.] is gelegen.

8. Op de zitting is vastgesteld dat er vanuit de woningen, gelegen achter deze eerste rij woningen, geen direct zicht bestaat op het zonnepark. Eisers 1 voeren aan dat de eigenaren van deze woningen toch belanghebbend zijn vanwege de ruimtelijke uitstraling van het project. Volgens hen levert het realiseren van het zonnepark een aantasting op van hun woon- en leefklimaat, omdat zij daardoor minder plezier kunnen beleven aan het recreëren in de omgeving van hun woning.

De rechtbank is van oordeel dat de eigenaren hieruit geen eigen en persoonlijk belang kunnen afleiden. Recreëren in de omgeving van hun woning onderscheidt hen in onvoldoende mate van andere personen die geen recreatiewoning op ‘Harderwold’ bezitten. Er zijn geen feiten en omstandigheden gebleken op grond waarvan geoordeeld zou moeten worden dat deze eigenaren desondanks toch een objectief en persoonlijk belang hebben dat rechtstreeks door het bestreden besluit wordt geraakt. De rechtbank is daarom van oordeel dat de eigenaren van de woningen gelegen achter de eerste rij woningen, niet als belanghebbenden in de zin van artikel 1:2, eerste lid van de Awb kunnen worden aangemerkt.

9. Eisers 1 voeren aan dat de eigenaren van de eerste rij woningen vanaf de eerste verdieping van hun woning over de groenstrook heen zicht hebben op het toekomstige zonnepark en dat zij in de winter ook vanaf de begane grond zicht hebben op het zonnepark. Verweerder en de derde-partij stellen zich op het standpunt dat er vanuit de woningen op de eerste rij, met uitzondering van de woning van [eiser sub 1 e.a.] , geen zicht is op het zonnepark.

Op de zitting heeft de gemachtigde van de derde-partij foto’s overgelegd. Deze foto’s zijn gemaakt vlak voor de woning van [eiser sub 1 e.a.] . Tussen partijen staat niet ter discussie dat er vanuit de woning van [eiser sub 1 e.a.] , in ieder geval gedeeltelijk, zicht is op het zonnepark.

Voor de overige woningen op de eerste rij is naar het oordeel van de rechtbank niet aannemelijk geworden dat er zicht is op het zonnepark. De rechtbank stelt vast dat de eerste rij woningen is gelegen recht tegenover het deel van de golfbaan dat behouden blijft. Pas achter dat deel van de golfbaan komt een deel van het zonnepark. Dat er vanuit de woningen zicht zou zijn op dat deel van het zonnepark, ondanks de aanwezigheid van de golfbaan, is niet gebleken. Integendeel, de door de derde-partij overgelegde foto’s genomen op locatie 2 (productie 2 bij de schriftelijke reactie van de derde-partij van 27 maart 2020) wijzen er eerder op dat dat zicht ontbreekt. Verder blijkt uit de door de derde-partij overgelegde plattegrond en foto’s dat zich tussen de woningen en de twee delen van het zonnepark die schuin tegenover deze woningen komen te liggen (zijnde een afstand van meer dan 120 meter) een brede groenstrook (onder meer bestaande uit hoge bomen) en een weg bevinden.

Dat er vanuit de woningen desondanks zicht zou zijn op die delen van het zonnepark is ook niet gebleken.

Uit vaste rechtspraak volgt dat wanneer zicht ontbreekt, afstanden groter dan ongeveer 100 meter in beginsel niet leiden tot het aannemen van belanghebbendheid. Er zijn geen feiten en omstandigheden aangevoerd op grond waarvan geoordeeld zou moeten worden dat de eigenaren van de woningen desondanks toch een objectief en persoonlijk belang hebben dat rechtstreeks door het bestreden besluit wordt geraakt. De rechtbank is daarom van oordeel dat ook de eigenaren van de eerste rij woningen, met uitzondering van [eiser sub 1 e.a.] , niet als belanghebbenden in de zin van artikel 1:2, eerste lid van de Awb kunnen worden aangemerkt.

10. Zoals hiervoor overwogen is er vanuit de woning van [eiser sub 1 e.a.] zicht op het zonnepark, zodat [eiser sub 1 e.a.] feitelijke gevolgen ondervindt van het zonnepark. De rechtbank is echter van oordeel dat deze gevolgen voor de woon- en leefsituatie van [eiser sub 1 e.a.] van dermate geringe betekenis zijn, dat een persoonlijk belang bij het besluit ontbreekt.

Daarbij weegt de rechtbank mee dat de afstand van de woning van [eiser sub 1 e.a.] tot het zonnepark ongeveer 125 meter is. Bij die afstand is het in beginsel niet aannemelijk dat iemand gevolgen van enige betekenis zal ondervinden. Bovendien blijkt uit de op de zitting overgelegde foto’s dat [eiser sub 1 e.a.] slechts zeer beperkt zicht heeft op het zonnepark. Het zicht wordt grotendeels ontnomen door de al aanwezige brede groenstroken en de eveneens al aanwezige gebouwen op het deel van de golfbaan dat behouden blijft. Verder is niet gesteld en ook niet aannemelijk geworden dat het zonnepark gevolgen van enige betekenis heeft, bijvoorbeeld in de vorm van geluid, licht, trilling of bijzondere risico’s voor de omgeving.

Dat betekent dat ook [eiser sub 1 e.a.] niet als belanghebbende in de zin van artikel 1:2, eerste lid van de Awb kan worden aangemerkt.

11. De conclusie is dat geen van de eisers 1 belanghebbenden zijn bij het bestreden besluit. De rechtbank zal het door hen ingestelde beroep niet-ontvankelijk verklaren.

Eiseres 2

12. Uit vaste rechtspraak volgt dat belanghebbendheid wordt aangenomen bij bewoners en eigenaren van percelen die grenzen aan het perceel waarop het betrokken besluit ziet. De correctie van ‘gevolgen van enige betekenis’ (zie hiervoor), wordt dan niet toegepast.

Het betrokken besluit ziet op het realiseren van een zonnepark, onder meer op een gedeelte van perceel nummer [nummer] . Op de zitting is vastgesteld dat één van de percelen waar eiseres 2 eigenaar van is, namelijk perceel [nummer] , direct aangrenzend is aan perceel nummer [nummer] .

Eiseres 2 is dus al om die reden belanghebbende bij het bestreden besluit en dus ontvankelijk in haar beroep. Wat eiseres 2 verder nog naar voren heeft gebracht op dit punt, hoeft daarom niet meer te worden besproken.

Het beroep van eiseres 2

Ingetrokken beroepsgronden

13. Ter zitting heeft eiseres 2 haar beroepsgronden over het wateradvies, het ontbreken van de watervergunning en het welstandsadvies ingetrokken.

De omgevingsvergunning

14. Verweerder heeft een omgevingsvergunning verleend voor het realiseren van een tijdelijk zonnepark met bijbehorende bouwwerken op de locatie [adres] in [woonplaats] . Het bouwen en gebruiken van het zonnepark is in strijd met het ter plaatse geldende bestemmingsplan. Verweerder heeft toepassing gegeven aan artikel 2.12, lid 1, aanhef, onder a, onder 3°, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) om af te wijken van het bestemmingsplan. Aan de omgevingsvergunning ligt de ruimtelijke onderbouwing zonnepark Harderwold (hierna: de ruimtelijke onderbouwing) van Rho Adviseurs ten grondslag.

Toetsingskader

15. De beslissing om al dan niet omgevingsvergunning te verlenen voor het afwijken van het bestemmingsplan behoort tot de bevoegdheid van het verweerder. Daarbij geldt dat op grond van artikel 2.12 van de Wabo de omgevingsvergunning slechts kan worden verleend indien de activiteit niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. De bestuursrechter dient zich bij de toetsing van een dergelijk besluit te beperken tot de vraag of verweerder in redelijkheid heeft kunnen besluiten om een omgevingsvergunning voor het afwijken van het bestemmingsplan te verlenen.

16. Op grond van artikel 6.5, eerste lid, van het Besluit omgevingsrecht (Bor) kan in dit geval de omgevingsvergunning in beginsel slechts worden verleend nadat de gemeenteraad een verklaring van geen bedenkingen heeft afgegeven. De gemeenteraad kan echter, op grond van het derde lid van artikel 6.5 Bor, categorieën van gevallen aanwijzen waarin die verklaring niet is vereist.

In het derde lid van dit artikel is bepaald dat de gemeenteraad categorieën van gevallen kan aanwijzen waarin een verklaring niet is vereist.

Aanwijzingsbesluit, verklaring van geen bedenkingen en Structuurvisie

17. Eiseres 2 betoogt dat verweerder niet bevoegd was om de omgevingsvergunning te verlenen, omdat een verklaring van geen bedenkingen van de gemeenteraad ontbreekt. Zij voert hiertoe aan dat er nooit een raadsbesluit van categorieën van gevallen zoals bedoeld in artikel 6.5, derde lid, van het Bor bekend is gemaakt. Het raadsbesluit waar verweerder naar verwijst is een delegatiebesluit en dit besluit is ook als zodanig bekend gemaakt.

18. Verweerder stelt zich op het standpunt dat een verklaring van geen bedenkingen in dit geval niet nodig is. Daarbij verwijst hij naar een aanwijzingsbesluit van de gemeenteraad van 11 december 2014. Daarin heeft de gemeenteraad alle aanvragen op grond van artikel 2.1, eerste lid onder c en artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 3º, van de Wabo, die niet strijdig zijn met de Structuurvisie, als categorie aangewezen waarvoor geen verklaring van geen bedenkingen is vereist. Volgens verweerder is het project niet in strijd met de Structuurvisie.

19. De rechtbank stelt vast dat zowel in het raadsbesluit als de publicatie van dit besluit weliswaar de term delegatiebesluit is gebruikt, maar dat bij de publicatie van het raadsbesluit en in het raadsbesluit zelf als wettelijke grondslag artikel 6.5 van het Bor staat vermeld. Hierdoor kan naar het oordeel van de rechtbank geen twijfel bestaan over de aard van het raadsbesluit. Uit de inhoud van dat besluit blijkt ook duidelijk dat het gaat om het aanwijzen van categorieën van gevallen waarvoor geen verklaring van geen bedenkingen is vereist. De rechtbank is dan ook van oordeel dat het raadsbesluit van 11 december 2014 een besluit in de zin van artikel 6.5 van het Bor is en dat dit raadsbesluit op de juiste wijze bekend is gemaakt.

20. Eiseres 2 voert verder aan dat het aanwijzingsbesluit wegens strijd met de rechtszekerheid onverbindend is. In het aanwijzingsbesluit staat niet vermeld welke structuurvisie is bedoeld, terwijl er meerdere versies zijn. Verder vindt zij de door verweerder aangehaalde passages uit de Structuurvisie Zeewolde 2022 te vaag. Van concreet beleid is volgens eiseres 2 geen sprake, omdat inhoudelijke kaders ontbreken. De passendheid van het project wordt aangenomen alleen op de zinsnede ‘het initiëren en faciliteren van duurzaamheidsprojecten’. Eiseres 2 stelt dat het zonnepark in strijd is met de Structuurvisie, omdat het beleidsmatig om agrarische gronden gaat.

21. Verweerder merkt op dat bij het aanwijzingsbesluit de bijlage Bestuurlijke afspraak hoort waarin onder meer de randvoorwaarden zijn uitgewerkt. Bij de randvoorwaarden staat beschreven dat alleen aanvragen die niet in strijd zijn met de Structuurvisie zonder verklaring van geen bedenkingen door het college worden afgedaan. Verder staat er dat getoetst wordt aan de meest recente versie van de door de gemeenteraad vastgestelde Structuurvisie.

22. De rechtbank oordeelt dat de omstandigheid dat in het aanwijzingsbesluit niet wordt

genoemd aan welke Structuurvisie moet worden getoetst, niet betekent dat het aanwijzingsbesluit rechtsonzeker is. In het raadsvoorstel staat duidelijk dat een aanvraag voor een omgevingsvergunning moet worden getoetst aan de meest recente, ten tijde van de aanvraag geldende, versie van de Structuurvisie. Dat is in dit geval de Structuurvisie Zeewolde 2022 (hierna: de Structuurvisie).

23. De rechtbank overweegt dat de Structuurvisie de visie op hoofdlijnen van het ruimtelijke beleid bevat. In de Structuurvisie staan de kernwaarden wonen, water, welzijn en duurzaamheid beschreven met daarbij de opgaven waar Zeewolde mee te maken heeft. Bij de kernwaarden wordt met het ambitieniveau aangegeven wat de gemeente de komende tien jaar wil bereiken. Daarnaast staan in de Structuurvisie per deelgebied beleidsuitgangspunten geformuleerd.

24. Naar het oordeel van de rechtbank is met de verwijzing naar de Structuurvisie in het aanwijzingsbesluit geen sprake van een ongeclausuleerde bevoegdheid van verweerder. De kernwaarden en beleidsuitgangspunten zijn niet dusdanig ruim geformuleerd, dat het aan verweerder is overgelaten om een eigen invulling te geven wanneer wel of geen verklaring van geen bedenkingen te vragen. Met een verwijzing naar de Structuurvisie heeft de gemeenteraad een voldoende en rechtszeker kader gegeven voor de gevallen waarin geen verklaring van geen bedenkingen is vereist. Het voorgaande betekent dat de beroepsgrond dat het aanwijzingsbesluit wegens strijd met de rechtszekerheid onverbindend is, niet slaagt. Als het al onduidelijk zou zijn wanneer een verklaring van geen bedenkingen is vereist, dan ligt de oorzaak daarvan niet in het aanwijzingsbesluit, maar in de Structuurvisie.

25. Vervolgens moet de vraag beantwoord worden of het project in strijd is met de Structuurvisie. Verweerder heeft toegelicht dat het aspect duurzaamheid een rode draad vormt in de Structuurvisie. De rechtbank ziet dit ook terug in de Structuurvisie. Duurzaamheid is één van de kernwaarden uit die Structuurvisie. Op p. 12 van de Structuurvisie staat daarover dat het aspect duurzaamheid een prominente plek bij nieuwe ontwikkelingen blijft houden. Als opgaven worden onder andere genoemd: het initiëren en faciliteren van duurzaamheidsprojecten én het uitbreiden van mogelijkheden voor alternatieve energie zoals mestvergistingsinstallaties. Tussen partijen is niet in geschil en ook de rechtbank vindt dat zonneparken onder duurzaamheidsprojecten vallen. Dat zonneparken niet expliciet in de Structuurvisie worden genoemd, leidt de rechtbank niet tot de conclusie dat het zonnepark daarom in strijd is met de Structuurvisie.

26. Het zonnepark ligt in het deelgebied dat in de Structuurvisie is aangeduid als Transformatiezone Randmeer. In deze zone liggen de gebiedskwaliteiten bos, water en open agrarisch gebied. Voor nieuwe gebiedsontwikkelingen geldt dat de bestaande gebiedskwaliteiten daarbij de basis moeten worden. Bij deze ontwikkelingen staat de diversiteit in de leefomgeving voorop. Verweerder heeft gesteld dat de gebiedskwaliteit open agrarisch gebied niet aanwezig is op de locatie van het zonnepark, omdat deze locatie ligt ingeklemd tussen de provinciale weg en het recreatiepark Harderwold en op dit moment de bestemming “Sport-Golfbaan” heeft. De rechtbank volgt verweerder op dit punt, omdat in de huidige planologische situatie geen sprake is van agrarisch gebied. Naar het oordeel van de rechtbank is het zonnepark dan ook niet in strijd met de kernpunten of de beleidsuitgangspunten van het deelgebied Transformatiezone Randmeer.

27. Eiseres 2 voert aan dat ten onrechte geen afweging is gemaakt tussen het maken van een (postzegel)bestemmingsplan of het toepassen van een projectafwijkingsbesluit zoals dat in de bestuurlijke afspraak bij het aanwijzingsbesluit is bepaald.

28. De rechtbank is van oordeel dat de bijlage met de bestuurlijke afspraak bij het aanwijzingsbesluit verweerder in deze procedure juridisch niet bindt. Uitsluitingen op het toepassingsbereik van een verklaring van geen bedenkingen moet de gemeenteraad opnemen in de bepalingen van het aanwijzingsbesluit zelf. De betekenis van de bijlage bij het aanwijzingsbesluit moet met name worden gezocht in de politieke verhoudingen tussen verweerder en de gemeenteraad en in het vertrouwen dat de gemeenteraad in verweerder stelt bij de toepassing van de aangewezen categorie waarvoor geen verklaring van geen bedenkingen nodig is. De omstandigheid dat niet kenbaar een afweging is gemaakt tussen de mogelijkheid van herziening van het bestemmingsplan of het afwijken van het bestemmingsplan, is daarom geen reden om te oordelen dat verweerder ten onrechte gebruik heeft gemaakt van zijn bevoegdheid om met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 3°, van de Wabo omgevingsvergunning te verlenen.

29. Verweerder heeft nog gesteld dat de gemeenteraad indirect wel betrokken is geweest bij deze aanvraag. Eiseres 2 vindt dit onvoldoende, omdat de gemeenteraad niet concreet heeft ingestemd met het project. Onder verwijzing naar de uitspraak van 19 oktober 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2734 stelt eiseres 2 dat de gemeenteraad kennis had moeten nemen van de zienswijzen tegen het ontwerpbesluit. De rechtbank volgt eiseres 2 daarin niet. In de uitspraak die eiseres 2 noemt, speelde een andere situatie dan in deze zaak. In de uitspraak van 19 oktober 2016 was voor het project een verklaring van geen bedenkingen vereist, maar had ten onrechte geen ontwerp van de verklaring van geen bedenkingen ter inzage gelegen. Het oordeel van de rechtbank in deze zaak is dat voor het project geen verklaring van geen bedenkingen van de gemeenteraad was vereist.

30. De tussenconclusie van de rechtbank is dat verweerder bevoegd was om de omgevingsvergunning te verlenen.

Provinciale Structuurvisie Zon

31. Eiseres 2 voert aan dat het project in strijd is met de provinciale Structuurvisie Zon, omdat niet is getoetst aan minder bezwaarlijke alternatieven zoals meervoudig ruimtegebruik. Verder blijkt niet uit de stukken dat de provincie het project passend zou vinden.

32. De rechtbank stelt voorop dat verweerder bij het verlenen van de omgevingsvergunning niet gebonden is aan het provinciale beleid uit de Structuurvisie Zon. Verweerder moet dit beleid wel in de belangenafweging betrekken. In paragraaf 3.2.4 van de ruimtelijke onderbouwing is uitgebreid ingegaan op de Structuurvisie Zon. Toegelicht is hoe het project past binnen de energieopgave van Flevoland. Verder zijn in de ruimtelijke onderbouwing de zes zogenoemde bouwstenen uit de Structuurvisie Zon besproken. In bouwsteen III Bundel en combineer staat het uitgangspunt dat de voorkeur uitgaat naar meervoudige ruimtegebruik en dat waar mogelijk gebruik kan worden gemaakt van bestaande (infra)structuur, bijvoorbeeld (snel)wegen, waterkeringen, kabels, windopstellingen etc. Ter zitting heeft verweerder toegelicht dat het niet haalbaar is om aan de energieambitie te voldoen met alleen zonnepanelen op daken. Het provinciale beleid is ruimer dan dakgebonden zon en staat ook zonnepanelen op (landbouw)gronden toen. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder voldoende gemotiveerd op welke wijze rekening is gehouden met het provinciale beleid. De rechtbank merkt nog op dat uit de stukken blijkt dat de provincie in het vooroverleg heeft aangegeven dat de bouwstenentoets goed is doorlopen en dat het areaal van de zonnepark meetelt voor de energieopgave van Flevoland.

M.e.r.-beoordeling

33. Eiseres 2 betoogt dat ten onrechte geen (vormvrije) m.e.r.-beoordeling is uitgevoerd. De rechtbank stelt vast dat de derde-partij alsnog een vormvrije m.e.r.-beoordeling heeft laten uitvoeren en dat verweerder met het bestreden besluit van 3 september 2019 heeft besloten dat geen milieueffectrapportage voor het zonnepark is vereist. Daarmee is verweerder tegemoet gekomen aan wat eiseres 2 hierover had aangevoerd. Eiseres 2 heeft hiermee dus bereikt wat zij met deze beroepsgrond wilde bereiken. Tijdens de zitting heeft eiseres aangegeven deze beroepsgrond te willen handhaven, maar zij heeft tegen de m.e.r.-beoordeling als zodanig geen inhoudelijke gronden aangevoerd. Daarom ziet de rechtbank geen aanleiding om daarover een oordeel te geven.

Natuurtoets

34. Eiseres 2 vindt verweerders weerlegging van haar zienswijze over de effecten op de natuur niet overtuigend. Zij blijft bij wat zij in haar zienswijze naar voren heeft gebracht. In de zienswijze heeft eiseres 2 kort gezegd aangevoerd dat onvoldoende is onderbouwd dat negatieve effecten op de instandhoudingsdoelen van het nabijgelegen Natura 2000-gebied zijn uitgesloten.

35. Bureau Waardenburg heeft onderzocht of de Wet natuurbescherming aan de uitvoering van het zonnepark in de weg staat. De resultaten van dit onderzoek zijn neergelegd in het rapport ‘Natuurtoets en visie zonnepark, Zeewolde’ van 3 januari 2019. De mogelijke effecten op het Natura 2000-gebied Veluwerandmeren, dat op een afstand van 0,5 km van het plangebied ligt, zijn in kaart gebracht. Er is bronnenonderzoek gedaan en op 27 november 2018 heeft een veldonderzoek plaatsgevonden. Op basis daarvan is geconcludeerd dat directe effecten als gevolg van de aanleg van het zonnepark als verlies van areaal of leefgebied door ruimtebeslag of verstoring door mechanische effecten niet aan de orde zijn. Ook indirecte effecten als gevolg van de aanleg van het zonnepark als versnippering, verdroging, verstoring en verontreiniging zijn niet aan de orde. Verder is geconcludeerd dat de aanleg van het zonnepark zal leiden tot een (zeer geringe) extra depositie van stikstof in Natura 2000-gebieden tijdens de aanleg. Volgens de natuurtoets komen in het Natura 2000-gebied Veluwerandmeren geen voor stikstofgevoelige habitattypen voor en is ook het een effect op de kwaliteit van het leefgebied van de pijlstaart en de roerdomp op voorhand uitgesloten. Negatieve effecten als gevolg van de aanleg van het zonnepark op de instandhoudingsdoelen van Natura 2000-gebieden zijn op basis van objectieve gegevens uitgesloten.

36. Verweerder heeft bij de beantwoording van de zienswijze verwezen naar de conclusies uit de natuurtoets. Daarnaast heeft verweerder met behulp van een effectenindicator inzichtelijk gemaakt welke potentiele effecten te verwachten zijn bij het Natura 2000-gebied Veluwerandmeren en welke effecten in de natuurtoets zijn getoetst. Volgens verweerder leidt het project in vergelijking tot het huidige intensievere gebruik tot een vermindering van de stikstofdepositie, omdat er alleen in de aanlegfase stikstof zal worden uitgestoten en in de jaren daarna nauwelijks.

37. De rechtbank ziet geen reden om te twijfelen aan de conclusie van de natuurtoets

dat negatieve effecten als gevolg van de aanleg van het zonnepark op de instandhoudingsdoelen van het Natura 2000-gebied Veluwerandmeren zijn uitgesloten. Eiseres 2 heeft niet gemotiveerd waarom de conclusie van de natuurtoets of de weerlegging van de zienswijze niet zouden kloppen. De rechtbank vindt dat verweerder zich op basis van de natuurtoets in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat significante effecten op het Natura 2000-gebied Veluwerandmeren zijn uitgesloten. Deze conclusie wordt bevestigd door een aanvullende stikstofberekening die Bureau Waardenburg op verzoek van vergunninghouder heeft uitgevoerd en in deze procedure heeft ingebracht. Er hoeft dan geen passende beoordeling te worden gemaakt. Verweerder heeft terecht het standpunt ingenomen dat de activiteiten waarvoor de omgevingsvergunning is aangevraagd niet ook hadden moeten worden aangemerkt als activiteiten waarvoor een vergunning of ontheffing op grond van de Wet natuurbescherming nodig is.

Landschappelijke inpassing

38. Eiseres 2 brengt naar voren dat door het project de landschappelijke openheid voor met name de nog uit te geven kavels 500, 501, 523 en 524 wordt weggenomen. Hier is volgens haar ten onrechte geen rekening mee gehouden in de ruimtelijke onderbouwing en het landschapsplan. Eiseres 2 stelt verder onder verwijzing naar een kaartje in het landschapsplan dat de omgeving van het projectgebied niet in kaart is gebracht. Dit vindt zij onzorgvuldig.

39. De ruimtelijke onderbouwing vermeldt dat op grond van een analyse van het landschap, de bestaande ecologische waarden en de ruimtelijke kenmerken van het zonnepark een visie is geformuleerd over de gewenste landschappelijk inpassing. Deze visie is uitgewerkt in een landschapsplan. Het landschapsplan maakt deel uit van de ruimtelijke onderbouwing.

40. De rechtbank stelt vast dat in de inleiding van het landschapsplan staat beschreven dat het plangebied is gelegen tussen twee natuurgebieden Harderwold en Harderbroek, tussen de N302 en de [adres] . Uit de omstandigheid dat onder het op p. 19 opgenomen kaartje ‘Beplantingsstructuur en zichten op het plangebied’ de aanwezigheid van bossen rondom het plangebied staat vermeld, kan niet worden afgeleid dat bij het opstellen van het landschapsplan van een onjuiste omgevingssituatie is uitgegaan. Op meerdere plekken in het landschapsplan worden de N302 en de [adres] genoemd. Dat in het landschapsplan niet specifiek de nog te ontwikkelen kavels worden genoemd, maakt naar het oordeel van de rechtbank niet dat het landschapsplan onzorgvuldig tot stand is gekomen.

41. De rechtbank overweegt dat in de huidige situatie geen sprake is van een open (polder)landschap, maar van een golfterrein met veel reliëf en glooiingen. Uit het landschapsplan volgt dat ervoor is gekozen om het zicht op het zonnepark vanaf de gehele noordoostzijde – waar het recreatiepark ligt – door middel van beplanting te beperken. Op de plek waar de bestaande 9-holesgolfbaan overgaat in het zonnepark zal een houtsingel worden aangelegd. Aan de noordoostzijde worden ongeveer 50 bomen met een stamomtrek van 8-10 cm geplant. Bij het landschapsplan hoort een beplantingsplan waarin de situering van de beplanting is aangegeven, welke soorten bomen/hagen er komen, de plantafstand en de hoogte of stamomtrek. In wat is aangevoerd ziet de rechtbank geen grond om te oordelen dat met het beplantingsplan niet is voorzien in een goede landschappelijke inpassing. In de omgevingsvergunning is een voorschrift opgenomen waarmee de landschappelijke inpassing overeenkomstig het beplantingsplan voldoende is gewaarborgd.

Lichthinder

42. Eiseres vreest voor lichthinder aan de kant van het recreatiepark.

43. In paragraaf 4.12 van de ruimtelijke onderbouwing is ingegaan op lichthinder. Er wordt geen lichthinder verwacht, omdat de zonnepanelen zelf geen lichtbron vormen. Reflectie van zonlicht zal zoveel mogelijk worden voorkomen, omdat dit nadelig is voor het rendement. In de ruimtelijke onderbouwing staat dat de hellings- en richtingshoek van de panelen zo zal worden gekozen dat er alleen schittering kan optreden bij laagstaande zon en dat tegenwoordig gebruik wordt gemaakt van hoogwaardige panelen die zijn voorzien van anti-reflectieglas. Het recreatiepark ligt ten noordoosten van het zonnepark. Aan die zijde wordt het zonnepark afgeschermd met hoge en dichte beplanting waardoor het zonnepark aan het zicht wordt onttrokken. Hiervoor is overwogen dat de landschappelijke inpassing voldoende is gewaarborgd. De conclusie van de ruimtelijke onderbouwing is dat aan de kant van het recreatiepark geen lichthinder of onevenredige hinderlijke reflectie van het zonnepark te verwachten valt. De rechtbank ziet geen reden om te twijfelen aan de hiervoor weergegeven bevindingen en conclusie in de ruimtelijke onderbouwing. De enkele stelling van eiseres 2 dat zij vreest voor lichthinder is daarvoor onvoldoende. Eiseres 2 had dat nader moeten onderbouwen en dat heeft zij niet gedaan. De rechtbank is dan ook van oordeel dat verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het zonnepark geen onaanvaardbare lichthinder of hinderlijke reflectie tot gevolg zal hebben.

Geluidhinder

44. Eiseres 2 verwacht dat het zonnepark tijdens regenbuien geluidoverlast zal veroorzaken. Ook vreest zij voor geluidhinder van de op het zonnepark aanwezige inverter-transformatorstations.

45. Verweerder stelt zich op het standpunt dat er geen onaanvaardbare geluidhinder valt te verwachten. De rechtbank volgt verweerder hierin. Zij betrekt hierbij dat in de ruimtelijke onderbouwing is ingegaan op de vraag of het geluidsaspect van het zonnepark in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening. De twaalf inverter-transformatorstations op het zonnepark veroorzaken geluid. Voor de beoordeling van deze geluidhinder is gebruik gemaakt van de VNG-brochure. Omdat in de Staat van Inrichtingen bij de brochure geen zonnepark voorkomt, is aansluiting gezocht bij de omschrijving van elektriciteitsbedrijven waar ook transformatoren en omvormers aanwezig zijn. De VNG-brochure schrijft een minimale afstand van 30 meter tot de dichtstbijzijnde woningen voor. Hieraan wordt ruimschoots voldaan. Verder staat in de ruimtelijke onderbouwing dat het zonnepark onder de werkingssfeer van het Activiteitenbesluit valt. Dit betekent dat voldaan moet worden aan de geluidsvoorschriften uit het Activiteitenbesluit.

46. De gemachtigde van vergunninghouder heeft ter zitting toegelicht dat bij de recreatiewoningen geen geluidhinder als gevolg van stevige regenval te verwachten valt, omdat het geluid van regen op de zonnepanelen wordt overstemd door het geluid van regen dat neervalt op de daken van de recreatiewoningen en in plassen. De rechtbank kan dit volgen en eiseres 2 heeft bovendien niet onderbouwd waarom desondanks toch geluidshinder is te verwachten bij regen.

Gevolgen voor het recreatiepark

47. Eiseres 2 betoogt dat zij belang heeft bij behoud van de 27-holesgolfbaan, omdat het recreatiepark zonder substantiële golfbaan niet houdbaar is. Het opheffen van de 18-holesgolfbaan is volgens haar niet in overeenstemming met een goede ruimtelijke ordening. De golfbaan en het recreatiepark zijn in het verleden samen planologisch ingepast, omdat beide functies elkaar nodig hebben. Verweerder heeft ten onrechte niet onderzocht wat de levensvatbaarheid van het recreatiepark is bij het wegvallen van 18-holesgolfbaan.

48. In de ruimtelijke onderbouwing is uiteen gezet dat een gezonde exploitatie van een 27-holesgolfbaan in de huidige tijd niet eenvoudig is vanwege de hoge onderhoudskosten in combinatie met de afnemen van de populariteit van de golfsport. Het aantal leden van de golfvereniging is de afgelopen jaren met 50% afgenomen, onder meer vanwege de grote concurrentie van de vele andere golfbanen in de nabije omgeving. Verder vermeldt de ruimtelijke onderbouwing dat steeds meer golfers kiezen om een 9-holesgolfbaan te gaan lopen in plaats van een 18-holesgolfbaan. De golfbaan wil hier graag op anticiperen en heeft er daarom voor gekozen om terug te gaan naar een 9-holesgolfbaan. Voor het resterende terrein van de golfbaan is een herbestemming gevraagd voor de aanleg van een zonnepark. Hiermee verwacht de exploitant dat de golfbaan weer gezond geëxploiteerd kan worden. De rechtbank kan de ruimtelijke onderbouwing op dit punt goed volgen.

49. De omstandigheid dat het recreatiepark en de golfbaan planologisch zijn verankerd in het bestemmingsplan “Harderworld e.o,”, betekent niet dat dit altijd zo moet blijven. In dit bestemmingsplan is niet vastgelegd dat de golfbaan behouden moet blijven voor het recreatiepark of andersom. De rechtbank deelt het standpunt van eiseres 2 dat het recreatiepark alleen ruimtelijk aanvaardbaar is met een golfbaan dan ook niet. Ook is niet gebleken van bindende afspraken hierover.

50. Op grond van gewijzigde inzichten kunnen bestemmingen van gronden wijzigen. Bij een functiewijziging zoals hier moeten alle betrokken belangen in de belangenafweging meegewogen worden. De rechtbank stelt vast dat in de belangenafweging aandacht is besteed aan de belangen van eiseres 2. Bij de beantwoording van de zienswijze is toegelicht dat door de aanleg van het zonnepark een gezonde exploitatie van een 9-holesgolfbaan realistisch is. Anders dan eiseres 2 stelt, is het behoud van de 9-holesgolfbaan geen voorwaarde voor het realiseren voor het zonnepark. Bij de landschappelijke inpassing is rekening gehouden met deze golfbaan, omdat deze feitelijke aanwezig is. Eiseres 2 stelt weliswaar dat de 9-holesgolfbaan geen economisch bestaansrecht heeft, maar zij heeft dit op geen enkele wijze aannemelijk gemaakt, zodat het niet onredelijk is dat verweerder bij de afweging van de belangen is uitgegaan van het behoud van deze golfbaan. Volgens verweerder biedt het planologisch behouden van de 27-holesgolfbaan geen garantie dat deze ook blijft bestaan, gelet op terugloop van het ledenaantal en de daarmee samenhangende onrendabele situatie. De rechtbank oordeelt dat het afwegen van de belangen van eiseres 2 niet zo ver strekt dat verweerder had moeten onderzoeken of het recreatiepark rendabel blijft door het verdwijnen van 18-holesgolfbaan. Van belang hierbij is dat het recreatiepark niet bepalend is voor de ruimtelijke aanvaarbaarheid van het zonnepark. Het zonnepark kan immers functioneren zonder het recreatiepark. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder in de belangenafweging voldoende rekening gehouden met de belangen van eiseres 2. Gelet op de beperkte ruimtelijke uitstraling van het zonnepark en de omstandigheid dat de 9-holesgolfbaan behouden blijft, vindt de rechtbank het niet onredelijk dat aan de belangen van eiseres 2 geen doorslaggevend gewicht is toegekend.

Recht van opstal

51. Eiseres 2 brengt naar voren dat zij een recht van opstal heeft met betrekking tot een waterleiding onder een perceel ter plaatse van het zonnepark. Het recht van opstal strekt zich uit over een breedte van twee meter langs de waterleiding en houdt in dat het tracé van de waterleiding vrij moet blijven voor onderhoud. Eiseres 2 betoogt dat hier in de ruimtelijke onderbouwing ten onrechte geen rekening mee is gehouden. Ter zitting heeft eiseres 2 toegelicht dat zij met deze beroepsgrond ook betoogt dat door het recht van opstal sprake is van een evident privaatrechtelijke belemmering.

52. Op grond van vaste rechtspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State bestaat voor het oordeel van de bestuursrechter dat een privaatrechtelijke belemmering aan de verlening van een omgevingsvergunning in de weg staat, slechts aanleiding wanneer deze een evident karakter heeft. De burgerlijke rechter is immers de eerst aangewezene om de vraag te beantwoorden of een privaatrechtelijke belemmering in de weg staat aan de uitvoering van een activiteit.1

53. Tussen partijen is niet in geschil dat een recht van opstal is gevestigd op een perceel waar een deel van het zonnepark is voorzien. De rechtbank oordeelt dat niet gezegd kan worden dat het recht van opstal een evidente privaatrechtelijke belemmering is die aan het realiseren van het zonnepark in de weg staat. Het recht van opstal rust op het kadastrale perceel [nummer] en dit is maar een klein deel van het hele projectgebied. Verder is van belang dat uit de stukken en de op de zitting gegeven toelichting naar voren is gekomen dat niet duidelijk is of en waar de waterleiding ten behoeve van het recreatiepark precies ligt. Eiseres 2 beschikt niet over deze informatie, omdat zij de percelen in de buurt van het zonnepark nog niet zo lang in eigendom heeft en nog geen onderzoek heeft gedaan naar de waterleiding.

54. Ter onderbouwing van het standpunt dat het recht van opstal en het zonnepark niet met elkaar verenigbaar zijn, heeft eiseres 2 ter zitting verwezen naar de website van Ingenieursbureau Petersburg, deskundige op dit gebied. Volgens de deskundige kunnen er bij het zonnepark gevaarlijke spanningen ontstaan waardoor leidingen en kabels kunnen beschadigen. Met deze algemene informatie, die meer lijkt te zien op bovengrondse leidingen en kabels, heeft eiseres 2 niet aannemelijk gemaakt dat het recht van opstal niet verenigbaar is met het zonnepark. Daarbij betrekt de rechtbank dat het, zoals hiervoor overwogen, onduidelijk is of de waterleiding er (nog) ligt. De rechtbank ziet daarom geen aanknopingspunten om te oordelen dat het recht van opstal op gronden waar het zonnepark wordt gebouwd in strijd zou zijn met een goede ruimtelijke ordening. Vergunninghouder heeft ter zitting verklaard dat het recht op opstal gerespecteerd zal worden, zodat de waterleiding - als die er blijkt te liggen - bereikbaar blijft.

Kabels, leidingen en netwerkcapaciteit

55. Eiseres 2 meent dat het zonnepark niet uitvoerbaar is. Om het zonnepark aan te sluiten op het elektriciteitsnet is het noodzakelijk dat kabels worden aangelegd, maar de daarvoor benodigde vergunning is nog niet aangevraagd. Zij betwist het standpunt van verweerder dat het tracé van de kabels zonder meer inpasbaar is.

56. Uit de stukken en de op de zitting gegeven toelichting is naar voren gekomen dat de voor het zonnepark benodigde capaciteit op het elektriciteitsnet al is gereserveerd. Gemachtigde van vergunninghouder heeft op de zitting toegelicht dat Liander bezig is met een tracéstudie en dat Liander als eigenaar van de kabels de aanvraag zal indienen. Als voor een deel van het tracé een omgevingsvergunning nodig is, dan ziet verweerder geen belemmering voor het verlenen van deze omgevingsvergunning, omdat er meerdere tracés denkbaar zijn. Eiseres 2 heeft dit onvoldoende weersproken. De rechtbank is van oordeel dat verweerder er op voorhand in redelijkheid vanuit heeft kunnen gaan dat een eventuele benodigde omgevingsvergunning voor de aanleg van kabels niet aan de uitvoerbaarheid van het zonnepark in de weg staat.

Conclusie

57. Gelet op alles wat hiervoor is overwogen komt de rechtbank tot de conclusie dat verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het zonnepark niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Dit betekent dat verweerder de omgevingsvergunning in redelijkheid heeft kunnen verlenen.

58. Het beroep van eiseres 2 is ongegrond.

Proceskostenveroordeling en griffierecht

59. Verweerder heeft in beroep een gewijzigd besluit genomen en ter zitting erkend dat de eerst verleende omgevingsvergunning onrechtmatig was voor zover dat zag op het voorschrift over de landschappelijke inpassing. De rechtbank ziet hierin aanleiding om verweerder te veroordelen in de door eiseres 2 gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.050,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor de zitting met een waarde per punt van € 525,- en een wegingsfactor 1). Daarnaast dient verweerder aan eiseres 2 het door haar betaalde griffierecht te vergoeden.

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart de beroepen van eisers 1 tegen de besluiten van 18 maart 2019 en 3 september 2019 niet-ontvankelijk;

  • -

    verklaart het beroep van eiseres 2 tegen het besluit van 18 maart 2019 niet-ontvankelijk;

  • -

    verklaart het beroep van eiseres 2 tegen het besluit van 3 september 2019 ongegrond;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres 2 voor een bedrag van € 1.050,-;

  • -

    bepaalt dat verweerder het door eiseres 2 betaalde griffierecht van € 345,- aan haar vergoedt.

Deze uitspraak is op 27 mei 2020 gedaan door mr. K. de Meulder, voorzitter,

mr. N.H.J.M. Veldman-Gielen en mr. N. van Esch, leden, in aanwezigheid van

mr. S.C.J. van der Hoorn, griffier.

Als gevolg van maatregelen rondom het coronavirus is deze uitspraak niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Zodra het openbaar uitspreken weer mogelijk is, wordt deze uitspraak, voor zover nodig, alsnog in het openbaar uitgesproken.

de griffier is verhinderd

deze uitspraak te tekenen

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

1 Bijvoorbeeld de uitspraak van 26 juli 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1997.